Naar de inhoud

TEMPO DOELOE (Vroegere tijden)

Herinneringen aan mijn geboorteland
akke.beakke.be
Ik werd in 1938 geboren in het toenmalige Nederlands-Indië, in Batavia. In 1956 ben ik met mijn ouders, broer en zuster naar Nederland gerepatrieerd. De verhalen op deze weblog gaan over herinneringen aan mijn LAND VAN HERKOMST. (Door op de foto's bij de artikelen te klikken worden deze enigszins vergroot)

Archief

De betjak, HET vervoermiddel in het Batavia van na de oorlog

De betjak, HET vervoermiddel in het Batavia van na de oorlog.

Toen we nog in Batavia woonden (tot maart 1956) was de betjak nog een veel gezien vehikel in de stad (nu verboden in de binnenstad).
Deze driewielige fietstaxi, waarbij de passagiers voor de bestuurder zitten,was het vervoermiddel bij uitstek als je ergens heen moest en je geen zin had om te lopen of omdat de afstand te groot was om te voet te gaan . Zo huurden we altijd een betjak om naar het museum (Koningsplein), naar de dierentuin of naar de bioscoop te gaan.
Betjaks met of zonder passagiers doorkruisten de straten van de stad en je hoefde slechts voor je eigen deur te staan en een betjak aan te roepen, die op dat moment geen passagiers had te vervoeren.
Uiteraard moest er eerst worden getaward ( tawarren=afdingen). Dat was een hele sport, waarbij je niet te snel moest instemmen met het door de  toekang betjak ( de bestuurder) voorgesteld bedrag, maar desnoods ‘dreigt’ naar de concurrentie te stappen. Betjaks genoeg immers!
Meestal wordt dan al gauw een veel lagere prijs genoemd.
In een betjak kunnen  twee, soms ook drie passagiers worden vervoerd, als ze niet al te groot of dik zijn, want dan begint de toekang betjak al bij voorbaat te kreunen en kun je beter meerdere betjaks huren voordat de pas gesloten deal eenzijdig wordt geannuleerd.

Is de deal gesloten, dan kan worden ingestapt. Afhankelijk van het weer wordt al dan niet met een dak van zeildoek gereden. Regent het, dan worden ook de zijkanten en de voorkant van de passagiersruimte bedekt met zeildoek, waarin meestal een raampje van doorzichtig mica is aangebracht.

In de regentijd, als de straten in de wijk Kemajoran, waar we woonden, blank stonden, dan huurden wij, kinderen, vaak een betjak om ons door de straten te laten rondrijden. Dat was een happening op zich! Het geluid van de wielen die door het water kliefden, het water dat aan alle kante hoog opspatte… je waande je in een soort motorboot…. Meestal wisten we hiervoor  wel een toekang betjak  te strikken, die het zelf ook leuk vond, want het was zwaar trappen door het water! Als we geluk hadden, dan werden we gereden door de betjakbestuurder Amat , die mijn ouders al kende van de tijd voor de oorlog, toen we nog in een ander huis woonden in dezelfde wijk. Deze man had bovendien ook nog een oogje op onze baboe Tjemiel, dus was hij altijd schappelijk in zijn prijs, vooral als we Tjemiel vroegen om voor ons een deal te sluiten.

Op een zondag zouden we naar de dierentuin gaan. We huurden, na flink tawarren, 2 betjaks. In de voorste zat mijn moeder en broer Johan, in de tweede betjak mijn vader en ik, terwijl zusje Yvonne bij mijn vader op schoot.
Toen we een tijdje hadden gereden maakte de bestuurder van de betjak waar mijn moeder en broer in zaten in een tamelijk scherpe bocht een verkeerde manoeuvre, waardoor het voortuig omkiepte en op zijn zij kwam te liggen. Mijn broer was al snel uit de betjak gekropen en terwijl mijn moeder om hulp riep greep mijn broer naar mijn moeders tas.
“ Waarom help je mij niet eerst overeind? “  vroeg  mijn moeder verontwaardigd aan haar oudste (en dus meest verantwoordelijke….)  zoon nadat ze zelf met veel moeite uit het voertuig was gekropen.
 Waarop die laconiek antwoordde: “ Eerst moet je tas met het geld veilig zijn, anders kunnen we niet naar de dierentuin”.
En als kleine broer (adik) vond ik toen dat grote broer (boeng) gelijk had…..

  

 


 
 

 

Geschreven door rene persijn om 16:00

Het stond in de kranten geschreven!!

Het stond in de kranten geschreven....

Toen we in Batavia woonden ( van na de oorlog tot maart 1956) was mijn vader geabonneerd op de Javabode en later op  de Nieuwsgier.
Voor school moest ik voor het vak Geschiedenis en dan in het bijzonder voor het project “ History in making” (docent: Van den Berg) vaak artikelen/foto’ s uit de krant knippen ( zie ook het artikel “De eerste AA-conferentie“  op deze weblog).
Daardoor werd ik (achteraf gezien: heel positief)  gedwongen de krant goed te lezen. Natuurlijk sloeg ik daarbij de stripverhalen niet over, al droegen die niet bij  aan een verhoging  van de kwaliteit van je intellectuele bagage……….(aldus de pedagogen…).
Zo was er de spannende strip ‘ Flash Gordon” (tekenaar Alex Raymond), die de spannende avonturen liet zien van Flash Gordon en zijn genootschap, bestaande uit Dr.Hans Zarkov en Dale Arden op de planeet Mongo.
En uiteraard ook ‘ Tekko Taks” (Henk Kabos),  “ Tom Poes” en “Kappie” van de maarten Toonder Studio’s.
Leuk om te zien vond ik ook de kale, maar slimme Henry, getekend door Don Trachte.

Maar genoeg over de strips. Ik moest immers de kranten lezen voor “ History in making”, dus ik moest mijjn aandacht vooral richten op de actuele politieke en culturele gebeurtenissen van die dagen.
En die vond ik volop in die twee dagbladen,  de Nieuwsgier en de Javabode.



De Nieuwsgier
De Nieuwsgier was eigenlijk een ex-kampkrant. In augustus 1945, vlak na de Japanse capitulatie, verscheen het gestencilde nieuwsbulletin de “ Tanah Abang Bode” . Onder leiding van journalist J.G. Gleichman (overleden in 1990) werd dit nieuwsblad dagelijks in het kamp “ Tanah Abang” (Batavia) op een stencilmachine gedraaid en verspreid.
In september 1945 verandert de naam in “ Nieuwsgier”, een blad dat al snel uitgroeide tot een opinieblad.
In 1948 verschijnt de “ Nieuwsgier”, Ochtendblad voor Indonesië, in gedrukte vorm in krantenformaat.
J.G. Gleichman  bleef hoofdredacteur tot  1949, toen hij overstapte naar het “ Nieuwsblad voor Sumatra”, waar hij van 1950 tot 1955 werkzaam was.
In 1949 / 1950  was Jaap Joppe hoofdredacteur van de Nieuwsgier.


De Javabode.
De Javabode, Algemeen Dagblad voor Nederlands(ch)-Indië was een voortzetting van het Bataviaasch Advertentieblad (1851-1852).
Verschijningsjaren Javabode :  1852-1942, 1949-1957
In 1932 werd Henri Carel  Zentgraaff (1874-1940), die tot dan in Soerabaja woonde en werkte als freelance- journalist, hoofdredacteur en directeur van de Javabode.

In beide kranten kon ik voldoend materiaal vinden voor het “ History in making”-project, zoals uitvoerige verslagen en fotoreportages over de eerste A-A- (Aziatisch-Afrikaanse) conferentie in Indonesia in 1955 , het proces tegen de Nederlandse zakenman Leon Nicolaas Jungschlager, die in 1954 in Djakarta werd gearresteerd onder beschuldiging van het op touw zetten van een samenzwering met het doel de Indonesische regering omver te werpen.
Maar ook verslagen van de Tour de France, zoals die van 1955 met bekende namen als  Fransman Louison Bobet (Fransman, winnaar in dat jaar), de Luxemburger  Charly Gaul, de Belg Stan Ockers en de Nederlander Wout Wagtmans.  
En natuurlijk ook de voetbalverslagen, maar die werden ook gevolgd via de radio. Door de speaker hoorde je dan namen als Abe Lenstra, Faas Wilkes, Kees Rijvers.

 

 

 

 

 

 

 


 



34051-284810e9753882463241faf54b8e9bf0.jpg

34051-2f2bfca76bc77888ef5185040bccdf3e.jpg

34051-b534a94d02a4c6bba3592bb69a2474f7.jpg
Geschreven door rene persijn om 13:41

Sinterklaas, goed heilig man!

Sinterklaas, goed heilig man…

 

Ieder jaar kwam hij weer met het vliegtuig uit Spanje (?) aan en landde dan op het vliegveld Kemajoran, waar ik vlakbij woonde (Vliegveldlaan / Jalan Garuda).

En bijna elk jaar begon hij zijn toespraak weer met de woorden: “Ik kom niet alleen als kindervriend, maar ook als een voogd van de vrede, een VREDEVOOGD”, warmee hij tevens aangaf wie hij onder zijn tabberd was, wie zijn alterego was..

Immers na de oorlog was het meestal Nico Vredevoogd, die de tabberd aantrok en de mijter opdeed en speciaal voor de kinderen een andere identiteit aannam, namelijk die van de goede Sint…

En in die hoedanigheid heeft hij onvermoeid en met veel overgave voor duizenden kinderen een sprookje tot werkelijkheid gemaakt. Hij verscheen niet alleen als de bisschop van Myra op het vliegveld, maar ook op tal van kinderfeesten en daar bracht hij datgene over wat hij ook in de krijgsgevangenkampen op de gevangenen overbracht met zijn zang en voordracht: zijn optimisme en zijn innerlijke blijdschap.

 

Nico Vredevoogd was zowel vlak vóór als ook na de oorlog een bekende naam In Batavia / Jakarta en verre omgeving.

Via de radio bracht hij vaak gevoelige liedjes ten gehore en met zijn  “Habis Boelan”- en later het “A topt Z”-cabaret trad hij vaak op.

Na de oorlog woonde hij in een door bloemen en planten omgeven paviljoen, gelegen naast het COMEMO-filiaal op Nusantara, waar hij de filiaalhouder van was.

Zijn kinderen, Wim en Marian, zaten tegelijkertijd met mij op de CAS aan het Koningsplein (Lapangan Merdeka) ( zie ook het artikel  “Op de CAS” op deze weblog), alsmede de kinderen van zijn broer, Nico en Wim.

 

Nico Vredevoogd, de goede Sint, had als Groninger ook de bijnaam “de Indische troubadour” gekregen en was als zanger onder de Indo’s bekend en geliefd.

Op 8 mei 1953 stierf  Nico Vredevoogd en werd hij begraven op de Begraafplaats Menteng Poelo.

 

In het Indisch maandblad “Tong Tong” stond eens onderstaand gedicht over Nico Vredevoogd, geschreven door Piertje Pelikaan:

 

Nico Vredevoogd

 

Hij heeft de zang van Nederland

gedragen door het Tropenland,

zijn stem klonk door de radio

vol weemoed van de Domino.

Hij zong zijn milde levenslied

van blijheid en van stil verdriet

“met d’olifant” - die tot besluit-

“de kaarsjes doofde….’t lied was uit”.

 

Hij heeft gehouden van dat land

haast méér dan van zijn vaderland,

van mensen en van zonneschijn,

van het leven, dat zijn deel mocht zijn.

Hij heeft de taal, die hij zich dacht

al zingende tot ons gebracht

en vond voor ’t eerzaam dienstbetoon

in zacht applaus zijn eerlijk loon.

 

Toen is het lied opeens verstild….

Hij heeft dat nooit zo vroeg gewild;

nog eenmaal, voor de laatste keer

ging het gordijn omhoog en neer…

Hij zong terwille van de zang,

van dag op dag en jarenlang

en sinds die klank verstorven is,

beseffen wij haar diep gemis.

 

Hij nam het leven om het lied

en zong en zong….. vergeet dat niet.

Hij kòn niet ongelukkig zijn

bij kleur en klank van zijn refrein….

Zó is dit niet vergeefs gewest,

want stof vergaat, maar niet de geest,

zodat wij zijn herinnering

bewaren als een kostbaar ding.

 

PIERTJE PELIKAAN

 

 

 

 

 

 

Geschreven door rene persijn om 15:16

Het mooiste meisje van de school

Het mooiste meisje van de school

 

We schrijven 1954.  Ik zat op de HBS van de Carpentier Alting Stichting aan de Lapangan Medan Merdeka (voorheen Koningsplein) in Jakarta (Batavia / Djakarta)

Ik hield me (nog) niet echt bezig met het vrouwelijk schoon. Of toch wel? Er was één meisje waar ik toch graag naar keek, Madeleine. Ze zat op de M.M.S. (Middelbare Meisjes School ), van dezelfde stichting. Het gebouw van de M.M.S. stond op hetzelfde terrein als de H.B.S., het Gymnasium en de MULO. Als we pauze hadden dan had Madeleine toevallig ook pauze en stond ze vaak te praten met vriendinnen. Ik stond dan ongeveer 5 meter bij hen vandaan met enkele klasgenoten (waaronder Herman Stam, Eddy Slamet, Fred Corporaal) te praten  en ik ging meestal zo staan dat ik Madeleine goed kon zien. Wat was ze knap….

Uit de opmerkingen die ik van andere jongens hoorde maakte ik op, dat ik niet de enige jongen was, die haar knap vond. Ze was blijkbaar voor een heleboel jongens het mooiste meisje van de CAS!

Maar hoe kon ik haar benaderen?Ik had er geen enkele ervaring mee. Zou ik eerst een keer aan haar vragen of ik haar naar huis mocht brengen? Want ik wist dat ze altijd lopend naar school ging. Maar waar woonde ze eigenlijk?

Ik besloot om die middag, als de school uit was, haar als een soort detective te volgen om te kijken waar ze woonde. Ik was zelf op de fiets, maar die kon ik dan wel zo lang op school laten.

Ik vond het zelf een heel goed plan en toen de bel ging voor de hervatting van de lessen, ging ik opgewekt naar de klas. Geen les, hoe oninteressant ook, kon me uit mijn goede humeur halen.

 

Toen de school uitging zette ik mijn schooltas vast op  de bagagedrager van mijn  fiets zodat ik die niet hoef mee te sjouwen op mijn achtervolgingstocht. Ik zou de fiets dan later wel ophalen. Ik zag Madeleine zwaaien naar haar klasgenoten en met de tas over de schouder naar de uitgang van het schoolterrein lopen. Ik liep achter haar aan, niet te snel uiteraard om niet op te vallen en op een afstand, maar wel dicht genoeg om haar niet uit het oog te verliezen. Ze liep de poort uit en ging links af. Dus niet de kant op van het Waterlooplein ( Lapangan Banteng), zoals ik altijd moest fietsen om naar de wijk Kemajoran te gaan waar we woonden. Als het maar even kon, dan verschool ik me telkens eventjes achter een boom. Dit had ik afgekeken van de achtervolgingsscènes in detectivefilms. En bomen waren er toch genoeg….

Toen ik weer eens achter een dikke boom wilde duiken zag ik dat daar al een andere jongen stond, die kennelijk op hetzelfde idee was gekomen als ik, namelijk om Madeleine te schaduwen. Ik kende hem alleen van gezicht. Hij zat een klas hoger dan ik, was een good-looking-Indo, zo eentje met een rijzige gestalte, een lichte huid (koelit langsep), zwart haar en blauwe ogen, een type ‘filmster’, Roger Moore bijvoorbeeld…

 

Toen ik hem zag kwam ik tot de conclusie, dat ik bij het dingen naar de gunsten van Madeleine tegen deze ‘Roger Moore’ geen enkele kans maakte. Ik liep terug naar school. pakte m’n fiets en fietste naar huis. Adieu, Madeleine!

Geschreven door rene persijn om 08:03

Stoomvaart Maatschappij Nederland

Stoomvaart Maatschappij Nederland

 

Toen we nog op de Vliegveldlaan 56 woonden en we nog niet wisten dat we eens met het motorschip “Oranje” van de S.M.N. Stoomvaart Maatschappij Nederland naar Nederland zouden (moeten) vertrekken , had mijn broer Boengke ( Johan Marcus Polydor)  al met de S.M.N. te maken.

Na zijn lager schooltijd aan de Javaweg 66 (zie ook het artikel “Lopend naar school” op deze weblog) ging hij naar de Christelijke Middelbare School aan  de Sluisbrugstraat ( op nr.11)  De naam van deze school werd later (na de souverniteitsoverdracht) omgedoopt tot S.M.P. (Sekolah Menenengah Pertama) Keristen, terwijl de straat vanaf  die tijd Jalan Pintu Air heette.

Na zijn schooltijd ging mijn broer werken en wel bij de Stoomvaart Maatschappij Nederland aan  de Medan Merdeka Barat 3 ( voorheen Koningsplein-West).

De S.M.N. werd opgericht op 13 mei 1870 door onder meer prins Hendrik der Nederlanden.

Van zijn S.M.N.-salaris kocht hij een nieuwe fiets die er wel héél anders uitzag dan de mijne, die voor een groot deel eigenhandig was samengesteld uit onderdelen van diverse gekregen of gevonden fietswrakken van even zo veel verschillende merken en die zich dan ook vaak gedroeg als een ‘monster van Frankenstein’, namelijk onberekenbaar en levensgevaarlijk!

 

Broer Johan begon zijn loopbaan bij de S.M.N. op het Passagebureau op de bagageafdeling. De toenmalige chef van het passagebureau was  de heer Koomen en de directe chef van mijn broer was Frans Soeters (Soeters was trouwens een bekende familienaam  in het toenmalige Nederlands-Indië).

Gedurende het laatste gedeelte van zijn loopbaan bij de S.M.N. (we verlieten Indonesia op 19 maart 1956 met de “Oranje” (vaart nr.56, gezagvoerder J. Lassche) was hij verantwoordelijk voor de aankoop en verzending van drukwerk en kantoorbehoeften voor de S.M.N. en haar agentschappen in Indonesia.

In die periode was  Raden Sulaeman Kusumahdinata zijn directe chef.

Het gebouw van de S.M.N. stond  tussen het gebouw van de Radio Republiek Indonesia en dat van het Hoge Commisariaat der Nederlanden, waar we in een later stadium (toen we al wisten dat we zouden repatriëren) voorlichtingsfilms over Nederland zouden bekijken om zo iets meer te weten te komen over ons vaderland, dat we nog nooit hadden gezien.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Geschreven door rene persijn om 14:59

Henkie, de vliegerjager

Henkie, de vliegerjager

In het artikel “Keesie, (Hollandse) voetbalvriend uit mijn jeugd” op deze weblog schreef ik over een Rotterdamse jongen in Kemajoran, mijn voetbalvriend.

Dit verhaal gaat over een andere vriend van mij uit die Kemajoran-tijd. Een vliegervriend.

 

Henkie was de zoon van een Hollandse vader en een Hollandse moeder. Beiden waren tijdens de oorlog met Japan overleden en hij werd daarna verzorgd en opgevoed door ‘Oma Henkie’ , die geen echte oma van hem was maar een oude baboe, die bij zijn ouders had gediend en misschien, afgaande op haar leeftijd, die ik schatte op ruim 60, ook al bij zijn grootouders. Ze had een tanig gezicht met heel veel rimpels, die zo mooi en regelmatig over haar gezicht liepen, dat haar vriendelijk gezicht  me vaak deed denken aan  een  patjeh.

Ze had voor het huis waar ze met Henkie woonde een stalletje laten bouwen, waar ze gado-gado verkocht  en zo wat geld verdiende voor zichzelf en haar Henkie.

Aan alles was te merken, dat Henkie en ‘Oma Henkie’ heel veel om elkaar gaven.

Henkie en ik gingen elke zondagmiddag naar de zondagschool (bij de Haantjeskerk). Beiden kregen we dan van huis wat kleingeld mee voor de collecte ten behoeve van die arme hongerige negertjes in Afrika. Als ik Henkie van zijn huis afhaalde ( we liepen altijd naar de zondagsschool), dan stopte oma Henkie het collectegeld bij Henkie in de broekzak en zei ze steevast tegen ons dat we goed op elkaar en op het geld moesten passen.

Op elkaar passen dat deden Henkie en ik altijd wel, maar op de centen…..

Weet je, de afstand  van huis naar de zondagschool  was nogal groot (heel Vliegveldlaan af, dan nog de Goenoeng Sari en dan nog die lange Pintoe Besi tot aan de Haantjeskerk) en we kwamen onderweg heel veel kraampjes tegen met lekker koude drankjes en  heerlijke hapjes. en soms brandden de centen in onze broekzakken. Dan keken Henkie en ik elkaar aan en zonder er woorden aan vuil te maken begreep de één de ander en werd wat van het collectegeld (niet alles natuurlijk!. De rest was voor die arme negertjes) bij een stalletje omgezet in en koele dronk of een lekkere pittige hap. Ik moet hier eerlijkheidshalve bekennen, dat ik me helemaal niet bezwaard voelde, want ik rekende mezelf ook tot het minder draagkrachtig deel van de wereldbevolking.

En of de drankjes en hapjes wel hygiënisch waren klaargemaakt, dat heb ik me nooit afgevraagd en Henkie kennelijk ook niet.

 

Behalve mijn zondagsschoolmaatje was Henkie ook een goede ‘vliegerjager’(boeaja lajangan). In Kemjoran werd veel en vaak gevliegerd. Niet alleen met siervliegers, maar ook met vechtvliegers. Een huisvriend van ons, Hendrik Jellema, was één van de djago’s  (kampioenen) van Kemajoran.

Bij het vechtvliegeren (adoe lajangan)gaat het er om elkaars touw door te slijten, door te snijden, door je eigen touw schuins op het touw van de ander te plaatsen en vervolgens te vieren(als je draad boven op de draad van je tegenstander lag )of juist in te halen (als jouw draad onderlag). Een mooie, snelle duikvlucht kon heel effectief zijn als je meteen en heel snel je draad kon vieren, zodat de ander geen tijd kreeg om zich te verdedigen.

 

Om een echte djago te kunnen worden, waren enkele dingen belangrijk:

Je moest een  vlieger hebben, die zowel onbeweeglijk in de wind kan blijven hangen, als nauwlettend de bewegingen van je hand kan volgen en dus snel kan duiken of stijgen, en naar links of rechts kan uitwijken; De vlieger moet dus goed uitgebalanceerd zijn In het goed uitbalanceren van de vlieger werd veel tijd geïnvesteerd.

Je touw moet bestaan uit sterk naaigaren aan één stuk, dus niet van aan elkaar geknoopte restjes ( da’s voor vliegerende meiden!) ; bij voorkeur Tjap  Gajah( naaigaren met een olifant als handelsmerk)

Dat garen werd dan “”gegelast” ( van glasgruis voorzien).

Het garen wordt hiervoor voorzien van een scherpe coating door het door een mengsel van kah (chinese houtlijm en fijngestampt glas te trekken.

Hendrik had de allerbeste *gelasan-mix van de stad, in elk geval van heel Kemajoran en dan uiteraard volgens eigen zeggen. Zijn “geheim “ recept  bestond naast de basisingrediënten (kah en tot fijn gruis gestampt glas) nog uit een speciaal ingrediënt, namelijk een flinke eetlepel kippenpoep( tembelek ajam). Dit werd heel zorgvuldig ( er mocht gen zand meekomen) uit het kippenhok geschraapt en heel goed door het glas-kahmengsel geroerd .

De kah werd tot een vloeibaar papje gekookt en vermengd met glasgruis . Bepalend voor de kwaliteit van je “gelasan” ( zo werd het gecoate draad genoemd)  was de verhouding kah-glasgruis en het soort glas. Hendrik gebruikte doorgaans flessenglas, anderen gaven de voorkeur aan lampenglas

De draad werd eerst tot een bol opgewonden (verglijkbaar met een kluwen wol) in de gelasan-mix gedoopt en het uiteind van de draad aan de pagger (heg)  vastgemaakt en het bolletje weer afgewonden terwijl je met je vinger de glasmnix weer van de draad veegt en de draad al heen en weer lopend aan  de pagger ophangt .En dan de draad maar  laten drogen in de  zon. Als de draad droog is, wordt die draad opgewonden op een groot blik om tijdens het vliegeren het touw gemakkelijk te kunnen vieren. Meestal werd hiervoor een groot Blue Bandblik gebruikt.

Henkie was een rasechte en loepzuivere boeaja lajangan, een vliegerpiraat. De boeaja-lajangans zijn de jongens die afwachten tot een vlieger na een gevecht neerdwarrelt om deze  zo mogelijk in te pikken. Wie de vlieger het eerst te pakken had, werd de nieuwe eigenaar van de vlieger en meestal kon je dan de vlieger voor een zacht prijsje(!) weer aan de vorige eigenaar verkopen, vooral als die vlieger een goed uitgebalanceerde en daardoor ook een goed wendbare vechtvlieger was.

Henkie was als jongen van Hollandse afkomst groter en sterker dan zijn Javaanse leeftijdsgenoten en hij was dan ook dikwijls de eerste die een neerdwarrelende vlieger te pakken kreeg.De boeaja-lajangans hadden bijna allemaal hun glahs (stokken) bij zich. Henkie had een lang bamboestok met aan het einde  een haakje van ijzerdraad om de vlieger bij de driehoekige bedrading te kunnen pakken  nog voordat de vlieger de grond raakte .

Met Hendrik Jellema had Henkie een deal gesloten, dat als Henkie een vlieger van Hendrik te pakken zou krijgen hij deze aan Hendrik zou teruggeven zonder dat Hendrik hiervoor hoefde te betalen. Ik had zo’ n idee dat voor deze deal Henkie door Hendrik die veel ouder en sterker was onder druk was gezet,.zo in de trant van: “Als jij mij voor mijn eigen vlieger laat betalen, ik poekoel jou, ja, Belanda?” ( … dan sla ik je, hè, Hollander…)  En Henkie was wel groot en niet gauw bang, maar hij was geen vechtersbaas, maar eerder een pacifist pur-sang.

 

Als de vliegertijd begon en de vechtvliegers weer door de blauwe lucht kliefden dan was Henkie heel alert.Hij tuurde dan naar de vliegers die allerlei capriolen maakten en als de strijd tussen twee ( of soms meer tegelijk)vliegers begon, dan kwam Henkie in een soort trance . Hij volgde met kennersblik het titanengevecht in de lucht en wist vooraf meestal al aan te geven welke vlieger straks het onderspit zou delven. Dan verstevigde hij zijn greep om de bamboestok. Als de vlieger inderdaad naar beneden dwarrelde, dan kon Henkie uiteraard stiekem naar de plek hollen waarvan hij dacht dat het de ladingsplaats van de vlieger zou worden maar Henkie hield zich aan de erecode onder de vliegerjagers. Je waarschuwde namelijk de anderen dat er een vlieger naar beneden aan het zeilen is en dus bulderde deze jongen van Hollands bloed, maar een echte “anak Kemajoran” (kind van Kemajoran) : ‘Lajangan pedot!’ ( een vlieger is los van zijn draaad!) en dan zette hij het op een lopen, op weg naar de buit!

En in de meest gevallen won Henkie de strijd om de vlieger en was er voor hem weer geld te verdienen

( Behalve bij Hendrik dan……)

 

Toen ik in 1979 voor het eerst uit Nederland (waarheen we in 1956 repatrieerden) naar Indonesia terugging en ook een bezoek bracht aan de Vliegveldlaan in Kemajoran, waarschuwden de toenmalige bewoners van nr. 56 Henkie die nog steeds in hetzelfde huis woonde waar hij vroeger met “oma Henkie” verbleef, dat ik er was. Hij kwam, wij begroetten elkaar en hij vertelde me dat hij enkele dagen daarvoor had gedroomd, dat ik weer in de Vliegveldlaan (toen Jalan garuda) zou terugkomen en ziedaar, zijn droom kwam uit!. Hij was inmiddels getrouwd, had een paar kinderen en was Moslim geworden. Op dat moment zat hij ook midden in de Puasa (Islamitisch vastentijd)

Deze uit Hollandse ouders geboren ‘anak Kemjoran’ was dus in Kemajoran gebleven en is één van hen geworden.Saluut, mijn vriend

 

 

Geschreven door rene persijn om 17:11

Cultuursnuiven

Cultuursnuiven.

 

Toen we in Kemajoran woonden gingen we onder leiding van vader Johan Persijn ook wel eens “cultuursnuiven”.

Dat deden we bijvoorbeeld in het Nationaal Museum, Koningsplein-West.

Het gebouw was ook bekend als “Gedung Gadjah” ( het gebouw van de olifant) omdat in de voortuin een groot beeld van een olifant stond, een geschenk van Koning Chulalongkorn van Siam (Thailand), die het beeld in 1871 schonk.

 

Op 24 april 1778 werd in Batavia het Bataviaasch Genootschap voor Kunsten en Wetenschappen opgericht door o.a. Jacob Cornelis Matthieu Radermacher (geb.1741 in Den haag, overleden 1783 aan boord van aan schip op weg van Batavia naar Holland, op de Indische Oceaan)  als ‘dochter’ van de Hollandsche Maatschappij der Wetenschappen te Haarlem.

Het doel was niet de bevordering van kunsten en wetenschappen omwille van de kunst en wetenschap, maar om ze in dienst te stellen van het algemeen nut.

Vanaf 1868 werd het gebouw aan het Koningsplein betrokken en officieel geopend. In 1923 kreeg het genootschap het predikaat “Koninklijk”.

In 1928 werd door het Koninklijk Bataviaasch Genootschap voor Kunsten en Wetenschappen ter gelegenheid van zijn 150-jarig bestaan nog een feestbundel uitgegeven (in twee delen) bij Uitgeverij G. Kolff, Weltevreden, Batavia (bij  Batavianen een bekende naam, evenals uitgeverij Van Dorp).

 

In het museum probeerden broer Boengke (Johan) en ik dan de beelden die er stonden (bijvoorbeeld van Ganesha, de Hindoestaanse godheid met het olifantenhoofd, de god van kennis en wijsheid of van Garoeda, een mythisch wezen, half mens half adelaar, uit de Hindoeïstische mythologie) na te tekenen in een tekenblok, die we van vader hadden gekregen. Ik gebruikte de schetsen die ik maakte ook op school (H.B.S., CAS) voor de tekenles. Daar werkte ik ze dan uit in houtskool of Oost-Indisch inkt.

 

We gingen op de fiets naar het museum of we huurden een betjak (fietstaxi). Je kon met drie personen wel in één betjak, want moeder was niet zo’n cultuursnuiver.

We reden dan van de Vliegveldlaan en Marinelaan, langs het kanaal (Schoolweg-Noord) en de Postweg, voorbij het Wilhelminapark linksaf de Citadelweg op, dan rechtsaf Koningsplein-Noord op (langs het Decapark)  en zo naar Koningsplein-West. 

 

Het museum bezat onder meer een groot aantal beelden van diverse periodes uit de rijke historie van het Indisch archipel.

 

Door een kleine expositie die ik bij één van de bezoeken aan het museum  zag over het leven en werk van Raden Adjeng Kartini (1879- 1904), Javaanse aristocrate en voorvechtster van de rechten van de vrouw, raakte ik zo geïnteresseerd in haar dat ik  boeken van en over haar las en op school in het kader van de geschiedenislessen ook een werkstuk aan haar had gewijd.

In 1900, vier jaar voor haar dood, sprak Kartini nog de volgende woorden:

 

“En al zal ik dan zo gelukkig niet zijn het einddoel te bereiken, al zal ik halverwege reeds bezwijken, ik zal gelukkig sterven, want de ban is dan toch gebroken en ik heb meegeholpen aan het leggen van de  weg, die leidt naar de vrijheid en zelfstandigheid der Inlandse vrouw”.



49-7553a79920f5efc612976c780a32cdbb.jpg

49-a10bf2c3b27c238ca261567282002479.jpg

49-092888c33b0e8d1f71da0f496c4b7ff6.jpg
Geschreven door rene persijn om 17:38

De sapoe lidi

De sapoe lidi

 

De ‘sapoe lidi’, een bezem gemaakt van de nerven van palmbladeren, was een vast attribuut in de Indische slaapkamer. Nadat de insecten (vooral muggen) met de flitspuit waren gedood, werden de dode beestjes met de sapoe lidi van het bed geveegd. 

Maar dezelfde sapoe lidi was ook een geducht wapen in de hand van een boze Indische moeder.

Ze kon er zo ‘fijn’ mee zwiepen op je billen of op je blote benen. En mijn moeder kon er deskundig mee overweg, dat had ik vaak genoeg ondervonden.

Dus toen ze op die bewuste dag weer met een krampachtige trek op haar gezicht naar de sapoe lidi greep ( ik weet niet eens meer wat ik had uitgespookt!) wachtte ik de aanval niet af, maar rende het huis uit, door de poort en toen de straat op…

Snel keek ik nog achterom om te zien of mijn moeder in de tuin was blijven staan, maar neen, ze stond  al op straat en zette grimmig de achtervolging in. Dus….. blik op oneindig en doorrennen maar….

Omdat mijn moeder me naschreeuwde: “Ik krijg je wel!”, kwamen nieuwsgierigen naar buiten en bleven anderen, die op straat liepen of fietsten, staan om niets van het schouwspel te missen.

Onder het rennen hoorde ik enkele mensen lachen en het duurde niet lang of iedereen scheen de slappe lach te hebben. Kennelijk was het een koddig gezicht om een boze vrouw  met een bezem in de hand  achter een vluchtend bruin jongetje te zien rennen.

Ik stopte even en keek snel achterom. Mijn moeder was zo’n 5 meter achter me blijven staan en had ook de slappe lach gekregen. Haar armen hingen langs haar lichaam en tranen biggelden over haar wangen van het lachen. Blijkbaar had ze nu ook door dat de hele situatie iets had van een slapstick. Haar gelach en die van de omstanders werkte aanstekelijk op me, want al snel gierde ik het ook uit van het lachen. Het was inderdaad een rare situatie, dacht ik.

Al lachend liep ik terug naar mijn moeder, die nog steeds niet was bijgekomen van het lachen.

Ze keek me aan, draaide zich zwijgend om en liep weer naar huis en ik achter haar aan. Sommige omstanders klapten, kennelijk blij dat de situatie in mijn voordeel was veranderd. Ik zwaaide en boog breed glimlachend naar hen om hen te  bedanken voor hun support.

Mijn moeder zwaaide de tuinpoort open en ik liep voor haar langs de tuin in. Toen zwiepte ze de poort met een zwaai dicht en siste me toe: “Je dacht zeker, dat ik niet meer boos meer ben, hè? Heb je verkeerd gedacht”. En de sapoe lidi striemde met kracht  op mijn blote benen. Ik schreeuwde. Niet zo zeer van pijn, maar van kwaadheid. Ik was kwaad op mezelf. Ik was argeloos in de val getrapt. Kennelijk had ik toen niet voldoende inzicht in de diepe zieleroerselen van een boze Indische moeder. Of misschien zijn die ook wel nooit te doorgronden……Adoeh soedah, laat maar….

Geschreven door rene persijn om 00:00

Koeda loemping

Koeda loemping

 

 

Tot de merkwaardigste dingen die ik in  mijn jeugd in Batavia ooit heb gezien, behoort zonder twijfel een uitvoering van de zogenaamde koeda loemping of  Koeda Lemping ( wat letterlijk ‘plat paard’betekent). Javaans: “Jaran kepang” of “Jaranan”

Niet ver van ons huis vandaan, tegenover een Chinese warong, vond regelmatig zo’n voorstelling plaats. Ik vond het altijd interessant om zo show te zien al begreep ik er niet veel van.

Bij zo’n voorstelling treden dansers op, die een van bamboe gevlochten paard berijden.

De nogal wilde dans van de ruiters ( soms met een masker op)  wordt begeleid door eentonig  tromgeroffel. Na een tijdje raken de dansers (door de dans en het tromgeroffel ) in een trance.Als ze zo ver zijn lopen de ruiters op blote voeten door smeulend vuur, dat daar van te voren is aangestoken. Er worden flessen stukgemaakt en het glas aan de ruiters gevoerd, die het inslikken. Soms nemen de ruiters een oude lamp in hun mond om daar al krakend op te kauwen en door te slikken. Het eten van glas wordt afgewisseld met een maaltijd van hooi.

Ik stond er meestal verbijsterd naar te kijken. Ik nam toch maar liever iets anders in mijn mond, zoals een heerlijke ijslolly van doerian. Maar ieder zijn voorkeur…

 

De dans zelf verbeeldt de strijd tussen goed en kwaad al kon ik die lijn  niet altijd ontdekken. De voorstelling werd meestal gegeven door 4 of 8 paarddansers.

 

Aan het eind van de dansvoorstelling werden de ruiters door een begeleider weer uit hun trance gehaald en ging men rond met een centenbakje.

Alleen van glas en gras kun je niet leven, ja toch?

 

Deze dans komt voort uit heel oude riten en gebruiken.

In Cheribon (waar ik tijdens de oorlog met moeder en broer bij opa en oma inwoonde) werden in de kampong ook vaak van dit soort voorstellingen gegeven. Ook daar werd het ‘koeda loemping’ genoemd in tegenstelling tot in  Bandoeng waar het ‘Koeda kepang’ werd genoemd. In Cheribon bestond de muzikale begeleiding meestal uit een klein gamelan-orkest, in Bandoeng uit een angkloeng-orkest ( bamboe instrumenten).

 

 

 

 

 

 

 



48-b0433566075add840c2100b9aec6cfd4.jpg

48-ce6bae084c0c223410ea0dc62e4c4e8d.jpg

48-95a8a81a9b342ec5235a1b230bc02523.jpg
Geschreven door rene persijn om 16:00

Het witte doek..... To the movie...

Het witte doek

 

Toen we op Vliegveldlaan 56 kwamen wonen was er zo vlak na de oorlog een nijpend woningtekort in Batavia. Je moest daarom vaak een woning delen met andere gezinnen.

Behalve de Javaanse familie Salimin woonde er op Vliegveldlaan 56  ook nog de heer van Oorschot, een uit Dordrecht afkomstige ordonnans van de Koninklijke landmacht en zijn Siamese (Thaise ) vrouw.

Met meneer van Oorschot mocht ik vaak achterop zijn motorfiets, een zware HD (Harley-Davidson)  een ritje maken.

Zijn vrouw nam me vaak mee naar de film. Ze ging graag naar de film en omdat meneer vaak weg was voor zijn werk en ze niet graag alleen naar de bioscoop ging, nam ze me mee. Mijn moeder vond dat prima, want dan was Adeetje ( zo noemde ze me altijd) in elk geval ‘onder de pannen’.

Mevrouw van Oorschot had een voorkeur voor wat romantische films, dus heb ik met haar diverse films gezien met de legendarische  Dorothy Lamour in de hoofdrol.

Ook schitterde Dorothy, samen met Bob Hope en Bing Crosby in de “Road to…”-films, zoals “Road to Morocco” en “Road to Bali”, die mevrouw van Oorschot en ik ook beide hebben gezien. Deze min of meer komische films, waarin veel werd gezongen, waren in die tijd overal en ook in Batavia enorm populair.

 

 

Met broer Boengke ( officieel heet hij: Johan Marcus Polydor, maar dat is te ingewikkeld) heb ik o.a. de film gezien “The day the earth stood still”, een film uit 1951 met Michael Rennie en Patricia Neal, een zwart-wit science-fictionfilm.  Voor deze film was zoveel belangstelling, dat Boengke en ik al heel vroeg ( bijna 2 uur voor aanvang van de voorstelling)  voor de bioscoop in de rij moesten staan om een kaartje te bemachtigen. Als je later kwam, dan was je aangewezen op een duurder kaartje van de “tukang tjatoet’ ( de zwarthandelaar). Toen de loketten werden geopend werd er plotseling geduwd, gedrongen, geschreeuwd en gescholden.

Een man riep: “Orang Indonesia kambing!”( Indonesiërs zijn geiten). Het werd een complete chaos. Boengke en ik moesten ons echt schrap zetten om niet onder druk van de massa te bezwijken. Gelukkig stond er een TNI-soldaat achter me, die beschermend zijn arm om me heen sloeg, anders was ik gevallen en onder de voet gelopen.

Uiteindelijk konden we toch een kaartje kopen en de zaal binnengaan, onze haren (thuis nog netjes gekamd nadat er pomade door heen was gehaald) door elkaar gewoeld en onze kleren gekreukeld, maar verder gelukkig onbeschadigd. Door deproblemen bij het kopen van de kaartjes genoten we des te meer van de spannende film over een ruimtewezen die de aarde kwam waarschuwen om geen oorlog meer te voeren ( de film werd gemaakt vlak na de Tweede Wereldoorlog  en aan het begin van de Koude Oorlog).

 

Boengke en ik gingen ook wel naar de Tarzanfilms kijken. Voor mij persoonlijk was Johnny Weissmuller de beste Tarzanvertolker ooit. Ik heb na de films met Johnny Weismuller nog films gezien met Lex Barker in de rol  van Tarzan, maar die Tarzan was voor mij toch niet écht!

 

Ook met mijn vader ging ik wel eens naar de film. Zo gingen we eens naar  de film “Guadalcanal Diary “ van regisseur Lewis Seiler uit 1943,

In de film spelden o.a. Anthony Quinn en William Bendix mee.

De film ging over een groep mariniers van diverse pluimage, gevolgd vanaf hun rekrutering tot aan de hel van Guadalcanal. De Slag om Guadalcanal leidde tijdens de Tweede Wereldoorlog tot de verovering door Amrikaanse strijdkrachten van het door Japanner bezette eiland Guadalcana in de Stille Oceaan.

In die tijd hanteerde men in Indië (Indonesië) bij de fimlkeuring 3 leeftijdscategorieëen: alle leeftijden, 13 jaar en ouder en 21 jaar en ouder.

Er waren in Batavia veel bioscopen in de hele stad verspreid, zoals in Glodok (Chinese wijk), regio Pasar Baroe, regio Pasar Senen, Goenoeng Sari ( Cathay-bioscoop), Decapark, Pintu Besi enz. met voor Batavianen bekende namen als:

Rex, Metropole, Capitol, Centraal, Globe (Pasar Baroe), Decapark, Menteng Bioscoop (in de wijk Menteng), Grand (op Kramat)

 

 

 



47-8e7474cf8928e41f213af7e4557648f0.jpg

47-1fc74e38564b08d5cc7184795703314d.jpg

47-4e5b539263037f30735d1b33395cf45f.jpg
Geschreven door rene persijn om 12:37

Meer van TEMPO DOELOE (Vroegere tijden)

↑ Terug naar de berichten