Naar de inhoud

'VOLKSVERHALEN'

akke.beakke.be
Problemen
Er zijn nogal wat problemen met het lezen van de teksten, daarom volgende tip :
Met de muis links klikken en over de tekst schuiven.
De tekst verschijnt duidelijk leesbaar.

Berichten van 13 juni 2011 tot 19 juni 2011

Roodkapje(rijmvorm)

Roodkapje (rijmvorm)
- Charles Perrault - Roodkapje (in rijmvorm) -

Er was eens een aardig meisje,
zo om en bij de zeven jaar;
dol veel hield moeder van haar liefje,
en grootmoe was echt mal met haar.

Die goede vrouw, al grijs van haren,
schonk aan de kleine krullebol
met Sinterklaas een sierlijk kapje,
geweven van vuurrode wol,

dat haar zo goed stond, dat een ieder,
die ‘t meisje tegen kwam op straat,
haar schertsend Roodkapje noemde,
en dat klonk grappig inderdaad.

Eens bakte moeder lekkere wafels,
zij had er suiker opgedaan,
en lachend zei ze tot Roodkapje:
"Je moet eens naar grootmoe gaan,

en horen hoe ‘t met haar gaat, want je weet
dat grootje ziekelijk is en oud.
Neem dus dit bord met wafels mee,
waar ‘t lieve mens zoveel van houdt,

en ook dit potje malse boter."
En ons Roodkapje ging terstond,
want grootmoe woonde nog veel verder
dan waar de watermolen stond.

Toen nu ons aardig, vlug Roodkapje
in ‘t grote bos gekomen was,
ontmoette zij een wolf bij ‘t kruispad,
die zachtjes voortsloop over ‘t gras.

Hij had wel zin haar op te happen,
maar waagde ‘t niet, want dichtbij
weerklonk de bijlslag van de klovers;
hij liep dus stil het meisje op zij

en vroeg: "Waar ga je heen, Roodkapje?"
‘t Onnozel meisje, dat niet wist
hoe gevaarlijk het was te luisteren
naar zo’n dier, vol boze list,

gaf hem ten antwoord: "’k Ga voor moeder
naar mijn goede grootmoe toe
en deze wafeltjes haar brengen
met nog dit potje boter toe."

"Wel," vroeg de wolf weer, "woont zij ver nog?"
"Ja," sprak Roodkapje, "aan gene kant
van de molen, in het laatste huisje
van ‘t dorp." - "Zo," zei de loze kwant,

"kom, ‘k ga dan ook eens naar haar kijken;
ik langs deze, en jij langs die weg,
wie er nu het eerst zal wezen
dat zullen we wel eens zien, zeg!"

De wolf liep al wat hij kon lopen,
altijd maar door, het kortste pad;
maar ons Roodkapje ging het langste,
en treuzelde onderweg nog wat.

Zij zocht naar bruine beukennootjes,
en joeg de bonte vlinders na,
en plukte een ruiker wilde bloemen,
en zo vervloog de tijd weldra.

De wolf kwam spoedig aan de woning
van grootje, en klopte: klop, klop, klop!
"Wie is daar?" - "Ik ben het, Roodkapje,"
gaf daar de wolf ten antwoord op;

en hij vervolgde - meer zijn stem nog
veranderend: "Compliment van moe,
en hier zijn lekkere suikerwafels,
en nog een potje boter toe."

"Wel, kind! Trek dan maar aan het touwtje,
dan gaat de klink vanzelf omhoog."
Dat deed de wolf ; de deur ging open,
en ‘t uitgehongerd roofdier vloog

met één sprong naar ‘t kreunend oudje,
dat ziek te bed lag - en verslond
‘t arme grootje, dat van schrik haar snuifdoos
had laten vallen op de grond.

Daarna sloot de wolf de deur weer; zette
de nachtmuts op der arme vrouw,
kroop in bed en bleef zo wachten
of Roodkapje haast komen zou.

Een uurtje later kwam Roodkapje
aan ‘t huisje en klopte: klop, klop, klop!
"Wie is daar?" - ‘t Was om bang te worden!
Zij gaf er eerst geen antwoord op;

die grove stem deed erg haar schrikken,
maar "Grootmoe zal verkouden zijn,"
dacht ze, "en is vast schor geworden;
haar keel en borst doen zeker pijn."

‘t Kind riep dus: "Ik ben ‘t, Roodkapje;
en, grootmoe! compliment van moe
en hier zijn lekkere suikerwafels,
en nog een potje boter toe."

"Wel, kind! trek dan maar aan het touwtje,
dan gaat de klink vanzelf omhoog. "
zij trok... de kleine deur viel open,
en ‘t zorgeloos Roodkapje toog

naar binnen. "Zet, mijn kind! de wafels
en ‘t potje maar op tafel neer."
Dit zeggend trok de wolf de dekens
hoog op, men zag hem haast niet meer.

"Kom nu een beetje naast mij liggen,
Roodkapje! ‘t Is vandaag zo koud!
Ik kan daar niet heel goed meer tegen,
want grootmoe, zie je, is al zo oud."

Roodkapje trok toen haar schoentjes uit,
klom in de bedstee vlug en ras...
Maar o! Wat keek zij erg verwonderd
dat grootmoe zo veranderd was!

Ze zei: "O grootmoe lief! wat heb je
toch grote armen!" -
"Wel die zijn, mijn schat!
om des te beter je te omhelzen
Roodkapje lief! Begrijp je dat?"

"Maar, grootmoe lief! wat heb je
toch grote benen!" -
"Wel, mijn schat!
die zijn om beter nog te lopen
Roodkapje lief! Begrijp je dat?"

"Maar, grootmoe lief! wat heb je
toch grote ogen!" -
"Wel die zijn, mijn schat!
om beter nog te kunnen kijken
Roodkapje lief! Begrijp je dat?"

"Maar, grootmoe lief, wat heb je
toch grote tanden!" -
"Ha, die zijn
om je op te eten!" - riep de valsaard;
en of hij in de woestijn

een dwalend schaapje hoorde blaten,
zo schudde hij zijn ruige kop...
Toen wierp de boze wolf zich eensklaps
op ‘t arme kind en at het op.

* * * einde * * *

Bron : - "Sprookjes van Moeder de Gans" door Charles Perrault, berijmd door Ant. L. de Rop. Foresta, Groningen.
           - Oorspronkelijke titel: Le Petit Chaperon rouge
           - www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 02:01 2 reacties Reageer op dit bericht

De kikker die even groot ...

De kikker die even groot als een os wilde zijn
- Een fabel van Jean de La Fontaine over waan en nijd -
Een os stond in de wei te dromen bij een beek
En zag hoe daar vlakbij een kikker hem bekeek.
Hij was zichtbaar jaloers, niet groter dan een ei,
Maar kwaakte kwaad:
"Kijk, kijk! 'k Word net zo groot als jij!"
De os sloeg met zijn staart en stond zich te verbazen.
De kikker rekte zich, begon zich op te blazen.
Hij blies en blies, hield zich even in
En vroeg: "Is dit geen goed begin?
Ben ik op weinig tijd niet reuze aangekomen?"
De os zei: "Boe!" En bleef maar voor zich uit staan dromen.

De kikker wond zich op, begon met nieuwe moed
Hij voelde alles spannen. "Is het nu nog niet goed?"
"Boe!" deed de os bedroefd. "Het lijkt er echt niet op.
Niet groter dan een pad, maar met een dikke kop!"
Nu werd de kikker woest, hij duwde, blies en balde
Zijn spieren plots zo hard dat hij aan flarden knalde

De wereld barst van waan en nijd
Om wie de snelste auto rijdt
Het grootste huis. De verste reis.
Ach, is dat allemaal wel wijs?


                                          * * * einde * * *
Bron : - http://www.lafontaine.net/
           Oorspronkelijke titel : La Grenouille qui veut se faire aussi grosse que le Boeuf
           - www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 13:22 2 reacties Reageer op dit bericht

De juffer van Echten

De juffer van Echten
- Over hoe het een man lukt zijn vrouw de baas te blijven -
Kaatje, de dochter van Van Holthe tot Echten raakte verloofd met een niet zo rijke jongeman. Als Kaatjes vader met zijn rijtuig met een palfrenier achterop over de oude Postweg reed, moest elk voertuig voor hem wijken, hoe moeilijk dit ook ging. De Heer van Echten, zoals hij genoemd werd, had voorrang in alles. Vóór de bruiloft zei de moeder van Kaatje dan ook tegen haar dochter: "Kaatje, je zorgt ervoor, dat jij de baas blijft!" - "Ja, moeder, daar zal ik wel voor zorgen."

Na de trouwdag begreep de jonge echtgenoot echter al gauw wat de bedoeling was van zijn vrouw en op een dag zei hij dan ook tegen haar: "Ga je mee uit rijden, vrouw? Ik wil naar Ruinen over de zandweg." - "Met twee paarden voor de sjees en gaan de beide honden ook mee? Ja, dan wil ik wel mee. Maar wat wil je met dat geweer? Een dubbelloops geweer!" - "Dat neem ik mee." - "Is het geladen? Daar ben ik bang voor. Laat dat ding thuis!" Dat deed haar man niet en ze sputterde dan ook eerst wat tegen maar niet te lang want ze waren immers nog maar pas getrouwd, zo overlegde ze bij zichzelf.

Toen ze ongeveer duizend meter hadden afgelegd pakte haar man plotseling het geweer en schoot een van de honden dood. De jonge vrouw schrok en riep: "Waarom doe je dat?" - "Och, hij liep mij niet naar de zin." En een ogenblik later schoot hij ook de andere hond dood. Toen begon zij toch tegen hem uit te varen en zei: "Ik begrijp niet wat je bezielt!" - "Ik wel," zei haar man. "Ik stap uit en ga het geweer opnieuw laden." Ze gingen verder.

Toen schoot hij eerst het ene paard dood en even later ook het andere. "Wat moeten we nou toch!" zei Kaatje. "Ik weet het niet." Hij laadde het geweer opnieuw. "Probeer jij eens of je de sjees kunt trekken, vooruit en snel, anders…" Kaatje schold en ging flink te keer maar hij legde het geweer aan en zei: "Trekken! En als het mij niet naar de zin gaat, schiet ik je dood, net als de paarden." - "Ja, de paarden! Wie betaalt die?" - "Betalen? Wij zijn rijk genoeg!" - "Zijn wij rijk genoeg. Ik ben rijk, maar jij…" - "Trekken! En duvels gauw," bulderde hij.

Zij pakte de sjees vast en trok. Hij liep achter haar aan met het geweer in de handen. Toen hij zag dat ze doodmoe was zei hij: "Ho! Stop nu maar. Ik laat de knecht het spul wel ophalen." Meteen schoot hij het geweer leeg en zei: "Ziezo, nu kan ik niemand meer kwaad doen." En ze gingen te voet naar huis terug.

Kaatje vertelde alles aan haar moeder: "Ik moest van hem de sjees trekken. Hij heeft de honden doodgeschoten en de paarden ook! O, moeder, wat heb ik een kwaaie man!" Het kostte hem dan wel twee honden en twee paarden maar zo bleef de man zijn Kaatje van Echten wel de baas! Het werd later toch een goed huwelijk.

                                          * * * einde * * *
Bron : - "Witte Wieven. De meest bekende volksverhalen uit Drenthe" samengesteld door Emmy Wijnholds-Schuster.
           Het Drentse Boek, Zuidwolde, 1997. ISBN: 90-6509-137-8
           www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 19:11 1 reactie Reageer op dit bericht

Waarom de zee zout is

Waarom de zee zout is
- Een verklarend sprookje uit Nederland over de zoute zee -
Lang, lang geleden leefden er eens twee broers. De ene was rijk en de andere arm. Het was rondom kerst en de arme broer ging naar de rijke broer om wat eten te vragen. Toen hij bij zijn rijke broer aankwam en hem om eten te smeken zei zijn broer: "Je mag een hele koe hebben als je daarna doet wat ik zeg." De arme broer wou graag een koe en beloofde dat hij zou doen wat zijn broer zei. De arme broer kreeg zijn koe en de rijke broer zei: "Loop naar de hel". Als een lelijk iemand dit tegenwoordig tegen je zegt dan weet je dat de ander vindt dat je moet ophoepelen en nooit meer terug komt, maar in die tijd was schelden helemaal niet gewoon.

De arme broer deed dus letterlijk wat zijn broer gezegd had en liep dus echt naar de hel. Hij had alleen geen idee waar de hel was en liep een groot donker bos door. Hij zag opeens een heel helder licht en dacht, daar moet de hel zijn. Hij zag de poortwachter met een grijze baard staan en vroeg aan de man of daar de hel was. De man zei: "Jazeker, hier is de hel. Ik zie dat je een koe mee hebt genomen, koeien zijn heel erg zeldzaam in de hel. Als je binnen komt zal iedereen naar je toe komen om de koe te kopen. Ik raad je aan om hem niet te verkopen voor geld, maar de oude handmolen te vragen. Als je daarna weer naar buiten loopt zal ik je uitleggen wat je ermee kan en hoe hij werkt."

De arme broer bedankte de man voor de raad en liep de hel in. En zoals de man al voorspeld had, kwamen alle duivels op hem af om te vragen of hij de koe wilde verkopen. De arme broer legde uit dat hij alleen de oude handmolen wilde hebben. De duivels probeerden om de arme broer over te halen om hem toch gewoon voor geld te verkopen, maar de arme broer bleef zeggen dat hij de handmolen wilde. Uiteindelijk kreeg de arme broer de handmolen en hij liep de hel uit naar de poortwachter.

De man legde uit hoe hij de handmolen moest gebruiken. De molen maalde alles wat de arme broer zei. Toen de broer thuiskwam riep zijn vrouw kwaad: "Waarom ben je zo laat? Het is toch niet zo moeilijk om even heen en weer te lopen? Ik maakte me erg ongerust!" De broer zei rustig: "Moet je dit eens zien," en hij maalde eerst eten en drinken, toen een tafelkleed en wat kaarsjes. De vrouw keek sprakeloos toe en ze vroeg: "Hoe kom je daar aan?" De broer antwoordde: "Het is niet belangrijk waar het vandaan komt, het helpt ons uit de armoede!"

Een paar dagen later gaven ze een feestmaal, ze hadden alles wat ze wilden en gingen dat vieren. De rijke broer was ook uitgenodigd en was erg jaloers. Hij gunde het zijn broer niet om nog rijker dan hem te zijn. Hij vroeg daarom ook: "Waarom ben je opeens zo rijk?" De broer verklapte zijn geheim niet, maar later op de avond, toen iedereen een beetje dronken werd verklapte hij het toch. Zijn rijke broer smeekte om de molen aan hem te verkopen, maar de broer wilde dat niet. Toen stelde de rijke broer voor dat hij de molen in het voorjaar zou kopen. Dit vond hij, de ooit arme broer, goed.

In het voorjaar kocht de broer het handmolentje voor 300 geldstukken. Hij dacht, ik zal eens lekkere soep voor mijn vrouw maken. Hij zei tegen de molen 'maak soep' en de molen maakte het. Zijn broer had hem alleen niet verteld hoe hij hem moest stoppen. De molen begon met het maken van soep en toen de borden vol waren, ging de molen door met het maken van soep! Hij rende snel naar zijn broer en smeekte hem het ding weer terug te nemen. Zijn broer zei: "Ik neem hem alleen terug voor nog weer 300 geldstukken." Weer betaalde hij 300 geldstukken en zijn broer nam de handmolen terug.

Hij leefde lang van de molen en was schatrijk. Op een dag kwam er een schipper naar de broer toe. De schipper vroeg of hij de molen over kon kopen omdat hij dan nooit meer zout hoefde te verzamelen. Na lang aarzelen verkocht de broer hem toch maar voor 1000 geldstukken. De broer was toch rijk genoeg voor zijn hele leven.

De schipper liep snel weg, omdat hij bang was dat de broer hem toch weer terug wilde hebben. De schipper wist niet hoe hij de molen in moest stellen, maar riep toch tegen de molen dat hij zout moest malen. Toen het schip vol zat met zout, stopte de molen niet, en ging maar door met malen. De schipper gooide de molen boos in de zee.

De molen maalt nog steeds, en zo komt het dat de zee zo zout is.


                                        * * * einde * * *
Bron : - Lotte
           - www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 17:21 2 reacties Reageer op dit bericht

Meer van 'VOLKSVERHALEN'

↑ Terug naar de berichten