Naar de inhoud

TEMPO DOELOE (Vroegere tijden)

Herinneringen aan mijn geboorteland
akke.beakke.be
Ik werd in 1938 geboren in het toenmalige Nederlands-Indië, in Batavia. In 1956 ben ik met mijn ouders, broer en zuster naar Nederland gerepatrieerd. De verhalen op deze weblog gaan over herinneringen aan mijn LAND VAN HERKOMST. (Door op de foto's bij de artikelen te klikken worden deze enigszins vergroot)

Archief

Goelali tioep

Goelali tioep

 

Hoe het eigenlijk officieel  heet weet ik niet, ik noemde die lekkernij gewoon  ‘goelali tioep’ (= geblazen suikerwerk).

Stel je  een man voor met een kraampje. Hij smelt suiker in een pannetje en net als een glazenblazer blaast hij figuurtjes uit de gesmolten suiker. Hiervoor gebruikt hij vormpjes.

Hij legt een bolletje van de vloeibare zoetigheid in de door de koper (dus door mij)  gekozen vorm en blaast het bolletje op totdat de suiker het vormpje aan de binnenkant geheel bedekt.

Dan prikt hij een stokje in het figuurtje en blaast er even over om het af te koelen. Daarna krijg je het figuurtje- op- een- stokje tegen betaling van een paar centen.

 

Wel, ik had een paar centen, verdiend met de verkoop van lege flessen aan de ‘toekang  botol’, de opkoper van lege flessen. Dus liep in door de kampong achter ons huis naar de pasar waar de man met de goelali tioep zijn kraampje had.

Ik bestelde een goelali-tioep  in de vorm van een haan en de man ging aan de slag. Hij roerde in het pannetje met gesmolten suiker en met een houten spatelletje haalde hij er een bolletje uit en stopte dat in de vorm. Hij blies het bolletje op en prikte tenslotte een stokje door de lekkernij en blies er daarna wat overheen om het af te koelen. Ik betaalde hem en nam de goelali in ontvangst.

Iets verdrop stond een laag betonnen paaltje. Ik ging daarop zitten om wat naar de drukte op de markt te kijken, ondertussen genietend van mijn goelali.

De goelali-man had na mijn aankoop even geen klanten en liep naar een boom. Daar aangekomen haalde hij zijn ‘geval’ uit zijn broek en deed een flinke plas. Ik hoorde van de plaats waar ik zat de urine tegen de boom en op de grond kletteren. De man moest kennelijk hoog nodig en tja, wat moet dat moet, nietwaar? Er was daar en toen nog geen verbod op wildplassen.

Ik keek aandachtig toe. Toen de man klaar was, schudde hij met een verheerlijkt gezicht nog even na en borg alles toen weer netjes op. Inmiddels waren er twee meisjes bij de goelali-kraam komen staan die kennelijk ook een zo’n lekkernij wilden bestellen.

De man hoorde aandachtig hun bestelling aan en ging aan het werk. Zonder zijn handen te hebben gewassen, constateerde ik. Toen hij het suikerbolletje begon op te blazen, dacht ik even nog: “Wat voor soort adem heeft die man? “

Ik dacht ook nog even aan  wat zijn handen  daarnet deden toen hij bij de boom stond, maar het waren slecht vluchtige gedachten.

Ik stond traag op, keek nog eens aandachtig naar mijn goelali-op-en-stokje en liep al likkend aan de lekkernij langzaam weer naar huis. Een bekend gezegde luidt:”Wat niet weet, wat niet deert”, maar voor mijn  goelali gold: Ook al weet je het en zie je het,

het deert toch niet. Ja toch ?

 

 

 

 

 

 

 

Geschreven door rene persijn om 10:46

Djadjan

Djadjan, een Indische (on)hebbelijkheid.

 

Djadjan…(snoepen van de straat)  Welke Indo in Indië heeft zich er nooit aan ‘bezondigd’?

Natuurlijk vroeg menige Indo  zich wel eens af:”Waarom snoep  ik toch van de straat? “ Maar op deze vraag kreeg je geen antwoord……of wilde je geen antwoord horen.

Je kon het niet laten, ook al  kookte je eigen moeder of de kokkie minstens net zo lekker en zeker hygiënischer .

Je deed het gewoon, gedreven door een innerlijke, niet de te definiëren drang….….

 En het begon vaak al vroeg in de morgen, als de dagelijkse stroom van verkopers en verkoopsters op gang kwam en door je straat kwam. Of je bracht ( zoals ik vaak deed) zelf een bezoek aan die ene verkoper iets verderop in  de straat, die van de heerlijke “kuwe soetil” maakt, die heerlijke gele kokospoffertjes, die je dampend op een pisangblad krijgt geserveerd, bestrooid met wat geraspte kokos. En je bestelde daarbij dan meteen een ‘kopi toebroek’, lekker zoet.

Of je wachtte op die vrouw met die tampah (een soort mand met een lage rand, gevlochten van bamboe) op haar hoofd, de gado-gado-verkoopster, die de maaltijd voor je snufferd klaarmaakte en op jou verzoek er ook nog dideh (bloedkoek)  bij sneed.

Soms had je meer trek in nasi goerih (nasi oedoek), ook in de straat in die ene warong onder die waroeboom (Hibiscus tiliaceus)  te bestellen. Die heerlijk gekruide en in santen (kokosmelk) gestoomde rijst, die in een pisangblad werd geserveerd  met sambel van groen rawits (pepertjes) met azijn, gebakken uitjes, reepjes dadar (omelet). Als je het bestelde, dan liep het water je al in de mond…….Een zalig ontbijt voordat je naar school moest om rijen Franse woorden uit je hoofd te leren of bij wiskunde moest bewijzen ‘wat te bewijzen was’  !

En de hele dag door werd je aan die heerlijke verleidingen blootgesteld: Es Shanghai (geraspte ijs met vruchtjes en siroop), tjendol, es kelapa kopjor (ijs met siroop en jonge kokos), es lilin (waterijsjes).

Tegen de avond kwamen nog andere heerlijkheden letterlijk aan je neus voorbij: Bami goreng, martabak, roedjak toemboek, taugé  goreng,,,  te veel om op te noemen.

En het gekke was, naast je gewone maaltijden thuis, ontbijt, middageten, avondeten, kon er altijd nog wel wat bij. Je stopte alleen als je geld op was, ja toch?

Toen dacht je nog niet aan zaken als natrium- en vetgehalte, cholesterol en er was (voor zover ik weet althans) nog geen controle door de keuringsdienst van waren.

Je bestelde, je smulde en je genoot nog na… that was it! Het leven was zo simpel….

 

 

 

 

 

 

  

 

 

 



45-a17e78993ccd6aa355987aac5d6ca12b.jpg

45-27677f3834ac6f83076e30d8bf099109.jpg

45-92de9ece442e4571217af456f90a7427.jpg
Geschreven door rene persijn om 00:00

Kemajoran I

Kemajoran ( I)

 “East is East and West is West and in Kemajoran the twain shall meet”

( vrij naar : Rudyard Kipling (1865–1936)

 

Ik hoorde pas veel later, dat Kemajoran door Jan Pietersz. Coen speciaal was opgericht voor de gemengd-Europees-Inheemse mensen aangezien in zijn tijd het aantal gemengdbloedige kinderen uitgroeide tot een heuse bevolkingsgroep.

In feite heeft de Indisch Nederlandse cultuur  ruim 3 eeuwen geleden zijn licht gezien in Kemajoran, de grote wijk van Batavia, die de gemengdbloedigen kregen toegewezen met aan het hoofd van deze speciale wijk een uit hun midden gekozen burgemeester "De MAJOR (burgemeester) der Mixtiezen". Vandaar ook de naam ke-MAJOR-an ( gebied van de burgemeester)
Kemajoran was dus van het begin af  aan een buurt waar ‘halfbloeds’ woonden en had heel lang een slechte reputatie., niet in het minst vanwege de vele vechtpartijen die daar plaatsvonden.

In Kemajoran ontstond de melancholieke krontjongmuziek, maar hier ontstond  ook de poekoelan Kemajoran, een vechtkunst tot op de dag van vandaag, ontstaan in de 17de eeuw in het VOC-tijdperk van Jan Pieterszoon Coen. Immers toen al werden de Indo’s door hun gemengd bloed anders behandeld door enerzijds de Europeanen en anderzijds de inheemse bevolking. In die woeste tijd werden conflicten beslecht door daadwerkelijke gevechten en werden de Indo's vaak gedwongen om zich te verdedigen.

Van regeringszijde werd oogluikend de verkoop van “mixtiezenkinderen” toegestaan.
In het jaar 1676 kwamen er uit Holland orders waarin uitdrukkelijk stond vermeld dat “Indische kinderen” of “mixtiezen” onder geen beding gelijke rechten mochten hebben als de “outlanders” (uit Europa geïmporteerde Hollanders,Totokkers).


Kemajoran werd allengs de wijk van de outcast, de mensen in wie het Hollands bloed stroomde , maar door Holland niet voor vol werden aangezien.

Kemajoran ,de wijk van de Indo”s, van hen die qua afstamming behoorden tot twee werelden, de wijk waar ik was geboren en waar ik thuis hoorde en me ook thuis voelde of zoals de Indo placht te zeggen: “Senang”, omdat ook ik een kind was van twee werelden, afstammeling van een Amsterdams geslacht weliswaar, maar in wie ook het oosters ( Javaans, Madoerees, Chinees) bloed stroomt.

 

 

Toen we in de Vliegveldlaan kwamen wonen bleek  ook die straat zoals zovel straten in Kemajoran de oorlog niet ongeschonden te zijn doorgekomen.Diverse huizen, die voor de oorlog nog in al hun Indische pracht stonden te pronken in deze buurt,  waren afgebroken, platgeschoten of platgebrand  En de opengevallen plekken  waren  inmiddels  op een snelle en agressieve manier ingenomen  door alang-alang,  en wild struikgewas.

En ook de zuivelfabriek van DENUO, die tegenover ons huis (Vliegveldlaan nr. 110) stond was er niet meer. Waar voorheen de machines stonden te draaien, stond nu   zo’n 80 cm. hoog de alang-alang.

 

Maar er werd in de straat ook weer en nieuwe fabriek gebouwd, de de ASPRO-fabriek. Kortom, de wijk zag er anders uit dan vóór de oorlog, maar de sfeer en het karakter waren dezelfde gebleven. Het was niet alleen mijn geboortegrond, maar ook mijn dierbare thuisgrond .

 

Tegenover onze nieuwe woning op nr. 56 lag nu ook  een  alang-alangveld, al waren daar ook een paar warongs gebouwd van bilik (vlechtwerk van gespleten bamboe) met atap-daken ( palmbladeren).

Deze warongs waren niet die ik regelmatig bezocht als ik geld had .Hun assortiment was beperkt tot djadjanan (snoeperijen), die mijn smaakpapillen niet bijzonder konden strelen.

Neen, dan ging ik liever naar de verkopers   die voor de Chinese warong stonden zo’n 300 meter van ons huis vandaan  als ik de poort uitkomend linksaf ging of de verkopers die hun stalletje hadden  voor de Chinese warong rechts van ons huis (ongeveer 30 meter).

Eerst maar een bezoek aan de locatie rechts van ons  huis. Deze Chinese warong was, net zoals die links van ons huis en net zoals de meeste Chinese warongs , een winkeltje waar je de alledaagse boodschappen kon doen zoals rijst, olie,zout, boter, ketjap, etc.

Wat mij meer aansprak waren de stalletjes die vóór deze warong stonden. Zo stond er altijd een stalletje  waar koewé soetil werd verkocht een  soort gele poffertjes, waarvan het deeg in plaats van met melk met kokosmelk was gemaakt. Deze koewé soetil heb ik vaak voor ontbijt gehaald.Lekkerder dan brood!

En dan en kopje koffie toebroek erbij.

 

Verder stond er voor de warong ook altijd een mannetje, die gado-gado verkocht. Ik was een grote fan van hem en wanneer ik een portie gado-gado bij hem bestelde, mocht ik zelf in de bak met rawits (kleine hete pepertjs) graaien en het aantal bepalen (voor mij goed heet!).Als ik aan de beurt was dan gooide ik de door mij uitgezochte en van hun steeltjes ontdane rawits in de platte tjobek (vijzel) . De verkoper maakte de rawits fijn met de oelek (stamper) nadat hij er wat trassi (garnalenpasta) en wat zout had bijgedaan, dan deed hij er twee eetlepels dikke pindapasta bij en verdunde het sausje met wat water, niet te dun, de saus moet lekker stevig zijn. Dan deed hij er wat ketjap (sojasaus) bij en wat citroensap, Hiervoor gebruikte hij djeroek nipis ( kleine lemoen).Als de saus klaar was begon hij met het snijden van de overige ingrediënten   Wat gebakken tahoe (tofu) en tempé (sojabonenkoek)  ging in de saus, gekookte kangkong (waterspinazie), geblancheerde taugé en (wat ik zelf heel lekker vindt) gekookte paré ( bittere komkommer) en komkommerschijfjes. Daarna werd alles door elkaar gehutseld en in een pakje van bananenblad gewikkeld, waarna het pakje werd dichtgemaakt met een biting (stukje nerf van en palmblad waaraan een scherp puntje is gesneden) en kreeg ik het pakje mee. Thuis in de voortuin heerlijk smikkelen.

 

Let op: U heeft hierboven zo maar ( voor niks!) een recept gekregen., leuk toch?

 

Voor de Chinese warong links van ons in de straat stonden veel meer stalletjes. En allemaal het bezoeken waard!

Zo stond er een man met een draagbaar stalletje die taugé goreng verkocht (met ontjom!), een roedjak-verkoper, een stalletje waar men frisdrank en ijs verkocht, kortom er was daar genoeg keuze, afhankelijk van mijn budget op dat moment.

De ijsverkoper verkocht o.a. “ijs Shanghai’, en soort sorbet van stukjes fruit en schraapijs, overgoten met wat limonadesiroop ( ik koos meestal de groene,  palasiroop, met de smaak  van nootmuskaat)en gecondenseerde zoete melk.

Ook zat er ’s avonds regelmatig een saté-verkoper en ( alleen overdag) een man die  jamboe aer ( de kleine roze soort) verkoopt, waarbij je bij aankoop ook zout, gemengd met gemalen rawit krijgt, waarin je de jamboe’s kunt ‘dopen’, voordat je ze opeet.

 

(voor het vervolg zie het artikel “Kemajoran II” op deze weblog)

 

Geschreven door rene persijn om 10:34

Kemajoran II

Kemajoran ( II) (vervolg van Kemajoran I)

 

Tussen de alang-alang op de plekken waar vroeger huizen stonden vond je resten puin, glasscherven, roestige blikken en vuilnis. Het was dan ook riskant om op die velden  op je blote voeten te lopen, wat ik dan ook beslist niet deed, ook al had ik een gruwelijke hekel aan schoenen aan mijn voeten, of het nu lakschoenen waren van een schoenenstalletje op Pasar Baroe  of gympies van de Bata-winkel op Senen.

 

Gelukkig waren er in de alang-alangvelden in de loop der tijd wat paadjes uitgesleten door bewoners  van de kampongs die achter de huizen lagen  en die  zo, lopend op hun  sandalen of klompen, een kortere weg hadden gecreëerd vanaf de geasfalteerde straten zoals de Vliegveldlaaan  naar de kampongs die daarachter lagen .

De Vliegveldlaan  was een lange weg, die in en wijde boog langs het vliegveld loopt . Wanneer je voorbij het vliegveld doorloopt  kruis je de brede Goenoeng Sa(ha)riweg. aan de andere kant loopt de Vliegveldlaan uit  op de Marinelaan die verderop weer de Goenoeng SA(ha)riweg kruist.  Op de hoek Marinelaan-Goenoeng Sari ligt het Marinecomplex waaromheen een hoge muur is aangelegd. De Goenoeng Sariweg was de brede weg, die richting Antjol en Tandjong Priok leidde.

 

Ik liep graag langs de paadjes in de alang-alangvelden  naar de kampong, waar de mensen je op den duur  herkenden en ook leerde kennen en je altijd weer met een vrolijk ’allo sinjo’ begroeten. Ik voelde me op mijn gemak tussen de mensen in de kampong en sprak ook hun taal. Zo gebruikte ik bijvoorbeeld veelvuldig het stopwoordje ‘dong’, dat typisch voor die streek was. “djangan, dong….”, ‘Nanti, dong…. “ 

Op deze paadjes door de alang-alangvelden naar de kampong heb ik ook op de fiets van mijn moeder het fietsen geleerd, meestal met vrolijk gelach en stimulerend gejuich begeleid  door de bewoners van de kampong, die zo mijn vorderingen  bij het  temmen van de stalen ros van dichtbij (eerste rang! ) hebben meegemaakt, dit in tegenstelling tot mijn moeder, die niet meemaakte en zelfs hier niets van wist, omdat ze dan haar middagdutje deed. Immers alleen als ze sliep kon ik haar fiets ‘lenen’……

 

Toen we op nr. 110 woonden (vóór de oorlog) hadden we een paar bedienden ( een baboe een kokkie, een djongos) maar na da oorlog, was alles veel duurder geworden en dus ook het personeel. We hadden op de Vliegveldlaan 56 dan ook maar één bediende, een baboe, die Tjemiel heette. Als kind noemden we haar wel eens Schlemiel  , omdat ze “latah” was.
Latah is een psychische aandoening, waarbij men de zelfbeheersing verliest en dwangmatig woorden of zinnen van een gsprekspartner herhaalt of acties van anderen imiteert. Opvallend is ook dat lijders willoos opdrachten van anderen opvolgen. 
En hier maakten we als kind gebruik van of, achteraf bezien, MISBRUIK door Tjemiel opdracht te geven  om de borden die zij in haar handen had te laten vallen of haar op te dragen bepaalde woorden te zeggen, die wij zelf niet in onze mond mochten nemen op straffe van een lel met de sapoe lidi (bezem van de nerven van palmbladeren) of de bakiak (houten klomp) . Wat kunnen kinderen soms wreed zijn.

 

 

Zoals ik al opmerkte voelde ik me senang in deze wijk. Onder mijn vrienden uit Kemjoran waren behalve Indo’s ook totoks en Javaanse jongens. Kennelijk leefde ik in overeenstemming met het karakter van Kemajoran in twee werelden, die ik onbewust in mezelf verenigde. Hebben mijn ouders daarvan  misschien iets voorvoeld toen ze me behalve ‘René’ ook nog als tweede naam de naam  ‘Louis’ meegaven. Louis, de Franse vorm van het Hebreeuwse Levi, dat de betekenis heeft  ’de twee tot één maken’.’de twee verenigen’.

Enkele van mijn Hollandse en Javaanse vrienden wil ik  graag in aparte artikelen  aan u voorstellen, namelijk de Hollandse Jongens Keesie en Henkie en de Javaanse jongens, Soegito, Soemarmin en Soetedjo.

 

Geschreven door rene persijn om 10:25

De Chinese warong

De Chinese warong

 

In het artikel “Kemajoran I” op deze weblog had ik al vermeld dat zowel links als rechts van ons huis Vliegveldlaan 56 in Kemajoran een Chinese warong (warung) stond.

Onze groenten en fruit kochten we meestal op de pasar (markt) in de kampong achter ons huis. Maar voor levensmiddelen als rijst, olie, boter, zout e.d. gingen we naar één van die Chinese warongs. Als ik de boodschappen moest doen ging ik liever naar de warong links van ons in de straat, want die was ruimer van opzet en had een groter assortiment, waaronder diverse soorten snoep (!).

Ook verkocht deze warong ijsblokken. De grote ijsblokken, geleverd door de plaatselijke ijsfabriek werden bewaard in een cementen bak, bekleed met lood (ook de binnenkant van het deksel) en in jutezakken en zaagsel gelegd, dit om het smelten in de tropische hitte zoveel mogelijk tegen te gaan. Als je het ijs kocht ( voor in je dranken, want we hadden geen koelkast) werd een stuk ijs afgezaagd, er werd een touwtje aan gebonden en je kon het zo, aan een lusje in het touw dragend, meenemen.

De eigenaar verkocht ook heerlijke manisans ( geconfituurd fruit) en asinans (fruit in azijn, meestal met sambal vermengd), maar ook sigaretten, die je per stuk kon kopen (dan wordt een doosje geopend en het aantal sigaretten dat je kocht eruit gehaald). Als je niet zoveel geld had te spenderen was dat wel zo gemakkelijk!

Hij verkocht diverse merken sigaretten , zoals Zipper, Barking Dog, Players, Miss Blanche en natuurlijk de kreteksigaretten ( met kruidnagel) en de toen zeer populaire Escort.

Over Escort werd  het grapje gemaakt,  dat de naam een afkorting was van: “Een Sof Cigaret Onder Regerings Toezicht” en van achteren naar voren: “Toch Rookt Onze  Commandant Spoor Escort”. (Generaal Simon Hendrik Spoor was in die tijd opperbevelhebber van de Nederlandse strijdkrachten in Indië)

Als je de warong binnenkwam dan rook het altijd zo lekker naar gereh (gedroogde, gezouten vis).

Rijst kocht je bij de Chinees per liter. Hij had dan een maatbeker van 1 liter ( of een halve liter voor kleine eters). Hij schepte dan met de maatbeker rijst uit een bak en de rijst die te veel was voor de maatbeker werd er met een stokje afgeschoven.

Oom Coen, een oudere broer van mijn vader, logeerde eens een tijdje bij ons (hij zat toen bij de NEFIS ( Netherlands Forces Intelligence Service), de inlichtingendienst van het leger) en ging met mij mee om boodschappen te doen bij de Chinees. Mijn oom had toen net in 3 maanden tijd Chinees geleerd en begon met de eigenaar van de warong in het Chinees te koeterwalen (ik verstond er niets van!). Toen hij daarna naar sigaretten vroeg en door een zoon van de eigenaar werd geholpen, kwam de eigenaar bij me staan en fluisterde me toe: “Je oom spreekt heel goed Chinees….’”. Ik glom van trots….

 

 

 

 

 

 

 



44-cc9713f1bf7b7e4417cb05eb240d1f62.jpg

44-41bf32c3d09267bedafc50eb23db9f0e.jpg
Geschreven door rene persijn om 00:00

Keesie, (Hollandse) voetbalvriend uit mijn jeugd.

Keesie, (Hollandse) voetbalvriend uit mijn jeugd.

 

Eén van mijn Kemajoran-vrienden, die ik hier aan u wil voorstellen, was Keesie

 

Hij heette eigenlijk Kees, maar omdat hij nogal klein van stuk was voor een Hollandse jongen ( geboren in Rotterdam) noemde ik hem Keesie. Hij had een stevige, gedrongen gestalte en een open vrolijk gezicht met stroblonde krullen en lichtblauwe ogen.Mijn Javaanse vrienden noemden hem si Boeleh ( de witte)  of gewoon Anak Londo (Kind van Holland) . Keesie sprak maar enkel woorden Maleis “Tidak” (Neen)  en “Djangan” (Niet doen), maar dat vond hij kennelijk voldoende om naar al te opdringerige Javanen toe zijn territorium af te bakenen

Ik leerde Keesie kennen via de sportvereniging van de kerk. Mijn vader was namelijk jeugdouderling geworden van de Protestantse Haantjeskerk (Pniëlkerk) op Pasar Baroe ( zie ook het artikel “De Haantjeskerk” op deze weblog)  en voortvarend als hij was begon hij meteen met het organiseren van sportactiviteiten voor de jeugd, zoals volleybal, voetbal, kastie, korfbal. Daar leerde ik Keesie kennen en het klikte meteen tussen ons. Toen we de eerste keer van het voetballen naar huis reden, kwamen we tot de ontdekking dat we beiden in dezelfde straat woonden, alleen woonde hij aan het begin van de Vliegveldlaan, dicht bij de spoorwegovergang. Waarom zijn familie als Hollands gezin in Kemajoran is komen wonen is mij nooit duidelijk geworden.

Als we naar sport gingen dan haalde hij me altijd af, ook al moesten we op weg naar het sportveld  weer langs zijn huis, zodat hij de afstand van zijn naar mijn huis twee keer moest afleggen.

Keesie reed op  een degelijke Hollandse fiets, een stevige stoere bruinrode Gazelle, compleet met verlichting, standaard en fietspomp, die zijn ouders voor hem uit Holland hadden meegenomen, terwijl mijn fiets eigenhandig was samengesteld uit onderdelen van diverse gevonden of gekregen fietswrakken van even zo veel verschillende merken. Een soort ‘monster van Frankenstein’. En zo gedroeg mijn fiets zich af en toe dan ook: onberekenbaar en soms levensgevaarlijk.Toch vroeg Keesie  me heel vaak van fiets te wisselen als we naar sport gingen, want de mijne was een ‘doortrapper’ en  zo’n fiets  is pas  echt  stoer immers!

We trainden met de kerkclub op het veld bij de Haantjeskerk of op het Waterlooplein (zie ook het artikel “Waterlooplein” op deze weblog) , vlak bij de grote kathedraal, bij de meeste Batavianen wel bekend. Dit was ook het plein waar later de Amerikaanse opwekkingsevangelist Billy Graham duizenden mensen zou trekken met zijn vlammende preken, ook nonnetjes en pastoors.

 

Met de voetbalclub deden we onder de naam “De Haantjes”ook mee aan een jeugdcompetitie die door de voetbalclub BVC, de Bataviaasch(e) Voetbal Club, was uitgeschreven( zie ook het artikel “Aanvallen……!!”op deze weblog) .

BVC, de club die door de in Batavia alom bekende en gerespecteerde Paatje Versteegh werd opgericht.

 

Aan de wedstrijden, die op het veld van BVC werden gehouden, deden veel jeugdclubs mee, onder andere de Molukse vereniging Mena Moeria. "Mena Moeria"is ook de strijdkreet van de R.M.S.  (Republik Maluku Selatan/ Republiek der Zuid-Molukken), die streed voor een onafhankelijk en vrij Zuid-Molukken. Letterlijk betekent deze kreet: ‘Voor - Achter’, in de zin van: “Wij vormen samen een onverbrekelijk geheel”

Wij verloren altijd van het elftal van Mena Moeria..Zij hadden immers veel meer techniek in huis omdat mijn vader, die onze trainer was, ons die niet kon bijbrengen, om de doodeenvoudige redenen dat hij zelf nooit gevoetbald had en de spelregels uit een boekje heeft moeten leren. Ook van voetbaltactiek had hij nog nooit gehoord.

We hadden donkerblauwe broeken en lichtblauwe shirts met op de zak een wit schild met een rode, geborduurde haan. De shirts waren oorspronkelijk wit  ( op  Pasar Senen gekocht), maar mijn vader had ze lichtblauw geverfd in een verfbad waarbij ik mocht helpen en de donkerblauwe haantjes had hij zelf erop geborduurd.

Voetbalschoenen hadden we niet, dus voetbalden we altijd op blote kakkies. Onze rechtback, Boy Ripassa, had zich de gewoonte aangemeten om met omhooggekrulde tenen te punteren. Wat ik ook probeerde, dat kunstje lukte me niet, want als ik dat deed kneusde ik onherroepelijk mijn tenen, zodat ik me maar toelegde op het schoppen met binnen- en buitenkant voet. Op die plekken werd dan ook al gauw eelt gevormd.

 

Op een dag stond weer een wedstrijd tegen Mena  Moeria op het programma. Waarschijnlijk met het verlies van de vorige wedstrijden tegen deze Molukse club in hun achterhoofd waren diverse spelers van ons team niet komen opdagen . Mijn vader kon dan ook maar 8 namen op het wedstrijdformulier invullen en dat was het minimum aantal spelers dat je moest opstellen om een wedstrijd te mogen spelen. Kom je er geen 8 opstellen, dan werd je club reglementair als verliezer beschouwd. Wij konden dus de wedstrijd beginnen. Ik was keeper (de echte keeper was niet komen opdagen) en Keesie linksback. Hij was trouwens  de enige back, want zijn collega- back was één van de afwezigen Ook de ‘halfs” (rechtshalf, midhalf en linkshalf) en de voorhoede (rechtsbuiten, rechtsbinnen midvoor, linksbinnen en linksbuiten)  waren niet compleet, dus we hadden voordat we begonnen al een enorme afstraffing ingecalculeerd.

In die tijd was er nog geen sprake van een 4-3-3 of een 3-4-3 systeem. In het doel stond de keeper, vóór hem stonden de linksback en de rechtsback en daar weer voor de linkshalf, de midhalf en da rechtshalf en in de voorhoede de linksbuiten, de linksbinnen. de midvoor, de rechtsbinnen en de rechtsbuiten. That’s it!

 

Ondanks dat we maar 8 spelers hadden  betraden we vol goede moed het veld. Het begon nog te regenen ook . De lucht was donker en er wachtte ons een echte tropische regenbui.

 

Het werd zoals verwacht een eenzijdige wedstrijd, waarbij de triomfantelijke en superieure grijns op de gezichten van onze Molukse tegenstanders, die fel afstak tegen de verbeten en grimmige trek op onze smoelwerken omdat we toch probeerden er nog iets van te maken .Voordat de scheidsrechter het startsignaal gaf  kwam Keesie naar me toe en fluisterde met een licht Rotterdam accent:  “Elke bal die richting jou komt die ram ik wel naar voren toe”. Ik knikte dankbaar.

En Keesie hield woord, hij rende van links naar rechts en elk bal die in mijn richting kwam, die knalde hij naar voren onder het uitstoten van een soort indianenkreet, waarschijnlijk geïnspireerd door de aanhangers van onze tegenstander, die af en toe vanaf  de kant  fanatiek  “Mena moeria” schreeuwden om hun ploeg aan te moedigen . En het ging harder regenen.Het water plensde op het veld als mandiwater (mandi = baden) uit de gajoeng (waterschep)  Er lagen hier en daar al grote plassen op het veld, dat langzaam aan in een modderbad veranderde en waarin de bal vaak bleef steken

Keesie werkte zich letterlijk te blubber. Door de vele slidings die hij moest maken zat hij helemaal onder de vettige modder. Je kon niet meer zien dat onder die bruine smurrie een blonde Hollandse jongen schuil ging. Ook zijn gezicht was bruin van de modder. Toen hij heel even dichtbij me stond nadat hij weer onder het slaken  van een ijselijke kreet de bal uit het doel had weggeramd , ontwaarde ik in dat vuilbruine masker, waarachter zijn gezicht zich verborg, twee helder blauwe ogen. Keesie… Wat mij het meest raakte was de blik die ik in die blauwe ogen zag. De blik van een echte onverschrokken fighter., ‘poekoel teroes!’ En ik wist daar en toen dat Keesie, de Hollandse jongen uit Rotterdam een echte anak Kemajoran was geworden. Saluut sobat!

 

 

Geschreven door rene persijn om 00:00

Ondel-Ondel

Ondel-Ondel (spreek uit als: ondèl- ondèl)

 

Een ondel-ondel is een grote pop met een persoon erin, die door twee gaatjes in de buik van de pop voor zich uit kan kijken.

De ondel-ondel is een soort symbool voor de autochtone inwoners van Batavia (Jakarta), de ‘orang Betawi’,  en is  geëvolueerd tot een soort mascotte voor de stad.

De ondel-ondels , meestal bestaande uit een mannelijke en een vrouwelijke pop en  liepen en lopen door de straten van de stad op hoogtijdagen.

Ze waren/ zijn  meestal tussen de 2 en 2,5 meter hoog met een diameter van 80 cm. , zijn fel en feestelijk gekleurd, hebben een masker voor hun gezicht  en haar, gemaakt van de nerven van kokosbladeren.

Het masker  van de mannelijke pop is rood gekleurd en dat van de vrouw wit. op het masker van de man prijkt een enorme snor.

De vrouwelijke pop draagt de traditionele sarong.

 

Op de jaarlijks in de maand juni gehouden “Jakarta Fair”, waar een grote markt is, eetstalletjes met typisch Jakartaans eten,  traditionele dansen, vuurwerk etc. ontbreken de ondel-ondels niet.

 

Toen wij in de 50-er jaren nog op de Vliegveldlaan (Jalan Garuda) woonden, kwamen de ondel-ondels wel eens door onze straat lopen op weg naar een  bruiloft of een ander groot feest  in de kampong om daar het feest op te luisteren. Ze werden dan begeleid door wat muzikanten. Een man met een grote, zware trom gaf het loop- en dansritme aan. De grote poppen liepen dan dansend door de straten en wij, kinderen, liepen er ook dansend achteraan.

 

Heel vroeger liepen de ondel-ondels rond om boze geesten te verjagen.

En als ik terugdenk aan de gezichten van die ondel-ondels, dan kan ik me best voorstellen dat de boze geesten van hen schrokken en op de vlucht sloegen!

 

 

 

 

.

 



39-0ba6d2ffb1ce588cf034d32446026683.jpg

39-7f66178030e18bea3b307917d4f4a7f7.jpg

39-59e25dcdf05d8e22f9210de4fb147a99.jpg

39-b03d419cbad42c53a7c5eb90567f4d85.jpg
Geschreven door rene persijn om 10:30

Theresiakerk( weg)

Theresiakerk( weg)

 

Zoals in het artikel “Op de Cas” op deze weblog al vermeld woonde de toenmalige rector van de CAS, de heer H. Stam met zijn vrouw, twee dochters en zoon Herman op de Theresiakerkweg.

Ik ben daar een paar keer op bezoek geweest, omdat ik bevriend was met Herman, die bij mij in de klas zat. Zo kwam ik ook eens op zijn verjaardag en omdat ik wist dat hij graag goochelde nam ik voor hem een boek mee, geschreven door de Nederlandse acteur, producer en goochelaar Adrie (Adriaan) van Oorschot “Hokus pokus dat kan ik ook".

Op in de Theresiakerkweg te komen moest ik de gewone weg naar de CAS fietsen ( zie ook het artikel “Fietsend naar school” op deze weblog).

Op Koningsplein-Oost aangekomen moest ik dan voorbij de school rijden naar Koningsplein-Zuid, deze uitrijden en dan linksaf Laan Holle oprijden. Dan doorrijden voorbij Kebon Sirih en de Oude Tamarindelaan en dan rechtdoor de Theresiakerkweg op.

 

Op de Theresiakerkweg 11, stond ook de Heilige Theresiakerk, waarnaar deze weg werd vernoemd.

In 1930 waren  de wijken Menteng ( zie ook het artikel “Menteng” op deze weblog) en Gondangdia zo volgebouwd en bewoond dat de Rooms-Katholieke gemeenschap naar een eigen ruimte zocht niet al te ver uit de buurt om hun diensten te houden. Ze waren immers tot nog toe aangewezen op de diensten in de Kathedraal aan het Waterlooplein.

Men heeft toen een stuk grond gekocht om een nieuw godshuis te bouwen aan de Soendaweg. Deze weg werd later omgedoopt in  Theresiakerkweg en een zijstraat kreeg de naam Soendaweg.

Voor de realisatie van het plan werd een opdracht gegeven aan de architect J. Th. Van Oyen. De bouw werd voltooi in 1934 en de kerk ingewijd door Pastoor A. Th. Van Hood SJ, vicaris van Batavia.

De kerk telde drie deuren met boven elke deur een groot raam. Op het middelste raam was de beeltenis aangebracht van de Heilige Theresia en op de beide andere ramen respectievelijk die van St. Igntius de Loyola (stichter van de   “Societas Jesu”) en die van St. Franciscus Xaverius, beschermheilige van de missie.

In   1936 kreeg men hier een eigen parochie, De Heilige Theresia-parochie, onder pastoor F. Fleerakker. Hij bekleedde deze functie tot 1943.

 

Toen we in Batavia woonden hadden diverse pastoors de Theresia-parochie onder hun herderlijke hoede. In 1951 bijvoorbeeld was dat pastoor Y. Awicks SJ en van 1951 tot 1960 opeenvolgend de pastoors Henricus Vroom, Wilhemus Rietra, Eustachius Djajaatmadja en Theodorus Madleuer

 



40-4ce52eeb4922c8839682eab066d7e4b2.jpg

40-a7ec16d623d4480fe5d16f356211590e.jpg
Geschreven door rene persijn om 00:00

Aanvallen!!!!

Aanvallen……!!

 

Toen we na de Oorlog met Japan in Batavia kwamen te wonen ( Vliegveldlaan, Kemajoran) werd mijn vader in de 50-er jaren jeugdouderling van de protestantse gemeente van de “Haantjeskerk” ( zie ook het artikel “de Haantjeskerk” op deze weblog)

Hij begon met het opzetten van een vereniging voor de jeugd waarin kon worden meegedaan  met  voetbal, volley, korfbal, judo, boksen  maar ook met  Hollandse (!)  volksdansen. Judo en boksen werden getraind ten huize van de heer van der Pluim aan de Goenoeng Sari. Voetbal, volley en korfbal op het Waterlooplein en volksdansen op het grasveld bij de kerk.

Met de voetballers  deden we met 2 elftallen onder de originele naam “De Haantjes” 1 en 2  mee aan een competitie van jeugdelftallen, georganiseerd door de plaatselijke voetbalvereniging B.V.C. (Bataviasche Voetbal Club), die op hun velden werd gespeeld. Initiatiefnemer hiertoe was de bekende radioverslaggever Hans Oosterhof, ook bekend als Suhandi.

 

In Batavia  waren meer voetbalclubs. Het voetbal werd al in 1894 in het toenmalige Nederlands-Indië geïntroduceerd toen een schooljongen, John Edgar, in Soerabaja een voetbalclub oprichtte, Victoria. Al gauw werd het voetbal niet alleen dor de elite gespeeld maar ook door de gewone man. Aanvankelijk was voetbal en trouwens de sport in het algemeen een Europese aangelegenheid, maar hier kwam langzamerhand verandering in.

Er kwamen ook meer voetbalclubs, zoals THOR uit Soerabaja, Excelsior en HBS en in Batavia o.a. VIOS, Hercules, SVBB (Sportvereniging Binnenlands Bestuur ), BVC

De clubs werden meestal opgericht op grond van beroepsgroep ( bijvoorbeeld: militairen) of op de etnische afkomst van de leden. Zo was de club “Mena Moeria”  die in de jaren ‘50  ook meedeed aan de jeugdcompetitie waaraan wij meededen, een club van Molukkers.

 

Vanaf 1914 werden stedenwedstrijden gehouden, waarin de sterkste spelers hun stad vertegenwoordigden.

Wat velen in Nederland niet (meer) weten is, dat Nederlands-Indië in 1938 ( het jaar waarin ik werd geboren!)  onder eigen naam deel nam aan de wereldkampioenschappen voetbal in Frankrijk.

Het elftal kwam niet verder dan de eerste ronde, waarin het verloor van Hongarije

met 6-0.

 

Trainer was de Nederlander Johannes Christoffel van  Mastenbroek.

De spelers waren destijds Tan "Bing" Mo Heng en J. Haring ( doelverdedigers), Frans G. Hu Kon (Hukon), Jack Sanniels, J. Kolle en Dorst (verdedigers), Sultan Anwar, Frans Alfred Meeng, Achmad Nawir, G.H.V.L. Faulhaber, G. v.d. Burgh en Bing Mo Heng ( middenvelders) en Isaak "Tjaak" Pattiwael, Suvarte Soedarmadji (Sudarmadji), M.J. Hans Taihuttu, Tan Hong Djien, Hendrikus V. "Henk" Zomers (Sommers), Tan See Han,

Teilherber, R. Telwe en Beuzekom L.N. (aanvallers )

 

In dat jaar (1938)  werd Italië wereldkampioen.

 

In de tijd dat ik bij “De Haantjes “ voetbalde maakt de Russische voetbalclub Dynamo Moskou met de legendarische keeper Lev Jashin een tournee door Azië . Ze speelden ook en wedstrijd tegen het nationaal elftal van Indonesia dat toen onder supervisie stond van de PSSI . ( Persatuan Sepakbola Seluruh Indonesia). Ik ben naar de wedstrijd wezen kijken, vooral om de Russische keeper Lev Jashin te zien en de Indonesische spits Jamiat en hun keeper Parengkuan.



38-797becb9c04fb0551de0807eb36ffb48.jpg

38-e8bb37f8875056dfa667e9712c37ff15.jpg
Geschreven door rene persijn om 16:09

Menteng

Menteng

 

Menteng is de door de Nederlanders gestichte villawijk in het toenmalige Batavia ten zuiden van het Bandjirkanaak en Matraman. Voor de realisering van de plannen  moest particuliere grond worden opgekocht. Met de bouw werd begonnen in de jaren 1917/1918. Menteng bestond aanvankelijk uit Menteng en Nieuw Gondangdia.

De wijk Menteng  is voor oud-Batavianen natuurlijk ook bekend als de wijk waar het gebouw stond van het Canisiuscollege.

Deze school werd opgericht in 1927 door een groep Jezuïetenen. Belangrijk werk hierbij werd vooral verricht door Dr. J. Kurris SJ, de eerste directeur van het Canisius College.

 

De Mentengwijk ( waartoe de bekende Palmenlaan behoort) was volgens een Nederlands stedenbouwkundig ontwerp uitgevoerd. Er waren ruime, symmetrische straten met heel veel bomen, plantsoenen, pleinen. De meeste huizen waren uitgevoerd met twee verdiepingen en met een puntdak.

Een ander bekend gebouw in deze wijk was de grote vrijmetselaarsloge.

Al voor de Tweede Wereldoorlog zaten in deze wijk veel ambassades.

 

Op Menteng Pulo ligt het Nederlands ereveld “Menteng Pulo,” opgericht tijdens de politionele acties (1945-1949).

Hier rusten Nederlandse slachtoffers die de verschrikkingen van de Japanse kampen niet hebben overleefd en Nederlandse militairen die tijdens de politionele acties om het leven kwamen. Ereveld Menteng Pulo telt ongeveer 4.300 graven.

Hier ligt ook de voormalige bevelhebber van de landstrijdkrachten in Nederlands-Indië/ Indonesië in de jaren 1946-1949, namelijk de  (viersterren) generaal Simon  Hendrik Spoor  ( 1902-1949)

 

Ereveld Menten Pulo, waar een 4300-tal graven liggen, werd opgericht tijdens de Politionele acties (1945-1949) Het ontwerp van het ereveld werd gemaakt door reserve luitenant-kolonel Ir. H.A. van Oerle

 

“ Zij gaven hun toekomst om ons een HEDEN te geven”

 

 

35-704a74ad1f1cd5045ef41c131a8d08e5.jpg

35-c7b24aa2d5433a4f8f3e89ce61d30b9f.jpg
Geschreven door rene persijn om 09:18

Meer van TEMPO DOELOE (Vroegere tijden)

↑ Terug naar de berichten