Naar de inhoud

'VOLKSVERHALEN'

seniorennet.beseniorennet.be
Problemen
Er zijn nogal wat problemen met het lezen van de teksten, daarom volgende tip :
Met de muis links klikken en over de tekst schuiven.
De tekst verschijnt duidelijk leesbaar.

Categorie: duivels

De toren van Medemblik

De toren van Medemblik
De toren van Medemblik
- Een Noord-Hollandse sage over de moeizame bouw van een kerktoren -

In oude tijden, toen men de toren van Medemblik bouwen zou, had de duivel nog grote macht aan de kusten van de Zuiderzee. Zo gebeurde het namelijk dat hij de grond waarop men de toren wilde bouwen in drijfzand veranderde. Dat was heel gemakkelijk voor hem want de zee was vlakbij. Hij verordineerde dus maar en het water gehoorzaamde hem.

Maar eerst liet hij de lui van Medemblik een poosje bouwen en sjouwen. Hij liet stilletjes de funderingen leggen en zo, maar als ze goed en wel met de bovenbouw beginnen zouden, kwam hij in actie. Dan begon hij met z'n loze streken.

Wanneer de bouwmeester en de werklui dan op een goeie morgen op het werk kwamen zagen ze tot hun verbazing, dat alles in het waterige zand verzonken was. Ergens, ver weg, hoorden ze dan een schel spottend gelach en soms roken ze duidelijk de stank van zwaveldamp.

Nadat dit enige keren zo gegaan was begon men te begrijpen, dat de duivel de hand in het spel had. En zodra men er achter was, was de aardigheid er voor hem af. Hij kwam voor de dag met zijn bokkenpoot en lachte de bouwmeester in zijn gezicht uit. "Maar," zei hij toen hij uitgelachen was, "er is wel met me te onderhandelen. Ik sta niet altijd even stijl."

En de bouwmeester, die tot elke prijs zijn toren bouwen wilde - want het kwam zijn eer te na wanneer hij bekennen moest daartoe niet in staat te zijn - vroeg wat hij te doen had om op stevige grond te kunnen bouwen. "Wel," antwoordde de duivel, "ik zal het je zeggen, het is maar een kleinigheid. Je slacht een aantal ossen en de vellen gebruik je om de fundering op te bouwen."

"Wat zegt u?" wou de bouwmeester vragen, maar er kwam een boerinnetje aangelopen dat ijverig haar rozenkrans bad en op het gezicht daarvan verdween de duivel met een harde slag pardoes in de grond. Alleen wat zwaveldamp bleef er over.

De bouwmeester deed echter wat de duivel hem aangeraden had. Hij verzamelde een groot aantal ossenhuiden en begon op een onderlaag daarvan de toren op te bouwen. En het gelukte buiten verwachting! Op die ossenhuiden verrees de schone toren, dezelfde toren die men tegenwoordig de toren van de hervormde kerk noemt.

* * * einde * * *

Bron : - "Sagen en legenden rond de Zuiderzee" door S. Franke.
           W.J. Thieme & Cie, Zutphen, 1932
           - www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:00 1 reactie Reageer op dit bericht

Afspraak is afspraak

Afspraak is afspraak
- Een Roemeens zigeunersprookje over een afspraak met de duivel -

Er was eens een arme man wiens vrouw was gestorven. Ze had hem met drie zoontjes achtergelaten. De man deed zijn best zowel vader als moeder voor de jongens te zijn. Overdag nam hij elk werk aan dat hij maar kon krijgen, opdat hij genoeg zou verdienen om hen allemaal genoeg te eten te geven. 's Avonds kookte hij, maakte schoon, verstelde hun kleren en vertelde verhaaltjes. Maar de taak viel hem zwaar.

Hij had maar één wens en dat was dat zijn zonen een gemakkelijker leven zouden krijgen dan hij. Zodra het even kon stopte hij wat geld weg in het oude kistje dat onder zijn bed stond. Hij hoopte dat hij op een dag genoeg zou hebben om de jongens een studie te laten volgen. De ellende was dat hij het gespaarde geld altijd weer uit moest geven. Een van zijn zonen had een paar nieuwe schoenen nodig, of de aardappelen of knollen waren op en dan hadden ze weer een nieuwe voorraad nodig. Opgroeiende jongens konden niet van de lucht leven.

"O, ik heb er lichaam en ziel voor over om mijn drie jongens te laten studeren!" riep de man op een dag, terwijl hij het deksel van het kistje dichtdeed, nadat hij er geld uit had gehaald voor melk.

"Meen je dat?" vroeg een zachte stem vanuit de hoek van de kamer. "Lichaam en ziel, zei je?"

De man draaide zich om en zag - hoewel de deur en de ramen dicht waren - een man staan die, op de vuurrode voering van zijn mantel na, helemaal in het zwart was. Hij kleedt zich altijd elegant, de oude Satan.

"Zou je er echt lichaam en ziel voor over hebben?" herhaalde de oude Satan.

"Ja!" zei de man, hoewel hij wist dat hij het tegen de Duivel zelf had. "Ik heb er mijn lichaam en ziel voor over om mijn jongens te kunnen laten studeren."

"Afgesproken," zei de oude Satan. Hij stak zijn hand uit en de man drukte die. De hand was ijskoud. "Ik kom over tien jaar terug om je op te halen," zei de oude Satan. Toen verdween hij.

De man opende het kistje onder zijn bed en zag dat er genoeg geld in zat, en nog ruim extra om elk van de jongens te laten studeren. Dus gingen ze naar goede scholen. Na enige tijd werd er eentje dokter, eentje priester en de derde advocaat.

De man vertelde zijn zoons nooit over de afspraak die hij gemaakt had en de jongens dachten er nooit aan hun vader te vragen hoe hij zoveel geld had kunnen sparen.

Tien jaren gingen voorbij, veel te vlug naar de zin van de man, maar zo is het leven. Zijn zoon de dokter, kwam hem op een regenachtige avond opzoeken. De wind huilde rond het huis en blies de rook terug in de schoorsteen.

"Ik geloof dat er geklopt wordt," zei de dokter.

Toen zijn vader de deur opendeed stond de oude Satan daar, zonder een druppel regen op zijn mantel die bol stond in de wind.

"Wat is er aan de hand?" vroeg de dokter.

"Het is tijd om te gaan," antwoordde de oude Satan.

En toen moest de vader wel voor de dag komen met het verhaal. "Kletskoek!" zei de dokter. "Mijn oude vader gaat nog niet dood. Ik heb hem kortgeleden nog helemaal onderzocht en hij is net zo gezond als ik!"

De oude Satan liet zich niet van de wijs brengen. "Wie had het over doodgaan? Als je vader mijn slaaf wordt tot het einde der tijden, wil ik hem gezond en fit. Lichaam en ziel was de afspraak."

"Geef hem nog een paar dagen," smeekte de dokter. "Mag hij mijn broer de priester nog even spreken voordat hij gaat?"

Misschien is de Duivel toch niet door en dóór slecht.

"Een priester haalt niets uit," zei hij. "Maar hij mag hem zien om afscheid van hem te nemen."

En daarom liet de dokter zijn broer, de priester, halen en legde aan hem uit hoe de zaak ervoor stond.

"Laat dit maar aan mij over," zei de priester.

En de oude man en zijn zoon zaten te wachten. Een dikke mist daalde neer rond het huis, probeerde een weg naar binnen te zoeken en kroop tenslotte door het sleutelgat. Toen er genoeg mist binnen was vormde er zich een man uit.

"Kom je nu?" vroeg de oude Satan.

"Niet zo haastig!" zei de priester. "Mijn vader is een goede man. Geen cent van het geld dat je hem hebt gegeven heeft hij aan zichzelf besteed."

"Dat kan me niet schelen," zei Satan. "Afspraak is afspraak!"

"Hier is wat geld dat over was," zei de priester. "Neem het vast mee en de rest zullen we nog terugbetalen."

"Ik wil geen geld," zei de oude Satan. "Lichaam en ziel was de afspraak."

"Kun je nog iets langer wachten zodat mijn andere broer naar huis kan komen om afscheid te nemen van mijn vader?"

"Ik kan wachten," zei de Satan. "Wat is een week vergeleken bij de eeuwigheid?"

Tenslotte arriveerde de jongste zoon, de advocaat. Buiten was het koud, zo koud dat je adem bevroor op het moment dat hij uit je mond kwam. Maar die hand die de man tien jaar daarvoor had aangeraakt was nog kouder geweest. Nauwelijks was de advocaat binnen, had zijn jas uitgetrokken en was bij het vuur gaan zitten, of de oude Satan verscheen.

"Nog even, alsjeblieft!" zei de advocaat. "Ik heb nog niet de tijd gekregen om hallo te zeggen, laat staan vaarwel."

De oude Satan aarzelde. Hij kende redelijk veel advocaten, en die waren veel te sluw.

"Zie je die kaars op tafel?" vroeg de advocaat. "Geef ons de tijd totdat die kaars is opgebrand."

De Duivel keek naar de kaars en zag dat die binnen een minuut of tien zou zijn opgebrand.

"Dat is goed," knikte hij.

"Is dit een afspraak?"

"Ja," zei de oude Satan terwijl hij ging zitten. "Ik wacht."

"Zou ik niet doen als ik jou was," glimlachte de advocaat. "Dat zou wel eens heel lang kunnen duren!" En toen doofde hij de vlam van de kaars en gaf de stomp aan zijn vader. "Alsjeblieft, papa, bewaar dit goed." En tegen de oude Satan zei hij: "Afspraak is afspraak, of niet? Je raakt mijn vader niet aan tot die kaars is opgebrand."

De oude Satan glimlachte en toen barstte hij in schaterlachen uit. Hij wist dat hij vierkant verslagen was.

De oude man hield het stompje kaars in zijn zak tot de dag waarop hij stierf en zijn drie zonen zorgden ervoor dat het mee begraven werd. En zo is hij naar de hemel gegaan, denk ik.

De priester was een goede man en de dokter een wijze, maar er was een advocaat voor nodig om de oude Satan te slim af te zijn. Maar denk niet dat jij hetzelfde kunstje kunt uithalen. Hij kent het nu. Als ik je een goede raad mag geven: bemoei je helemaal niet met de oude Satan. Moge de duivel je leven lang één stap bij je achterblijven!

* * * einde * * *

Bron : - "De ruiter zonder hoofd en andere griezelsprookjes" naverteld door Maggie Pearson.
           Uitgeverij De Eekhoorn, Oud-Beijerland, 2001. ISBN: 90-6056-851-6
           - www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:00 Reageer op dit bericht

Het boertje van Wakelslag ...(vervolg)

Het boertje van Wakelslag en de duivel (slot)
- Een Gelders volksverhaal over een boer die de duivel te slim af is -
Toen de tijd aanbrak dat er weer gezaaid en gepoot moest worden, wist ons boertje niet zo een, twee, drie wat hij moest doen. Want zodra het weer herfst zou zijn, moest de duivel zijn portie hebben. Maar hij was een slimmerd en had er gauw wat op bedacht.

Met een opgeruimd hart deed hij het werk en wachtte geduldig de tijd van oogsten af. Op de bepaalde tijd in de herfst kwam de duivel om zijn aandeel van de vruchten te halen. Maar de room was eraf, want wat had de boer gedaan? Hij had alleen maar aardappels gepoot! Daar ze afgesproken hadden dat de duivel alles zou hebben wat boven de aarde groeide, moest hij zich tevreden stellen met de struiken.

Toen de duivel merkte dat de boer hem erin had laten lopen, werd hij hels en hij begon te vloeken. Maar de boer hield zich rustig en hij zei: "Weet je niet meer wat in het contract staat? Lees het maar eens na, ik sta in mijn recht."

De duivel moest zich, al vloekte hij de bomen uit de grond, gewonnen geven. Maar nu wilde hij een ander contract. Na veel gezeur en gezanik kwam het eindelijk in orde. Volgend jaar zou de duivel alles hebben wat onder de aarde zou groeien. Toen dit zwart op wit stond, vloog de duivel tandenknarsend weg.

Weer ging de winter voorbij en het voorjaar kwam. De boer begon weer te bouwen en te zaaien. Er kwam op tijd regen en droogte. Alles groeide en bloeide. In de zomer toen het Sint-Japik werd, sloeg de boer de sikkel in de rogge, hij had nu alleen rogge gezaaid. Op tijd pakte hij de rogge op de balken en de duivel kreeg, toen hij om zijn aandeel kwam, de stoppels. De duivel was zo nijdig als een spin, maar hij verbeet zich, want hij dacht: De derde keer zal ik mijn aandeel in de buit hebben.

Hij begon dan ook te vleien: "Ja, vriendje, dat was ook deze keer een handigheidje van je en het is niet onaardig. Maar je begrijpt wel: vóór wat, hóórt wat. De derde keer zullen we eerlijk delen van wat onder en boven de aarde groeit."

De boer hield zich dom en deed of hij er niets van begreep. Maar de duivel wist zijn voorstel zo duivelachtig in te kleden dat het boertje toch maar weer in het nieuwe contract toestemde. En met een vrolijk gezicht nam de duivel afscheid.

Midden in de zomer van het volgende jaar, op een stralende dag, kwam de duivel de boer eens opzoeken om te zien waar de vruchten op het land stonden. De boer leidde hem overal rond. Overal stonden mooie blauwe bloemetjes. Een maand of wat later haalde de boer zijn gewas in huis. En toen de herfsthonden begonnen te blaffen, kwam de duivel weer om met de boer te delen; hij grijnsde.

De boer, die de laatste tijd erg hard had gewerkt, was net het laatste vlas aan het braken en hij had de hekel al klaar staan om het te hekelen. Hij had dit jaar alleen maar lijnzaad gezaaid! Toen de boer klaar was zei hij tegen de duivel: "Dat is mijn portie." En hij hield het vlas. "Dat is jouw deel," zei hij toen. En hij wees de duivel de hoop met afval. "Daar kun je een oven in de hel mee stoken. Me dunkt: nu is het dan toch wel eerlijk toegegaan. Driemaal is scheepsrecht."

Maar de duivel werd spin- en spinnijdig. Hij maakte de boer uit voor alles wat lelijk was. "Je bent een ploert, een schoft, nog slechter dan... de duivel!" Maar dat was te veel gezegd. De boer werd giftig, greep de duivel bij kop en staart en trok hem een keer of wat met zijn achterwerk over de hekel heen. Hij gilde het uit van pijn! Toen de boer hem eindelijk losliet, vloog de duivel, of er vuur in zijn broek gestookt werd, met een wilde kreet de lucht in...

Na die tijd is hij nooit terug geweest en de boer had voor altijd rust. Maar niet alleen ons boertje, ook de anderen, al hadden ze het niet verdiend, hadden rust. Ja, geen boer van Wakelslag komt sindsdien meer in de hel, want de duivel is veel te bang dat ze de hekel meebrengen!


                                          * * * einde * * *
Bron : - "Volksverhalen uit kleurrijk Nederland. Draken en andere vreemde wezens.
           Verhalen uit de Chinese, Joodse, Nederlandse, Indiase, Turkse, Surinaamse, Marokkaanse en Indonesische verteltraditie"
           uitgegeven door Lemniscaat, Rotterdam, 1991. ISBN: 90-6069-719-7
           Oorspronkelijke titel: t Boertjen van Wakelslag en 'n duvel
           - www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:00 1 reactie Reageer op dit bericht

Het boertje van Wakelslag ...

Het boertje van Wakelslag en de duivel
- Een Gelders volksverhaal over een boer die de duivel te slim af is -
In vroeger jaren moet er eens een grote wervelstorm geweest zijn, wel niet zo erg, maar voor wie het aanging, naar genoeg. In Wakelslag lagen op een morgen kort na Allerheiligen alle huizen tegen de grond. Nu waren het allemaal huizen van rijke boeren en die konden wel weer een nieuw huis kopen, maar er was ook een boertje dat het zonder storm al erg arm had, en nu was zijn huis ook nog geruïneerd! Hij was zo arm dat hij geen nieuw huis zou kunnen kopen. En zo lag hij dan met vrouw en kinderen onder de blote hemel. Helpen? Ho maar! Iedereen had het te druk met zichzelf. En de arme boer was aan de wil van God overgelaten. Maar het ging hem als de meesten: hij verliet zich er niet op.

Op een nacht ging hij naar de kruisweg met een zwarte haan onder zijn arm. Daar wachtte hij tot de klok in het dorp twaalf uur zou slaan. De klok had nog geen twaalf geslagen of hij hakte de zwarte haan de kop af en hij riep: "De duivel!"

Die liet niet lang op zich wachten. De boer had zijn naam nog maar nauwelijks genoemd of hij hoorde een ketting rammelen en daar stond de duivel voor hem. De boer klaagde hem zijn nood. Toen hij merkte dat de duivel met hem te doen kreeg, smeekte hij hem te helpen een nieuw huis te krijgen, vooral met het oog op zijn vrouw en kinderen.

De duivel had het te kwaad gekregen. Hij veegde een paar tranen uit zijn ogen, maar toen hij hoorde dat de mensen die in goede doen waren, het boertje niet wilden helpen, werd hij boos. Hij zei dan ook: "Als ze u allemaal in de drek laten zitten, dan haal ik u eruit. Morgen heb je een nieuw huis, een mooier en beter dan je gehad hebt. Maar dan moet ik wel je ziel hebben!"

De boer wist niet wat hij hoorde: morgenvroeg al een nieuw huis! Zijn hart bonsde van blijdschap.

Maar dat laatste zinde hem niet. Zijn ziel voor een huis... Nee, nee, dat ging niet, dat kon hij niet riskeren... Op een echt duivelachtige wijze spiegelde de duivel hem het mooie huis voor. Maar de boer weigerde daar zijn ziel voor te geven. Toen de duivel zag dat het boertje niet wilde, kwam hij met een ander plan: "Als je mij van de herfst alle vruchten van je land geeft, dan zal ik je helpen."

"Nee, dat is te veel," antwoordde de boer, "waar moeten we dan van leven?"

Hoe de duivel ook praatte - en dat kan hij goed - het boertje wilde niet. Uiteindelijk keerde hij de duivel de rug toe. Maar een duivel laat zijn slachtoffer niet zo makkelijk weer los. En zo begon hij opnieuw met de boer te sjacheren. "Nu dan," zei hij, "dan zal ik omdat jij het bent, deze keer tevreden zijn met wat boven de aarde groeit."

"Ook dat is te veel," spartelde het boertje tegen. Maar de duivel wist het toch zo mooi te draaien dat het boertje uiteindelijk in de koop toestemde.

Dadelijk stelde de duivel een contract op en de boer schreef er met bloed zijn naam onder.

De duivel stak de overeenkomst in zijn achterzak en toen ging hij aan het werk. Zulk werken had de boer nog nooit gezien. Het was een wonder! Nog voordat de hanen begonnen te kraaien, was het huis kant en klaar. En toen de zon opging, kon de boer met zijn vrouw en kroost de nieuwe woning betrekken. Je had de buren eens moeten zien kijken, toen ze daar dat mooie huis zagen staan! Hoe was het mogelijk: in één nacht zo'n huis!?

Ons boertje was wel slim genoeg, toen ze hem ernaar vroegen, om hun dat niet te vertellen. Ze hadden niets met hem te maken willen hebben, nu wilde hij niks meer met hen te maken hebben. Blij en tevreden zag de boer de winter tegemoet.


                                    * * * wordt vervolgd * * *
Bron : - "Volksverhalen uit kleurrijk Nederland. Draken en andere vreemde wezens.
           Verhalen uit de Chinese, Joodse, Nederlandse, Indiase, Turkse, Surinaamse, Marokkaanse en Indonesische verteltraditie"
           uitgegeven door Lemniscaat, Rotterdam, 1991. ISBN: 90-6069-719-7
           Oorspronkelijke titel: t Boertjen van Wakelslag en 'n duvel
           - www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:00 1 reactie Reageer op dit bericht

Hoe een schipper ...

Hoe een schipper door de duivel werd gehaald
- Een Harderwijks volksverhaal over een dronken zeeman -
Stomdronken als gewoonlijk was de schipper weer, tegen de avond, aan boord gekomen, nadat hij eerst een paar uur in de herberg had zitten vloeken en razen. Scheldend en dreigend was hij over de meerplank naar de knecht toe gezwaaid en had hem bevolen, al de zeilen op te zetten, en voort te maken. De knecht had het, zonder iets tegen hem te zeggen, gedaan. De schipper stond waggelend aan het roer. En zo waren ze samen de haven uitgezeild met een flinke Noordooster.

Nauwelijks waren ze in zee of de schipper gaf het roer aan de knecht over, scharrelde naar het achteronder, en liet zich er met veel vloeken in zakken. De knecht schoof het luik boven de schipper toe, minderde het zeil en ging weer kalm aan het roer. "Dat is vast en zeker de laatste keer," dacht hij, "zodra die zatlap z'n roes uitgeslapen heeft, zal ik hem zeggen dat hij maar naar een andere knecht moet uitzien. De mensen in Harderwijk zouden er mij ook op gaan aanzien. Vertellen ze nu al niet overal dat hij zijn ziel aan de duivel heeft verkocht om altijd een goede lading te hebben en als 't eens zo was, dan... Je moest er niet aan denken. Op zee kon er heel wat gebeuren."

Hij hoorde praten in het achteronder. Eerst meende hij de stem van de schipper te herkennen, maar nee, er was nog een stem, die hardop lachte en vloekte. Voorzichtig schoof hij het luik wat opzij en gluurde naar beneden. Tot zijn grote ontzetting zag hij daar de schipper met een vreemde zwarte heer aan de tafel zitten, druk bezig met dobbelen, terwijl een grote kruik jenever en twee glazen tussen hen in stonden. Na iedere worp met de stenen sloeg de schipper woedend met de vlakke hand op het kleine tafeltje, zó hard, dat alles rinkelde, en dan lachte de zwarte heer.

In de grootste angst schoof de knecht het luik weer voorzichtig toe, en legde er een zware tros op. Hij voelde zich niets op zijn gemak en begreep maar niet hoe die zwarte heer aan boord gekomen kon zijn.

Nu was het hem of het schip niet meer naar het roer luisterde, maar of het in een grote kring rond zeilde. Intussen hield het schreeuwen en lachen beneden aan, tot het opeens stil werd. Die stilte was voor de knecht nog onaangenamer, wijl het hem in een onzekerheid bracht en hij moest telkens in de duisternis om zich heen zien. Bij het minste klappen van het zeil schrok hij op en tuurde naar alle kanten in het duister. De oude bekende Zuiderzee leek hem deze nacht zo groot en vreemd en vijandig als nooit te voren. Zij leek een groot zwart gat, gapend om hem heen als een oneindige leegte. En... grote God!... het schip begon te zinken. Verbeeldde hij zich dat nu? Nee, 't was geen verbeelding. Het schip zonk, zonk snel met een eigenaardig suizend geruis. Het moest een lek gekregen hebben.

Hij wilde naar beneden gaan om zich te overtuigen, overmande zijn vrees om de tros van de klap te nemen en het luik te lichten. Maar toen hij het op een kier open had kwam er uit de donkere ruimte daaronder een walgelijke stank en een bleke, magere hand, met kromme grijpvingers, wrong zich tussen de opening.

Met bovenmenselijke inspanning gelukte het hem die akelige klauw weer naar binnen te duwen met de rand van het luik, dat hij nu goed sloot. Alles wat maar zwaar was stapelde hij er op.

Opeens floot de wind gierend door het want en al het houtwerk kraakte. Met één sprong was hij weer aan het roer en hield het helmhout met krampachtige greep omkneld; maar daaronder in het duistere water achter hem werd aan het roer gewrongen. Waanzinnig van angst gaf hij een luide gil. "Almachtige God help! Wij vergaan."

De wind ging liggen en hij zag weer de witte schuimkoppen op de donkere rustige zee, waarover het schip kalm voort zeilde. Met zijn zakdoek wiste hij zich het angstzweet van 't voorhoofd en het duurde lang eer het bonzen van zijn hart wat bedaard was.

In de wijde verte scheerde de morgen als een zwaanblanke vogel over het water. De plaats van bestemming doemde op aan de verre horizon. Kleine speelse golven klotsten regelmatig tegen het schip op. Met het terugkerende licht van de jonge dag groeide weer zijn zelfbeheersing. Hij had zich zeker alles slechts verbeeld en de schipper zou wel te kooi liggen slapen. Hij zou hem aan dek roepen om het roer over te nemen.

Hij schoof het luik wat opzij en riep in 't achteronder. Geen antwoord. Nog eens en luider riep hij, maar 't bleef stil. Ongeduldig wierp hij het luik wijdopen en liet zich zakken om de schipper eens flink wakker te schudden uit zijn roes. Met één ruk vloog de kooideur open. De kooi was leeg. Het beddengoed lag zoals hij het de vorige dag had neergelegd. De schipper was verdwenen. Alleen de lege jeneverkruik lag op de vloer en rolde met elke schommeling van het schip heen en weer. Twee gebroken glazen en een dobbelsteen lagen er bij. De andere steen lag op het tafeltje, en nergens was een spoor van de schipper.

Opnieuw bekroop hem de angst van de afgelopen nacht en dodelijk ontsteld wilde hij weer naar boven; maar opeens zag hij dat het ruitje van een der poortjes eruit was... en... aan het houtwerk kleefde een bosje haar van de schipper en een bloedvlek. Het was dan toch zo, de duivel was hem deze nacht komen halen. Hoe men later ook boende of verfde, die bloedvlek kwam steeds weer te voorschijn, tot het hele poortje vernieuwd werd.


                                          * * * einde * * *
Bron : - "Veluwsche sagen" geschreven en verlucht door Gust. van de Wall Perné.
           Tweede bundel. Uitgegeven te Amsterdam bij Scheltens & Giltay, 1921. p. 64-71.
           - www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:00 8 reacties Reageer op dit bericht

Een demon laat zich verschalken

Een demon laat zich verschalken
- Een grappig sprookje uit India over een verliefde demon -
Er was eens een koning die een mooie dochter had, Ratnavatie genaamd. Een demon werd verliefd op haar en elke dag, tijdens de avondschemer, ondernam hij pogingen de prinses te benaderen. Zij voelde zich lastiggevallen, terwijl de demon erop hoopte, dat zij eens zijn liefde zou beantwoorden. Maar de mooie prinses voelde niets voor de verliefde dwaas. Vol goede moed bleef de minnaar dagelijks zijn geluk beproeven. Ten einde raad trok de prinses een magische cirkel om zich heen. Zij was nu veilig; de demon kon met geen mogelijkheid binnen de kring komen.

Hij liet de moed echter niet zakken. Hij bleef haar dagelijks rond het gebruikelijke schemeruur bespieden. Op een avond hoorde hij de prinses tegen een hofdame zeggen: "Die schemerdemon is werkelijk koppig. Ik vraag me af hoe ik ooit van hem af kom. Een ander was al lang afgedropen."

De dwaze demon dacht: "Ik wist niet dat er nog iemand was die het op haar gemunt heeft. Dat is niet verwonderlijk. Zij is zo schitterend, ik kan nooit de enige demon zijn die door haar schoonheid verblind is. Zijn naam is dus Schemerdemon. Als ik het goed begrepen heb, is Schemerdemon een formidabel figuur, uit wiens klauwen zij poogt te ontsnappen. Ik zal mijzelf in een paard veranderen en in de stal wachten. Ik wil wel eens zien hoe mijn rivaal eruit ziet. De avondschemer is al bijna voorbij, dus hij zal nu wel gauw komen."

De demon veranderde zichzelf in een sterke, aantrekkelijke hengst en ging tussen de andere paarden in de stal staan. Pal daarop sloop een dief de stal binnen. Hij kwam een paard stelen en zijn oog viel dadelijk op het demonpaard. Hij leidde het dier de stal uit, deed het de teugels aan en draafde er op weg. Het paard dacht: "O jee, dit is Schemerdemon, hij is gekomen om mij te doden. Hoe moet ik nu ontsnappen? Het probleem van de prinses is het mijne geworden."

De dief verwonderde zich over de miraculeuze snelheid van het paard. Hij liet het de teugels voelen, maar daardoor ging het dier alleen maar nog sneller galopperen. "Dit kan geen echt paard zijn," dacht de dief. "Ik heb van mijn leven nog nooit een paard bereden dat in een snellere galop overgaat als je de teugels strakker aanhaalt. Hoe moet ik nu ontsnappen?"

Weldra naderden zij een boom, waarvan de takken niet hoog boven de grond hingen. De dief sprong omhoog en verdween tussen de bladeren. Hij was blij aan de demon te zijn ontsnapt en de demon was blij dat hij van zijn belager af was. Op een hogere tak van de boom zat echter een aap, die een vriend was van de demon. Hij riep naar zijn makker: "Hé, hoe zit dat, jij bent toch een demon, een menseneter. Dit hier is een mens, jouw geliefde voedsel. Waarom liet je hem op jouw rug zitten, in plaats van hem op te eten?" De demon nam zijn oorspronkelijke vorm aan en maakte aanstalten om in de boom te klimmen. De dief was woedend op de aap omdat hij hem verraden had. Hij pakte zijn staart, die naar beneden hing. Uit alle macht begon hij eraan te trekken, zodat de aap tussen twee takken bekneld raakte. De dief zette zijn tanden in de staart en beet er een stuk van af. Dat deed zo'n pijn dat de aap er tranen van in de ogen kreeg en zijn gezicht in een lelijke grimas vertrok.

Toen de demon hem aankeek, bedacht hij zich geen tweede maal en zette het op een lopen. "Naar jouw gezicht te oordelen, moet die Schemerdemon wel een verschrikkelijk gedrocht zijn, beste vriend. Ik maak me uit de voeten, voordat hij mij ook te pakken krijgt." De demon verdween en bleef in het vervolg ver uit de buurt van de prinses.


                                          * * * einde * * *
Bron : - "Volksverhalen uit kleurrijk Nederland. Draken en andere vreemde wezens. Verhalen uit de Chinese, Joodse,
           Nederlandse, Indiase, Turkse, Surinaamse, Marokkaanse en Indonesische verteltraditie"
           Uitgeverij Lemniscaat, Rotterdam, 1991.
           - www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:00 8 reacties Reageer op dit bericht

Drie knappe mannen en een demon-slot

Drie knappe mannen en een demon - slot
- De Parelschutter -
Hij veranderde zichzelf in een geit die duidelijk groter en vetter was dan de andere. De worstelaar had weinig moeite het beest te vangen en nam het aan een touw mee terug. Onderweg stribbelde de geit hevig tegen. Hierdoor moest de worstelaar zo hard trekken dat de ogen van het beest uit hun kassen puilden. Toen de priester zag hoe fel en kwaadaardig de geit keek en hoe zijn ogen gloeiden als hete kolen, wist hij meteen dat hij met een demon te maken had. Hij dacht bij zichzelf: Als hij merkt dat ik bang ben, zal hij ons allemaal opeten. Ik moet hem overbluffen. Daarom sprak hij met luide stem: "O dwaze worstelaar, waar kom je nu mee aanzetten? Ik vroeg je om een vette geit te halen en wat breng je me: een ellendige demon. Je weet toch dat we grote eters zijn. Mijn kind eet dagelijks één demon, mijn vrouw drie en ik zelf eet er twaalf. Moeten we dan vandaag dit scharminkel met z'n drieën delen?"

De demon begon te bibberen: "Heb genade, edele heer," smeekte hij. "Eet me niet op. Ik zal u rijk maken, zeg maar wat u hebben wilt, maar laat me alstublieft gaan." - "Waarom zou ik jou vertrouwen? Hoe weet ik dat je terug zult komen?" schreeuwde de priester. "Ik zweer het u, ik zal zakken vol goud brengen. Laat me toch gaan," smeekte de demon andermaal. De priester liet de demon vrij. Hij rende rechtstreeks naar Demonenland en vertelde zijn soortgenoten wat hem was overkomen. "Laat ons geld geven aan de man, die twaalf demonen per dag eet. Zo niet, dan zal hij ons tot de laatste demon verslinden," ried hij hen aan.

Drie dagen later verscheen de demon met het beloofde goud. "Waarom ben je zo laat," bulderde de priester, "we rammelen van de honger."

"De demonen uit mijn land probeerden me tegen te houden. Ze waren woedend dat ik bereid was goud aan u te geven. Eerdaags zal de hofraad mij berechten voor het feit dat ik u gediend heb," sprak de demon. De priester vroeg: "Waar zal die hofraad plaats hebben?" - "Ver weg in het hart van het oerwoud. Mijn koning zal aan het hoofd van de raad staan," antwoordde de demon. Daarop sprak de priester: "We zouden graag jouw koning en zijn hofraad willen zien. Breng ons ernaar toe!"

De demon zette de priester, de worstelaar en de parelschutter op zijn rug. Verder gingen ze en nog verder, steeds dieper het oerwoud in tot ze de plaats bereikten waar de raad zou worden gehouden. De demon liet hen op een tak van een hoge boom zitten, uitgerekend boven de plek waar de troon van de koning stond.

Weldra hoorden ze een geweldig geritsel. Honderden demonen stroomden van alle kanten toe. De demonenkoning ging op zijn troon zitten en vroeg de schuldige waarom hij geld aan mensen had gegeven en waarom hij hen had gediend. Daarop antwoordde de demon: "Het zijn geen gewone stervelingen, o koning. Ze zijn zeer machtig en erg gevaarlijk." - "Laat ons deze lieden zien, dan pas wil ik geloven..."

Maar voordat de koning de zin kon afmaken, doorboorde een pijl, die door de parelschutter was afgeschoten, zijn oorring. Met een knal vloog het sieraad hoog de lucht in. Geschrokken sprong de koning van zijn troon. precies op dat moment brak de tak onder het gewicht van de worstelaar. Eén voor één vielen de drie mannen boven op het hoofd van de koning. Terwijl deze versuft en gekneusd op de grond bleef liggen, riep de priester: "Ziezo, eerst eten we hem op en daarna volgt de rest." Toen de demonen dat hoorden stoven ze als hazen in alle richtingen uiteen.

Ze lieten de koning vrij op voorwaarde dat hij hen nog meer goud zou bezorgen. Daarna brachten de demonen hen naar het huis van de priester. De buit werd in drieën verdeeld en de parelschutter vertrok rijk beladen naar huis. Thuisgekomen gaf hij zijn vrouw zakken vol goud en zei: "Je had gelijk, er zijn mannen die knapper zijn dan ik." En in het vervolg liet hij het parelschieten achterwege.


                                     * * * einde * * *
Bron : - "Volksverhalen uit kleurrijk Nederland. Draken en andere vreemde wezens. Verhalen uit de Chinese, Joodse,
           Nederlandse, Indiase, Turkse, Surinaamse, Marokkaanse en Indonesische verteltraditie"
           Uitgeverij Lemniscaat, Rotterdam, 1991.
           - www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door saagje om 00:00 9 reacties Reageer op dit bericht

Drie knappe mannen en een demon-vervolg

Drie knappe mannen en een demon - vervolg
- De Parelschutter -
Nu stond er in de keuken van de priester een gigantisch ijzeren watervat. Het ding was zo zwaar, dat je vijfentwintig man nodig had om het bakbeest van de grond te tillen. Voor de worstelaar was het een ideale uitdaging, om zijn krachten op dit loodzware geval te bewijzen. In het holst van de nacht kroop hij zijn bed uit en liep op zijn tenen naar de keuken. Hij zette het watervat op zijn schouders en sloop er stilletjes mee naar de rivier. Hij waadde de stroom door tot hij het diepste punt in het water bereikt had. Daar begroef hij het in het zand op de bodem. Na deze klus te hebben geklaard, kwam hij terug in het huis van de priester, rolde zich in zijn deken en was weldra in diepe slaap.

De vrouw van de priester had hem echter horen terugkomen. Ze schudde haar man wakker en fluisterde: "Ik hoor voetstappen. Misschien zijn het dieven. Vreemd dat ze een maanlichte nacht kiezen voor een beroving." Ze stonden op en nadat ze het hele huis doorzocht hadden, bleek dat enkel het watervat niet op zijn plaats stond. "Dat is merkwaardig," sprak de vrouw, "dat enorme ding nemen ze mee, maar mijn sieraden of andere kostbaarheden laten ze liggen."

Buiten de keuken ontdekten ze diepe voetafdrukken die naar de oever van de rivier leidden. Ze staken de rivier over, maar aan de overkant was er nergens een spoor in het zand te bekennen. Hieruit concludeerden ze, dat iemand met een zware last de rivier in was gelopen en dat die persoon de last in het water had achtergelaten. De priester had een vermoeden wie die persoon kon zijn. Eenmaal thuisgekomen sloop hij voorzichtig naar de slapende worstelaar en begon zijn lichaam te besnuffelen. Even voorzichtig als hij gekomen was, sloop hij weer weg en hij zei tegen zijn vrouw: "Zijn hele lichaam ruikt fris, alsof hij pas een bad heeft genomen. Hij moet tot aan zijn nek de rivier in zijn gelopen. Hij zal ervan opkijken wanneer ik hem morgen vertel dat ik op de hoogte ben van hetgeen hij gedaan heeft."

De volgende ochtend sprak de priester zijn twee gasten aan: "Laat ons naar de rivier gaan om te baden. Ik heb vandaag geen badwater, aangezien het lot gewild heeft, dat juist vannacht ons watervat verdwenen is." De worstelaar veinsde verbazing: "Waar kan dat nou gebleven zijn?" "Tja, dat vraag ik mij ook af," antwoordde de priester. Hij bracht hen naar de rivier en wijzend naar het midden sprak hij: "Kijk, zo ver is mijn watervat van huis." "Maar wie kan het daar in hemelsnaam heen hebben gesleept?" vroeg de worstelaar onschuldig.

"Wil je weten wie? Ik denk dat jij het bent geweest," antwoordde de priester met een glimlach. Daarop vertelde hij wat er de afgelopen nacht was voorgevallen en hoe hij de ware toedracht achterhaald had. De worstelaar en de parelschutter waren vol bewondering voor de intelligente wijze waarop de priester het probleem had opgelost. De rest van de dag vermaakte het drietal zich kostelijk. Ze vertelden elkaar komische verhalen en er werd veel gelachen. Tegen het eind van de middag zei de priester: "Laat ons vanavond voor een vorstelijk maal zorgen. Hoor eens krachtpatser, ga jij erop uit en breng ons de vetste geit die je vinden kunt."

De worstelaar kwam na een stevige wandeling in een bos terecht. Daar zag hij een aantal geiten, die op de flanken van omringende heuvels druk bezig waren gras te knabbelen. Op één van die heuvels echter zat een kwaadaardige demon. Deze kreeg een idee: Ik zal deze opschepper en zijn vrienden eens te grazen nemen. Eerst moet ik ervoor zorgen dat hij mij meeneemt.


                              * * * het einde komt er aan * * *
Bron : - "Volksverhalen uit kleurrijk Nederland. Draken en andere vreemde wezens. Verhalen uit de Chinese, Joodse,
           Nederlandse, Indiase, Turkse, Surinaamse, Marokkaanse en Indonesische verteltraditie"
           Uitgeverij Lemniscaat, Rotterdam, 1991.
           - www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:00 8 reacties Reageer op dit bericht

Drie knappe mannen en een demon

Drie knappe mannen en een demon
- De Parelschutter -
Hij stond bekend als 'parelschutter'. Hij was rijk en hij had een mooie vrouw. Pijl en boog waren de bron van zijn levensvreugde. Hij was een voortreffelijk schutter, maar zijn zwakheid was dat hij dit telkenmale wilde bewijzen. Iedere ochtend stelde hij zijn vrouw in de tuin op. Dan ging hij op zekere afstand van haar staan en spande een pijl op zijn boog. Vervolgens schoot hij een parel van haar neusring af, zonder dat zij daarbij letsel opliep.

Op een dag kwam de zwager van de parelschutter op bezoek. Hij kwam zijn zuster ophalen voor een bezoek aan haar ouderlijk huis. Toen zij alleen waren vroeg de broer aan zijn zus: "Waarom zie je zo bleek? Word je hier soms niet goed behandeld?"

"Nee," antwoordde zij, "hij is erg aardig en ik krijg meer dan ik nodig heb. Maar er is één probleem. Elke dag schiet hij met zijn pijl en boog een parel van mijn neusring af. Het is zijn meest geliefde sport. Ik ben als de dood dat hij op een dag zal missen en dat ik het doelwit van de pijl zal zijn. Ik vrees voortdurend voor mijn leven, maar ik wil hem niet teleurstellen. Hij heeft er zoveel plezier in."

"Wat heeft hij hierover tegen jou te zeggen?" vroeg de broer. "Hij vraagt mij vol trots: is er iemand op de wereld die zo knap is als ik? En dan zeg ik: nee, ik denk van niet."

Daarop sprak de broer: "Als hij je morgen die vraag opnieuw stelt, dan moet je antwoorden: er zijn veel mannen die knapper zijn dan jij."

De volgende dag gaf de vrouw het antwoord dat de broer haar had voorgezegd. Toen de parelschutter dat hoorde, was hij geheel uit zijn doen. Hij sprak: "Als er werkelijk mannen zijn die knapper zijn dan ik, zoals jij beweert, dan zal ik niet rusten voor ik ze gevonden heb."

Zo gezegd, zo gedaan. Hij liet zijn vrouw achter en begon aan een lange reis die hem over heuvels en door wouden leidde. Hij liep almaar door, steeds maar verder. Er leek geen eind aan de weg te komen. Ten slotte bereikte hij de oevers van een prachtige rivier. Daar zag hij een reiziger, die bezig was zijn middagmaal op te eten. Parelschutter ging in zijn buurt zitten en knoopte een praatje aan. "Waarom ben je op reis, beste vriend en waar ga je heen?"

"Ik ben een worstelaar," antwoordde de man. "Ik ben de sterkste man van het land. Ik beheers alle kneepjes van het worstelen, bovendien kan ik de zwaarste gewichten heffen. Ik dacht altijd dat ik de knapste man van de wereld was, maar recentelijk hoorde ik geruchten over ene parelschutter. Men zegt dat hij nog knapper is. Hij is degene naar wie ik thans op zoek ben."

"Als dat het geval is, dan hoef je niet verder te reizen," sprak de parelschutter. "Ik ben namelijk de man over wie je hebt horen spreken." De worstelaar was zeer verrast met deze onverwachte ontmoeting en vroeg: "Maar waarom ben jij op reis?"

"Om dezelfde reden," antwoordde de parelschutter, "om mannen te zoeken die knapper zijn dan ik."

"Laat ons in dat geval broeders zijn en samen reizen," sprak de worstelaar. "Wellicht vinden we iemand die nog knapper is dan wij." Samen liepen ze verder op de weg die hen langs de rivier leidde. Ze waren nog niet ver gegaan, of een derde reiziger trad hen vanuit tegenovergestelde richting tegemoet. Op de vraag waarom hij op reis was, antwoordde de man: "Ik ben priester, een zeer geleerd man en ik word alom geprezen om mijn intelligentie. Ik dacht dat niemand knapper was dan ik, maar een dag of wat geleden kwam iemand met verhalen over ene parelschutter en een worstelaar. Men zei dat die twee minstens net zo knap zijn. Nu ben ik op weg om ze te zoeken, ik wil te weten komen of die praatjes op waarheid berusten."

"Het is waar, wij zijn de twee mannen die je zoekt," riepen de worstelaar en de parelschutter in koor. De priester was dolgelukkig en sprak: "Laat ons broeders zijn. Mijn huis is hier vlakbij. Kom met me mee, dan kunnen jullie eerst uitrusten. Daarna zullen we elkaars kunnen op de proef stellen." Zijn voorstel werd aangenomen en even later arriveerde het drietal bij het huis van de priester.


                                    * * * er komt nog * * *
Bron : - "Volksverhalen uit kleurrijk Nederland. Draken en andere vreemde wezens. Verhalen uit de Chinese, Joodse,
           Nederlandse, Indiase, Turkse, Surinaamse, Marokkaanse en Indonesische verteltraditie"
           Uitgeverij Lemniscaat, Rotterdam, 1991.
           - www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:00 6 reacties Reageer op dit bericht

De duivel en de Sint-Servaasbasiliek

De duivel en de Sint-Servaasbasiliek
- Een Limburgse legende over de bouw van de kerk aan het Vrijthof -
Bij het bouwen van grote kerken laat de legende gewoonlijk de duivel een niet geringe rol spelen. In Maastricht schrijft het volksgeloof hem een daad toe, waaruit de goddelijke bescherming, die het graf van de heilige Servaas geniet, blijkt.

Niet lang na de dood van Sint Servaas - in het jaar 383 - bouwden de inwoners van de stad een kerk op de plaats waar hun gestorven bisschop begraven lag. Die nieuwe kerk was hoogst nodig, want de houten kapel, door St. Maternus gebouwd en aan St. Pieter gewijd, was te klein geworden om de gelovigen te kunnen bevatten, die uit alle streken het graf van de heilige geloofsprediker kwamen bezoeken.

De duivel werd jaloers op de eenstemmigheid waarmee de nagedachtenis van de goede Sint Servaas geëerd werd, en besloot de voltooiing van de nieuwe kerk tegen te werken.

Hij riep de woeste noordenwind te hulp. Zwarte onheilspellende wolken verzamelden zich boven het nog onvoltooide gebouw en barstten eensklaps los. Onstuimige windstormen woeien en sloegen huilend tegen de kerkmuren. Verschrikkelijke hagelbuien vielen met pletterende kracht. De zon verduisterde en het leek wel midden in de nacht. De orkaan met zijn helse schrikakkoorden loeide vervaarlijk. Een barre angst vervulde de harten van de inwoners van Maastricht bij het gevaar dat hun kerk bedreigde.

Door de bescherming Gods weerstond echter het gebouw die felle aanvallen van de duivel. Al het satansgeweld kon geen steen van zijn plaats rukken.

Doch de wil Gods, wiens geheimen en oogmerken niet te doorgronden zijn, liet toe dat het dak, losgerukt en verbrijzeld door een hevige windvlaag, in alle stukken wegvloog. Satan lachte, en het grijnzend geluid van die helse lach weergalmde door de hele stad. Allen schrokken; geestelijken en leken stortten neer in gebed voor de redding van hun dierbare kerk, waarvan zij dachten dat deze nu gedoemd was volledig vernield te worden. Zijn overwinning nabij denkend, vernieuwde de duivel met dolle hoop zijn tempeestaanvallen. Doch tevergeefs, zijn triomf was ten einde. God, om te tonen de hoge gunst, waarin bij Hem de heilige Servaas stond, liet het volgende wonder geschieden.

Terwijl rondom de kerk hagel en regen met ongelofelijke kracht neerkletterden, bleef het binnenste van de kerk, hoewel door geen dak meer beveiligd, geheel bevrijd. Niet één hagelkorrel, niet één regendruppel van de helse storm bezoedelde de rustplaats van de heilige patroon. En toen, te midden van de woeste orkaan, de duivel de hagel- en regenbuien door verblindende sneeuwvlagen afwisselde, scheen in de kerk en op het graf de zon met verwarmende stralen, zonder dat een sneeuwvlokje op de gewijde bodem viel.

Satan erkende de hand van God - en moest knarsetandend van spijt zijn wraak laten varen.


                                          * * * einde * * *
Bron : - "Limburgsche legenden, sagen, sprookjes en volksverhalen. Deel 1" verzameld en uitgegeven door H. Welters.
           Uitgeverij de Lijster, Maasbree, 1982. ISBN: 90-6486-031-9
           - www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:15 10 reacties Reageer op dit bericht

Meer van 'VOLKSVERHALEN'

↑ Terug naar de berichten