Naar de inhoud

'VOLKSVERHALEN'

seniorennet.beseniorennet.be
Problemen
Er zijn nogal wat problemen met het lezen van de teksten, daarom volgende tip :
Met de muis links klikken en over de tekst schuiven.
De tekst verschijnt duidelijk leesbaar.

Categorie: volksverhalen

Mans van de Maone

Mans van de Maone
Mans van de Maone
- volksverhalen uit een Overijsselse gemeente -

Op de grens van Oudleusen (gemeente Dalfsen) en Varsen (gemeente Ommen) ligt een gebied met de naam ‘de Maone’. In het Nederlands zou je misschien ‘de maan’ zeggen. Het was vroeger, veel meer dan nu, een erg drassig gebied. Op diverse plaatsen zakte je zomaar de diepte in. Je moest goed bekend zijn in de Maone, anders verdwaalde je en was je reddeloos verloren. Het was een gevaarlijk gebied.

In de Maone woonde eens een man in een hutje. Ik weet niet precies hoe lang het geleden is, maar zeker wel een paar honderd jaar. Hij had een paar geiten die voor melk zorgden en verder leefde hij van wat je nu stroperij zou noemen. Hij was heel wat hazen en konijnen te slim af. Mans was ook een geweldig visser.

De man leefde afgezonderd en kwam slechts af en toe bij de boerderij van ‘Otten Dieke’, die later tot boerderij Meijerink werd gedoopt. Hij heette Mans en in Oudleusen noemden ze hem ‘Mans van de Maone’. Mans was alleen, maar voelde zich nooit alleen. Hij genoot van al het moois dat de Maone hem te bieden had. En ondanks de geluiden om hem heen van de beesten, van de kikkers en de vogels, was Mans nooit bang.

Ook als het donker was, genoot hij volop. Verwonderd keek hij naar de sterren, en de maan maakte een diepe indruk op hem. Uren en uren kon hij zo zitten staren naar de sterrenhemel. Mans zag in de maan een levensecht mannetje staan. Een mannetje compleet met een mond, ogen en een heel lichaam. Mans dacht dat het maar een klein kereltje was, maar op zo’n afstand kon hij dat niet goed zien. Veraf lijkt het altijd wat klein. En zo te zien, hield het mannetje in de maan zich stevig vast. Dat moet ook wel, dacht Mans. Wat zou er gebeuren als hij van de stang zou vallen? Roets, je bent zo beneden, en dan? Mans wilde er niet aan denken.

Zo droomde en fantaseerde Mans er maar wat op los. Wat had dat mannetje in de maan het toch mooi voor elkaar. Altijd kon hij de wereld bekijken en zien wat de mensen aan het doen waren. Wat zou dat toch machtig mooi zijn, dacht Mans, die jaloers werd op het mannetje op de maan. Wat zou hij ook graag eens op die stang staan. Om te kijken, om te zien hoe het er uitziet van boven. Maar dat gaat niet, dacht Mans. Een mens op de maan, dat kan toch niet? Onmogelijk! Mans legde zich erbij neer dat hij nooit op de maan zou komen. Hoe zou je daar nu moeten komen? Het bleef een fantasie, een droomwereld voor Mans.

Op een avond zit Mans weer te kijken en te turen naar die prachtige maan met dat manneke. Naar die onbereikbare maan. Plotseling daalt er een eileuver, een ooievaar, naast hem neer.

Mans is verbaasd. Een eileuver die bij hem op bezoek komt, was al te raar. Hij had toch niet om een kindje gevraagd? Hij is toch maar alleen?

Zijn verbazing wordt nog groter als de eileuver tegen hem begint te praten. Een vogel die gewone mensentaal spreekt? Dit is niet te geloven!

De eileuver houdt het heel kort. "Mans," zegt hij. "Ik breng je naar de maan. Dat wil je toch zo graag? Trek maar een jasje aan, want daarboven is het een beetje kil. We vertrekken zo." Mans weet niet wat hij hoort en begrijpt er niets meer van. Toch trekt hij zijn jasje aan en klimt hij op de rug van de eileuver. Even later vliegt Mans door de lucht, steeds hoger en hoger. Het wordt een hele rit. Mans vergeet de tijd helemaal. Het is net of hij droomt.

Na een poos is het zover. De eileuver landt veilig op de maan. Mans weet niet wat hem overkomt, en al gauw staat hij naast het echte manneke van de maan op die stang. Het manneke van de maan is trouwens veel groter dan hij dacht, nog groter dan hijzelf. De eileuver neemt hartelijk afscheid van Mans en waarschuwt hem, dat hij zich goed moet vasthouden. Als hij los laat, zou hij anders heel diep vallen.

* * * wordt gevervolgd * * *

Bron : - "Dalfser muggen: volksverhalen uit een Overijsselse gemeente" door Ruben A. Koman.
           Profiel, Bedum, 2006, 293 p. ISBN 9052943656.
           www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 16:05 Reageer op dit bericht

De luie hasjverslaafde en zijn verstandige vrouw(vervolg)

De luie hasjverslaafde en zijn verstandige vrouw(vervolg)
De luie hasjverslaafde en zijn verstandige vrouw (vervolg)
- Een volksverhaal uit Iran over een nogal domme man -

De volgende dag vertrok hij. Hij deed een stap naar voren, een stap naar achteren en ging op weg. Hij kwam bij de koning binnen, werd door hem begroet en ook de ministers stonden voor hem op. Ze brachten hem de beste stoel en hij mocht gaan zitten. "Vertel ons eens hoe jij die leeuw hebt gevangen." Hij zei tegen hen: "Hoezo? Is een leeuw bij jullie zoiets bijzonders? Toen hij kwam aanlopen, heb ik hem opgetuigd en ben opgestapt alsof het mijn ezel was. Een leeuw heeft voor mij de waarde van een ezel."

"Dan ben je dus een held," zei de koning tegen hem. "We zullen jou een leger geven; we maken een soldaat van je en sturen je op pad als legeraanvoerder. Jij zult aan het hoofd van de troepen staan en ik wil je op de vijand afsturen. We hebben namelijk een vijand; ieder jaar komt hij weer met zijn leger tegen ons in opstand en vecht tegen ons en wij kunnen hem niet verslaan. Maar dit jaar sturen we jou als aanvoerder van onze troepen." Hij zei tegen hen: "Geef mij drie dagen de tijd." Hij ging naar zijn vrouw toe: "Moge God je straffen! Wil je mij ongeluk brengen? Wil je mij een ramp bezorgen?" Ze zei tegen hem: "Wees maar stil, ik regel het wel voor je en bemoei jij je er maar niet mee!" - "Breng mij te eten, breng mij te drinken!"

"Zeker," zei ze en bracht hem te eten, bracht hem hasj, bracht zijn waterpijp. Ze gaf hem te eten en te drinken. Daarna zei ze tegen hem: "Nou, heb je niet tegen hen gezegd: drie dagen? Ga dus maar naar hen toe en zeg hun op de derde dag: 'Geef me een paard, het sterkste paard uit de stal, dat als het ware vliegt als ik het bestegen heb en in de buitenlucht komt. En geef mij drie zakken, een zak met amandelen, een met pistaches en een met walnoten, die ik kan kraken en eten. En geef mij bovendien een zak met daalders, zodat ik geschikte kledij kan kopen, en geef mij wapens, omdat ik nu met het leger erop uit moet.'" - "Goed," zei hij en vertrok.

Hij zei tegen hen wat ze hem had opgedragen. Ze bewapenden hem en gaven alles wat hij wilde. Ze gaven hem het geld, alles. Daarna kocht ze voor hem een leren pak dat hem, als hij het aantrok, volledig met leer bedekte: zijn handen, zijn gezicht, zijn benen - overal leer. Alleen zijn ogen waren nog te zien en de neus en de mond, maar het was maar een heel kleine opening.

Ze pakte de lijm, kookte die en smeerde daarmee zijn bovenbenen, zijn voeten en zijn achterste in en zei: "Houd jij de teugels zo stevig vast als je kunt, laat ze niet los! Of het paard vliegt of rent of stilstaat: houd de teugels vast; laat ze in geen geval los!" Daarna opende ze de deur en zei: "Vooruit, toe maar! God zij met je en neem het geld mee!" Hij ging. Nauwelijks was het paard bij de deur of het vloog er al vandoor, de soldaten erachter aan. Ze renden naar buiten alsof ze gek waren. Ze kwamen buiten en renden voort, en de man voor hen uit.

De sultan die met hen oorlog kwam voeren en die ze moesten verslaan, had een kaal hoofd. De hasjverslaafde probeerde zich aan de boom vast te houden, hij trok hem met zijn handen uit de grond; hij probeerde zich aan een blokhut vast te houden, die stortte ineen. Toen begon hij te schreeuwen: "Houd me vast, zodat ik niet val!" En ze dachten dat hij zei: "Houd de kaalkop vast!" Hij zei steeds weer: "Houd me vast, ik val! Houd me vast, ik val! Mijn God, ik ben verloren! Houd me vast, ik val!" - "Waar is hij, de kaalkop? Waar is hij?" - "Houd me vast, ik val!" Ze riepen hem steeds weer toe: "Waar is de kaalkop?" Ze renden verder naar de tenten; die verwoestten ze volledig. Ze grepen de kaalkop. Toen de vijandige soldaten hem hoorden: "Houd me vast, ik val!" en dachten dat hij riep: "Houd de kaalkop vast!" lieten ze hun koning in de steek en vluchtten. En zij boeiden de kaalkop en namen hem mee. De hasj verslaafde keerde met zijn paard terug.

Tegen allen die met hem wilden spreken, zei hij slechts: "Boeboeboe!" Hij kon geen antwoord geven, het schuim kwam hem uit de mond. "Hoe kwam je overwinning tot stand? Hoe heb je hem kunnen vangen?" Hij zei slechts: "Boeboeboe..." Hij kwam weer bij zijn vrouw en riep haar toe: "Doe de deur open! Open...!" - "Wat een wonder! Wat een mooi bericht!" - "Boeboeboe!" Hij was totaal uitgeput, hij gooide zich languit op bed en zij deed zijn pak uit. "Mijn God," zei hij tegen haar. "Nu is het afgelopen, jij teef! Jij geeft mij geen bevelen meer!" Toen moest de vrouw hard lachen, maar de man nam zijn hasj en ging slapen. Van nu af aan at en sliep hij de hele dag en was lui en verslaafd aan hasj, net als vroeger. Maar zijn vrouw zei er niets meer over, want door haar handigheid had ze hun omstandigheden verbeterd en kon ze onbezorgd leven.

* * * gebeeindigd * * *

Bron : - "Moedige meiden, wijze vrouwen & geliefde dochters. Heldinnen in volksvertellingen uit de hele wereld" samengesteld door Geraldine Le Blanc.
           Kemper & Boekwerk, Leidschendam, 2005. ISBN: 90-76542-20-1
           www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 21:38 Reageer op dit bericht

De luie hasjverslaafde en zijn verstandige vrouw

De luie hasjverslaafde en zijn verstandige vrouw
De luie hasjverslaafde en zijn verstandige vrouw
- Een volksverhaal uit Iran over een nogal domme man -

Er was eens een man die lui en aan hasj verslaafd was. De hele dag was hij aan het eten en slapen. Zijn vrouw zei steeds weer tegen hem: "Sta op, doe eens wat, ga aan het werk!" Hij zei slechts: "Vrouw, laat me zoals ik ben! Laat me slapen, laat me met rust! Ga maar hasj en thee voor me halen en geef me te eten!"

Op zekere dag had ze de buik er vol van en zei alleen maar: "Vooruit, naar buiten!" - "Waar moet ik buiten naartoe?" - "Ga maar wandelen!" - "Waar moet ik gaan wandelen?" - "Doe iets met je benen," zei ze, "misschien wordt onze situatie beter en bewijst God ons een weldaad." - "Moge God je bestraffen, ik vervloek je! Wil je mij ongeluk brengen? Wil je...?" - "Schiet op!" zei ze tegen hem; ze bracht hem een ezel, legde daarop het eten, een stuk kaas, een stuk brood, de thee, een stuk hasj, een deken, twee kussens en zei tegen hem: "Zoek de buitenlucht op, ga wandelen, zodat je je ten minste nog een beetje beweegt! Moge God ons een weldaad bewijzen!"

De hasjverslaafde ging naar buiten en liep en liep tot hij in de steppe was aangekomen. Toen zei hij: "Ik wil gaan liggen; ik wil uitrusten en slapen. Die vrouw is gek! Waar wil ze me eigenlijk naartoe sturen? Ik ben niet geschikt om te werken en ook niet om rond te lopen." Hij haalde het eten te voorschijn dat ze voor hem had ingepakt. Hij at het, spreidde de deken uit, legde de twee hoofdkussens neer en sliep in.

Daarbij vergat hij het stuk hasj en het eten dat op de grond was achtergebleven. Hij sliep de halve nacht; toen kwam er een leeuw aan, een verschrikkelijk grote leeuw. Die begon met de ezel en at hem op, daarna ging hij verder met het eten. Hij at het voedsel en het stuk hasj. Zodra hij het voedsel en het stuk hasj had gegeten, werd hij slaperig. De leeuw ging liggen; hij at de hasj verslaafde niet op, alleen de ezel, het voedsel en de hasj.

De hasjverslaafde werd wakker. Hij vond de zadeltas en het zadel naast zich waar hij ze had neergelegd; zijn ezel vond hij niet. Alleen de leeuw was er nog. Slaperig als hij was, hield hij de leeuw voor de ezel. Hij zadelde hem op, klom erop en ging op weg, hij keerde naar de stad terug. Hij zei: "Godzijdank, nu keer ik terug; die vrouw is toch gek, ze wil me naar buiten sturen. Hoor ik in de buitenlucht? Ben ik soms een wandelaar?"

Zo kwam hij met de leeuw in de stad aan. "Mijn God! Mijn God!" De mensen vluchtten, de kinderen liepen hard weg, de mannen maakten dat ze wegkwamen. De mensen vluchtten terwijl hij op de leeuw reed. "Kijk eens, wat een wonder! Een leeuw! Lieve hemel!" Hij zei tegen hen: "Is een leeuw bij jullie iets bijzonders?" - "Mijn God, vertel ons hoe je hem gevangen hebt!" - "Ha ha," zei hij, "zodra de leeuw bij mij was gekomen, tuigde ik hem op, zadelde ik hem en reed naar jullie toe." - "Goeie genade, bravo!"

De mensen liepen van schrik weg. Toen hij bij zijn vrouw kwam, greep hij de leeuw, legde hem aan de ketting, sloot hem op in de kamer en deed de deur op slot. "Vrouw," zei hij tegen haar, "laat mij slapen, geef mij hasj, geef mij te eten! Jij hebt mij te gronde gericht, ik wil niet naar buiten gestuurd worden!"

"Ga maar slapen," zei ze tegen hem, "nu bewijst God ons een grote dienst." Dat had ze meteen begrepen zodra ze de leeuw had gezien. Toen kwamen de boden van de sultan al naar haar toe: "Geef ons de leeuw die je gekregen hebt en direct bij zonsopgang willen we de hasjverslaafde meenemen, de koning wenst hem te zien!"

"Hier," zei.ze tegen de boden; meteen gaf ze hun de leeuw mee en zei: "Morgen komt mijn man bij jullie!" - "Zodra je morgenochtend ontbeten hebt, ga je." - "Vrouw, wil je mij in het verderf storten? Wil je mij ombrengen?" - "Stil," zei ze tegen hem, "dat gaat je niets aan. God zal ons een dienst bewijzen, hij biedt ons de mogelijkheid in ons levensonderhoud te voorzien; ga nu!"

Hij zei tegen haar: "Maar wat moet ik tegen hen zeggen als ik ga?" - "Zodra je binnenkomt en als ze je vragen: "Hoe heb je de leeuw gevangen?" zeg je: 'Is een leeuw bij jullie zoiets bijzonders? Voor mij is dat iets heel natuurlijks. Zodra hij kwam, heb ik hem opgetuigd en opgezadeld.' En als ze jou een opdracht geven, zeg dan: 'Geef mij drie dagen de tijd.' En dan kom je bij mij, ik zal het voor je regelen." - "Moge God jouw zaken regelen! Wil je mij ongeluk brengen? Kan ik opdrachten uitvoeren? Ik...?" Ze zei tegen hem: "Houd je daar maar niet mee bezig." - "Goed," zei hij.

* * * wordt gevervolgd * * *

Bron : - "Moedige meiden, wijze vrouwen & geliefde dochters. Heldinnen in volksvertellingen uit de hele wereld" samengesteld door Geraldine Le Blanc.
           Kemper & Boekwerk, Leidschendam, 2005. ISBN: 90-76542-20-1
           www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 09:07 Reageer op dit bericht

Tijl Uilenspiegel en de paardenkoopman

Tijl Uilenspiegel en de paardenkoopman
Tijl Uilenspiegel en de paardenkoopman
- Een Uilenspiegel-verhaal uit Duitsland -

Een tijdlang verdiende Tijl Uilenspiegel de kost met de paardenhandel, en zo wou hij eens in Hildesheim bij een boer een paard kopen. De eigenaar vroeg er dertig gulden voor, maar Tijl vond het te veel, en bood twintig. Na veel loven en bieden werden ze het eens over de prijs: vier en twintig gulden.

"Je vindt het zeker wel goed," zei Tijl zo langs zijn neus weg, "dat ik direct twaalf gulden betaal en je die andere twaalf gulden schuldig blijf?"

"Best," zei de ander; hij pakte de twaalf gulden aan en Tijl nam het paard mee.

Maar Tijl liet niets meer van zich horen en op een goeie dag kwam de boer bij Tijl en vroeg, wanneer-ie nu eens eindelijk van plan was die twaalf gulden te betalen. Tijl keek hem stom verbaasd aan. "Je weet toch, wat we afgesproken hebben?"

"Zeker," zei Tijl, "dat weet ik nog precies, en daar houd ik me aan."

"Nou, betaal me dan die twaalf gulden!"

"Geen denken aan," sprak Tijl, "als ik je die twaalf gulden betaalde, dan zou ik ze je toch niet meer schuldig zijn? Nou, en we hebben afgesproken, dat ik ze je schuldig zou blijven! Nee hoor, dat zou woordbreuk zijn en daarvoor ben je bij mij aan het verkeerde adres."


* * * einde * * *

Bron : - "Boek van de jeugd"
           Uitgeverij de Arbeiderspers, Amsterdam, 1937.
           www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 10:15 2 reacties Reageer op dit bericht

Het zwanennest

Het zwanennest
- Een Deens nationalistisch verhaal van Hans Christian Andersen -

Tussen de Oostzee en de Noordzee ligt een oud zwanennest en dat wordt Denemarken genoemd. Daar worden nog steeds zwanen geboren, waarvan de naam nooit zal uitsterven. In de oudheid vloog er een vlucht zwanen hier vandaan de Alpen over naar de groene vlakten van het Land van de Mei, waar het goed wonen was. Die zwanen werden de Longobarden genoemd.

Een andere schare, met schitterende veren en trouwe ogen, zwierde naar Byzantium, ging daar rondom de troon van de keizer zitten en spreidde de grote witte vleugels als schilden uit om hem te beschermen. Zij kregen de naam Weringen.

Er klonk een angstschreeuw van de kust van Frankrijk voor die bloedige zwanen, die met vuur onder hun vleugels uit het noorden kwamen, en het volk bad: "Van de wilde Noormannen, bevrijd ons, Heer!" Op de lentefrisse, groene vlakte van het open strand van Engeland stond de Deense zwaan met een driedubbele koningskroon op zijn hoofd.

Zijn gouden scepter strekte hij uit over het land. Op hun knieën bogen de heidenen neer aan de kusten van Pommeren en de Deense zwanen kwamen met hun vlag met het kruis en met getrokken zwaarden. Dat was in de oeroude tijd, zeg je. Maar ook korter geleden werden er machtige zwanen gesignaleerd die het nest uitvlogen.

Er ging een lichtstraal door de lucht, er kwam licht over de landen van de wereld, de zwaan kliefde met zijn sterke vleugelslag de schemerende mist en de sterrenhemel was weer beter te zien, het leek wel of hij dichter bij de aarde kwam. Dat was de zwaan Tycho Brahe. "Ja, toen!" zeg je. "Maar in onze tijd dan?" Toen zagen we de ene zwaan naast de andere in zijn schitterende vlucht.

Eén streek er met zijn vleugel over de snaren van de gouden harp en het weerklonk in het hele noorden. De bergen in Noorwegen richtten zich hoger op in het zonlicht van de oudheid, het suisde door dennen en berken. De goden, helden en edele vrouwen vertoonden zich tegen de achtergrond van het diepe, donkere woud.

We zagen een zwaan met zijn vleugels tegen de marmeren rots slaan, zodat die opensprong en de in het steen vastgelegde gestalten van schoonheid bij klaarlichte dag te voorschijn traden en de mensen in de landen eromheen hun hoofd optilden om deze machtige gestalten te zien. We zagen een derde zwaan de draad van de gedachte spinnen, die nu van land tot land bevestigd wordt, de aarde rond, zodat het woord nu met de snelheid van de bliksem door de wereld gaat. Onze-Lieve-Heer heeft het oude zwanennest tussen de Oostzee en de Noordzee lief. Laat er maar machtige vogels door de lucht komen om het te vernielen: "Dat zal niet gebeuren!" Zelfs de jongen zonder veertjes gaan in een kring op de rand van het nest staan, dat hebben we gezien.

Ze laten zich in hun jonge borst steken tot hun bloed vloeit.

Ze verdedigen zich met hand en tand.

Er zullen nog eeuwen voorbijgaan, zwanen zullen uitvliegen en overal ter wereld te zien en te horen zijn, voordat de tijd komt dat er naar waarheid gezegd kan worden: "Dat is de laatste zwaan, het laatste lied uit het zwanennest."

* * * einde * * *

Bron : - "Hans Christian Andersen - Sprookjes en vertellingen"

- uitgegeven door Van Holkema & Warendorf / Unieboek, Bussum, 1975.
- www.beleven.org

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 22:23 Reageer op dit bericht

De gebarsten emmer

De gebarsten emmer
- Een verhaal uit India over een nuttige gebarsten emmer -

Een waterdrager in India had twee grote emmers; elke emmer hing aan één kant van een juk dat hij over zijn schouders droeg. Eén van de emmers had een barst en de andere emmer was in perfecte staat. Terwijl die tweede emmer aan het einde van de lange weg tussen de rivier en het huis van de meester een volle portie water afleverde was tegen die tijd de gebarsten emmer nog maar half vol.

Dat ging zo twee volle jaren verder. De waterdrager leverde altijd maar anderhalve emmer water af in het huis van zijn meester. Natuurlijk was de goede emmer bijzonder trots op zijn prestaties omdat hij perfect voldeed voor het doel waarvoor hij gemaakt was. Maar de arme gebarsten emmer was beschaamd om zijn gebrek en voelde zich ellendig omdat hij maar de helft kon presteren van wat je van hem had mogen verwachten.

Nadat hij zich zo twee jaar lang als een mislukking had beschouwd begon hij op een dag bij de rivier tegen de waterdrager te praten. "Ik ben beschaamd over mezelf en ik wil me bij jou verontschuldigen." "Waarom?," vroeg de waterdrager, "waarom ben je beschaamd?"

"Omdat ik de laatste twee jaar slechts in staat ben geweest om maar een halve portie water af te leveren. Door die barst in mijn zijwand verlies ik voortdurend water onderweg naar het huis van je meester. Door mijn falen moet jij zo hard werken en krijg je niet het volle loon voor je inspanning," antwoordde de emmer.

De waterdrager kreeg echt medelijden met de oude gebarsten emmer; hij wilde hem troosten en zei: "Als we dadelijk teruggaan naar het huis van mijn meester moet je eens goed op die prachtige bloemen letten aan de kant van de weg".

En inderdaad: toen ze de heuvel opliepen zag de gebarsten emmer de prachtige wilde bloemen langs de kant van de weg en dat bracht hem toch een beetje troost. Maar aan het einde van de reis voelde hij zich toch weer ongelukkig omdat de helft van het water weer was weggelopen en hij verontschuldige zich opnieuw bij de waterdrager omdat hij weer gefaald had.

De waterdrager bekeek de emmer en zei: "Heb je dan niet gezien dat er alleen maar bloemen groeien langs jouw kant van de weg en niet langs de kant van de andere emmer? Dat komt omdat ik altijd al wist dat je een beetje lekte en ik heb daar mijn voordeel mee gedaan. Ik heb bloemzaadjes geplant aan jouw kant van de weg en elke keer als we terugkwamen van de rivier heb jij ze water gegeven. En zo heb ik twee jaar lang telkens prachtige bloemen kunnen plukken om de tafel van mijn meester mee te versieren."

"Als jij niet zou zijn zoals je nu eenmaal bent dan zou zijn huis er nooit zo prachtig uitzien."

* * * einde * * *

Bron : - www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 16:25 1 reactie Reageer op dit bericht

De verdwaalde boodschappenjongen-vervolg

De verdwaalde boodschappenjongen (vervolg)
- Het winnende verhaal van de Arnhemse volksverhalenwedstrijd -

Berend liep achter Stevin en Anne aan en kwam in een grote zaal met wijnrode gordijnen en lange houten tafels met druipkaarsen in koperen kandelaars. Aan het eind van de zaal stond in het midden een groot podium met aan de wand een houten schild in rode, zwarte, gele en witte kleuren. Het was een zwart schild, met een gele rand.

"De tafels zijn hier nog leeg, maar vanavond komen hier mensen van de orde, mensen zoals jij en ik," zei Stevin. "En die broeders ga jij bedienen, kunnen we meteen zien wat voor vlees we in de kuip hebben!" Terwijl hij dit zei, kneep hij hard in Berends arm. "Jij kunt trouwens wel wat meer vlees aan je botten gebruiken."

Samen met Anne, wat zijn kamergenoot werd, gingen ze naar een hok, dat niet groter was dan drie bij vier meter. Daarin stonden twee houten bedden en een vierkante tafel met twee stoelen. Op het dunne matras lagen een paar dekens. Berend maakte zijn bed op en het stof dwarrelde rond. Zouden ze nog wat te eten krijgen? Anne zag er niet mager uit, dus het zal wel goed komen. Iemand klopte op de deur. Anne deed open. Niet veel later bracht hij twee dampende borden soep en brood, zette die op de grond. Daarna kreeg hij nog een bord met een kippenpoot. Hadden de broeders zich vergist?

"Dat stuk is van mij," zei Anne er maar meteen bij en liet het zich hoorbaar goed smaken.

Nadat Berend zich te goed had gedaan aan de soep, vroeg Berend voorzichtig waarom Anne wel een stuk vlees kreeg en hij niet. "Omdat hij er langer werkte," was het antwoord. Het klonk logisch. De knagende honger in zijn opstandige maag negeerde Berend dit keer.

Maar die honger was de volgende ochtend toch wel erg opdringerig. "Als ik niet kan eten, kan ik ook niet werken," zei Berend. "Als gij niet kunt werken, kunt gij ook niet eten," verbeterde Stevin hem. "Weldra ga jij met Anne naar de markt, om gans, appels, vis en eieren te kopen. Daarna zullen we wel zien. Allez." Ze zouden hem weldra belonen hadden ze toch gezegd; ik moet vertrouwen houden, dacht Berend.

"Prachtige appels, eieren voor een cent!" Het rumoer op het marktplein was niet van de lucht. Mensen liepen voorbij; vrouwen met schort, hoofddoek, mandjes en spelende kinderen. Dit gaf een vertrouwd gevoel, net zoals de opengesperde bek van een dode vis. Daardoor vergat hij Anne. "Rennen!" riep Anne en trok Berend aan zijn jas. Van schrik liet hij de boodschappen vallen en ging achter zijn kamergenoot aan.

Anne hield iets onder zijn trui. Hij moest dit vaker gedaan hebben, dat kon niet anders. Hijgend kwamen ze aan in Het Duivelshuys. Anne toverde een dode gans te voorschijn. "Je hebt het niet verdiend, maar je hebt wel heel goed de gans helpen dragen," glimlachte Stevin. Dat had hij niet gedaan, maar Berend besloot zijn mond te houden. Niet snel daarna kreeg hij een stuk van het brood en een appel. "Water brengen we je zo." Berend wachtte niet op het water. "En Anne dan?"

"Jij mag ons helpen," was het antwoord van Stevin. "Als je goed je best doet, ben je de volgende keer welkom aan onze dis." Wel vreemd vond Berend het, omdat ze broeders waren? Alsof Stevin gedachten kon lezen, zei hij: "Knaapje, ik ben ook ooit zo begonnen en toen had ik het nog veel slechter dan jij. Dankbaarheid en gehoorzaamheid bezorgen eer. Kom met ons mee naar de grote zaal, dan zul je daar verdere instructies krijgen."

De grote zaal zat vol met mannen en jongens. Weldra kreeg Berend een gebraden gans op een glanzende schaal. De geur van vlees vloog zijn neusgaten in. "Die tafel daar links, neerzetten. Hop," opperde Stevin. Berend schommelde met het dienblad. Toen Berend terug liep kreeg hij weer een plateau in zijn handen, dit keer met pullen bier en zo ging dat de hele avond door. Het leek wel of Berend zeebenen had.

De dis was misselijkmakend. Mannen en jongens die zich tegoed deden aan allerlei lekkernijen en hij die het moest doen met een stuk brood en een appel en hij had toch maar die gans getransporteerd. Maar hij moest volhouden en dankbaar zijn.

De dag erna kregen ze weer de opdracht de markt op te gaan. Als Anne hen nu maar niet weer zo'n streek leverde. "Anne, hier is het geld," zei Berend. "Ga jij inkopen doen?" Hij durfde Anne niet aan te spreken op zijn gedrag; als hij Anne het geld gaf, zou hij er wel mee betalen, hoopte hij. Ze hadden de boodschappenlijst in tweeën gedeeld. Berend was aan de beurt. Terwijl hij zijn bestelling opnam, hoorde hij naast zich: "Houd de dief!" In Anne kwam beweging. Dat ging mooi niet door, dacht Berend en trapte Anne op zijn voet. "Wat doe je nou?" schreeuwde Anne. In een impuls riep Berend: "Hou op met stelen. Je brengt mij in moeilijkheden." - "Ik heb niks gedaan," riep Anne. "Die naast mij stond, is er vandoor, kijk hem rennen!" Nog net zag hij de dief met een mand.

Nu de dief weg was, ontstond er ruimte tussen Anne en het slachtoffer van de diefstal. Hij zag hoe Anne het slachtoffer; een kromme vrouw met hoofddoek aansprak. Berend herkende de hoofddoek. Zou het zijn oma zijn? Nee, dat kon niet. Toen kreeg het beeld een geluid. De vrouwenstem kwam ook overeen met die van zijn oma. "Oma Aantje?" Berend duwde Anne opzij. "Berend?"

Zijn geweten knaagde net als de honger. Nu moest oma zelf boodschappen doen. Wat erg. "Oma, ik ben het, Berend. Ik ga met je mee naar huis, ik had een baantje. Ik leg het later nog wel uit."

"Het is goed jongen, ze kneep hem in zijn wang."

Anne moest hij verontschuldigen. Anne knikte en toen zag hij ook zijn tranen. "Ik heb helemaal geen familie meer," snikte Anne. Nu kreeg Berend met hem te doen. "Glip onder het boodschappen naar De Vier Snaren, dan kunnen we elkaar daar later ontmoeten." Dat vond Berend een goed idee. Oma en Berend gingen naar huis.


* * * finito * * *

Toelichting :

-In mei 2011 is er vanuit Kunstbedrijf Arnhem een schrijfwedstrijd georganiseerd, waarin op zoek werd gegaan naar het volksverhaal van Arnhem. Dit verhaal van Hanneke van den Heuvel heeft gewonnen.

Bron :

- Inzending voor het volksverhaal van Arnhem. Geschreven door Hanneke van den Heuvel.
- www.beleven.org

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 18:55 1 reactie Reageer op dit bericht

De verdwaalde boodschappenjongen

De verdwaalde boodschappenjongen
- Het winnende verhaal van de Arnhemse volksverhalenwedstrijd -

Het rommelde in zijn maag. Berend deed boodschappen voor oma Aantje en ook voor hemzelf. Sinds zijn moeder overleden was en vader vaker op zee zat dan in de kroeg, ging de jongen minstens een keer per week naar de markt. Maar stilaan had hij er de pest in. Berend wilde wel eens een echte man zijn en geen boodschappenjongen meer. Hij wilde ook iets te vertellen hebben.

Het schemerde. Hij had zich voorgenomen voor het donker thuis te zijn, toen hij een geluid hoorde. "Psst." Berend draaide zich om. Een man met een gouden hoektand lachte breed. Hij droeg een mantel met manchetten, een dieprode fluwelen pofbroek en een paar glimschoenen. "Ik ben verdwaald," zei hij met een licht hese stem. "Ken jij toevallig De Vier Snaren?" De Vier Snaren was een café. Dat café kende Berend wel. Het zat om de hoek bij Het Duivelshuys. Berend keek ondertussen om zich heen. Schemerdonker. Hij kon nu niet te lang wegblijven. Maar ach, onderweg kwam hij er toch langs, dus waarom zou hij niet een eindje met deze passant meelopen?

Berend ging voor als een echte meneer. Bij De Vier Snaren zei de gouden tand: "Ik wil je voor deze dienst graag florijnen geven." Voordat Berend kon weigeren, gaf de man hem geld. Dat kon hij goed gebruiken. "Jongen, ik vind je zeer geschikt. Kom morgenmiddag rond de klok van twaalf weer bij De Vier Snaren. Dan kun je meer geld verdienen." Geld verdienen. Dat klonk hem als muziek in de oren. Wie weet was het een handelaar en mocht hij net als vader varen! Vederlicht ging Berend met de boodschappen naar huis.

Klokslag twaalf was hij bij De Vier Snaren. "Psst." Berend herkende het geluid, draaide zich om en keek in het gezicht van de man met de gouden tand. "Ah, daar ben je. Kom maar mee." Nu liep Berend achter de man aan. Het steegje uit, totdat hij voor een stenen duivelskop stond. Het duiveltje lachte. De man liep voor hem en daalde een stenen trap af, die in de grond leek te verdwijnen. Toen bonsde hij een paar keer tegen een zware zwarte deur.

De deur ging open. En niet veel later stonden ze in een donkere hal, met licht bruine plavuizen. Aan de muur brandden fakkels. Berend rilde en toch was het hier niet koud. Wat deden ze hier. Dit moest vast een vergissing zijn. De gouden tand legde kort een hand op Berends schouder. "Hier nemen we afscheid," zei de man. Hij liet de hand langzaam los. Daarna viel de donkere deur met een klap achter hem dicht. Nu stond Berend er weer alleen voor, maar iemand moet toch de deur hebben opengedaan? In het Duivelshuys is het niet pluis, dat is waar zijn oma hem voor waarschuwde. Nu zit hij gevangen, of toch niet.

Berend draaide zich om en probeerde de deur te openen, dat ging niet. "Jongeman," bromde een stem achter hem. "Je wordt verwacht." Het leek of de stem hem deed bevriezen.. Langzaam maakte Berend zijn vingers los van het koude staal. "Komt er nog wat van? Je wilt verdienen of niet?"

In zijn gedachten zag hij een duivelskop voor zich. Hij durfde niet te kijken, maar moest wel toen hij het getik hoorde op de plavuizen, een geluid dat steeds dichterbij kwam. Zijn hart klopte sneller. Steeds dichter en dichter kwam het geluid. Om het geschreeuw vanuit zijn binnenste te onderdrukken, draaide hij zich om. "Jongen, heb geen schrik. Vertel me liever hoe je heet." Een lange smalle man met donkere haren en geschoren baard stond voor hem. "Ik ben Stevin." En hij stak een hand uit. Aarzelend greep Berend naar zijn hand. "Ik ben Berend," trilde hij. Daarna slikte hij zijn naam weg. De man glimlachte en knikte een paar keer. Berend kon wel door de grond zakken. Zou dat hier kunnen? Of was de bodem al bereikt.

Berend wilde nog zeggen dat hij naar huis wilde, maar zijn spraak was niet snel genoeg, niet sneller dan de woorden die uit Stevins mond te voorschijn kwamen. Alsof hij zijn gedachten kon lezen, zei de man: "Je blijft vanavond hier, want je hebt dienst. Maar je hoeft het niet alleen te doen. Iemand komt je assisteren."

"Maar waar slaap ik dan?"

"Hier."

"Maar, mijn oma dan? Die weet van niks."

"Heeft Willem je dat dan niet verteld?"

"Wat verteld?"

"Dat je hier blijft wonen en werken?"

Willem, zo heette de man die hem had gebracht.

"Nee, maar dat was niet de bedoeling," riep Berend in paniek.

"Wees toch eens kalm. Jongens die snel opgefokt raken, kunnen we hier niet gebruiken."

Toen knipte Stevin met zijn vingers. Een kleine, forse jongen met een groene muts verscheen en overhandigde hem een zakje. "Dank je Anne. Dit is Anne. Hij is voor de drommel niet bang, hè Anne?" Anne knikte, hij keek een beetje ondeugend. Voor de drommel niet bang, herhaalde Berend in zichzelf. Anne was ook heel handig. Want hij wist precies wat hij doen moest. Stevin een zakje geven. Het buideltje werd geopend en vervolgens hield Stevin een blinkend gouden muntstuk tussen duim en wijsvinger. Deed het muntstuk terug en schudde met de buidel, toen zei hij: "Veel dukaten. Ze zijn voor jou als je hier een week blijft en je werk goed doet. Is dat een goede deal? Je zult je oma en de rest van je familie er een groot plezier mee doen." Nou, daar had hij wel oren naar. "Kom maar mee dan."


* * * wordt vervolgd * * *

Toelichting :

-In mei 2011 is er vanuit Kunstbedrijf Arnhem een schrijfwedstrijd georganiseerd, waarin op zoek werd gegaan naar het volksverhaal van Arnhem. Dit verhaal van Hanneke van den Heuvel heeft gewonnen.

Bron :

- Inzending voor het volksverhaal van Arnhem. Geschreven door Hanneke van den Heuvel.
- www.beleven.org

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 07:44 1 reactie Reageer op dit bericht

Tijl Uilenspiegel danst op het koord

Tijl Uilenspiegel danst op het koord
- Een Uilenspiegel-verhaal uit Vlaanderen -

De een laat de schaar knipperen, en hij weet: ik word kleermaker. De ander trekt een kaarsrechte lijn op papier, en hij weet: ik word architect. Maar de jonge Tijl spande een koord dwars over de daken en hij wist: ik ben en blijf Tijl de Luchthartige, ik wil de mensen voor de gek houden.

Zo trekt iedereen zijn eigen levenslijn, de een met de schaar in de stof, de ander met zijn potlood op papier. En lieden zoals Tijl balanceren op het slappe koord, lichtvoetig en luchthartig, terwijl daar beneden de mensen staan met hun grove, plompe schoenen en met allebei hun benen stevig op de grond. Ze staan met open mond naar boven te staren, stomverbaasd dat iemand zo hoog wil klimmen.

Maar zijn moeder, die haar Tijl veel liever als architect of als kleermaker had gezien, pakte op een dag zelf de schaar - en ze knipte het koord, waarop Tijl juist aan het dansen was, in tweeën. Wat moesten de mensen lachen, toen die waaghals, die zo hoog gestegen was, opeens in de lucht stapte en pats! op zijn neus viel.

Maar de volgende morgen stond Tijl alweer op het koord. En hij riep naar de mensen beneden: "Als jullie allemaal je linkerschoen uittrekken en aan een touw binden, dan zal ik je eens wat laten zien!" De meesten deden dat. En daar sprongen ze dan op één been heen en weer, als manke vogels. Of ze leunden tegen elkaar, rug aan rug, om hun evenwicht niet te verliezen.

Iedereen was nieuwsgierig wat Tijl met al die schoenen zou doen. "Kijk, ik sta hier rustig op mijn koord," riep Tijl naar beneden. "En jullie waggelen en wankelen maar, alsof je geen vaste grond meer onder je voeten hebt!" Toen haalde hij een schaar uit zijn zak en knipte het touw met de schoenen eraan in tweeën. "Daar hebben jullie je schoenen terug!" riep Tijl.

Hij ging op zijn gemak op het koord zitten en keek hoe iedereen om zijn schoenen begon te vechten. De een had opeens een rode en een blauwe laars aan, een ander had vier schoenen in zijn hand, weer een ander liep rond op sokken vol gaten. De kinderen hadden gewoon allemaal hun schoenen uitgetrokken en probeerden ze ook niet meer terug te krijgen. Lachend renden ze rond, blootsvoets door de plassen.

"Wat zijn jullie toch gemakkelijk uit je evenwicht te brengen!" dacht Tijl. En tevreden schommelde hij op zijn koord heen en weer, hoog boven de daken.


                                        * * * EINDE * * *
Bron : - "Boek van de jeugd"
           Uitgeverij de Arbeiderspers, Amsterdam, 1930.
           www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 19:50 1 reactie Reageer op dit bericht

De doedelzakspeler en de Pooka

De doedelzakspeler en de Pooka
- Een Iers volksverhaal over een diergeest en muziek -

In vroeger tijden woonde er in Dunmore, in het graafschap Galway, een doedelzakspeler die niet helemaal goed wijs was. Muziek was zijn lust en zijn leven, maar hij kon nooit meer dan één wijsje spelen, en dat was 'De zwarte schelm' ('The Black Rogue'). Hij kreeg vaak heel wat geld van de hoge heren, want die mochten graag de gek met hem steken.

Op een avond was de doedelzakspeler op een danspartij geweest en ging halfdronken op huis aan. Toen hij bij het bruggetje kwam dat naar zijn moeders huis leidde gespte hij zijn doedelzak om en begon 'De zwarte schelm' ('An Rógaire Dubh') te spelen. Toen verscheen de Pooka achter hem en slingerde de muzikant op zijn rug. De Pooka had lange horens en die greep hij stevig vast voordat hij zei: "Naar de duvel met jou, ellendig beest, laat me naar huis gaan. Ik heb tien stuivers in mijn zak voor mijn moeder, en die moet snuif hebben."

"Maak je maar geen zorgen over je moeder," zei de Pooka, "zorg dat je je goed vasthoudt. Als je valt breek je je nek en je doedelzak." En toen vervolgde de Pooka: "Vooruit, speel 'Het arme oude vrouwtje' ('An tsean bhean bhocht') voor me."

"Dat ken ik niet," zei de muzikant.

"Hindert niet of je het kent of niet," zei de Pooka. "Speel op, dan zorg ik wel dat je het kent."

De muzikant blies zijn doedelzak vol lucht en speelde muziek, zo mooi dat hij er zelf versteld van stond. "Wis en waarachtig, jij bent een goeie muziekmeester," zei de muzikant, "maar zeg eens waar je me heen brengt."

"Er is vanavond groot feest in het huis van de Banshee, op de top van Croagh Patrick," zei de Pooka, "daar moet ik je heen brengen om muziek te maken. Je moeite zal beloond worden, dat kan je van me aannemen."

"Nee maar, dan bespaar je me een hele tocht," zei de doedelzakspeler, "want pater William heeft me een reis naar Croagh Patric opgelegd als penitentie, omdat ik vorig jaar met Sint Maarten een witte ganzerik van hem had gestolen."

De Pooka voerde hem in vliegende vaart door heuvels en moerassen en onherbergzame oorden, tot ze aankwamen op de top van Croagh Patric. Daar stampte de Pooka drie maal met zijn hoef, waarop er een grote deur openging. Ze gingen samen naar binnen en kwamen in een mooie zaal.

In het midden zag de muzikant een gouden tafel, waar honderden oude vrouwen omheen zaten. Een van hen stond op en zei: "Duizend maal welkom, November-Pooka. Wie heb je daar bij je?"

"De beste doedelzakspeler van Ierland," zei de Pooka.

Een van de oude vrouwen stampte op de grond en er ging een deur in de zijwand open, en daar zag de muzikant niemand minder binnenstappen dan de witte ganzerik die hij van pater William had gestolen. "Bij mijn ziel en geweten," zei de doedelzakspeler, "mijn moeder en ik hebben die ganzerik tot de laatste hap zelf opgegeten, op één vleugel na, en die heb ik aan Rooie Mary gegeven, en zij heeft toen aan de pater verteld dat ik zijn ganzerik had gestolen."

De ganzerik ruimde de tafel af en droeg hem de zaal uit, en de Pooka zei: "En nu muziek maken voor deze dames." De doedelzakspeler begon te spelen en de oude vrouwen begonnen te dansen, en ze dansten tot ze niet meer konden. Toen zei de Pooka dat ze de muzikant moesten betalen, en de een na de ander haalden de oude vrouwen een goudstuk te voorschijn dat ze aan hem gaven. "Bij de tanden van Sint Patrick," zei de muzikant, "ik ben zo rijk als de zoon van een edelman."

"Kom met me mee," zei de Pooka, "dan zal ik je thuisbrengen."

Ze gingen naar buiten en juist toen de muzikant op de rug van de Pooka zou gaan zitten trad de ganzerik naar voren en gaf hem een nieuwe doedelzak. Het duurde niet lang of de Pooka had hem in Dunmore teruggebracht, waar hij hem afwierp bij het bruggetje. "Ga naar huis," zei hij tegen de muzikant. "Je hebt nu twee dingen die je nooit gehad hebt - verstand en muziek."

De doedelzakspeler ging naar huis, klopte op zijn moeders deur en riep: "Laat me binnen, ik ben zo rijk als een edelman en ik ben de beste doedelzakspeler van Ierland."

"Je bent dronken," zei zijn moeder.

"Helemaal niet," zei de muzikant, "ik heb geen druppel gedronken."

De moeder liet hem binnen en hij gaf haar de goudstukken en zei: "Wacht eens, dan zal ik je mijn muziek laten horen."

Hij gespte de doedelzak om, maar in plaats van muziek kwam er een geluid uit alsof alle ganzen van Ierland tegelijk begonnen te snateren. Hij maakte er de buren mee wakker en die dreven de spot met hem, tot hij zijn oude doedelzak pakte en hen lieflijke muziek voorspeelde. Daarna vertelde hij hen alles wat hij die nacht had beleefd.

Toen zijn moeder de volgende ochtend naar de goudstukken ging kijken, was er niets te vinden dan dorre bladeren. De doedelzakspeler ging naar de priester en deed hem zijn verhaal, maar de priester geloofde er geen woord van, tot hij de doedelzak ter hand nam, en toen begon het gekrijs van de ganzen en ganzeriken weer. "Ga uit mijn ogen, jij dief," zei de priester.

Maar de muzikant was niet tevreden voor hij de priester met zijn oude doedelzak kon tonen dat zijn verhaal waar was. Hij pakte de oude doedelzak en speelde lieflijke muziek, en vanaf die dag tot de dag van zijn dood is er nooit een betere doedelzakspeler in Galway geweest.


                                          * * * einde * * *
Bron : - "Ierse elfenverhalen en andere volksvertellingen uit Ierland" samengesteld en ingeleid door W.B. Yeats.
           Uitgeverij Sirius en Siderius, Den Haag, 1983. ISBN: 90-644-10208
           www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:40 2 reacties Reageer op dit bericht

Meer van 'VOLKSVERHALEN'

↑ Terug naar de berichten