Naar de inhoud

'VOLKSVERHALEN'

akke.beakke.be
Problemen
Er zijn nogal wat problemen met het lezen van de teksten, daarom volgende tip :
Met de muis links klikken en over de tekst schuiven.
De tekst verschijnt duidelijk leesbaar.

Categorie: legende

Jizo, de god van de kinderen

Jizo, de god van de kinderen
- Een Japanse legende over een boeddhistische god -
Het Japanse volk gelooft dat kinderen die gestorven zijn naar de 'Droge Bedding van de Zielenrivier' gaan. Dit is een eentonig land zonder zon, met bergen die tegen een bleke hemel oprijzen en met duistere valleien. Er groeit niets op deze dorre, lege vlakten, geen bomen en struiken, geen gras en geen bloemen. De zielen van de kleine kinderen lopen op blote voeten over de harde stenen die langs de rivierbedding liggen. Die arme wezens denken met smart aan hun ouders, hun broeders en zusters die zij op de lichte, warme aarde hebben moeten achterlaten, en zij huilen zo hartverscheurend als zij op aarde nooit hebben gedaan.

Dan komt Jizo naar hen toe. Hij lacht zo teder en liefdevol naar deze wezens dat zij hun verdriet snel vergeten. Hij vertroost hen zoals hun moeders vroeger deden en hij streelt ze met de zorgvolle hand van een vader. Alle dagen dartelen de kinderzielen om hem heen, en door zijn aanwezigheid voelen zij zich niet meer zo alleen. Zijn lichtend gewaad brengt wat zon in deze barre omgeving. Onder zijn toeziend oog bouwen de kleinen torens van stenen, die gebeden voorstellen, één voor hun vader, één voor hun moeder en één voor elk van hun broertjes en zusjes. Zo vergaat de tijd en langzaam aan wennen de kinderen aan deze nieuwe omgeving.

Maar voor de oni - die afzichtelijke duivels - is een gebed of een gebedstoren een doorn in het oog. Zij worden er door gehinderd bij de uitoefening van hun kwade praktijken. Daarom verwoesten zij de stenen torentjes die zij op hun weg ontmoeten. De kinderen doen hun beklag bij Jizo, die met zijn toverstaf in het rond zwaait om de duivels te verjagen.

Er bevindt zich een oude grot in Japan die de 'Oude Spelonk' wordt genoemd. Hier komen 's nachts de kinderzielen bijeen, nadat zij over zee de grot hebben bereikt. Men kan 's morgens nog hun voetstappen in het zand voor de spelonk zien, maar de kinderen zijn dan verdwenen; want de overledenen mogen de zon nooit aanschouwen.

Er was eens een oude, arme vrouw die in haar levensonderhoud voorzag door zijderupsen te kweken en er zijde van te spinnen. Toen zij op een keer een bezoek aan de tempel van Jizo bracht en naar het kale hoofd van de god keek, meende zij dat hij het wel koud moest hebben. Zij besloot een zijden muts voor hem te maken, en toen deze gereed was, ging zij ermee naar de grot, zette de muts op het hoofd van het beeld en bad: "Eerwaarde en liefdevolle god, u weet dat ik arm ben, en daarom kan ik u alleen een muts offeren. Neem dit kleine geschenk van mij aan als dank voor alles wat u voor de kinderzielen doet."

Een tijdje later stierf de vrouw. Haar lichaam bleef drie dagen lang warm, zodat haar vrienden haar niet durfden te begraven. Hoe verheugd waren zij toen de vrouw na de derde dag haar ogen opende, van het bed opstond en rondliep of haar niets gemankeerd had.

Zij vertelde haar vrienden dat zij haar lichaam voor drie dagen had verlaten en dat zij was verschenen voor de grote god van het Oordeel na de Dood, Emma-O. Hij had haar vertoornd aangezien en haar veroordeeld omdat zij tegen de wetten van Boeddha had gezondigd door zijderupsen te doden.

"Neem haar maar mee," beval Emma-O zijn dienaren, "en werp haar in het grote vat dat gevuld is met vlammend, kokend metaal."

Het bevel werd uitgevoerd en de arme vrouw leed ontzettende pijn en gilde het uit. Toen leek het of het metaal plotseling koud werd en de pijn verdween. De vrouw zag dat Jizo naast haar stond met een stralende glimlach op zijn gelaat. Hij greep haar hand, sprak troostende woorden en vertelde haar dat haar angsten en pijnen nu voorbij waren. Hij tilde haar uit het vat en leidde haar weer voor de troon van Emma-O.

"Deze vrouw," zei Jizo "heeft altijd godvruchtig geleefd en de goden geëerd. Zij had geen andere broodwinning dan haar zijderupsen, maar ondanks haar armoede heeft zij mij toch een zijden muts geofferd in mijn tempel in de 'Oude Spelonk'. Ik smeek u haar niet te straffen en haar weer naar de aarde te laten terugkeren".

Zo kwam de oude vrouw weer tot leven. Op deze manier beloont Jizo allen die hem vereren en hem een goed hart toedragen.


                                          * * * Einde * * *
Bron : - "Japanse sagen en verhalen" door M.A. Prick van Wely.
           Fibula-Van Dishoeck, Haarlem, 1979. ISBN: 90-228-3346-1
           - www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:36 8 reacties Reageer op dit bericht

Het verhaal van Isi(slot)

Het verhaal van Isi (slot)
- Een legende uit Colombia -
Isi haalde nu uit de zak een kleine pot en zette hem op het vuur, om het ongeluk uit te koken. Toen hij begonnen was met het koken, kwamen er uit de rook vleermuizen tevoorschijn. Daarna kwamen er nachtzwaluws, uilen, nachtvlinders en andere nachtvogels. Daarop kwamen er andere vogels uit, zoals een zwaluwtje, daarna een kleine gier. Toen de koningsgier eruit kwam, pakte Isi hem en sprak tot hem: "Breng mij naar het Gebergte van de Maansikkel, en als je me terugbrengt, zal ik je vrijlaten." De gier bracht Isi naar het Maangebergte. Toen hij aan de top van de berg gekomen was, vond hij de maan daar zittende. Deze sprak tot hem: "Neem je steen! Begin je woorden, met dat je vorst van je volk zult zijn. Roep je volk bijeen en laat het vasten. Ik wil jou leren, hoe je het volk moet regeren. Wie niet naar je luistert, krijgt de doodstraf! Ga nu weg!" Isi ging weg, en toen hij weer teruggekomen was, liet hij de gier gaan.

Men zegt, dat hij na zijn terugkeer de ouden en de tovenaars bijeenriep en hun alles vertelde, wat de maan hem gezegd had, en hen vroeg, niets rond te vertellen. Toen verliet hij hen.

De vrouwen wilden graag weten, wat Isi gezegd had en zochten de ouden op om hen te verleiden. Bij het vallen van de nacht gingen de mooiste meisjes bij de ouden in de hangmatten liggen en vrijden met hen, opdat zij alles vertelden. De ouden sliepen vast, en toen zij 's morgens wakker werden, zagen zij niemand. "Ik heb gedroomd!" zei er één. "Ik ook! Ik ook!" riepen de anderen. Toen nu de vrouwen alles wisten, wat Isi gezegd had, stonden zij op het punt om naar het opperhoofd te gaan. De mannen verlangden het eveneens. Van de ouden, die het rondverteld hadden, verbrandde Isi er één en strooide zijn as in de wind. Toen ontstonden daaruit schorpioenen, Tokandyra-mieren en andere dingen die pijn bezorgden, ook giftige planten, zoals curare. Een ander veranderde hij in een kikker, een andere in een slang. Isi verscheen weer, zei dat er gevast moest worden, geselde mannen en vrouwen en liep achter een vrouw aan die het geheim onthulde.

Hij eiste van haar dat zij zijn woorden niet verder zou verbreiden, verenigde zich met haar en doodde haar toen. Daarop gaf hij zijn grote feest, verzamelde vier ouden en verbood de vrouwen er iets van te zien en te horen. Hij gaf nieuwe bevelen en zei tegen hen: "Alle vrouwen die mijn geheim begeren te weten, zullen sterven. Alle mannen die het rondkletsen, zullen sterven. Jullie kunnen het aan de jongelingen vertellen, maar niet aan de kinderen." Nadat hij dit had gezegd, weende hij. De nieuwsgierigen onder de vrouwen wilden het geheim horen en gingen naar hem luisteren. Toen hij uitgesproken was, stierven ze allemaal en veranderden in stenen.

Isi huilde, omdat zijn moeder ook had geluisterd en was gestorven. Daarop danste hij om zijn opperhoofdschap en zijn nieuwe waardigheid te vieren. Daarna ging hij naar de hemel nadat hij een paar keer door het bos was gelopen. Jaren verliepen.

Op een dag waren een paar jongelingen onder de Uaka-boom gezeten, toen een tovenaar kwam en tot hen sprak: "Jongelingen, jullie moeten vasten! Als jullie dat niet doen, vreet ik jullie op!" Er wordt verteld dat ze niet wilden vasten. Toen verscheen er op een dag de tovenaar die hen pakte en allemaal verslond. De ouders van de jongelingen waren woest op de tovenaar. Ze lieten kaschiri bereiden en nodigden de tovenaar daartoe uit. De tovenaar kwam en ze dronken die dag. Hij bedronk zich tot hij bewusteloos was. Toen de ouden zagen dat hij dronken was, zeiden ze: "We zullen vuur maken en hem verbranden, opdat wij ons wreken!" Daarop, zo wordt verteld, wierpen zij de toverdokter in het vuur. Hij verbrandde en viel uiteen in as.

's Nachts ontstond uit zijn as de Paschiuba-palm, en toen ze 's morgens kwamen, zagen ze de opstanding uit de as, en ze riepen uit: "Hoe is uit de as van de tovenaar de Paschiuba ontstaan?" De palm groeide, en de bladeren ervan beroerden de hemel, en door het merg steeg de ziel van de tovenaar in de gedaante van een eekhoorn omhoog. De ouden die wisten dat de ziel van de tovenaar door de Paschiuba omhoog was gestegen, hakten de boom om, en toen hij tegen de grond viel, zeiden ze: "Nu komt zijn ziel niet meer!"


                                          * * * Einde * * *
Bron : - "Volkssprookjes en legenden uit Zuid-Amerika" door Felix Karlinger.
           Uitgeverij Elmar B.V., Rijswijk. ISBN: 90-6120-433-X
           - www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:11 17 reacties Reageer op dit bericht

Het verhaal van Isi

Het verhaal van Isi
- Een legende uit Colombia -
De ouden vertellen, dat er in het begin van onze tijd bij de Rio Caisary een grote menigte vrouwen verscheen, vergezeld van mannen zwak van ouderdom, waardoor zij geen kinderen konden krijgen. Zij waren bedroefd, omdat zij voorzagen, dat de mensheid op deze manier zou uitsterven.

Op een dag verscheen er een tovenaar bij hen en sprak: "Zijn jullie bedroefd?" - "Ja, wij zijn bedroefd, omdat de mannen zwak van ouderdom zijn. Zij zijn voor niets geschikt, hoewel zij Kangeruku gedronken hebben." - "Wees niet meer bedroefd! Jullie zullen nog nalatenschap hebben!" - "Hoe dan? Hoe dan?" riepen ze. Zij werden vrolijk. "Jullie zullen het wel merken," antwoordde de tovenaar. "Neem nu eerst een bad!" Zingend haastten zij zich naar de rivier en begonnen te baden.

Toen zij het water uitkwamen, sprak de tovenaar tot hen: "Nu zullen jullie kinderen krijgen, want de grote slang heeft jullie al allemaal zwanger gemaakt." Maanden verliepen, en alle kinderen verschenen tegelijk. De jongste vrouw kreeg de mooiste dochter. Het kind groeide op en werd steeds mooier, en alle jongens wilden met haar trouwen.

Op een dag liep zij door het bos en kwam enige apen tegen, die Uaka-vruchten aten. "Deze vruchten zijn heel goed om te eten," zei ze. "Wil jij ervan hebben?" vroeg een van de apen haar. "Ja," antwoordde zij. De apen wierpen haar vruchten toe, en zij proefde er één. "Dat smaakt goed!" Zij verzamelde er een hoop en at er vele; zodat het sap uit haar mond over haar borst liep, tot zij bij de 'Weg van de Kinderen' kwam.

Er verliepen maanden zonder tekenen van haar maagdelijkheid, maar haar buik werd dikker. Toen vroegen zij aan haar: "Met wie heb jij je ingelaten?" Zij vroegen dit, omdat zij de vader van haar kind wilden doden. "Jij hebt ons niet gewild, maar nu zullen wij jou doden, als je ons niet vertelt wie jou in deze toestand heeft gebracht!" Het meisje antwoordde: "Ik weet niet wie het was. Ik heb alleen Uaka-vruchten gegeten." - "Werkelijk? Wat doen we nu?"

Na enige maanden baarde zij een zoon. Op een nacht, toen zij sliep, verdween haar zoon. Zij huilde erg en zocht overal naar hem, maar kon hem niet vinden. Toen kwam zij ook bij de stam van Uaka en hoorde een kind huilen. Zij zocht het, maar vond het niet. Ze bracht de nacht slapend door bij de stam van de Uaka. Toen zij de volgende morgen ontwaakte, vond zij haar borsten leeg. Het kind had heel de nacht bij haar gedronken, terwijl zij sliep. Iedere dag hoorde zij het kind huilen, tot de nacht kwam en iedere morgen waren haar borsten leeg, omdat het kind alles uit haar gedronken had. Zo ging het dag na dag. Een jaar later huilde het kind niet meer, en haar borsten droogden uit. In plaats daarvan hoorde zij het kind praten, lachen en heen en weer lopen, zonder dat zij zag wie daar speelde.

De tijd ging voorbij. Op een dag verscheen haar zoon, die reeds een man geworden was. En er kwamen vlammen uit zijn handen en haren. "Moeder, hier ben ik! Laten we naar huis gaan!" Alle mensen waren blij en liepen op hem af, en de ouden kwamen om hem te zien. De tovenaars kwamen, blusten hem en gaven hem de naam Isi, d.w.z. 'Jij bent uit de vrucht ontstaan'. Het volk sprak: "Dit zal ons opperhoofd zijn! Wij willen hem als opperhoofd hebben!" Hij antwoordde: "Ik kan jullie opperhoofd niet zijn, omdat ik de steen Nanacy nog niet heb. Hij bevindt zich op de berg van de maansikkel."

Men zegt dat de zon hem een zakje vol met toverzaken gaf. Zij zei tegen hem: "Daar heb je het, mijn zoon! Alles, wat je wilt maken, zul je hier binnen vinden. Waar ik heenga, daar zul jij ook heengaan, en allen zullen naar jou luisteren." Er wordt verteld dat de vrouwen naar de berg wilden gaan om naar de steen van het opperhoofd te zoeken. De mannen wilden het eveneens. Toen zeiden de tovenaars: "De vrouwen kunnen deze steen niet optillen." Toen begonnen ze te strijden.


                                    * * * wordt vervolgd * * *
Bron : - "Volkssprookjes en legenden uit Zuid-Amerika" door Felix Karlinger.
           Uitgeverij Elmar B.V., Rijswijk. ISBN: 90-6120-433-X
           - www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 01:05 16 reacties Reageer op dit bericht

De dwaasheid van de zeven zusters

De dwaasheid van de zeven zusters
- De legende van de Siete Pecadas -
Lang geleden leefde er eens een rijk echtpaar op het eiland Panay in de Visayan Archipel. Ze hadden zeven wonderschone dochters. De meisjes hadden alles wat hun hartje begeerde. Ze hadden mooie kleren, juwelen en allerlei spullen om zichzelf mee te vermaken. Ze hoefden niet te werken. Hun dienstboden wisten wat ze wilden hebben zelfs voordat ze er om vroegen. De meisjes werden ijdel en egoïstisch. Ze lachten om de gewoonten van de mensen uit hun eigen stad. Ze praatten alleen met anderen om hun nieuwe kleren en spullen te laten zien. Hun vader was ontstemd door de manier waarop zijn dochters opgroeiden. Hij besloot ze een tijdje te laten wonen in een klein huis dat gebouwd was op de oevers van een brede rivier. Hij dacht dat frisse lucht en het eenvoudige plattelandsleven de gewoonten van zijn dochters zou veranderen. Hij verbood hen om de andere huisjes aan de rivier te bezoeken. Hoewel ze klaagden leken de dochters toch gelukkig te zijn bij de rivier. Ze leken te genieten van het zwemmen, varen en vissen. Wat hun vader niet wist, was dat ze enkele jonge mannen van de andere huisjes ontmoeten. Deze mannen waren net zo verwend als zijzelf, en de gewoonten van de dochters werden slechter.

"Ik geef een feestje terwijl mijn ouders weg zijn," zei Froilan, één van de vrienden, op een dag. "Waarom komen jullie niet."

De meisjes keken elkaar aan. Hun vader zou het nooit goed vinden. Het was Inez, de oudste, die antwoordde: "We zullen voorzichtig moeten zijn. Niemand mag ons horen vertrekken. We zullen over de tuinmuur klimmen met de ladder die de tuinman gebruikt bij het snoeien. Na het avondmaal, op zondag." Ze richtte zich tot een van de jongens: "Wil je ons hier ophalen, Froilan?"

Na het avondeten op zondag kwamen de meisjes bij elkaar in Inez kamer. Ze trokken hun feestkleren aan en glipten één voor één het huis uit via de achterdeur. Voorzichtig en rustig klommen ze over de tuinmuur. Niemand merkte dat de wind uit een gevaarlijke hoek kwam, of dat de wolken door de lucht joegen. De meisjes waren niet gewend aandacht te besteden aan iets anders dan zichzelf.

Toen ze bij de rivier kwamen stond Froilon al op hen te wachten met een bootje. Niet één van de zusters dacht er aan om naar het water te kijken. Als ze dat wel hadden gedaan dan hadden ze kunnen zien dat de modder van de rivier omhoog werd gespoeld door de golven en dat de stuurman moeite had om de boot te besturen. Maar Froilan's stuurman kende de rivier goed en hij bracht hen veilig naar de andere kant. "Het water is hoog," waarschuwde Froilan's stuurman met gedempte stem. Maar Froilan veronachtzaamde zijn waarschuwing.

Toen de zeven mooie zusters op het feest aankwamen waren alle ogen op hen gericht. De mensen fluisterden met elkaar, zich hardop verbazend wie zij nu waren en waar ze vandaan kwamen. Zangers brachten hun een serenade. Jonge mannen vroegen hen ten dans. Het ijdele gekakel van de meisjes vulde weldra het hele feest. Ze genoten van alle aandacht. Niet één van hen dacht aan de tijd. Ze hadden niet opgemerkt dat het harder was gaan waaien. Hoewel het begon te motregenen bleven ze nog steeds op het feest. Toen de wind begon te loeien en het harder begon te regenen besloten de zusters pas op het laatste moment dat ze naar huis wilden gaan. Ze renden naar de rivier, waar het bootje heen en weer werd gegooid op de golven. "Wij moeten hier blijven," schreeuwde Froilan, want ondertussen bulderde de wind en sloeg de hevige regen in hun gezichten. "Het is te gevaarlijk om nu de rivier over te steken." - "Maar vader zal er dan achter komen dat we weg zijn!" schreeuwde Inez. "Nee, we moeten nu gaan. Vader mag er niet achterkomen. Als je ons niet over wilt zetten, laat ons dan je boot lenen. We zullen vannacht naar huis roeien."

De zeven zusters klommen in de boot, en Inez en Catalina grepen naar de roeiriemen. Maar de wind was te sterk. De storm woedde in volle kracht, en ze konden nauwelijks zien in de regen. De boot stampte en deinde en de meisjes konden niets anders doen dan zich vastklampen. Plotseling schreeuwde Inez. Maar het was te laat! Een halve seconde later kwam er een golf die hun boot door de lucht deed vliegen. De meisjes werden in het woeste water gesmeten en meegevoerd naar zee. De lichamen van de zeven zusters zijn nooit gevonden.

De tijd verstreek. Het verhaal was bijna vergeten. Op een morgen, vele jaren later, ontdekte een visser zeven kleine eilandjes in de zee. Hij had deze eilandjes nooit eerder gezien. Toen herinnerde hij zich het verhaal van de zeven zusters. Hij keek nogmaals. Ieder eiland was gevormd naar het gezicht van één van de meisjes die omgekomen waren in de storm. Sinds die tijd heten ze Siete Pecadas (zeven zonden).

De mensen van Iloilo (de grootste stad van het eiland Panay) geloven nog steeds dat de eilanden zijn gemaakt uit de lichamen van de zeven zusters. Op sommige nachten kun je vreemde geluiden horen die van de eilanden komen. Velen zeggen dat het het gelach en gebabbel is van zeven egoïstische en domme zusters die niet wisten thuis te komen vanwege de regen.


                                          * * * Einde * * *
Bron : - "The girl who fell from the sky" Klassieke legendes uit de Filipijnen, naverteld door: Maria Elena Paterno.
           Vertaald door Karin Bruggert (Stichting Beleven).
           - www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:13 16 reacties Reageer op dit bericht

Diderich en Arend van de Nijburg

Diderich en Arend van de Nijburg
- Een legende over een broedermoord in de Over-Betuwe -
De Nijburg in de Over-Betuwe was een prachtig kasteel dat trots omhoog rees uit de slotgracht. Er gingen wel vreemde verhalen rond over dit kasteel. De kasteelheren zouden een zwarte hengst hebben die rond middernacht door de dichte staldeuren heen stapte en dan door de lucht stormde, terwijl het ploffen van zijn hoeven op de wolken beneden als zwaar onweer klonk.

De heren van Nijburg waren Diderich en Arend die het machtige slot - een onneembare veste - van hun vader hadden geërfd. Het waren stoere ridders die vaak door de omwonenden in de velden werden gezien, galopperend op hun paarden. Soms zelfs gingen de broers naar toernooien in Gelderland of naar het buitenland. Er werd verteld dat een van de Nijburgers er dikwijls als 'zwarte ridder' op uit trok en dan op de toernooien verscheen op een zwart paard in een zwart maliënkolder of harnas waarop aan de buitenzijde geen kentekenen waren aangebracht.

Ook werd verteld dat de broers in de wapenzaal vaak met elkaar vochten. Tot ver in de omgeving was dan het wapengekletter te horen. Soms worstelden ze, bij wijze van oefening, maar ze waren allebei even sterk en konden van elkaar niet winnen. De broers waren niet alleen vechtlustig, maar soms ook verschrikkelijk driftig. Zo ging het verhaal dat Arend eens een wacht van het kasteel met één klap over de borstwering sloeg, zodat de man in de slotgracht verdronk.

Bij Heteren lag in die tijd een oude boerderij, 'Vorst' genaamd. Ze behoorde aan de heren van Nijburg en die hadden haar voor een groot bedrag verpacht. Over die pacht nu ontstond de ruzie tussen Diderich en Arend. Arend zei dat er te weinig door de pachters werd betaald, maar Diderich stond op het standpunt dat ze die mensen veel te veel lieten betalen. Sommige mensen wisten te vertellen dat Diderich een zwak had voor de boerderij 'Vorst' omdat hij daar eens een mooi avontuurtje had beleefd.

De pacht was een steeds terugkerend onderwerp waarover ruzie werd gezocht en ieder jaar zag de boer van de 'Vorst' zijn pachtheren woorden hebben over de pachtsom als hij kwam betalen. Ze konden het maar niet eens worden en de pachtsom bleef zoals hij jaren was geweest.

Toen er weer een jaar voorbij was en de pacht moest worden afgerekend had de boer het geld in de linnenkast klaarliggen. In de verte zag hij de broers op hun paarden aankomen en ze bleven, zoals gebruikelijk, op de Juffersweerd voor de boerderij staan om het geld in ontvangst te nemen. De boer holde vanaf het veld naar huis om het geld te halen terwijl de heren weer aan het ruziemaken waren over het bedrag dat zou moeten worden betaald. Deze keer duurde het wel erg lang. Van achter zijn raam zag de boer hoe de broers tekeer gingen, zo hard zelfs dat hun paarden steigerden. Ze vloekten en scholden en Arend riep dat de pachtsom omhoog moest. Diderich gaf niet toe en zei dat hij het met Arend eens moest worden om de pachtsom te halveren. Ze raasden en tierden en toen daagde Arend zijn broer uit tot een tweegevecht.

De boer kromp ineen van schrik toen hij zag wat er ging gebeuren en even later hoorde hij het gekletter van de wapens. De strijd scheen weer onbeslist te blijven, maar toen gleed Diderich uit en Arend stak zijn broer dood. Verbijsterd bleef Arend staan toen hij zich realiseerde wat hij had gedaan. Hij had zijn broer in koelen bloede vermoord... Van verdriet wist hij niet meer wat hij deed en hij zette zijn zwaard in de grond en gooide zichzelf erin. Toen Arend en Diderich waren begraven werden de wildste verhalen over hen verteld en er heerste veel geheimzinnigheid rond het verlaten kasteel.

Toen de boer van de 'Vorst' eens tegen middernacht thuiskwam hoorde hij op de Juffersweerd bij zijn boerderij plotseling een vreemd geluid. In het donker zag hij de silhouetten van twee vechtende mannen. Hij zag ook de stoot die Arend Diderich gaf en daarna de zelfmoord... Met een schreeuw en verschrikkelijk ontdaan rende de pachter naar huis waar hij dagenlang ziek is geweest. Hij vertelde zijn belevenissen tegen de dorpelingen en die konden hun nieuwsgierigheid niet bedwingen.

Tegen middernacht gingen ook zij naar de Juffersweerd en dan zagen ze het gevecht op leven en dood van de beide broers. Dat was de straf die de broers kregen. Hun zielen hadden geen rust en iedere nacht opnieuw moesten zij voor hun leven vechten.


                                          * * * Einde * * *
Bron : - "Spokerijen in Gelderland. Verhalen over reuzen, heksen, witte juffers, weerwolven, ridders en jonkvrouwen uit de 'Geldersche Volks-Almanak' van 1835 tot 1904, 1942 en 1947" opnieuw verzameld en bewerkt door Ria Lissenberg-Hörter. Europese Bibliotheek, Zaltbommel, 1974.
           - www.beleven.org
Foto : - ArtTrick.nl
Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door saagje om 00:33 14 reacties Reageer op dit bericht

Wilhelm Tell

Wilhelm Tell
- Een Zwitserse legende over de appel van Willem Tell -
Op een herfstnacht in de maand november van het jaar 1307 kwamen 33 mannen uit drie Zwitserse kantons op de Rütliweide in Unterwalden aan de Vierwaldstättersee bijeen en beloofden met een plechtige eed hun land tegen de Oostenrijkse indringers te verdedigen.

De wrede landvoogd Gessler vermoedde onraad en om de volksstemming te peilen liet hij op de markt in Altdorf, de hoofdstad van het kanton Uri, een Oostenrijkse hertogshoed op een stang plaatsen en onder trompetgeschal door een omroeper bekend maken, dat iedere voorbijganger die hoed met eerbied moest groeten alsof hij voor de Habsburgse keizer zelf stond. De Zwitsers slikten hun ergernis in en gehoorzaamden. Tot Wilhelm Tell, één van de 33 mannen uit Rütli, voorbijging zonder enig respect voor de hoed te tonen. Hij werd door Gesslers mannen gegrepen en voor de landvoogd gebracht.

Gessler had horen spreken over Tells bekwaamheid in het boogschieten. "Jij die zo kan schieten," zei hij, "moet een meesterschot doen: je moet met een pijl een appel van het hoofd van je kind schieten." Tevergeefs protesteerde de ontstelde vader. Gessler antwoordde honend, dat hij bij weigering zowel vader als zoon ter dood zou veroordelen.

Nu werd aan Wilhelm een handboog gegeven en een koker, waaruit hij twee pijlen koos. De ene pijl legde hij op de handboog, de andere stak hij in zijn gordel. Terwijl de toeschouwers in ademloze spanning toekeken, mikte hij. Het volgende ogenblik viel de appel stukgeschoten van het hoofd van de jongen.

Het volk juichte en Tell omarmde in blijdschap zijn zoon. "Je bent een knap schutter," zei Gessler, "maar zeg eens, waarom stak je een pijl in je gordel?" Tell aarzelde met zijn antwoord, maar de landvoogd zei: "Zeg zonder vrees de waarheid. Ik beloof je dat je leven gespaard blijft!"

"Welnu," antwoordde Tell, "dan zal ik de hele waarheid zeggen. Had ik mijn kind met de pijl getroffen, dan was de andere voor u bestemd geweest en die zou zeker zijn doel niet gemist hebben!"

Met een grimmig gezicht zei Gessler: "Dat je leven veilig was, dat heb ik je beloofd en die belofte zal ik houden. Maar om mij veilig voor jou te voelen, zal ik je in de boeien laten slaan en je naar een plaats brengen waar zon noch maan schijnt."

Daarop beval hij Tell naar een burcht te brengen aan de andere zijde van de Vierwaldstättersee. Nauwelijks was de boot van wal gestoken, of er brak een geweldige stom los. Het schip was de ondergang nabij. Allen aan boord riepen dat Wilhelm Tell de enige was die hen kon redden. Gessler liet zijn boeien losmaken. Zodra Tell het roer in handen had, hield hij recht op de oever aan. Toen de boot langs een laag plateau in de rotswand gleed, maakte hij van de gelegenheid gebruik, greep zijn boog en sprong op de rots, die nog heden ten dage 'die Tellsplatte' heet. Voordat men aan boord begreep wat er was gebeurd, was Tell al in de bergen verdwenen.

Toen Gessler de volgende dag naar zijn slot reed en hij bij een holle weg tussen met bos beklede hoogten kwam, suisde een pijl op hem neer en trof hem in de borst. "Dat is Tells pijl," zei hij, "die ken ik." En daarop gaf hij de geest.


                                          * * * Einde * * *
Zie vandaag 18 november - blog.seniorennet.be/waaroemni/
Bron : - www.beleven.org
Foto : - Photoglob AG, Zürich
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:07 11 reacties Reageer op dit bericht

Hoe de Wayuu het weven leerden

Hoe de Wayuu het weven leerden
- Een Venezolaanse legende over de weefster Waleker -
Irunúu, een Guajiro jager, ontmoette op de terugweg naar zijn huis een invalide meisje dat Wokoloonat heette. Hij voelde diep medelijden en nam haar mee om bij hem en zijn zussen te komen wonen.

De zussen vonden dat helemaal niet leuk, want ze was lelijk en haar verzorging bezorgde een boel werk. Het waren luie zusters en ze hadden bovendien een slecht hart. Om hun broer te behagen deden ze net of ze haar accepteerden, maar zodra hij van huis was verzonnen ze eindeloos manieren om het invalide kind te pesten. Arme Wokoloonat kende pas weer rust als haar beschermer terugkwam. Irunúu nam dan altijd een klein presentje voor haar mee.

Dat maakte de ellende die de slechte zusters veroorzaakten weer goed. Niemand kon vermoeden dat Wokoloonat een knappe weefster was.

Die kunst kende voor haar geen geheimen. Als iedereen sliep veranderde zij in een mooi meisje en vervaardigde prachtige weefsels van gekleurde draden die ze uit haar mond trok. Nooit zag iemand haar gedaanteverandering en nooit zag iemand haar aan het werk. En elke dag wéér lag er een prachtig geweven geschenk voor Irunúu. Iedereen was nieuwsgierig naar de identiteit van de productieve ambachtsvrouw.

De zusters verbaasden zich over de wonderbaarlijke weefsels en vertelden rond dat zij zelf de maaksters waren van al dat moois. Irunúu, die hun luiheid kende, geloofde hen geen moment.

Toen de jager er eens niet was besloten de zusters wakker te blijven om te ontdekken waar de weefsels vandaan kwamen. Ze gingen liggen in een hangmat en wilden net doen of ze sliepen. Maar de hangmat geweven door het jonge meisje had de onweerstaanbare kracht om een diepe slaap op te wekken en de zusters konden niet wakker blijven. Zo sliepen ze in zonder dat te willen en zonder het raadsel van de herkomst van de weefsels op te lossen.

Die nacht weefde het meisje koortsachtig door en maakte verschillende kledingstukken voor Irunúu: een mantel, een lendendoek, een ceintuur, een tas en een zakje om amuletten in mee te dragen. En ze legde alles voor hem klaar.

De slechte zusters, verrukt over de schoonheid van de nieuwe stukken gaven ze cadeau aan de jager. Ze beweerden weer dat zij ze zelf hadden gemaakt. Irunúu liet zich nog steeds niet voor de gek houden. Hij wist zeker dat zijn luie zussen niet in zo'n korte tijd zo'n moeilijk ambacht konden leren. Hij zou het mysterie zelf wel oplossen. Op een nacht zag hij licht op de plek waar de ongelukkige Wokoloonat sliep en hij ging kijken wat er gaande was.

Daar zag hij een mooi meisje dat van haar speeksel bolletjes garen trok in de prachtigste kleuren. En zij weefde! Zij merkte dat hij haar bespiedde en sprak met hem. Haar ware naam was Waleker. Zij was een kind van de nacht en de eenzaamheid, gekomen om weven te leren aan hen die dat niet konden. Irunúu wilde het meisje aanraken om haar te vragen zich nooit meer te veranderen in het invalide kind. Maar zij ontweek en smeekte hem het geheim van haar gedaanteverwisseling aan niemand te vertellen.

De volgende dag werd Irunúu gevraagd deel te nemen aan een belangrijke wake. Hij nam de weefsels van Waleker mee. Hun pracht wekte de waardering van de overige deelnemers en ze vroegen wie dat moois voor hem gemaakt had. Het waren helemaal geen vrienden maar jaloerse mensen gestuurd door Wanulúu, de geest van het kwaad. Maar de jonge jager verloor zijn verstand door hun gevlei en gaf het geheim prijs. Hij verklapte dat de maakster een jong meisje was dat Waleker heette en 's nachts weefde.

De geest van het kwaad Wanulúu hoorde het en sprak dat hij haar wel zou weten te vinden. Irunúu keerde terug naar huis en bleef op om Waleker weer te zien. Ook die nacht veranderde het invalide kind Wokoloonat in de schone weefster. En ze weefde; ze weefde voor een lange tijd.

Toen keek ze de jonge jager verdrietig aan en verweet hem dat hij haar geheim niet had bewaard. Het werd al bijna licht toen Irunúu zijn liefde verklaarde aan Waleker. Zij vluchtte huilend naar buiten, achterna gezeten door de jonge jager. Ze klom snel in een boom en ging aan een tak hangen die met veel gekraak afbrak. Hij slaagde erin haar bij de kleren te grijpen, maar in zijn hand bleef slechts wat spinrag achter. Waleker, de schone weefster, veranderde in een spin en verdween tussen de planten.


                                          * * * Einde * * *
Bron : - www.beleven.org
Foto : - Rob.
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:14 15 reacties Reageer op dit bericht

Konijn de jager

Konijn de jager
- Een Amerikaans indianenverhaal over hoe een konijn de zon ving -
Op een dag pakte Konijn zijn pijl en boog en ging jagen. Hij verliet huppelend het huis waar hij met zijn grootmoeder gelukkig leefde en liep door het bos. Plotseling zag hij reusachtige voetafdrukken op het pad. "Wauw! Dat moet ik even controleren!" dacht Konijn. Hij huppelde naar het midden van de linkervoetafdruk en nam toen zes grote huppen om de rechtervoet te bereiken. "Dat moet van één of andere reus zijn," zei hij hardop tegen zichzelf, omdat er niemand anders was. Het bos was stil. Geen enkele vogel hoorde hij fladderen, geen enkele beer hoorde hij ademen.

"Volgens mij heeft die reus iedereen weggejaagd!" zei Konijn boos. Toen hij nog eens goed rondkeek, zag hij inderdaad dat het bos volledig verlaten was en er voor hem niets meer was om op te jagen. Konijn ging naar het huis van zijn grootmoeder en vertelde haar dat hij niets voor het avondeten meegenomen had omdat de reus hem voor was geweest. Zij tikte hem op het hoofd. "Maak je maar niet ongerust. Ik heb bessen geplukt. Wij kunnen die als avondeten opeten." - "Ik wil geen stomme bessen, ik wil echt eten," bromde Konijn in zichzelf want hij wilde zijn grootmoeder niet kwetsen.

De volgende dag stond Konijn vroeg op in de hoop te kunnen jagen alvorens de reus kwam. Weer geen geluk. Alles was weer weg. "Het is niet eerlijk!" schreeuwde Konijn, stampend met zijn voeten. Elke dag stond Konijn vroeger en vroeger op, en elke dag gebeurde weer hetzelfde. De reus was hem altijd voor.

Konijn werd bozer en bozer. "Ik zal een val voor de reus plaatsen. En wanneer ik hem vang, zal ik hem met mijn pijl en boog doodschieten." Hij bond een net over het voetspoor vast om iedereen te vangen die erover liep. Toen ging hij naar het huis naar zijn grootmoeder, en dacht: "Dit zal de laatste keer zijn dat ik bessen als avondeten moet eten. Morgen zal ik gewoon weer kunnen jagen." De volgende ochtend stond Konijn extra vroeg op en ging op pad om het net te controleren.

Oh nee! Hij was ontsnapt. De reus had over het net gelopen en er een groot gat in gemaakt waardoor hij ontsnapt was. Hij ging naar huis en vertelde het aan zijn grootmoeder. "Maak je niet ongerust," zei ze, "we hebben nog bessen."- "Ik wil geen bessen meer," riep Konijn, "ik wil iets eten waar ik zelf op gejaagd heb." Toen keek hij naar zijn grootmoeder en dacht een ogenblik na. "U kent wat van magie hè, kunt u voor mij een speciaal net maken?" vroeg hij. "In orde," zei grootmoeder, "als dat je gelukkig maakt." Zij vroeg Konijn om weg te gaan omdat magie een geheim is. Toen hij terugkwam gaf zij hem een net zo dun als het web van een spin, maar sterker dan het sterkste net.

Konijn bond het over het spoor in het bos. De volgende ochtend, stond hij extra vroeg op en stormde het bos in. Hij huppelde tot dicht bij het spoor en hield daar halt. Er kwam een verblindend licht uit het magische net. Het was zo helder, dat hij het niet meer dan één seconde kon bekijken. "Oh nee!" riep hij. "Ik heb de zon gevangen."

"Haal me hier uit," brulde de zon met een diepe stem die heel het bos deed schudden. Konijn liep snel naar huis om zijn grootmoeder te vertellen wat hij had gezien. "Je moet de zon uit het net halen," zei zijn grootmoeder. "Kijk eens hoe donker het buiten is," zei Konijn. "Ik weet dat het altijd donker zal blijven als de zon in het net blijft," zei grootmoeder. "Hier is een magisch mes. Ga en snijd het net door." Konijn huppelde terug in het bos. "Haal me hier uit," brulde de zon, die met haar grote voeten in het net stampte. Konijn bewoog zich langzaam voort, zijn kleine beentjes trillend van angst. Hoe dichter hij kwam, hoe warmer het werd, nog dichter, nog warmer.

Zijn beentjes trilden en het zweet brak hem uit. Konijn beschermde zijn ogen en zo bereikte hij met het magische mes in zijn hand het net. De zon worstelde omhoog en nam een grote sprong, de vrijheid tegemoet. Eén van zijn grote voeten schopte Konijn op zijn schouders. De hemel werd met licht gevuld en alle dieren schreeuwden van geluk. Konijn bekeek zijn pijnlijke schouders. Zij waren bruin geschroeid door de hitte van de voet van de zon en tot op de dag van vandaag zijn ze nog altijd bruin.


                                          * * * Einde * * *
Bron : - Vertaling uit het boek "Myths & Legends" door Linda Vanherrewegen.
           Oorspronkelijk verschenen onder de titel Rabbit the Hunter.
           - www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:21 6 reacties Reageer op dit bericht

Onze Lieve Vrouwe Glaasje

Onze Lieve Vrouwe Glaasje
- Een legende van Grimm -
Eens was een voerman met zijn kar, die zwaar was beladen met vaten wijn, op de weg vastgeraakt, en hij kon de kar ondanks alle moeite niet vrij krijgen.

Nu kwam juist Ons lieve Vrouwke die weg langs, en toen ze zag in wat voor moeilijkheden de voerman geraakt was zei zij tegen hem:

"Ik ben moe en dorstig, geef me een glaasje wijn, dan zal ik je wagen wel los krijgen."

"Graag," antwoordde de voerman, "maar ik heb geen glas, waarin ik u wijn zou kunnen geven."

Toen brak Ons lieve Vrouwke een wit bloemetje af, wit met rode streepjes, het is een akkerwinde en het lijkt heel veel op een glaasje, en dat gaf ze aan de voerman. Hij vulde het met wijn, en Onze lieve Vrouwke dronk eruit, en op dat ogenblik raakte de wagen los, en de voerman kon weer verder rijden.

En het bloemetje heet nog altijd Onze Lieve Vrouwe Glaasje.


                                          * * * Einde * * *
Bron : - "De sprookjes van Grimm; volledige uitgave" vertaald door M.M. de Vries-Vogel.
           Unieboek BV - Van Holkema & Warendorf, Weesp, 1984.
Oorspronkelijke titel: Muttergottesgläschen
           - www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:10 14 reacties Reageer op dit bericht

De heks Holika

De heks Holika
- Een hindoeïstische legende over Holika -
Er was eens een asceet, Harnakas genaamd. Hij woonde in een hutje in het bos en deed de hele dag niets anders dan bidden en mediteren. Hij was een volgeling van de god Shiva. Op een keer zat hij zo diep en lang in meditatie verzonken, dat hij niet merkte dat een mierenkolonie een nest om hem heen begon te bouwen. Op het laatst was er niets meer van Harnakas te zien, enkel nog een mierenhoop. Shiva was zeer onder de indruk van zo'n toewijding. Hij ging naar de mierenhoop toe en goot er een kan water over leeg. Harnakas ontwaakte uit zijn meditatie, stond op, schudde de aarde en de mieren van zich af en maakte een diepe buiging.

"Het is goed zo," sprak Shiva. "Nog nooit heb ik zo'n intense toewijding gezien en als dank mag je twee wensen doen." Harnakas antwoordde: "Als dat zo is dan wens ik het volgende. Ik wil de machtigste heerser van de aarde zijn die als een god door iedereen aanbeden wordt en ik wil dat geen god, mens of dier mij ooit zal kunnen doden."

En zo geschiedde het, alle mensen moesten hem in het vervolg vereren en als ze weigerden, werden ze meteen doodgemaakt. Zijn vurigste aanbidder was zijn eigen zus, de heks Holika, maar zijn zoon Prahlaad moest niets van de waanzin van zijn vader hebben. Hij vereerde de god Vishnu en bleef dat doen ondanks de dreigementen van zijn vader en zijn tante.

Harnakas woonde nu in een groot paleis. Het wemelde er van de lijfwachten en bedienden, hij hoefde maar een kik te geven en ze stonden al klaar om zijn bevelen op te volgen. Toch bleef Prahlaad hardnekkig weigeren hem meer eerbied te tonen dan het gebruikelijke respect dat een zoon voor zijn vader dient te hebben. Het was Harnakas een doorn in het oog en op een dag had hij er schoon genoeg van. Hij gaf zijn lijfwachten bevel zijn zoon te gaan halen. Toen deze aan hem werd voorgeleid sprak hij: "Ik ben nu de absolute heerser op aarde, nog machtiger dan de machtigste koning. Iedereen vereert mij, iedereen behalve jij. Spreek op, wat is hier de reden van?"

Prahlaad antwoordde: "Al die mensen die u verafgoden doen dat alleen omdat ze bang zijn en de enige beloning voor hun devotie is angst. De god die ik aanbid schenkt vertrouwen, hij is de weg die tot het ware geluk leidt." Harnakas was woedend. "Jij schelm," schreeuwde hij, "hier zul je voor boeten." En hij gilde naar zijn lijfwachten: "Hak die vlegel aan stukken." Met hun scherpe zwaarden begonnen ze op de jongen in te slaan, maar steeds als zij hem een snee hadden toegebracht, trok de wond weer dicht en was het alsof er niets gebeurd was.

Toen Harnakas zag dat zijn poging om hem met het zwaard te doden vergeefs was, liet hij zijn zoon vastbinden en in een kuil vol giftige slangen gooien. Maar elke keer als een van de slangen beet, braken zijn tanden af. Nu werd Prahlaad naar de hoogste toren van het paleis gesleept. Van het hoogste topje smeet men hem naar beneden en met een smak viel hij op de grond. Ongedeerd stond hij echter weer op. Harnakas was uitzinnig van woede en riep zijn zuster Holika. "Ik zal een groot vuur maken. Jij moet daar in gaan zitten met Prahlaad op je schoot. Door jouw toverkracht zullen de vlammen je niet deren en zal alleen hij verbranden." Zijn dienaren bouwden een grote brandstapel waarop Holika met Prahlaad op schoot plaatsnam. Ze staken de brandstapel aan en in een mum van tijd stond hij in lichterlaaie. Na enige tijd namen de vlammen af en begon het vuur te doven. Maar wie zat daar vredig op de gloeiende kolen: Prahlaad! Van Holika was niet veel meer overgebleven dan een hoopje as.

Opeens klonk er een luid gebrul. Uit een van de pilaren van het paleis was een gestalte gesprongen die voor de helft mens was, voor de helft leeuw. Het was de god Vishnu zelf die deze gedaante had aangenomen, omdat hij zo noch de vorm had van een god, noch die van een mens, noch die van een dier en daarom Harnakas kon doden. Met een krachtige mep sloeg hij Harnakas tegen de grond, waar zijn lichaam ontzield bleef liggen.


                                      * * * EINDE * * *
Bron :- www.beleven.org
foto : - © BrokenSphere / Wikimedia Commons
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:04 15 reacties Reageer op dit bericht

Meer van 'VOLKSVERHALEN'

↑ Terug naar de berichten