Naar de inhoud

'VOLKSVERHALEN'

seniorennet.beseniorennet.be
Problemen
Er zijn nogal wat problemen met het lezen van de teksten, daarom volgende tip :
Met de muis links klikken en over de tekst schuiven.
De tekst verschijnt duidelijk leesbaar.

Categorie: legende

De legende van de maïs

De legende van de maïs
De legende van de maïs
- De oorsprong van de maïs volgens de Noord-Amerikaanse indianen -

Heel lang geleden voerden de indianenstammen oorlog met elkaar. Het werd heel moeilijk om rond te reizen, want iedere stam verdacht de reizigers ervan spionnen te zijn van de vijandige stam.

Toch trokken een oude vrouw en haar kleinzoon van tentenkamp naar tentenkamp, op zoek naar een stam die hen wilde opnemen, want zij hadden geen familie meer. Maar overal waar zij kwamen, werden ze geweerd.

Op een dag kwamen ze bij indianen die hen verzochten naast het vuur te gaan zitten en mee te eten. Het stamhoofd zei tegen de oude vrouw: "U kunt bij ons blijven, als u niet bang bent honger te lijden. Er is niet veel wild op ons land, maar het weinige voedsel dat we hebben, willen we graag met jullie delen." - "Wij hebben niet veel nodig," antwoordde de grootmoeder. "En ik kan voor jullie werken. Ik zal voor de kinderen zorgen terwijl de ouders op zoek gaan naar voedsel."

De volgende dag gingen de mannen zoals gewoonlijk jagen en gingen de vrouwen fruit en planten plukken en water halen. De kinderen bleven alleen achter. Dit was een mooie kans om de hele dag te spelen, zonder te worden lastiggevallen door de grote mensen! Maar ze hadden niets te eten... Hun ouders kwamen pas 's avonds terug van het jagen of vruchten plukken, en het was een lange dag voor hun kleine maagjes.

Die dag speelden de kinderen heel lang en werden ze geroepen door de oude vrouw toen ze moe begonnen te worden. Nieuwsgierig kwamen de kinderen naar haar toe. "Maar wat doe jij, grootmoeder?" vroeg een van de kinderen. "Ik maak maïssoep voor jullie klaar," antwoordde ze terwijl ze in een grote pan dikke soep roerde.

Dat hadden de kinderen nog nooit gezien, maar toen ze eenmaal van de soep hadden geproefd, wilden ze meer! Toen hun buikjes vol waren, gingen ze om de oude vrouw heen zitten, zoals kuikentjes om hun moederkip. De oude vrouw vertelde de kinderen prachtige verhalen. En vanaf die dag ging het iedere dag zo. Dankzij de maïs van de oude vrouw kenden de kinderen geen honger meer, en leerden ze allerlei verhalen!

Zo gingen er maanden voorbij en de oude vrouw begon steeds vermoeider te raken. Toch maakte zij nog steeds het eten voor de kinderen klaar. Op een dag had ze niet eens meer de kracht om op te staan; maar vond haar kleinzoon 's middags naast haar een pan met soep. Ze zei tegen hem: "Ik heb maïs gezaaid, en die is goed gegroeid. Maar de maïs moet nog wel besproeid en gewied worden. Jij moet daarvoor zorgen, samen met de andere kinderen."

Dat waren haar laatste woorden, maar ze ging door met soep geven totdat de maïskolven rijp waren. Toen haar kleinzoon die dag in haar tent kwam, zag hij niemand. Hij zag haar nooit meer terug: ze was veranderd in maïs. Wanneer je nu een maïskolf ziet in bladeren gehuld, zie je altijd zilveren draden: dat zijn de haren van de goede oude vrouw die voor maïs heeft gezorgd, zodat de indianenkinderen geen honger lijden.

* * * EINDE * * *

Bron : -            - www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 09:57 Reageer op dit bericht

De spijze gods

De spijze gods
- Een kinderlegende van Grimm -

Er waren eens twee zusters. De ene had geen kinderen en was rijk, en de andere had vijf kinderen en was weduwe en ze was zo arm, dat ze geen brood genoeg meer had om haar kinderen te eten te geven. Toen ging zij in haar nood naar haar zuster en zei: "Mijn kinderen lijden met mij de grootste honger; jij bent rijk; geef me wat brood." Maar het schatrijke mens was zo hard als een steen en ze zei: "Ik heb zelf niets in huis," en ze wees haar arme zuster met koude woorden de deur.

Kort daarop kwam de man van de rijke zuster thuis en hij wilde voor zichzelf een stuk brood afsnijden, maar toen hij de eerste snee in het brood deed, vloeide er rood bloed uit. De vrouw zag het, ze schrok en vertelde hem wat er gebeurd was.

Hij snelde erheen om hen te helpen; maar toen hij in de kamer van de arme weduwe kwam, vond hij haar in gebed. Ze had de twee jongste kinderen in haar armen, maar de drie oudste waren gestorven. Hij bood haar aan, haar eten te geven, maar zij antwoordde:

"Naar aards voedsel verlang ik niet meer; drie van hen heeft God reeds voldoende gegeven, en hij zal ons smeken ook verhoren."

Nauwelijks had ze die woorden uitgesproken, of de beide kleinen bliezen de laatste adem uit en daarom brak ook haar het hart en ze zonk dood neer.

* * * EINDE * * *

Bron : - "De sprookjes van Grimm; volledige uitgave" vertaald door M.M. de Vries-Vogel.
           Unieboek BV - Van Holkema & Warendorf, Weesp, 1984.
           - www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 18:50 Reageer op dit bericht

Het spookschip de Zeerob

Het spookschip de Zeerob
- Een volkslegende over een Dordts ronddolend schip -
Op 24 maart 1771 vertrok de Zeerob vanuit de Kalkhaven van Dordrecht met bestemming Groenland. De commandeur van het schip was Jurriaan Jacobszoon, afkomstig uit Rømø. De bemanning gehoorzaamde hem feilloos. Hij was een ervaren schipper en heer en meester op zijn schip. Uit de haven van Dordrecht liet hij het schip vertrekken. "Hijs de zeilen... We varen!" De matrozen kropen de touwen in en bemanden hun posten. Drommen mensen op de kade staarden het schip na, dat de zee op zeilde. Een zwarte kraai vloog om de mast. Boven op de campagne stond de schipper. Hij hield de armen gekruist over de borst, en sprak geen woord. De matrozen wachtten op zijn bevelen.

Op de wijde oceaan dobbert een ontredderd schip. Touwen hangen in het water en tussen gevallen masten steekt een versplinterde maststomp omhoog. Het ruim stinkt naar door de ratten aangevreten voedsel. Verrotte foerage ligt op het dek.

Kraaloogjes van dode knaagdieren tussen kratten doen nog denken aan het laatste leven op het verlaten, dolende wrak. Ingescheurde zeilen klapperen tegen de vlaggenstok. Gebold door de wind drijven ze het schip mijlen ver van de plek waar een onbekend onheil zich ooit heeft afgespeeld. Een hoge golf brengt het schip nog eenmaal in zicht. Dan verdwijnt het achter de horizon.

In de dikke, gevaarlijke mist wordt het Dordtse spookachtige verschijnsel soms nog aangetroffen en gevreesd door zeelui, bang om aangevaren te worden door de dwalende lijkkist en niet wetende wat van de arme zielen geworden is. Uit de wolken deinst het fantoom op uit het niets. Rondom het schip wordt nog wel eens een grote zwarte vogel waargenomen, die cirkelend om de masten vliegt. Het zien van een spookschip betekent ongeluk. Onheil. Rampspoed. Nog erger dan grote stormen of piraten op de zee. Jacobsz. brengt ongeluk en verderf aan een ieder die hem op het schip ziet aankomen. Soms wordt hij nog gezien, met een tros in de hand.

Sommigen menen dat Jacobsz. een pact met de duivel heeft gesloten om tot de Dag des Oordeels gedoemd te zijn rond te dwalen over de zeeën. Het schip van de verloren, ondode zielen. Om zich te beschermen tegen een ontmoeting met het spookschip spijkeren zeelieden hoefijzers aan hun mast. Waren de bemanningsleden voor de haaien gegaan? Een schip, dat uitgevaren was en nooit het doel had bereikt, ook nooit de thuishaven was binnengelopen, moest vergaan zijn of... het moest nog over de zeeën en oceanen rondzwalken.

Thuis in het Deense Rømø, maar ook in Dordrecht, turen de vrouwen van de bemanningsleden nog steeds de horizon af, op zoek naar een glimp van het schip en hun geliefden. "
O weemoed om dit onvervulde leven,
Dat ik te lijden toch niet laten kan,
Schoon als dat spookschip in zijn eeuwen ban
Mijn ziel rondzwerft en rust niet, ook maar even..."
                                          * * * Einde * * *
Bron : - "Groot Dordts volksverhalenboek" door Ruben A. Koman.
           Profiel, Bedum, 2005.ISBN: 9052943354.
           - www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:20 3 reacties Reageer op dit bericht

De schepping van Japan

De schepping van Japan
- Een Japanse Shinto-legende over Izanagi en Izanami -
De hemel, een oneindig uitgestrekte witte vlakte, zo wit als melk - vandaar dat zij later de Melkweg genoemd werd - werd eens bewoond door de goden.

Zij lijken op ons, mensen, maar zij zijn veel machtiger, groter, sterker, lichter en ook veel mooier. Zij lopen niet, maar zweven, en zij hebben geen behoefte aan voedsel en drank, aan rust en slaap, zoals de aardse stervelingen. Deze laatste bestonden toen trouwens nog niet, want er was nog geen vaste aarde, maar alleen een woeste en onstuimige zee.

Op een onvergetelijke dag kwamen de oudste goden op de Melkweg bijeen en besloten om de wereld te scheppen. Was het omdat zij hun volmaakt bestaan te eentonig begonnen te vinden, of verlangden zij naar wezens die op hen geleken en die zij konden liefhebben en met hun zorgen omringen? Waarschijnlijk was het om beide redenen.

In ieder geval droegen zij twee jonge godheden op om de wereld te scheppen en deze met hun nakomelingen te bevolken. Het waren Izanagi, een god met een lange baard en een krachtige, forse gestalte en de jeugdige en knappe godin Izanami, wier rank lichaam in een lang wit kleed was gehuld.

"Izanagi en Izanami, wij dragen U op de aarde te vormen en met elkaar te trouwen, zodat wij ons kunnen verlustigen in de aanblik van Uw kinderen en kindskinderen. Bemint elkaar en vermenigvuldigt U! Wij beloven dat jullie mooie kinderen zult krijgen."

De twee godheden namen deze eervolle opdracht dankbaar aan. Zij dankten de goden, gaven elkaar een hand en vertrokken. Izanagi hield zijn gouden lans, versierd met edelstenen, in de hand en Izanami keek bewonderend naar hem op. Na een tijd kwamen de twee godenkinderen bij een wonderlijke brug. Het was een halve cirkel die zich naar alle kanten uitstrekte zover het oog kon reiken. Deze regenboog bevatte alle kleuren die maar denkbaar waren, van dieppurper tot felrood, met alle kleurschakeringen ertussen. Op het hoogste punt van deze boog hielden de godenkinderen een ogenblik stil en keken naar beneden. Onder hen bruiste de onmetelijke zee in eindeloze deining. Boven de azuurblauwe golven dartelden witte schuimkoppen. Langzaam daalden zij over de regenboog naar beneden af. Izanagi dompelde zijn speer in het zilte nat en bewoog hem heen en weer. Hij sprak daarbij: "Koworo! Koworo!" En zie, er gebeurde een wonder! Toen Izanagi zijn lans terugtrok, droop er dik schuim vanaf, dat zich op het water vasthechtte, zich uitbreidde en steviger werd. Het was de eerste aarde die zich onder de hemel vertoonde. Weliswaar was het een klein eiland, maar het was stevig genoeg om erover te lopen. Zo werd het eiland Onogoro-jima geboren, het oudste eiland van Japan.

Gracieus als meeuwen die op een rots neerstrijken, zweefden Izanagi en Izanami naar beneden en zetten zich op het eiland neer. Wat een vreugde was het voor hen als eersten op aarde te mogen verblijven. Izanami scheen de wereld der goden vergeten te zijn en richtte haar stralende ogen op het knappe gezicht en het gespierde lichaam van haar metgezel.

"Zullen wij nu gaan trouwen?" stelde zij voor. Haar glimlach werd door de glimlach van Izanagi beantwoord en uit hun ogen sprak dezelfde tederheid en dezelfde hartstocht.

"Laten wij elkaar beminnen en voor een nageslacht zorgen," sprak het meisje. En de beide godenkinderen verenigden zich met elkaar. Vol ongeduld wachtten zij op hun eerste kind. Maar wat een teleurstelling; het leek helemaal niet op hen! Izanami had een monster gebaard dat op een grote bloedzuiger leek. Zij waren zo diep geschokt dat zij er niet naar wilden kijken. Uit twijgen vervaardigden zij een bootje, legden het wezen erin en lieten het met de stroom wegdrijven. Het tweede kind werd opnieuw een teleurstelling. Het leek op een grote kwal, en de ouders lieten het liggen waar het ter wereld was gekomen. Wanhopig besloten zij om de goden uitleg van dit raadsel te vragen.

"Waarom hebben wij geen mooie kinderen gekregen, zoals ons beloofd was?" vroeg Izanagi.

"Het is de wil des hemels!" antwoordden de goden. "Volgens de regels van de schepping moet de man de vrouw ten huwelijk vragen en niet omgekeerd. Izanami heeft het eerst gesproken en daarom is dit ongeluk over jullie gekomen. Ga naar de aarde terug en denk aan wat wij gezegd hebben!"

Het jonge paar wist niet wat zij hierop moesten antwoorden. Zij bogen het hoofd en verlieten de hemel om weer naar de aarde terug te keren. Daar aangekomen, durfde de godin haar gemaal niet meer in de ogen te zien, noch tegen hem te spreken. Toen Izanagi merkte dat zijn vrouw zich zo schuldig voelde, kreeg hij diep medelijden met haar en zei: "Geliefde, het is jouw schuld niet! De goden hebben ons niet van tevoren ingelicht en ik mag mij even schuldig gevoelen." De jonge god keek met welgevallen naar de bekoorlijke gestalte van zijn vrouw. Hij zag hoe verdriet haar blik verduisterde en hoe haar mond gesloten bleef. Langzaam boog zij het hoofd, terwijl er een paar tranen uit haar ogen drupten. Izanagi sloeg zijn armen beschermend om haar heen en weer verenigden zij zich.

Hun gehoorzaamheid aan de goden werd beloond, maar heel anders dan zij gedacht hadden. Zij kregen kinderen en het werden de mooiste kinderen ter wereld: de Japanse eilanden met hun rotsen en hun bergen, hun beekjes en rivieren, hun pijnbomen en kersenbomen. En toen de schepping van deze eilanden voltooid was, verschenen ook de dieren en de mensen. Alles wat er op de Japanse eilanden groeit en leeft, zijn kinderen van Izanagi en Izanami.


                                          * * * Einde * * *
Bron : - "Japanse sagen en verhalen" door M.A. Prick van Wely.
           Fibula-Van Dishoeck, Haarlem, 1979. ISBN: 90-228-3346-1
           - www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:09 3 reacties Reageer op dit bericht

Mani

Mani
- Een legende van de Tupi-Indianen over de maniok (cassave) -
CassaveIn vroegere tijden, toen de mensen de planten en de dieren nog verstonden, was er aan de rand van het oerwoud een dorpje.

Alle mensen die daar woonden leefden als in een grote familie. Maar op een morgen gebeurde er iets bijzonders. Alsof ze uit de hemel gevallen was, stond er plotseling een onbekend meisje in het dorp, met een blanke huid. Nadat het meisje een tijdje stil en bescheiden in het dorp had gewoond, namen de bewoners het als hun eigen kind aan en gaven haar de naam Mani.

Mani groeide snel, het was wel ongewoon dat ze nooit een stukje fruit nam of iets van de buit waarmee de jagers thuis kwamen. Als de jagers geen geluk hadden en als er voor de dorpsbewoners niets meer te eten was, bakte Mani heerlijke koekjes voor ze, maar niemand wist waarvan ze gemaakt werden. Op zulke dagen zag Mani er bleek en smalletjes uit en als de jagers verscheidene dagen achter elkaar niets hadden kunnen vangen, wankelde ze van zwakte.

Op een morgen vernielde een vreselijke aardbeving het land. De bodem trilde en beefde, de reuzen van bomen uit het oerwoud vielen als vliegen ter aarde en de dieren vluchtten verschrikt in alle richtingen.

Alleen de mensen bleven in hun dorp.

Na een paar dagen werd de aarde weer rustig. Maar hoewel geen enkele dorpsbewoner schade geleden had, wilde niemand meer op jacht gaan en zo kwam de honger in het dorp.

Maar ook het oerwoud was verlaten. Geen dier verheugde zich meer daar te mogen leven en er hing geen vrucht meer aan de bomen.

Dag na dag stilde Mani de hongerigen met haar koekjes. Maar dag na dag werd ze bleker en magerder. Toen er een maand voorbijgegaan was kon ze nog maar nauwelijks op haar benen staan. Maar steeds als het avond geworden was, verdeelde ze haar koekjes en keek toe, hoe de Indianen ze opaten.

"Ik weet niet, hoe lang ik nog de kracht heb jullie te voeden. Jullie moeten weer op jacht gaan en jullie geluk in het oerwoud beproeven. Als je met lege handen thuis komt, mogen jullie mijn gasten zijn," zei Mani op een avond.

Toen sloot ze de ogen en de mensen uit het dorp gingen zachtjes weg.

De hele nacht bad de sjamaan de geesten van de hemel om een goede jacht. Nauwelijks had het morgenlicht de nacht overwonnen, of de jagers gingen het oerwoud in. Maar geluk hadden ze niet. Zelfs niet een heel klein diertje konden ze vangen.

En daarom gingen ze 's avonds weer naar Mani om haar om koekjes te vragen. Haar hut was echter leeg maar daar waar het meisje had gelegen, groeide uit de gebarsten bodem een onbekende struik. "Mani is van ons weggegaan en haar ziel is veranderd," fluisterden de Indianen zachtjes.

"We zullen de plant precies zo begieten als de graven van onze voorvaderen," besloot de sjamaan langzaam en treurig en hij deed als eerste water in de schaal.

Nauwelijks had hij de plant water gegeven of de lemen bodem scheurde wijd open en er was een prachtige witte wortel te zien. De Indianen gingen heel dicht om de witte wortel staan, die precies leek op het lichaam van de goede Mani.

De sjamaan zei: "Al is Mani dan ook van ons weggegaan, ze leeft desondanks nog bij ons. Jullie zien, dat ze zich in een plant heeft veranderd, zodat we geen honger meer hoeven lijden, uit deze plant kunnen we het meel maken, waaruit Mani de koekjes bakte.

Sinds deze tijd verbouwen de Indianen op hun velden de planten, die ze de naam maniok gegeven hebben.


                                          * * * Einde * * *
Bron : - "Sprookjes van de Indio's. Mythen, sprookjes en legenden van de Indianen uit Midden- en Zuid-Amerika"
           door Vladimir Hulpach, vertaald door Anke Eggink.
           Uitgeverij Ankh-Hermes, Deventer, 1979. ISBN: 90-202-0044-5
           - www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:23 2 reacties Reageer op dit bericht

De drie groene twijgen

De drie groene twijgen
- Een kinderlegende van Grimm -
Er was eens een kluizenaar; hij leefde diep in een bos aan de voet van een berg en bracht zijn tijd door met gebed en goede werken, en elke avond droeg hij tot Gods eer nog enige emmers water de berg op. Menig dier werd ermee gedrenkt en menige plant verkwikt; want boven op de bergen waait er altijd een harde wind, die lucht en aarde uitdroogt en wilde vogels, die schuw zijn voor mensen, vliegen dan hoog in kringen en kijken met hun scherpe ogen naar water. En omdat die kluizenaar zo vroom was, ging er een engel van God, zichtbaar voor zijn ogen, met hem de berg op, telde zijn passen, en bracht hem, als het werk was afgelopen, zijn eten, zoals ook eens aan een profeet op Gods bevel door de raven eten werd gebracht.

882717-ba6c30ee4ba5adaf0eee3e4dbf14159a.gifToen de kluizenaar in zijn vroomheid al heel oud geworden was, gebeurde het, dat hij eens uit de verte zag, hoe een arme zondaar naar de galg werd gebracht. Hij zei zo voor zich heen:

"Die heeft zijn verdiende loon."

Toen hij die avond het water de berg opdroeg, verscheen de engel niet, die anders met hem meeging, en hij bracht hem ook geen eten. Toen schrok hij, en hij onderzocht zijn hart en dacht erover na waarmee hij wel kon hebben gezondigd, omdat God zo boos was, en hij wist het niet. Hij at niet en hij dronk niet, hij wierp zich op de grond en bad dag en nacht.

En eens op een dag toen hij in het bos was en erg huilde, hoorde hij een vogeltje zingen, het zong mooi en heerlijk, en toen werd hij nog bedroefder en zei: "Wat zingt die mooi! Op hem is God niet boos; ach als dat vogeltje mij zeggen kon, waarmee ik God beledigd heb - zodat ik boete zou kunnen doen en ik weer vrolijk werd in mijn hart!"

Toen begon het vogeltje te spreken en zei: "Je hebt onrecht gedaan, want je hebt een arme zondaar verwenst die naar de galg werd gebracht, daarom is de Heer boos, want hij is het alleen, die recht spreekt. Maar wanneer je boete wilt doen en spijt hebt van je zonden, dan zal hij je vergiffenis schenken." Toen stond de engel naast hem en hij had een dorre tak in de hand en sprak: "Deze dorre tak moet je zo lang dragen, tot er drie groene takken uit komen spruiten, maar 's nachts, als je wilt slapen, moet je hem onder je hoofd leggen. Je brood moet je aan de deuren gaan bedelen en je mag niet langer dan één nacht in hetzelfde huis blijven. Dat is de straf, die God je oplegt."

Nu nam de kluizenaar het stuk hout en ging terug naar de wereld, die hij in zo lange tijd niet had gezien. Hij at niet en hij dronk niet, dan alleen wat hem aan de deur werd gegeven. Maar vaak werd zijn bedelen niet beantwoord, en veel deuren bleven gesloten, zodat hij vaak dagen lang geen kruimel brood kreeg.

Eens was hij van de ochtend tot de avond op pad en niemand had hem iets gegeven, niemand wou hem onderdak geven voor de nacht, en toen ging hij naar het bos en vond eindelijk een hol met een aangebouwd huisje ervoor en daar zat een oude vrouw in. Hij zei: "Goede vrouw, wilt u mij deze nacht in uw huis herbergen?" Maar ze antwoordde: "Nee, dat mag ik niet, al zou ik het graag doen. Maar ik heb drie zoons; ze zijn lastig en kwaad en als ze van hun rooftocht thuiskomen en ze vinden u, dan zouden ze ons beiden doden."

Toen zei de kluizenaar: "Laat mij gerust blijven, u en mij zullen ze niets doen," en de vrouw kreeg medelijden en liet zich ompraten. Toen ging de man onder de trap liggen met het stuk hout onder zijn hoofd. Toen de oude vrouw dat zag, vroeg ze naar de oorzaak, en toen vertelde hij haar, dat hij het als boetedoening bij zich droeg en 's nachts als hoofdkussen gebruikte. Hij had de Here God beledigd, want toen hij een arme zondaar na zijn veroordeling aan de galg had gezien, had hij gezegd: die krijgt zijn verdiende loon.

Toen begon de vrouw te schreien en riep: "O, als God een enkele gedachte zo zwaar straft, hoe moet het dan met mijn zoons gaan als ze voor zijn gerecht komen."

882717-401fd7bc476d02e69067e0235dabd843.jpg Om middernacht kwamen de rovers thuis, vol lawaai en geschreeuw. Ze maakten vuur aan en toen dat het hol verlichtte en ze een man onder de trap zagen liggen, werden ze woedend en schreeuwden hun moeder toe: "Wie is die man? Hebben we niet verboden, iemand op te nemen?" Toen zei de moeder: "Laat hem maar. Hij is een arme zondaar, die boete doet voor zijn zonden." De rovers vroegen: "Wat heeft hij dan gedaan? Ouwe man!" riepen ze, "vertel ons eens van je zonden."

De oude man ging zitten en vertelde hun, hoe hij met een enkele zin al zo gezondigd had, dat God erg boos was en hij voor die schuld nu boete deed. Maar de rovers werden door zijn verhaal zo zeer geroerd in hun hart, dat ze schrokken om hun eigen leven, zoals ze dat tot nu toe hadden geleefd, en ze beterden hun leven en begonnen boete te doen met oprechte spijt.

Nadat de kluizenaar deze drie zondaars had bekeerd, ging hij weer slapen onder de trap. Maar de volgende morgen vonden ze hem dood liggen, en uit het dorre hout, waar zijn hoofd op lag, waren drie groene takken gebot. God had hem dus weer in genade bij zich genomen.


                                          * * * Einde * * *
Bron : - "De sprookjes van Grimm; volledige uitgave" vertaald door M.M. de Vries-Vogel.
           Unieboek BV - Van Holkema & Warendorf, Weesp, 1984.
           - www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:09 5 reacties Reageer op dit bericht

De hebberige buurvrouw(vervolg)

De hebberige buurvrouw (vervolg)
- De legende van het Danum-meer -
Toen ze klaar waren met eten, gaf de oude vrouw Bulan twee 'gabi' wortels en een rijststengel. "Ga nu naar huis," zei de oude vrouw. "Zo gauw als je thuis bent, berg dan de rijststengel op in de graanschuur. Kook de 'gabi'." Verder zei ze niets meer, ook geen goedendag. Bulan was teleurgesteld omdat ze in ruil voor haar varken en al haar problemen alleen twee 'gabi' wortels en één rijststengel had gekregen. Niettemin bedankte ze de oude vrouw en ging naar huis. Ze borg de rijststengel op in de graanschuur en kookte de 'gabi', precies zoals de oude vrouw haar had opgedragen.

Toen de 'gabi' gekookt had, pakte Bulan een mes om het in stukken te snijden. En toen merkte ze iets vreemds op. Het maakte namelijk niet uit hoeveel stukken ze afsneed, de 'gabi' bleef even groot. Weldra had ze honderd plakken van de 'gabi' op tafel meer dan genoeg om haar kinderen eten te geven. Toen wist ze dat dit de gift was van de oude vrouw.

Toen herinnerde ze zich de rijststengel en ze rende naar de graanschuur. Het stroomde er over van de rijst. Bulan was erg gelukkig, omdat ze wist dat haar familie nooit meer honger hoefde te lijden.

Spoedig merkten de buren het grote geluk van Bulan op. Eén van haar buren was een rijke maar begerige vrouw genaamd Galay. Deze vrouw had geweigerd om Bulan wat rijst te lenen toen deze niets had om haar kinderen te voeden. Galay vroeg Bulan hoe het kwam dat ze nu zoveel voedsel had. Bulan vertelde haar openhartig over haar vreemde reis. "Ik zal het varken van mijn man meenemen en uitkijken naar de oude heks," zei Galay met een harde flikkering in haar ogen. "Maar je graanschuur is vol!" riep Bulan uit. "Ach, maar als ik de magische rijststengel zou hebben dan zou ik nooit zou hard meer hoeven te werken!" zei Galay, terwijl ze wegliep om naar het varken te kijken.

De volgende dag ging de begerige buurvrouw op weg naar het meer met een varken in een mand op haar hoofd. Toen ze bij het meer kwam zette ze het varken op de grond. Ze trok aan zijn staart om er zeker van te zijn dat hij ging gillen. In een flits verscheen de vrouw. Alles gebeurde precies zoals Bulan haar had verteld. De twee vrouwen liepen over de oppervlakte van het water totdat ze bij het huis op de palen kwamen. De oude vrouw nam een wortelstoel, ging bij het raam zitten en droeg Galay op haar haar te luizen. Galay vervulde dit met afschuw en ze weigerde. Vervolgens maakte de oude vrouw het avondmaal. Maar toen Galay zag dat de borden waren gemaakt van menselijke schedels stond ze snel van tafel op. Toen Galay naar de deur rende sloeg de oude vrouw haar op haar dij. Onmiddellijk veranderde Galay in een grote pijnboom. Het huis en de oude vrouw verdwenen. Alleen het meer en de boom bleven bestaan.

Een paar jaar later kwam er een houthakker die de reusachtige boom zag staan in het midden van het ondiepe meer. Hij besloot om de boom om te hakken. Zodra de boom was omgehakt begon het water te stijgen. Het meer verzwolg veel van het omliggende land en werd zo diep dat je de bodem niet meer kon zien. Vandaag de dag wordt het het 'Danum-meer' genoemd, wat zoveel betekent als 'het water van het meer'. De pijnboom staat er niet meer, maar mensen geloven dat de geest van de hebberige buurvrouw nog steeds in het midden van het meer woont.


                                          * * * Einde * * *
Bron : - "The girl who fell from the sky" Klassieke legendes uit de Filippijnen, naverteld door: Maria Elena Paterno.
           Vertaald door Karin Bruggert (Stichting Beleven).
           - www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:00 8 reacties Reageer op dit bericht

De hebberige buurvrouw

De hebberige buurvrouw
- De legende van het Danum-meer -
Er was er eens een jonge weduwe genaamd Bulan en zij woonde hoog in het Cordillera gebergte. Zij was een eerlijke, vriendelijke en hardwerkende vrouw die werkte op de velden die haar man haar had nagelaten en ze zorgde voor haar kinderen zo goed als ze kon. Maar het weer was dat jaar slecht geweest. Te veel regen had de velden doen onderlopen en de rijstoogst vernietigt, zodat Bulan niets had om haar kinderen mee te voeden.

Op een dag toen ze in de graanschuur was om de laatste rijstkorrels op te rapen, hoorde Bulan het familie varken onder het huis gillen. Dat bracht haar op een idee. "Ik zal het varken naar de markt brengen en het ruilen voor rijst," zei ze tegen haar kinderen. "Dan hebben we tenminste voedsel om te eten."

De volgende dag bond Bulan het varken in een mand en zette de mand op haar hoofd en ging op weg. Het was een warme dag en ze werd snel moe omdat ze zo hongerig was. Na een tijdje stopte ze bij een ondiep meer. Toen ze de mand van haar hoofd tilde begon het varken hard te gillen. Plotseling verscheen er een oude vrouw. Haar witte haar leek het zonlicht te vangen en vast te houden. Haar gezicht was erg bleek, maar haar ogen waren helder en schitterend.

"Waar ga je met het varken naar toe?" vroeg de oude vrouw. De oude vrouw maakte haar nerveus, maar Bulan antwoordde haar oprecht en zei: "Ik ga naar Sagada om haar te ruilen voor eten." - "Volg me. Ik zal je iets geven voor je varken," zei de oude vrouw. Ze liep naar de rand van het meer en stak een voet uit. Terwijl Bulan in verbazing toekeek, liep de oude vrouw het water in. Maar haar voeten bleven droog. Ze deed een paar stappen op het glimmende oppervlak van het meer en keerde toen naar Bulan terug die nog steeds aan de rand van het meer stond. Bulan trilde onzeker met haar hoofd. Ze wist dat dit toverkunst was en dat maakte haar bang.

De oude vrouw liep terug naar Bulan en stak haar gerimpelde hand uit. Balancerend met de mand op haar hoofd pakte Bulan de hand van de oude vrouw. Langzaam liep ze het meer in. Ze wachtte op de nattigheid van het water, maar haar voeten gingen niet onder. Het was zoiets als lopen op een bed van zacht mos. Plotseling verscheen er een huis op palen in het midden van het meer. De twee vrouwen gingen naar binnen, en Bulan zette de mand met het varken neer op de vloer. De oude vrouw zat op een wortelstoel bij het raam en droeg Bulan op om de luizen uit haar haar te halen. Bulan was angstiger dan ooit omdat ze nu zeker was dat de oude vrouw een heks was. Toch deed Bulan wat haar was opgedragen.

Toen Bulan een scheiding maakte in het haar van de oude vrouw vond ze geen luizen, alleen kleine slangen en duizendpoten. Het moeten er duizenden zijn geweest! Bulan beet op haar lip zodat ze niet zou gaan schreeuwen en ze drukte dapper de slangen en duizendpoten tussen haar duimnagels kapot. Na een uur vroeg de vrouw haar te stoppen. Ze stond op en verzamelde de slangen en duizendpoten. Ze wierp hen in een groente-stoofpot en liet het koken. Na een tijdje besloot de heks dat het eten gaar was en diende het op op borden die gemaakt waren van menselijke schedels. Het was afschuwelijk, maar Bulan was bereid om dit walgelijke maal te eten zodat haar kinderen niet zouden sterven. Nogmaals beet ze op haar lippen en deed alsof het heel gewoon was.


                                    * * * wordt vervolgd * * *
Bron : - "The girl who fell from the sky" Klassieke legendes uit de Filippijnen, naverteld door: Maria Elena Paterno.
           Vertaald door Karin Bruggert (Stichting Beleven).
           - www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 22:45 Reageer op dit bericht

De godin Benten en de zanger

De godin Benten en de zanger
- Een legende over een man die het bed deelt met een godin -
De godin Benten en de zangerIn Mikawa in de provincie Atsoemi staat de tempel Sam-mpo-in die aan Benten is gewijd. Van haar beeld moet een wonderbaarlijke kracht uitgaan en daarom stromen pelgrims van heinde en ver naar dit oord. Niet ver van de tempel verwijderd ligt het dorp Kamo. Daar leefde een paardendrijver die bekend stond als een zeer goede zanger. Hij was gewoon elke avond met zijn lastdier langs de Sam-mpo-in-tempel te komen en zong dan het hoogste lied.

Nu had Benten, als patrones van de muziek, genoeg verstand van de edele toonkunst om te kunnen onderscheiden wat goed en wat slecht was. De stem van deze zanger kon zij alleen maar vergelijken met die van uitzonderlijk begaafde hemelse geesten.

Op een avond toen de paardendrijver als gewoonlijk luid zingend voorbij kwam, zag hij voor de tempel een buitengewoon mooie vrouw staan. Zij liep naar hem toe en zei: "Ik ben geen gewone sterveling, maar niemand minder dan Benten van Sam-mpo-in. Ik heb elke avond met bewondering naar je gezang geluisterd, en ik ben verliefd op je geworden. Daarom heb ik besloten deze nacht met je door te brengen. Praat er echter met niemand over en zwijg als het graf over deze amoureuze affaire. Mocht je er ooit iets over los laten, dan kun je je testament wel maken! Maar wanneer je dit geheim goed bewaart, dan zul je een leven zonder zorgen hebben en zullen geluk en rijkdom je ten deel vallen. Dit gebeurt alleen maar omdat ik je stem zo mooi vind."

"Een nachtje met een godin slapen, dat gebeurt je ook niet elke dag!" dacht de drijver en hij beloofde er met niemand over te spreken.

Nog vele nachten genoot hij van de liefde van de godin, en zo lang hij zijn mond maar hield, ging alles goed. Maar hoeveel moeite kost het niet een geheim te bewaren, en dan nog wel zo'n groot geheim! Tegen een vriend die hem vroeg waarom hij nooit met een vrouw gezien werd, flapte hij het er ineens uit. Zijn verhaal was nog niet helemaal ten einde, of hij viel dood ter aarde.


                                          * * * Einde * * *
Bron : - "Japanse sagen en verhalen" door M.A. Prick van Wely.
           Fibula-Van Dishoeck, Haarlem, 1979. ISBN: 90-228-3346-1.
           - www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:09 2 reacties Reageer op dit bericht

Het meisje dat uit de hemel viel

Het meisje dat uit de hemel viel
- De legende van het eiland Bohul -
In den beginne was er voor mensen geen land om op te wonen. Er was alleen een hemel, met zijn zachte koude wolken en daaronder een onmetelijk meer. Op een dag werd de dochter van de leider van de hemel ziek. Haar naam was Mayang. Haar lichaam was zo koortsig dat het leek of ze in brand stond. Ze wilde niet eten. Elke dag werd ze zwakker en zwakker. Tenslotte riep haar bezorgde vader de medicijn man erbij. De medicijnman onderzocht het meisje. Hij voelde haar voorhoofd. Hij hield haar bleke koude hand vast. En toen schudde hij zijn hoofd en zei: "De enige genezing voor haar is te vinden bij de wortels van de wilde 'balete'-boom. Alleen dan zal ze genezen." De leider gaf toen opdracht aan zijn bedienden om een gat te graven rondom de boom. De 'balete' was een oude reus van een boom en zijn wortels reikten tot diep onder de wolken. Toen het gat was gegraven maakten de bedienden een tuig en lieten Mayang voorzichtig in het gat zakken.

Maar Mayang was zo dun geworden dat ze door het tuigje heen slipte. Het arme meisje viel. Lager en lager viel ze, sneller en sneller in het onmetelijke meer. Ze was te verbaasd om een geluid te maken. Een groepje wilde eenden die in het meer zwommen zagen het meisje hoog uit de hemel vallen. "Snel," zei de grootste eend tegen de andere eenden. "We moeten haar opvangen." Precies op tijd zwommen vijf eenden zo dicht bij elkaar dat ze een zacht donzig kussen vormden. Mayang landde licht op hun ruggen.

Toen Mayang rondkeek zag ze niets anders dan water. Bang en alleen gelaten begon ze te huilen. Pagong de schildpad kwam toevallig net langs gezwommen en zag het meisje huilen. Ze was een oude vriendelijke schildpad die niet graag iemand ongelukkig zag. "Huil niet, arm meisje," zei Pagong. "Wat is er aan de hand?" Vallen de eenden je lastig?" - "Nee, absoluut niet" kwaakten de eenden. "We hebben haar gered en houden haar nu drijvend op onze ruggen." - "Ja dat is zo," zei Mayong, die een beetje was bijgekomen van de schrik. "Dit is wel leuk. Deze zachte veren doen me denken aan de wolken van thuis." Maar toen ze aan thuis dacht begon ze weer te huilen.

Pagong keek haar nieuwsgierig aan. Ze had nog nooit eerder een klein meisje gezien. "Wat is je naam, mijn schat?" vroeg ze. "En waar kom je vandaan?" - "Mijn naam is Mayang en ik kom van... van daarboven." Ze wees op een gat in de hemel. "Ik zal je helpen," beloofde Pagong. "Ik moet alleen een manier zien te vinden hoe."

En dus riep Pagong de dieren van het meer bij elkaar voor een vergadering. "We moeten dit arme meisje helpen," zei de grote schildpad tegen de dieren. "Wat is er met haar aan de hand?" vroeg Karpa, de luie oude vis. "Kan ze niet zwemmen?" - "Nee, ik geloof niet dat ze kan zwemmen," antwoordde Pagong. "Kijk hoe klein haar zwempoten zijn."

Plotseling had Pagong een geweldig idee. "Ik heb het," schreeuwde ze. "We moeten een eiland voor haar maken." - "Een eiland mmmaken?" vroeg Alimasag de krab. "Hhhoe?" - "Makkelijk," zei Pagong. Ze richtte zich naar Palaka, de jonge kikker die was neergestreken op een lelieblad. "Jouw poten zijn lang en met jouw achterpoten kun je ver komen." Palaka keek verheugd. Hij was trots op zijn sterke poten. "Dus," vervolgde Pagong, "moet jij naar de bodem van het meer gaan en wat aarde naar boven halen." Palaka was te blij om opschepperig te doen. Hij verdween, maar voordat je tot tien kon tellen kwam zijn hoofd alweer boven water. "Het is te donker en spookachtig daar beneden," hijgde hij. "Iemand anders moet de aarde halen." En daarmee zwom Palaka weg. "Kkkan ik het niet proberen?" vroeg Alimasag. "Ik ben nnniet bang in het dddonker." Alimasag verdween in het water maar kwam al gauw sputterend weer naar boven. "Iiik kon de bodem niet vvvinden," zei ze. "Het is zó diep." En toen zwom ook zij weg.

Nu begonnen de eenden echt te klagen. Pagong wist niet wat hij moest doen. Plotseling hoorde ze een laag, schor geluid dat zei, "Ik ga." Het was een oude pad die dat zei. De eenden begonnen zelfs nog luider te klagen. Mayang was erg zwaar om te dragen. "Houdt op met dromen, oude pad! Als de kikker het niet kan waarom denk je dat jij het dan wel kunt? Te gevaarlijk!" kwaakten ze allemaal op hetzelfde moment.

Maar de pad was al in het diepe, donkere water gedoken. Minuten verstreken. Een lange tijd daarna, kwam de pad weer boven. "Ik hab aarde in mijn mond," zei hij met zijn lage stem. "Dat is goed," zei Pagong. "Bedankt voor..." Toen realiseerde ze zich wat de pad eigenlijk wilde zeggen... "Je hebt 't? De aarde van de bodem van het meer zit in je mond?" In plaats van te antwoorden opende de pad zijn mond. Hij spuugde de aarde op de rug van de schildpad en alle dieren hielpen om het rond te spreiden totdat het groot genoeg was voor het meisje.

Uit deze aarde ontstond een eiland, een groot eiland dat de vorm van een schildpad had aangenomen. Het meisje dat uit de hemel was gevallen woonde op haar nieuwe eiland. Het eiland werd Bohol genoemd, en de dochter van de leider van de hemel werd de eerste Boholano.


                                          * * * Einde * * *
Bron : - "The girl who fell from the sky" Klassieke legendes uit de Filipijnen, naverteld door: Maria Elena Paterno.
           Vertaald door Karin Bruggert (Stichting Beleven).
           - www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:12 2 reacties Reageer op dit bericht

Meer van 'VOLKSVERHALEN'

↑ Terug naar de berichten