Naar de inhoud

'VOLKSVERHALEN'

seniorennet.beseniorennet.be
Problemen
Er zijn nogal wat problemen met het lezen van de teksten, daarom volgende tip :
Met de muis links klikken en over de tekst schuiven.
De tekst verschijnt duidelijk leesbaar.

Categorie: Mythe

De nimf Daphne

De nimf Daphne
De nimf Daphne
- Een mythe uit Griekenland over de nimf Daphne -

Daphne was Apollo's eerste liefde, hem niet bezorgd door 't blinde toeval, maar door boze wraak van Cupido. Apollo immers had hem kort tevoren zijn boog met strakke pees zien spannen, en nog pralend met die Python-moord geroepen: "Zeg, wat doe je daar, kwajongen? Zo'n vechtersboog! Die past toch beter bij mijn schouders, hier, ik kan er feilloos dier en vijand mee verwonden, feilloos... Ik heb onlangs een giftig slangenlijf van meters lang, de Pythondraak, met meer dan duizend pijlen neergeschoten! Pak jij nu braaf je fakkeltje en stook je liefdesvuur waar je maar wilt, maar meng je liever niet in mijn triomfen!"

Het Venusjong riep terug: "U schiet, Apollo, altijd raak, mij best, maar ik raak u, en net zo goed als alle dieren voor goden onderdoen, moet u nu buigen voor mijn macht!" Na deze woorden vloog hij vleugelwiekend door het luchtruim en landde schielijk op de donkere Parnassustop en trok een tweetal pijlen uit zijn koker, elk verschillend van doel: de één dooft liefdesvuur, de ander wekt het op.

De pijl die opwekt is van goud en schittert met zijn pijlpunt; de pijl die dooft is nogal stomp, de schacht loopt uit in lood. Die laatste nu schoot Cupido op Daphne af, de eerste beschadigde Apollo's hart, tussen de ribben dringend. Hij is terstond verliefd, zij wil van geen verliefdheid weten en wijdt zich aan de jacht, vindt haar geluk in stille bossen, in dierenprooi, een zuster van de kuise Artemis; een strakke band omsluit haar ordeloos verwaaide haren. Veel minnaars dingen naar haar gunsten; allen wijst zij af, wegsnellend, diepe bossen door, wars, onbekend met mannen, zich niet om Amor, Hymen, huwelijkswoord bekommerend.

Vaak had haar vader al gezegd: "Geef mij een schoonzoon, meisje," vaak had haar vader ook gezegd: "Geef mij toch kleinzoons, kind," maar zij, de huwelijksfakkels hatend als een boze misdaad, toonde hem dan haar meisjesmooi gelaat vol blozend schaamrood en met haar vleiend zoete armen om haar vaders hals smeekte zij: "Laat mij, lieve vader, voor mijn hele leven een maagd zijn, net als Artemis - háár vader stond dat toe." En hij stemt toe, dat wel, maar juist haar meisjesschoon verbiedt haar te blijven wat zij wil, haar gratie strookt niet met haar wens. Bij 't eerste zien begeert Apollo haar, droomt hij van Daphne, jaagt die begeerte ook na en faalt in eigen zienersgaven... Zoals na 't oogsten dunne halmen worden weggebrand, zoals soms heggen laaien, wanneer reizigers hun fakkels te dicht erlangs doen gaan of achterlaten 's ochtends vroeg, zo raakte onze god in vuur en vlam, zo stond hij gloeiend in lichterlaaie en gaf zijn hopeloze liefde hoop. Hij ziet haar onverzorgde lokken langs haar schouders vallen en denkt: "Hoe fraai als zij die opbond." Ziet de gloed die uit haar sterrenfonkelende ogen straalt, en ziet die lippen die meer te bieden hebben, prijst haar vingers, handenpaar, haar armen die tot bijna aan de schouders onbedekt zijn; wat wel bedekt is, droomt hij zich nog mooier. Maar zij vlucht sneller dan lichte wind en blijft niet staan, als hij haar aanroept: "Daphne, mijn nimf, ik smeek je, blijf! Ik volg je niet vijandig! Je vlucht, mijn nimf, zoals een lam een wolf ontvlucht, een hert een leeuw, of duiven voor een adelaar onrustig wieken, dieren die voor een vijand vrezen; maar ik jaag uit liefde,ik arme... Pas toch op, je valt... de doornstruiken schrammen je benen - zulke benen! - en dan krijg ik nog de schuld... Waar jij nu loopt is ruw terrein, maak minder haast, ik bid je, vlucht niet zo snel, dan zal ik minder haastig achtervolgen! En kijk dan, wie je zo het hart op hol brengt: heus, ik ben geen bergbewoner, ook geen onbehouwen herder die zijn kudden in het oog houdt. Denk toch na, je weet, je wéét niet wie je ontloopt, en daarom loop je. Ik ben heerser van Delphi en Clarus, Tenedos en Patara's paleizen. Jupiter is mijn vader! Ik duid aan wat is, wat was en wat zal zijn. Door mij ook klinken lier en dichtkunst samen. Mijn pijlen treffen altijd doel, maar nu, nu schoot één pijl beter dan die van mij en trof mijn hart, een open mikpunt... Ik ben het die geneeskunst uitvond, alom klinkt mijn naam als de 'Genezer', ik beheers de wonderkracht van kruiden, maar, arme ik, er is geen kruid dat tegen liefde helpt! Die kunst van mij, die anderen beter maakt, verzaakt zijn meester.

Veel meer nog wou hij zeggen, maar zij liep met bange voet ver van hem weg, ver van die niet-meer-uitgesproken woorden en leek wel dubbel mooi: haar ledematen waaiden bloot, haar kleren joegen door de wind in tegenwaartse richting, een zachte bries blies lange lokken van haar schouders op. Door 't vluchten groeit haar gratie en de jonge god verliest zich niet langer meer in vruchteloze liefdespraat, maar volgt nu met versnelde pas, zoals zijn liefde zelf al ingaf. Wanneer een windhond in een open veld een haas ontwaart, schieten ze beide weg, belust op buit, belust op leven; de hond, zo lijkt het, heeft de ander bijna in zijn greep, met zijn vooruitgestoken snuit raakt hij de achterpoten, terwijl de haas, onzeker over eigen lot, nog net de beet ontspringt en aan die hete bek weet te ontsnappen. Zo renden ook de god - uit liefde - en de nimf - uit angst.

Toch is haar achtervolger met zijn vleugels van verliefdheid sneller, hij kent geen rust, hij komt steeds dichter in de rug van 't vluchtend meisje, hijgend in de lokken langs haar schouders. Haar krachten zijn ten eind, ze ziet doodsbleek, is uitgeput van 't snelle gaan, en omziend naar het water van Peneius roept ze: "Ach, vader! Help me! Een riviergod heeft toch macht? Bevrijd me van dit lichaam dat me veel te mooi deed zijn!"

Haar klacht weerklinkt nog, als een starre stijfheid haar bevangt: uit tot takken en haar haar tot loof, haar voeten, eerst zo snel, zijn nu verstokt tot trage wortels, haar hoofd wordt kruin. Haar gratie is het enige wat rest.

Nog steeds bemint Apollo haar, zijn vingers langs de boomstam voelen haar hart nog sidderen onder de nieuwe bast en met zijn armen om haar takken heen, als om een lichaam, kust hij het hout, maar zelfs dat hout buigt van zijn kussen weg. Dan spreekt de god haar toe: "Omdat je niet mijn vrouw kunt worden, zul je in elk geval mijn boom zijn, en jij zult voortaan mijn haar omkransen en mijn lier en pijlenkoker sieren. Jij zult Romeinse overwinnaars begeleiden, als hun blijde zege klinkt en 't Capitool de lange stoeten ziet naderen. Gij zult een zeer getrouwe wachtpost zijn vlak voor Augustus' poort, dicht naast de eikenboom in 't midden, en evenals mijn jeugdig hoofd steeds lange lokken draagt, zul jij voorgoed gelauwerd zijn en nooit meer zonder lover." Aldus Apollo. De laurierboom knikte met de nieuw ontstane takken en bewoog haar kruin of het een hoofd was.

* * * EINDE * * *

Bron : - Ovidius’ “Metamorphosen” vertaald en toegelicht door M. D’Hane-Scheltema, met een nawoord van Imme Dros.
             Athenaeum-Polak & Van Gennep, Amsterdam, 2009.
             - www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 20:37 1 reactie Reageer op dit bericht

Theseus en Hippolytus

Theseus en Hippolytus
Theseus en Hippolytus
- Een verhaal over vader en zoon uit de Griekse mythologie -

De held Theseus - de zoon van de god Poseidon - werd koning van Attica nadat hij de Minotaurus had verslagen. Hij was een wijs en rechtvaardig koning, maar ongelukkig in de liefde, en de jaloezie ten aanzien van zijn eigen zoon zorgde uiteindelijk voor zijn ondergang.

Theseus’ relatie met Ariadne was op de klippen gelopen en aan zijn huwelijk met Hippolyte kwam een einde door haar dood. En toen zij gestorven was, zocht de eenzame held nieuw levensgeluk in een huwelijk met de schone Phaedra, een jongere zuster van Ariadne. Al snel werd Phaedra verliefd op de jonge Hippolytus, de zoon van Theseus, een sterke en mooie jongen, die groter en krachtiger was dan zijn vader. Zij was zich bewust van het onrecht dat zij beging, en trachtte haar neiging te beteugelen, maar de hartstocht was sterker dan haar wil.

Ook werd zij door haar oude voedster in het kwaad aangemoedigd. Deze wakkerde haar liefde tot de schone jongeling aan. Ja, de oude ging zelfs zo ver dat zij, toen Theseus eens afwezig was, de jonge prins in Phaedra's naam aanspoorde om zijn eigen vader van de troon te stoten en het koningschap met haar te delen. De onschuldige Hippolytus was over deze aansporing zo ontsteld dat hij met zijn stiefmoeder niet langer onder één dak wilde vertoeven. Hij spoedde zich naar het bos van de godin Artemis en besloot om daar de terugkeer van zijn vader af te wachten.

De harde afwijzing door Hippolytus, de schaamte voor zichzelf, de vrees voor de toorn van haar man en de hartstochtelijke haat, waarin haar liefde was omgeslagen, dreven Phaedra in de dood. Ze hing zichzelf op, maar liet een brief aan Theseus achter, waarin zij de jongeling beschuldigde haar verkracht en in de dood gedreven te hebben. In grote ontzetting over deze onbegrijpelijke slag van het lot stond Theseus bij het lijk van zijn geliefde vrouw. Gedreven door verdriet en blinde jaloezie ten aanzien van zijn zoon, die hem overtrof in schoonheid en moed, smeekte hij de wraak van Poseidon - zijn beschermgod - af over de verworpen zoon: "Laat hem, bid ik u, op deze dag de zon niet meer zien ondergaan!"

Op dit ogenblik keerde Hippolytus van de jacht terug om zijn vader de schandelijke handelswijze van zijn stiefmoeder te openbaren. Op Theseus' vervloekingen antwoordde hij met alle rust van een goed geweten. Maar zijn vader toonde hem de laatste regels, die zij voor haar dood had geschreven en wilde van geen rechtvaardiging weten. Hij verbande zijn zoon uit het land en herhaalde daarbij zijn vreselijke smeekbede tot Poseidon.

Op de avond van dezelfde dag, voor de zon onderging, kwam de vervloeking van de vader tot vervulling. Toen de onschuldige Hippolytus aan het verbanningsbevel gehoorzaamde, de stad verliet en over de weg reed langs de zee, kwam daaruit een gruwelijk monster te voorschijn dat de paarden schuw maakte. In hun angst voor het gedrocht dat hun nu eens de weg versperde, dan weer aan hun zijde voortgleed, werden de paarden hoe langer hoe schichtiger. De wagen viel om en de ongelukkige Hippolytus, die toch een meester in het mennen was, werd over de rotsen meegesleept tot hij stierf.

Terwijl Theseus het bericht van de dood van Hippolytus zonder ontroering aanhoorde, kwam de voedster van zijn gestorven vrouw bij hem binnengesneld. Gewetenswroeging dwong haar ertoe de zonde van de stiefmoeder bekend te maken. En zo verloor Theseus op één en dezelfde dag zijn vrouw en zijn zoon. Hij werd door de Atheners verbannen en kwam op het eiland Skyros, alwaar hij van een rots in zee viel en een eenzame dood stierf.

* * * EINDE * * *

Bron : - "Griekse mythen en sagen" door Gustav Schwab.
             Uitgeverij Het Spectrum, Utrecht, 2002.
             - Bewerkt door www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 09:46 Reageer op dit bericht

Maan, Djabu en de dood

Maan, Djabu en de dood
Maan, Djabu en de dood
- Een aboriginal mythe over het ontstaan van de maan -

Aan het begin van de wereld kwamen er twee mannen van de Goulburneilanden en de zoutwaterkust. De een heette Maan. De ander werd Djabu genoemd, net als de kleine gestippelde boskat. Onderweg gaven zij namen aan sommige plekken en ze aten cassaveknollen, kangoeroes en kleine dieren. Bij Coopers Creek vingen ze een hoop vis en verderop vulden ze hun lange manden met ganzeneieren. Overal waar ze langskwamen, maakten ze de planten en het landschap. Toen ze naar het zuiden gingen, kwamen ze langs de rode-lelievijver. Ze trokken een voor een hun snorharen uit en plantten die naast het water. Meteen schoten er bamboestengels uit de grond, die we daar nu nog kunnen zien groeien. Bij Jimjim maakten ze een groot meer, waarin het rivierwater uitstroomt als in de zee. "Dit meer is heilig," zeiden ze. "Daarom mag niemand erin zwemmen, zijn netten erin uitzetten of een vishaak in het water leggen."

Vele dagen trokken Maan en Djabu door het zand van de woestijn. Tenslotte vonden ze op de rotsen een goede plek om hun kamp op te slaan. Er was ruimschoots voedsel voorhanden. Om de beurt gingen zij op jacht en naast hun kamp groeide een grote berg afgeknaagde kangoeroebotten. Bovendien waren ze rijk. Ze vlochten een hoop grote en kleine buideltassen, haarbanden en hoofdbanden, ze maakten boemerangs en stokjes met veren. Soms hielden zij een ceremonie en dan kwamen alle mensen dansen en zingen. Omdat ze zoveel hadden om te ruilen, dreven de twee mannen handel met deze bezoekers.

Maan en Djabu leefden een tijdje heel gelukkig op die plek. Toen kwam er een vreselijke ziekte in het land, die hen helemaal verzwakte. Van jagen kwam niets meer. Ze konden alleen nog eten wat er over was gebleven. Ze huilden samen en dachten aan hun familie.

"We gaan hier sterven, ver van huis," zeiden ze, "ver weg van onze moeders en vaders en grootouders. We hebben ze allemaal verlaten. En als we doodgaan, wie moet ze dat dan vertellen?"

Ze gooiden zoetgeurige bladeren op het vuur en probeerden zichzelf met de stoom van die bladeren beter te maken.

"Als we allebei doodgaan," zeiden ze tegen elkaar, "dan zal hier niemand meer komen wonen."

Djabu stierf eerst, maar Maan bleef in leven, want hij was een slimme man en hij had veel kracht. Hij probeerde Djabu weer tot leven te wekken, maar dat lukte hem niet. Dat was Djabu's eigen schuld, want hij geloofde Maan niet. Daarom kon Maan hem niet helpen en zijn macht niet gebruiken om Djabu weer tot leven te brengen. Hij lag daar maar en was behoorlijk dood.

Tenslotte werd Maan het zat om te blijven proberen om Djabu weer levend te maken. "Oké," zei hij, "als ïk doodga, zal mijn lichaam wel weer levend worden. Ik kom terug met een nieuw lichaam, want ik ben een slimme man."

Maar Djabu's lichaam was voor altijd dood. Alleen zijn geest bleef levend.

Wat Maan zei was waar. Nadat hij stierf, keken de mensen omhoog naar de lucht en zagen hem daar als herboren omhoogklimmen. Alle mannen en vrouwen en kinderen riepen zijn naam, blij hem te zien. "O," riepen ze uit, "daar heb je die slimme Maan! We zagen hoe hij doodging en nu is hij weer teruggekomen!"

We hadden allemaal hetzelfde kunnen doen als Maan. Als we sterven, kan ons lichaam na drie dagen opstaan. Maar Djabu heeft dat verhinderd, toen hij niet geloofde dat Maan de macht had om hem weer tot leven te wekken. Dus nu, als wij doodgaan, worden we gewoon begraven. Onze geest blijft leven, maar ons lichaam kan niet terugkomen. En dat komt allemaal door Djabu.

* * * EINDE * * *

Bron : - "Aboriginal sprookjes & mythen"
             uitgegeven door Elmar, Rijswijk, 2000. ISBN: 90-389-1115-7
             - www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 13:00 1 reactie Reageer op dit bericht

Waarom de hyacint maar zo kort bloeit

Waarom de hyacint maar zo kort bloeit
- Een Griekse mythe over de vriendschap tussen Hyacinthus en Apollo -

In de tijd dat de goden van de Olympus nog naar de aarde afdaalden om zich onder de mensen te begeven, regeerde in een ver land de oude koning Amyklas. Zijn trots was zijn zoon Hyacinthus, een knappe jongeman met prachtig lang haar. Door zijn mannelijke schoonheid viel hij zelfs bij Apollo - de stralende god van het licht - in de smaak. De god maakte wandelingen met hem, zwierf met hem door de bergen en ging met hem op jacht, en wedijverde met hem in het discuswerpen.

Hyacinthus hield van Apollo en gaf aan hem de voorkeur boven ieder ander, en dat zette wel eens kwaad bloed. Ook de God van de Wind vergaf het hem niet en zon op een afstraffing.

Op een dag waren Apollo en zijn jonge vriend weer eens bezig hun krachten te meten in het discuswerpen. Apollo, die de eerste beurt had, zwaaide zijn arm ver naar achteren en slingerde de schijf hoog de lucht in, zo hoog dat hij het wolkendek bereikte. Toen de discus de aarde weer begon te naderen liep Hyacinthus er snel naar toe om hem op te rapen en zelf een worp te wagen.

Maar de discus stuitte af op een rotsblok en de God van de Wind sloeg met zijn geweldige adem Hyacinthus de schijf tegen het hoofd. Apollo, die alles had zien gebeuren, snelde toe en ving de jongen op met zijn sterke armen. Hij legde geneeskrachtige kruiden op zijn wonden, maar het uitdovende leven kon hij niet meer redden. De knappe jongeman zakte in elkaar als een verlepte bloem.

Apollo huilde, klaagde, wilde zich van het leven beroven. Maar hij bedacht zich onmiddellijk weer, want omdat hij een god was mocht hij niet sterven. Hij zou de jongen voortaan in zijn liederen bezingen, en hem in een prachtige bloem veranderen.

Al gauw schoot uit het bloed van Hyacinthus een prachtige, paarse bloem omhoog, die voortaan iedere lente zou bloeien. Ze bloeit maar kort, zoals ook het leven van Hyacinthus kort was. Want aan hem ontleent de bloem haar naam, naar hem noemen wij haar hyacint.

* * * EINDE * * *

Bron : - "De betoverde tuin" door Marie Mrstikova. Nederlandse vertaling van Els Nuijen.
             Uitgeversmaatschappij Holland, Haarlem, 1978. ISBN: 90-251-0297-2
             - www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 03:52 Reageer op dit bericht

Garuda

Garuda
- Een Indiase mythe over de vogelgod Garuda en Vishnu -

Toen - lang geleden - de vogel Garuda uit zijn ei kroop, had hij meteen honger. Hij zei tot zijn moeder: "Geef me te eten." Zijn grote moeder zag haar zoon staan. Hij was sterk en groot als een berg. Ze zei: "Mijn zoon, een honger als die van jou kan ik onmogelijk stillen. Ga naar je vader, Kasyapa, die woont aan de oever van de rivier Lauhitya; hij eet weinig en denkt veel na. Vertel hem wat je wilt en doe wat hij je zegt; dan zal je honger gestild worden."

Garuda vertrouwde op haar woorden en vloog snel als de wind naar de oever van de Lauhitya. Daar zag hij zijn vader, de grootste der zieners, gloeiend als het vuur. Garuda maakte een diepe buiging en sprak: "Ik ben uw zoon, o grote ziel, ik heb honger. Geef me iets te eten." Kasyapa verzonk in diepe gedachten, herkende in de vogel zijn zoon en zei: "Aan de kust van de oceaan leven honderdduizend slechte inboorlingen. Eet hen op en wees gelukkig. Zij zijn een plaag zoals kraaien op een bedevaartplaats. Maar pas op: een brahmaan houdt zich tussen hen verborgen. Zorg ervoor dat zijn leven gespaard blijft."

Zo gezegd, zo gedaan, de vogel vrat de inboorlingen op. Maar zonder dat hij er erg in had werkte hij ook de brahmaan naar binnen. Deze bleef in zijn keel steken en Garuda zag geen kans om hem in te slikken noch om hem uit te spuwen. Hij ging naar zijn vader en zei: "Vader, het een of ander schepsel is in mijn krop blijven steken en ik kan er niets tegen doen." Kasyapa antwoordde: "Heb ik je niet gewaarschuwd? Het is de brahmaan. Had je dat dan nog niet begrepen?" Daarop sprak hij tot de brahmaan: "Kom eruit." Maar de brahmaan bleef zitten waar hij zat en zei tegen de grote Kasyapa: "Deze inboorlingen zijn altijd mijn vrienden geweest. Het zijn goede lieden. Ik zal met hen meegaan, hetzij naar de hemel, hetzij naar de hel. Als deze vogel mij en mijn vrienden niet vrijlaat, dan zal ik in zijn binnenste sterven. Dit is mijn plechtige belofte."

Uit vrees dat Garuda brahmanenmoord zou plegen zei Kasyapa tegen zijn zoon: "Spuug die brahmaan en zijn barbaren uit." Garuda deed wat zijn vader hem bevolen had. Hij spuwde de brahmaan uit en daarna de paria's, die uit zijn bek rolden en in alle richtingen over bergen en door bossen verdwenen. De vogel zei weer tegen zijn vader: "Ik heb een vreselijke honger." Kasyapa antwoordde mild: "Ergens in de oceaan leven twee kanjers van wezens, een reusachtige olifant en een schildpad die net zo groot is. Zij zullen jouw honger kunnen stillen."

Garuda vloog pijlsnel weg en weldra had hij de olifant en de schildpad gevonden. Hij greep ze in zijn klauwen en vloog ermee als een bliksemschicht door de lucht. Samen met zijn prooi was zijn gewicht nu echter zo groot dat zelfs de hoogste berg hem niet kon dragen. Met de snelheid van een stormwind vloog hij verder en verder. Na tweehonderdduizend mijl streek hij neer op de tak van een reusachtige appelboom. Door het gewicht brak de tak af. Bang dat het vallende gevaarte op aarde koeien en brahmanen zou doden, ving de sterke vogel de vallende tak op.

De god Vishnu, die de vorm van een gewoon mens had aangenomen, was op dat moment in de buurt. Hij zag de grote vogel met al zijn lasten door de lucht cirkelen en zei: "Vogel, wie ben je en waarom vlieg jij hier rond met die enorme tak en die reusachtige olifant en die grote schildpad?"

"Ik ben Garuda, de zoon van Kasyapa. Het is de beschikking van het lot geweest dat ik als een vogel geboren ben. Ik vlieg hier rond met deze twee wezens op zoek naar een plek waar ik ze kan opeten. Aarde, bergen noch bomen kunnen me dragen. Van grote hoogte zag ik in de verte een appelboom staan. Ik landde op een van zijn takken en wilde net aan mijn maal beginnen toen de tak afbrak. Nu vlieg ik ermee rond uit vrees dat wanneer de tak valt, hij miljarden koeien en brahmanen zal doden. Ik ben ten einde raad.

Wat moet ik doen? Waarheen kan ik gaan? Wie of wat zal mijn gewicht kunnen dragen?"

Hierop antwoordde de god: "Strijk neer op mijn arm en eet die schildpad en olifant van je op." Garuda zei: "De hoogste berg kan me niet houden, dus hoe zou jij dit wel kunnen doen. Wie, behalve Vishnu, zou mijn gewicht kunnen dragen?" - "Een wijs mens volbrengt zijn taak, doe jij wat je te doen staat. Als je klaar bent zul je weten wie ik ben."

De vogel keek de man aan, dacht even na en terwijl hij zei: "Zo zal het zijn," streek hij op zijn krachtige arm neer. Deze bewoog niet onder het gewicht van de vogel. Garuda liet de tak in de bergen vallen. Toen die de grond raakte beefde de gehele aarde met haar bossen en al haar bewoners.

Garuda at snel de olifant en de schildpad op, maar toen hij klaar was had hij nog steeds honger. Vishnu begreep dat de vogel nog niet genoeg had gegeten en hij zei: "Eet het vlees van mijn arm, dan zul je tevreden zijn." Garuda begon hongerig van het overvloedige vlees van de arm te eten. Hoe hij ook at, er verscheen geen wond. De wijze vogel vroeg aan Vishnu: "Wie ben jij en welke wederdienst kan ik jou bewijzen?"

De god sprak: "Weet dat ik Vishnu ben, gekomen om jou een gunst te verlenen." En om zijn woorden kracht bij te zetten liet hij de vogel zijn ware vorm zien; gekleed in het geel, donker als een regenwolk, stond hij daar schitterend, met vier armen waarmee hij een schelp, een knots, een discus en een lotus vasthield. Toen Garuda dit zag boog hij: "Waarmee kan ik u van dienst zijn, opperste wezen?"

Vishnu, de god der goden zei: "Wees mijn rijdier, dappere vriend, voor nu en voor altijd." Daarop antwoordde de vogel: "Ik voel me begenadigd, o heer van de goden. Mijn bestaan heeft goede vruchten opgeleverd nu mijn ogen u aanschouwd hebben."


* * * EINDE * * *

Bron : - "Volksverhalen uit kleurrijk Nederland. Dieren. Dierenverhalen uit de Chinese, Joodse, Nederlandse, Indiase, Turkse, Surinaamse, Marokkaanse en Indonesische verteltraditie"
             Lemniscaat, Rotterdam, 1990.
             - www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 19:15 Reageer op dit bericht

Pygmalion en zijn ivoren vrouw

Pygmalion en zijn ivoren vrouw
- Een mythe van Ovidius over een liefde voor een ivoren beeld -
Omdat Pygmalion die vrouwen jarenlang in zonde had zien verkeren en een afkeer voelde van het kwaad dat de natuur zo ruimschoots in de vrouwenziel gelegd heeft, bleef hij steeds vrijgezel en vrouwloos en zijn bed was eenzaam.

Maar ondertussen maakt hij wel met schitterend vakmanschap een wit-ivoren beeld, geeft het een schoonheid die geen vrouw van huis uit ooit bezit en wordt verliefd op eigen werkstuk. Het lijkt een echte jonge vrouw, je zou geloven dat zij leeft en, als fatsoen dat toestond, graag bemind wil worden – zozeer gaat kunst in eigen kunde schuil.

Pygmalion bewondert haar, hij brandt van hartstocht voor dit namaaklichaam. Steeds voelt hij met zijn vingers aan het beeld, of het ivoor of lichaam is en maakt zich wijs, dat dit toch geen ivoor is… Hij kust haar, proeft haar kussen – denkt hij –, spreekt tot haar en houdt haar in zijn armen, voelt zijn vingers in haar lichaam drukken en is zelfs bang voor blauwe plekken waar hij haar omarmt. Hij vleit haar met verliefde woorden, geeft cadeautjes waar meisjes verzot op zijn: schelpen of stenen, gladgevormd, tamme parkietjes, bloemenkransen met wel duizend kleuren, lelies, geverfde knikkers, barnsteenkralen - tranen van de Heliadenbomen. Daarna tooit hij haar met kleren, doet ringen aan haar vingers, lange snoeren om haar hals, haar oren krijgen lichte parelhangers, ook haar borsten zijn rijk behangen. Alles siert haar, ook al is zij mooi zonder dat al. Hij legt haar op een roodgespreide divan, noemt haar zijn bedvriendin en doet haar zachtjes met haar hals in veren kussens leunen, denkend dat zij dat kan voelen!

Het feest van Venus, overal op Cyprus hoogtijdag, was aangebroken. Jonge koeien met vergulde hoorns vielen ten offer aan de slagen in hun blanke nek en wierook geurde op. Pygmalion bleef na het offer bij 't altaar staan en sprak een stille wens: "O goden, als u alles geven kunt, geef mij een vrouw…" - hij had de moed niet "die van ivoor" te zeggen, wel "die lijkt op mijn ivoren…" De gouden Venus, zelf aanwezig bij haar feest, begreep wat deze wens beduidde: driemaal schoot de vlam hoog op en blies een vuurtong in de lucht, ten teken van genade.

Zodra hij thuiskomt, haast hij zich naar zijn geliefde beeld, nestelt zich naast haar, kust haar mond. Zij lijkt erdoor te smelten, hij kust haar weer, raakt met een vingertop haar borsten aan: het aangeraakte ivoor wordt week, de kilte lijkt verdwenen, het voegt zich naar zijn druk, is soepel, zoals bijenwas van de Hymettus zacht wordt door de zon en zich laat drukken tot vele vormen en juist door het kneden kneedbaar wordt. Terwijl hij eerst verbijsterd nog geen vreugde toelaat, bang voor bedrog, streelt hij verliefd steeds weer, steeds meer dat lieve beeld en streelt een vrouw: zijn tasten doet haar bloed veel sneller stromen!

Dan spreekt Pygmalion, de held van Paphos, woorden uit waarmee hij Venus dankt, diep uit zijn hart, en drukt zijn lippen op lippen die niet meer onecht zijn en het meisje heeft zijn kus gevoeld, begint te gloeien, slaat haar ogen schuchter naar 't daglicht op en kijkt op dat moment haar minnaar aan.

Het huwelijk, eerst door Venus voorbereid, ontving haar zegen: negenmaal had de maan haar sikkel tot een schijf gevuld, toen Paphos werd geboren, en het eiland draagt die naam nog.*

* Paphia is een andere naam voor Cyprus, waarop ook de stad Paphos lag


                                          * * *einde* * *
Bron : - “Metamorphosen” door Ovidius. Vertaald en toegelicht door M. D’Hane-Scheltema,
             met een nawoord van Imme Dros.
             Athenaeum-Polak & Van Gennep, Amsterdam, 2009.
             - www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door saagje om 00:23 1 reactie Reageer op dit bericht

Tantalus

Tantalus
- Een Griekse mythe over de tantaluskwelling -
Tantalus was koning van Lydië en bezat grote macht en rijkdom. Hij was een zoon van Zeus zelf en ontving alle eerbewijzen die de Olympiërs ooit aan een mensenkind schonken. Zij verwaardigden zich zelfs hem hun vriendschap te schenken en deden hem ten laatste aan hun hemelse disgemeenschap aanzitten.

Als gast aan de tafel van Zeus mocht Tantalus dagelijks getuige zijn van de gesprekken van de goden. Maar het bleek dat het gemoed van de aardemens zulk een geluk niet waard was. IJdelheid en laaghartige eerzucht maakten zich van hem meester, zodat hij zich niet ontzag tegenover de goden zich misdadig te gedragen. Hij verried goddelijke geheimen aan de mensen; hij stal van de hemelse tafel spijs en drank, ambrozijn en nectar, en bracht die aan de mensen. Ja, zijn aanmatiging bracht hem zelfs ertoe om de goddelijke alwetendheid op de proef te stellen.

In verblinding nodigde hij de goden uit in zijn huis, slachtte zijn eigen zoon Pelops en zette deze spijs aan zijn gasten voor. Alleen Demeter, die geheel door het droevig verlangen naar haar geroofde dochter in beslag was genomen, had toen, in haar eigen gedachten verloren, van het gruwelijke maal gegeten. Voor de overige goden kon de vreselijke daad echter onmogelijk verborgen blijven. Dadelijk wekten zij het in stukken gehakte lichaam van de knaap tot nieuw leven, en in plaats van het schouderblad, waarvan de niets vermoedende godin had gegeten, gaven zij hem er een van ivoor vervaardigd.

Maar nu keerde zich de verontwaardiging van de goden tegen Tantalus, die het had gewaagd op zo'n afschuwelijke wijze met hen de spot te drijven. "De maat van zijn wandaden is nu vol," riep Zeus in goddelijke toorn uit en wierp de misdadiger in de Tartarus.

Een vreselijke kwelling werd hem tot straf en anderen tot afschrik opgelegd: hij moest midden in een vijver staan, waarin de golfjes om zijn kin speelden. Toch moest hij een onuitstaanbare dorst lijden, want hij kon het water, dat hem van zo nabij lokte, nooit bereiken. Zo vaak hij zich namelijk voorover boog om te drinken, werd de vijver droog. Het water was plotseling in de donkere bodem verdwenen, die voor zijn voeten zichtbaar werd, alsof een boze geest de plas had drooggemaakt.

Aan de dorst paarde zich een pijnigende honger, die hem schier van zijn verstand beroofde. En daarbij hingen vlak boven zijn hoofd de kostelijkste vruchten van hun takken. Peren en appels, vijgen en olijven lokten hem met al hun pracht, maar wanneer de ellendige, door razende honger gekweld, zijn hand uitstrekte om ze te grijpen, joeg een stormwind plotseling de twijgen omhoog en bracht ze ver buiten zijn bereik. Brandende dorst en folterende honger - en daarbij kwam nog de gestadige angst voor het armzalige leven: recht boven zijn hoofd hing een geweldig rotsblok in de lucht dat voortdurend op hem dreigde neer te vallen en hem te verpletteren!

Aldus strafte de toorn van de goden de snode Tantalus, die het had gewaagd de hun toekomende eerbied aan hen te onthouden en hen tot iets verachtelijks te brengen, met een drievoudige, oneindige kwelling in de onderwereld.


                                          * * *einde* * *
Bron : - "Griekse mythen en sagen" door Gustav Schwab.
             Het Spectrum, Utrecht, 2002.
             - www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:20 2 reacties Reageer op dit bericht

Het verhaal van de vleermuis-vervolg

Het verhaal van de vleermuis (vervolg)
- Een Chinees verhaal over waarom de vleermuis verschilt van de vogels -
De feniks is de koning der vogels en toen hij begreep dat de kraai en de ekster in onmin leefden wilde hij hen met elkaar verzoenen. Op een zekere ochtend kwamen alle vogels bijeen: de leeuwerik, de lijster, de koekoek..; allemaal; ook de vleermuis was gekomen en als laatste kwamen de kraai en de ekster. Zodra die twee elkaar zagen, puilden hun ogen van woede uit hun kassen. Toen de feniks zag dat alle vogels verzameld waren, beval hij de kraai en de ekster om eerst eens te vertellen waarom ze zo'n ruzie hadden opdat men daarna gezamenlijk een oordeel zou kunnen vellen. De kraai vertelde dat ze ruzie hadden gemaakt om een korenaar en dat de ekster hem had uitgemaakt voor én zwart, én lelijk, en bovendien een domkop. Terwijl hij dit hele verhaal deed, kon de ekster zich niet langer beheersen, zodat hij tegen hem uitvoer met de woorden: "Ik heb hem helemaal niet uitgescholden! Maar hij heeft mij uitgemaakt voor een deugniet die niets waard is, en bovendien wil hij mij doodbijten!" De kraai zei daarop: "Als jij niet begonnen was met schelden zou ik jou toch niet hebben uitgescholden?" De ekster zei dat hij hem nooit had uitgescholden en de kraai zei dat hij dat wel had gedaan en ze schreeuwden tegen elkaar met een dikke nek en rood aangelopen gezicht.

Toen de feniks hen had aangehoord bepaalde hij dat zij beide getuigen moesten vinden om hun verklaringen te bewijzen. De kraai en de ekster riepen als uit één mond: "De vleermuis is getuige!" Ieders blik richtte zich toen op de vleermuis, in afwachting van wat hij te zeggen zou hebben. Maar de vleermuis besefte dat zijn doortrapte rol aan het licht zou komen en hij wist geen woord uit te brengen. Iedereen drong er bij hem op aan dat hij toch iets zou zeggen, maar wat moest hij zeggen? Hij wist alleen maar met gebogen hoofd, vuurrood van schaamte, stilletjes weg te vliegen.

Toen eerst begreep iedereen de ware toedracht: dat de kraai en de ekster zulke vijanden waren geworden door het gestook van de vleermuis! De kraai en de ekster hadden spijt dat ze naar de vleermuis hadden geluisterd en sloten weer vriendschap. Vanaf dat moment wisten alle vogels dat de vleermuis niet te vertrouwen was en niemand wilde meer iets met hem te maken hebben.

De teruggekeerde vleermuis voelde zich erg beschaamd. Omdat hij de vogels niet meer wilde ontmoeten, trok hij weg uit het bos om voortaan onder de overstekende daklijsten van huizen te wonen. Overdag is hij bang de vogels tegen te komen en houdt hij zich schuil. Pas tegen de avond, wanneer de vogels zijn teruggevlogen naar het bos, vliegt hij uit om alleen maar wat rond te fladderen in de directe omgeving van zijn nest, op jacht naar insecten. Omdat hij bang is dat de vogels zijn stem kunnen horen zingt hij ook nooit meer een lied. Tot op de dag van vandaag verschilt het leven van de vleermuis radicaal van dat van de vogels.


                                          * * *einde* * *
Bron : - "Volksverhalen uit kleurrijk Nederland. Dieren. Dierenverhalen uit de Chinese, Joodse, Nederlandse, Indiase,
             Turkse, Surinaamse, Marokkaanse en Indonesische verteltraditie" uitgegeven door Lemniscaat, Rotterdam, 1990.
             - www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:32 11 reacties Reageer op dit bericht

Het verhaal van de vleermuis

Het verhaal van de vleermuis
- Een Chinees verhaal over waarom de vleermuis verschilt van de vogels -
Heel lang geleden woonde de vleermuis samen met de vogels in het bos, en elke dag zodra de zon opging vloog hij zijn nest uit om te zingen en dan naar voedsel te zoeken. Op een zekere dag kregen de kraai en de ekster ruzie om een korenaar. De kraai zei dat hij hem als eerste had gezien en dat hij hem dus mocht opeten, en de ekster zei dat hij hem had gevonden en dat hij hem niet aan de kraai kon laten. Geen van tweeën wou wijken voor de ander, zij scholden elkaar verschrikkelijk uit en later raakten zij zelfs slaags. Ze bleven vechten tot buiten het bos en geen van tweeën kwam ertoe om de korenaar op te eten.

Terwijl de kraai en de ekster ruzie maakten, zat de vleermuis juist in een boom daarnaast wat uit te rusten. Toen hij zag dat zij ver weg waren, daalde hij haastig neer en maakte zich met de korenaar uit de voeten.

Nadat de vleermuis zo zijn buikje vol en rond had gegeten, vloog hij vrolijk en opgewekt door het bos op en neer terwijl hij het hoogste lied zong. Aangekomen bij het nest van de kraai zag hij dat deze zo'n pak slaag had gekregen dat zijn neus bont en blauw was en zijn kraaigezicht gezwollen. Terwijl de kraai nog niet bekomen was van zijn woede, kroop de vleermuis dicht tegen hem aan en fluisterde: "Broer kraai, broer kraai, wij zijn oude vrienden en vanwege die goede vriendschap ben ik speciaal hierheen gekomen om je wat te vertellen. Die ekster schold je zoëven toch uit! Hij zei dat jij én zwart én lelijk bent, en een domkop. Bovendien zei hij dat jij zijn korenaar niet had mogen stelen." Toen de kraai dat hoorde werd hij zo kwaad dat hij luid op de ekster begon te schelden: "Wie denkt hij wel dat hij is? Hij is zonneklaar een deugniet! Zolang ik hem niet heb doodgebeten heb ik mijn woede niet gekoeld!" Ook de vleermuis deed of hij heel erg verontwaardigd was en nadat hij wat onaangename dingen over de ekster had gezegd vloog hij weg.

De vleermuis vloog toen naar het nest van de ekster en zei: "Broer ekster, broer ekster, wij zijn oude vrienden en vanwege die goede vriendschap ben ik speciaal hierheen gekomen om je iets te vertellen. Die kraai scheldt jou toch uit! Hij zegt dat jij een deugniet bent en hij zegt dat jij niets voorstelt; bovendien zegt hij dat hij je dood wil bijten!" Toen de ekster dat hoorde was hij zo kwaad dat hij geen woord kon uitbrengen. De vleermuis sprak voor de schijn wat sussende woorden, schold nog eens op de kraai en vloog toen weg.

Vanaf dat moment waren de kraai en de ekster gezworen vijanden. Maar beide beschouwden ze de vleermuis als hun beste vriend en vroegen ze hem regelmatig te gast.


                                    * * *wordt vervolgd* * *
Bron : - "Volksverhalen uit kleurrijk Nederland. Dieren. Dierenverhalen uit de Chinese, Joodse, Nederlandse, Indiase,
             Turkse, Surinaamse, Marokkaanse en Indonesische verteltraditie" uitgegeven door Lemniscaat, Rotterdam, 1990.
             - www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:00 9 reacties Reageer op dit bericht

Een kerstverhaal-slot

Een kerstverhaal (slot)
- Paul Biegel vertelt over een driftige keizer die van zijn troon valt -
Jawel, totdat er voetstappen klonken in de gang, de deur geopend werd en een oude soldaat binnenkwam. Hij droeg versleten schoenen en een grote vaalgrijze jas hing over zijn schouders. "Geen mens bij de poort," sprak hij, "geen mens bij de achterdeur, geen mens bij de binnendeur, geen mens in de keuken, niemand in de gang, dus ik dacht..."

"Scheer je weg," riep de keizer

"Maar ik wou vragen of..."

"Verdwijn, mars," schreeuwde de keizer."

...onderdak en een hapje in de keuken," stamelde de oude soldaat.

"D'r uit. Ik bedoel kom hier!" bulderde de keizer. "Kom hier en vertel het kerstverhaal."

De soldaat strompelde tot voor de troon. Hij keek de keizer aan en zweeg lange tijd. Toen sprak hij: "Och Sire, wat wilt u van een oude soldaat die moe is van de oorlog en moe van het marcheren? Het kerstverhaal? Ik heb een heel leven achter de rug van gaan en staan, van slapen in het koude veld en van dode kameraden. Ik heb het zoete geproefd van de overwinning en het bittere van de nederlaag. Wilt u van mij het kerstverhaal? Mijn schoenen zijn gebarsten en mijn jas is versleten. Hoe kan ik vertellen over wollen schaapjes en zingende engeltjes?" Het was doodstil geworden in de troonzaal.

"Maar wat is het kerstverhaal?" vervolgde de oude soldaat. "U bent een machtig keizer. U beveelt en ieder doet wat u zegt. Ik zie ze hier allemaal staan met hun neus tegen de muur, als gehoorzame onderdanen en zie: het kerstverhaal gaat ook over een keizer. Over de keizer des keizers, over de allerhoogste, die van zijn troon afkwam om mens te worden onder de mensen."

"Maar," ging de soldaat verder, "is dat een verhaal? Als u mij vraagt: en toen? dan zeg ik: kom van uw troon af, machtig keizer en word mens onder de mensen. Dan zult u het kerstverhaal kennen."

De soldaat zweeg en even bleef 't stil in de troonzaal. Toen greep de keizer naar zijn gouden kroon en smeet hem met zoveel kracht op de vloer als hij nog nooit gedaan had. Alle hovelingen langs de muur keken ontzet om. "Brutale luis," schreeuwde de keizer, "hoe durf je zo tegen mij te spreken? Verdwijn van hier, onmiddellijk. In looppas."

De soldaat haalde de schouders op. "Schiet op, mars," bulderde de keizer. De soldaat haalde opnieuw zijn schouders op, keerde zich om en begon langzaam naar de deur te strompelen. "Donder en bliksem," brulde de keizer, "ik zei: looppas." Maar de soldaat scheen het niet te horen en opeens kwam de keizer als een woedende stier overeind, sprong de drie treden van zijn troon af en rende de soldaat achterna om hem het paleis uit te schoppen.

"Dat zal je voelen," riep hij, maar vreemd genoeg kon de keizer hem niet te pakken krijgen. Telkens wanneer hij meende de soldaat een schop of stoot te kunnen geven, was deze juist iets verder dan hij dacht.

"Ik zal je," schreeuwde de keizer door de lange gang. Hij gooide zijn zware hermelijnen mantel af om zich beter te kunnen bewegen en vloog de strompelende soldaat achterna. Maar deze ging door de keuken, door de achterdeur en de poort uit, zonder dat de keizer hem zelfs had kunnen aanraken.

In machteloze woede holde de keizer verder, de grauwe, schimmige figuur achterna, maar hoe harder hij liep, hoe groter de afstand tussen hen werd en tenslotte verdween de strompelende soldaat geheel uit het gezicht. Toen bleef de keizer hijgend staan. Een koude wind blies door zijn dunne onderkleren en hij begon te bibberen en te klappertanden en met zijn knieën te knikken.

"Ik heb het koud," schreeuwde hij. Maar niemand hoorde hem. "Breng mijn mantel," schreeuwde hij. Maar niemand kwam. Hij begon weer te lopen en dwaalde verder en verder. Hij werd kouder en kouder en zijn woede koelde. Toen struikelde hij en viel.

Het was de versleten jas van de soldaat die op zijn weg lag. "Ai," mompelde de keizer, "ai, ik ben gevallen. Van mijn hoge troon ben ik gevallen."

Het duurde een hele tijd voor hij weer opstond en omdat het zo bitter koud was, nam hij de soldatenjas, klopte het stof en zand eruit, sloeg hem om zijn schouders en strompelde langzaam terug naar het paleis.

De eerste, de tweede en de derde lakei, de oude keukenmeid, de hofdames, de kamerdienaren, de poetsknechten en alle andere hovelingen stonden nog steeds tegen de muur toen de keizer weer in de troonzaal verscheen. En omdat er geen schreeuwend bevel klonk, draaiden ze één voor één voorzichtig en nieuwsgierig het hoofd om. Daar stond hun heer en meester, de lastige en nukkige keizer, gehuld in een grauwe, versleten soldatenjas. Hij sprak: "Het is kerstavond. Ik wens het feest met u allen aan één tafel te vieren en ikzelf zal het kerstverhaal vertellen."

Zo gebeurde. En welk verhaal dat was, weet ieder die ooit van zijn eigen troon gevallen is.


                                          * * * Einde * * *
Bron : - "Een engel zonder vleugels. Kerstverhalen" samengesteld door Els de Jong-van Gurp.
             La Rivière & Voorhoeve, Kampen, 1994. ISBN: 90-384-0746-7
             - www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:01 7 reacties Reageer op dit bericht

Meer van 'VOLKSVERHALEN'

↑ Terug naar de berichten