Naar de inhoud

'VOLKSVERHALEN'

seniorennet.beseniorennet.be
Problemen
Er zijn nogal wat problemen met het lezen van de teksten, daarom volgende tip :
Met de muis links klikken en over de tekst schuiven.
De tekst verschijnt duidelijk leesbaar.

Categorie: heksen

De zeven heksen

De zeven heksen
De zeven heksen
- Een Frans heksenverhaal waarin heksen ontmaskerd worden -

In een mooi vissersdorpje met een haven vol kleine en grote vissersboten, woonde eens een visser die een schitterende boot had - veruit de mooiste van het hele dorp. Dat was ook geen wonder, want geen van de andere vissers onderhield zijn boot zo goed als hij. En toch was er sinds enkele dagen iets vreemds aan de hand met het bootje. Elke morgen stond hij er versteld van dat het aan boord zo nat was hoewel het niet had geregend en er geen storm was geweest. Het leek wel of iemand tijdens de nacht met de boot uitvoer.

Om erachter te komen wat er precies aan de hand was, verstopte de visser zich op zekere avond achter een duin nabij de haven vanwaar hij prima zicht had op zijn bootje.

Toen het middernacht sloeg, hoorde hij opeens stemmen en gelach, en toen hij goed keek ontdekte hij een groepje vrouwen op de steiger waaraan ook zijn bootje lag afgemeerd. Ze hadden een lange jurk aan en droegen allemaal een lampje. Ze stapten in zijn boot en hij hoorde dat een van de vrouwen zei: "Eén voor één, één voor twee, één voor drie, één voor vier, één voor vijf, één voor zes, één voor zeven."

Bij het laatste woord was de boot opeens verdwenen; hij leek in rook op te zijn gegaan. De volgende ochtend lag de boot weer op zijn vaste stek, maar weer was hij nat. Dit keer wist de visser in elk geval al wie de daders waren.

De volgende nacht wilde hij nog iets meer te weten komen. Hij zou geen oog dicht doen tot hij eindelijk wist wat de vrouwen midden in de nacht met zijn boot deden en wat ze daar buiten de haven uitspookten. Toen het donker was geworden, verstopte hij zich in de achtersteven van zijn boot en wachtte af.

Klokslag middernacht verschenen de zeven vrouwen weer en ieder droeg haar lampje. Ze gingen aan boord en nadat ze allemaal waren gaan zitten, zei degene die blijkbaar de aanvoerster was van de groep: "Eén voor één, één voor twee, één voor drie, één voor vier, één voor vijf, één voor zes, één voor zeven."

Anders dan de avond ervoor, voer de boot niet meteen uit. Er was duidelijk iets niet in orde. De aanvoerster sprak tot de andere vrouwen: "Mijn zusters, is één van jullie zwanger?" De vrouwen keken elkaar aan en antwoordden in koor. "Ik niet!" Daarna sprak de aanvoerster de woorden: "Eén voor één, één voor twee, één voor drie, één voor vier, één voor vijf, één voor zes, één voor zeven, één voor acht."

En ziedaar, de boot gleed geruisloos over het water en steeg op als een rookpluim in de wind tot hij op een onbekende plek landde. De vrouwen sprongen op het strand en volgden een lang zandpad. Nieuwsgierig sloop de visser de groep achterna. De vrouwen gingen een huis binnen dat een nogal obscure indruk maakte. Er was geschreeuw en gejoel, gevloek en gelach te horen. Het was een lawaai van jewelste. Mannen liepen in en uit en vertelden elkaar de sterkste verhalen. De taal die ze spraken, verstond de visser niet. Het had het gevoel dat hij in Egypte was. Er stonden palmen langs het strand. Hij nam een takje mee om te kunnen aantonen dat hij alles echt had meegemaakt en dat hij er echt was geweest. Daarna spoedde hij zich naar de boot en verstopte zich weer in de achtersteven.

Nog voor dageraad kwamen de zeven vrouwen terug. Ze gingen aan boord en de aanvoerster sprak wederom haar formule. De boot steeg op als een rookpluim in de wind en landde op de plek waar hij altijd lag afgemeerd. De vrouwen gingen van boord en liepen het dorp in. Ze lieten de visser achter, die nog helemaal in de war was van hetgeen hij had beleefd.

Toen hij bij zijn buren aankwam met het verhaal dat hij in het verre Egypte was geweest, begonnen ze hard te lachen. Niemand geloofde hem. Maar dat had de visser wel verwacht en dus haalde hij het palmtakje tevoorschijn dat hij uit Egypte had meegebracht. De buren werden stil, want inderdaad, in hun vissersdorpje en ook in de wijde omgeving groeiden geen palmen. Ze zeiden dat er hekserij in het spel was en dat hij dit beter niet had kunnen doen. De visser liet zich niet bang maken en zette zijn onderzoek voort.

De volgende zondag had de plaatselijke priester het in zijn preek over de vele gelovigen die hun hoofd niet eerbiedig wilden buigen zodra de geestelijke de klokken luidde. De visser dacht dat hij daarmee ook zeker de zeven vrouwen bedoelde. Dat bracht hem op een idee. Hij ging naar de priester en vertelde hem dat er heksen in de omgeving woonden. De priester zei: "Begin jij nou ook al. Hoe vaak moet ik dat verhaal nog horen? Ik zeg je dat in ons dorp geen heksen meer wonen." - "O jawel," zei de visser. "Het is niet moeilijk om erachter te komen." - "Hoe dan?" vroeg de priester. "Om ze te herkennen moeten we zout voor de kerkdeur strooien." - "Zout voor mijn kerkdeur?" herhaalde de priester ietwat geschrokken.

En toch gebeurde het. De volgende zondag strooide de priester zout voor de kerkdeur en wachtte af wat er zou gebeuren. Toen de klokken begonnen te luiden, verlieten ook zeven jonge meisjes hun huis om naar de kerk te gaan. Bij de kerkdeur aangekomen, bleven ze plotseling staan; ze konden geen stap meer doen.

De geestelijke verzocht hun binnen te komen, maar wat hij ook zei, de meisjes konden niet over het zout stappen dat voor de kerkdeur lag. Dus de visser had gelijk. En op deze wijze waren de heksen opgespoord.

* * * einde * * *

Bron : - "- "Heksensprookjes. Sagen, sprookjes en mythen over magische vrouwen"
            - vertaald door Gerrit J. ten Bloemendaal. Elmar, Rijswijk, 2003. ISBN: 90-389-1428-8
            - www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 14:53 4 reacties Reageer op dit bericht

De citerspeler

De citerspeler
- Een Fins volksverhaal over een door heksen ontvoerd meisje -

Er was eens een knaap die geen liefje had. Het werd Kerstmis, en de andere jongens gingen allemaal naar het feest, maar hij bleef alleen thuis zitten. "Wat moet ik nou?" dacht hij. Hij pakte zijn beurs, ging een kaars kopen, haalde thuis zijn citer op en begaf zich naar het badhuisje, waar hij de kaars ontstak en op de kachel zette. Toen begon hij te spelen. Verzonken in droef gemijmer had hij zo een tijdje zitten tokkelen toen er plotseling een meisje het badhuisje binnentrad en begon te dansen. Vervolgens kwam ze naar de jongen toe en gaf hem een kus. Pas toen de klok middernacht sloeg verdween ze weer.

De volgende avond begaf de jongen zich opnieuw naar het badhuisje om daar op zijn citer te spelen. En wederom kwam het meisje binnen en danste voor hem en gaf hem een kus. De derde avond nodigde de jongen zijn oude petemoei uit en vroeg haar om raad. De wijze oude vrouw dacht diep na en raadde hem toen: "Hang een kruis om je hals, over je kiel heen, en als dat meisje nu weer komt en je een kus geeft, hang haar dan snel het kruis om haar hals." Toen het meisje die avond kwam en hem wilde kussen hing hij gauw het kruis om haar hals. Ze riep zacht iets uit het raam, en van buiten hoorde hij het geluid van andere meisjesstemmen... De jongen schrok zo dat hij bewusteloos neerzeeg.

De volgende morgen, toen hij ontwaakte, zag hij dat het meisje nog steeds bij hem zat. Hij liep naar huis, op de voet gevolgd door het meisje. Hij probeerde met haar te praten, maar ze kon geen woord uitbrengen. Meneer pastoor werd erbij geroepen en die las haar Gods woord voor. Dit gaf het met stomheid geslagen wicht op slag haar spraakvermogen terug, en ze vertelde waar ze vandaan kwam, dat ze geboren was op het slot en de dochter van de graaf was. "Wil je me begeleiden naar mijn vader?" vroeg ze de jongen.

Zo gingen ze samen op weg, met een paard en een krakkemikkige wagen, waarmee ze het slot niet mochten bereiken, want de wagen begaf het en stortte in elkaar en het paard was binnen de kortste keren bekaf. Ze vervolgden hun weg nu te voet, tot ze tenslotte bij het kasteel kwamen. Daar werden ze echter niet zomaar binnengelaten. "Heeft de graaf niet een lief kindje?" vroegen ze. "Dat klopt ja," luidde het antwoord. "Wij komen met nieuws over dat kind," zeiden ze, en toen werden ze bij de graaf gebracht.

De graaf vroeg: "Wat weten jullie van mijn kind?" - "Het enige wat we weten," zeiden ze, "is dat het kind eenentwintig jaar oud is, en dat het nooit gegroeid is en toch niet doodgaat. Dat is jullie kind namelijk helemaal niet, ik ben jullie dochter."

"Jij? Ons kind?" riep de graaf perplex uit. "Hoe kan dat nou?"

"Dat zit zo," legde het meisje uit, "ik ben ontvoerd door een heks die dat kind in mijn plaats in de wieg heeft gelegd. Ik ben nu al eenentwintig jaar bij haar."

Even was het stil. Toen vroeg het meisje de graaf: "Hebben jullie destijds niet een bal gegeven?"

"Dat klopt ja, ik herinner me dat bal nog als de dag van gisteren."

"En is er toen niet een zilveren lepel gestolen?"

"Dat is waar ook!" zei de graaf met toenemende verbazing.

"En wat hebben jullie toen met de huishoudster gedaan?"

"Die hebben we laten kastijden wegens diefstal."

"En een tijdje later, gaven jullie toen niet weer een bal? En is er bij die gelegenheid niet een zilveren beker gestolen?"

"Klopt," prevelde de graaf.

"Die huishoudster, dat was geen slecht mens," zei het meisje, "wij hebben toen die beker gestolen! Ik hoop dat het nu duidelijk is dat ik jullie dochter ben, en deze jongeman hier wil ik als echtgenoot."

"Waar heb je die arme sloeber in godsnaam opgeduikeld?" vroeg de graaf.

Het meisje vertelde: "Het was kerstavond en deze schat zat in het badhuisje op zijn citer te spelen. Toen vroeg ik of ik naar hem mocht kijken. Dat mocht. Ze stuurden me naar binnen om voor hem te dansen en ze bevalen me hem te kussen, want we wilden hem inpalmen. Maar deze snuiter was ons te slim af! Twee avonden achtereen bracht ik vrijblijvend met hem door. Maar de derde avond gooide die rakker me een kruis om mijn hals, en toen ben ik bij hem gebleven. De volgende morgen ben ik hem achternagelopen. Kortom, zo heeft hij mij uit de ban van die heksen verlost."

De graaf erkende het meisje als zijn dochter. "Maar wat moeten we nu beginnen met dat kindje dat al eenentwintig jaar bij ons is?" vroeg hij. "Er zit maar een ding op," sprak het meisje op gedecideerde toon. "Je moet een brandstapel laten bouwen en die aansteken en mij dan het kind geven!" Ze brachten haar het poppedeintje, dat zij met een fluks gebaar op een grote spa legde en met een boogje in het vuur wipte. De ontzette heksen krijsten uit het raam: "Verbrand ons kind niet!" Maar reeds sloegen de vlammen hoog op, de huid van het kindje barstte open en spatte van het lijfje af, en toen de vuurzee luwde bleek er van het heksenkind niets anders over te zijn gebleven dan een klomp elzenhout.

Het meisje liep naar haar aanstaande toe en toonde hem de houten stomp te midden der smeulende resten van de brandstapel, en de graaf zei tegen hem: "Het lijkt me dat jullie maar eens moesten gaan kijken hoe het met je huis is!" - "Maar ik heb niet eens paarden voor de reis erheen," antwoordde de jongeling. De graaf liet paarden en een gerieflijke reiskoets voor ze aanrukken en gaf hun bovendien ook nog een koetsier, en zo reden ze in ongekende luxe naar het huisje waar de jongeman gewoond had. Zijn povere hut maakte een armzalige indruk en de graaf sprak: "Over een maand staat hier een degelijk huis van steen!" Ze bouwden een mooi stenen huis voor hem, waar hij met zijn jonge bruid introk, en daar, in dat fraaie en deugdelijke bouwwerk, wonen ze nu nog.

* * * einde * * *

Bron : - "- "Sprookjes uit Finland en Estland" bijeengebracht door August von Löwis of Menar. A.W. Bruna & Zoon, Utrecht/Antwerpen, 1979.
            - Oorspronkelijke titel: Finnische und Estnische Märchen © 1962 Eugen Diederichs Verlag Düsseldorf-Köln. ISBN: 90-229-3311-3
            - www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:40 1 reactie Reageer op dit bericht

Een heks in Queen's County

Een heks in Queen's County
- Een Iers volksverhaal over een heks die melk steelt -
Het was in de meimaand van het jaar 1759 dat een rooms katholieke priester uit de buurt van Rathdowney, in Queen's County, te middernacht werd gewekt om een stervende bij te staan in een afgelegen gedeelte van zijn parochie. De priester gaf zonder dralen gehoor aan het verzoek, en toen hij zijn plicht jegens de stervende zondaar had vervuld en deze afscheid van het leven had genomen, verliet hij het huisje weer. Omdat het nog donker was bood de man die de priester had gehaald aan hem naar huis te vergezellen, maar hij weigerde en aanvaardde de terugtocht alleen. De grijze dageraad verscheen reeds achter de heuvels. De brave priester was verrukt van de schoonheid van het nachtlandschap en onder het rijden ging hij geheel op in zijn omgeving, terwijl hij af en toe met zijn karwats naar de vleermuizen en prachtige grote nachtvlinders sloeg, die telkens van de ene heg naar de andere over de verlaten weg fladderden.

Zo vervolgde hij langzaam zijn weg, tot de naderende zonsopgang alle voorwerpen duidelijk zichtbaar maakte; toen steeg hij af, sloeg zijn arm door de teugel en haalde zijn brevier te voorschijn, waarop hij kalm voortwandelend de ochtendmis begon te lezen. Hij had nog niet ver gelopen toen hij merkte dat zijn paard, een bijzonder vurig dier, midden op de weg bleef staan en strak naar een weiland staarde waarin een paar koeien graasden. Maar de priester besteedde geen bijzondere aandacht aan dit gedrag en liep een paar stappen door, toen het paard plotseling de achterbenen omhoog gooide en zich met grote heftigheid trachtte los te rukken. Het kostte de priester de grootste moeite het dier in bedwang te houden en toen hij het nader bekeek zag hij dat het dier trilde van top tot teen en baadde in het zweet. Het was nu wat bedaard, maar weigerde ook maar een stap te zetten en dreigementen noch zoete woorden konden het daartoe brengen.

De priester was hogelijk verbaasd, maar herinnerde zich toen vaak gehoord te hebben dat men een geschrokken paard in beweging kan krijgen door het te blinddoeken. Hij haalde zijn zakdoek te voorschijn en bond het zijn paard voor de ogen. Daarna steeg hij op en toen hij het zachtjes aantikte ging het zonder tegenstribbelen voorwaarts, ofschoon het nog steeds hevig trilde en zweette. Ze waren nog niet ver gevorderd, toen ze bij een pad uitkwamen, aan weerszijden geflankeerd door een hoge heg, dat van de hoofdweg naar het weiland voerde waar de koeien graasden. De priester keek toevallig het pad op en zag daar een schouwspel dat het bloed in zijn aderen deed stollen. Het waren de benen van een man, zichtbaar tot de heupen, zonder hoofd of lichaam, die met flinke pas over het pad draafden. De brave priester was zeer ontsteld, maar hij was een moedig man en besloot, wat er ook gebeuren mocht, te blijven staan om nader kennis te maken met deze eigenaardige geestverschijning. Hij bleef dus staan en de verschijning zonder hoofd deed hetzelfde, alsof hij niet dichterbij durfde te komen.

Toen de priester dat zag leidde hij zijn paard wat verder van de toegang tot het pad vandaan, waarop het spook weer verder liep. Al gauw kwam het de weg op en nu kreeg de priester gelegenheid het nauwkeurig te bestuderen. Het droeg een gele kniebroek van bukskin, bij de knieën strak dichtgebonden met groen band; het had kousen noch schoenen aan, en de benen, die waren bedekt met lange rode haren, zaten vol bloed en modder, vermoedelijk opgedaan tijdens de tocht door de stekelige heggen. Hoewel de priester zeer ontdaan was, wilde hij toch de verschijning graag aan een nader onderzoek onderwerpen en hij riep al zijn geestkracht te hulp om hem te durven aanspreken. De verschijning liep nu een eindje voor hem uit, in zijn gewone draftempo, en de priester zette zijn paard aan tot het hem had ingehaald en sprak hem vervolgens aan: "Hei daar, vriend! Wie ben je en waar ga je zo vroeg naartoe?"

De afzichtelijke verschijning gaf geen antwoord, maar stiet een woest en onmenselijk gegrom uit: "Grrmm."

"Een mooie ochtend om rond te spoken," zei de priester.

Weer kwam er een "Grrmm" als antwoord.

"Waarom zeg je niets?"

"Grrmm."

"Je schijnt niet erg spraakzaam te zijn vanochtend."

Weer een "Grrmm".

De brave man begon zich te ergeren aan het koppige stilzwijgen van het lugubere wezen en zei enigszins verhit: "In naam van alles wat heilig is beveel ik je mij te antwoorden. Wie ben je en waar ga je naartoe?"

Weer klonk er een "Grrmm," luider en dreigender dan tevoren, als enige antwoord.

"Misschien word je wat spraakzamer," zei de priester, "als ik je eens met de zweep laat kennis maken." En bij die woorden gaf hij met zijn karwats een harde klap op de broek van de geestverschijning.

De geest stiet een woeste en naargeestige kreet uit en viel voorover op de weg, en tot zijn verbijstering zag de priester dat deze vol melk stroomde. Hij was met stomheid geslagen. Terwijl de melk aan alle kanten uit de geest bleef spuiten, begon het de priester te schemeren voor de ogen en werd hij door duizelingen overmand. Enige minuten was hij als verdoofd en toen hij bijkwam was de angstaanjagende geest verdwenen en in plaats daarvan zag hij, languit en half verdronken in de melk, de gedaante van Sarah Kennedy op de weg liggen. Deze oude vrouw was reeds lang in de omgeving berucht om haar heksenpraktijken en nu bleek dat zij met behulp van duivelse machten die monsterlijke gedaante had aangenomen om in alle vroegte de koeien van het dorp leeg te zuigen. Had er voor zijn ogen een vulkaanuitbarsting plaatsgevonden, dan had zijn verbijstering niet groter kunnen zijn. Nog enige tijd stond hij in stomme verbazing naar de oude vrouw te staren, die kreunend en krampachtig schokkend voor hem lag.

"Sarah," sprak hij ten slotte, "hoe vaak heb ik je niet gemaand je af te keren van je boosaardige praktijken, maar je bleef doof voor mijn woorden, hoe ik ook aandrong. En nu, ellendige vrouw, ben je verrast tijdens je wandaden."

"O eerwaarde, alstublieft," schreeuwde de ongelukkige vrouw, "kunt u niets doen om mij te redden? De hel staat voor mij open en er staan al legioenen duivels om mij heen te wachten om mij naar de verdoemenis te brengen."

De priester had de kracht niet om te antwoorden; de pijnen van het ongelukkige schepsel werden heviger; haar lichaam zwol op tot immense afmetingen, haar ogen fonkelden als vurige kolen en haar gezicht was zwart als de nacht. Haar hele lichaam kronkelde zich in duizend bochten en haar kreten waren verschrikkelijk om aan te horen. Toen werd haar blik wazig, haar ogen vielen dicht en binnen enkele minuten gaf zij onder de afschuwelijkste martelingen de geest.

De priester ging huiswaarts en klopte bij het eerstvolgende huisje aan om de vreemde gebeurtenissen te melden. Het stoffelijk overschot van Sarah Kennedy werd naar haar huisje gebracht, dat op enige afstand aan de rand van een klein bos stond. Ze had lange tijd in die streek gewoond, maar was een vreemde gebleven en niemand wist waar ze vandaan kwam. Ze had geen familie in het graafschap behalve één dochter, nu reeds op jaren, die bij haar inwoonde. Ze had één koe, maar verkocht naar men zei meer boter dan welke boer in de parochie ook, en er werd algemeen vermoed dat ze die verkreeg met behulp van duivelse machten, want ze maakte er nooit een geheim van dat ze zeer vertrouwd was met de praktijken van elfen en heksen. Zij verklaarde rooms katholiek te zijn, maar was nooit praktiserend lid van die kerk en daar een christelijke begrafenis haar werd ontzegd, werd haar stoffelijk overschot begraven in een zandgroeve in de buurt van haar eigen huisje.

Op de avond van haar begrafenis kwamen de dorpelingen bijeen en brandden haar woning tot de grond toe af. Haar dochter vluchtte weg en is nooit teruggekeerd.


                                         * * * EINDE * * *
Bron : - "Ierse elfenverhalen en andere volksvertellingen uit Ierland" samengesteld en ingeleid door W.B. Yeats.
            Uitgeverij Sirius en Siderius, Den Haag, 1983. ISBN: 90-644-10208
            - www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:22 2 reacties Reageer op dit bericht

Cilie de Nevelhekse

Cilie de Nevelhekse
- Een Hoogeveense sage over de Drentse Romeo en Julia -
Rond 1700 woont er nabij Hollandsche Veld - een dorpje vlakbij Hoogeveen - een schutmeester die De Stroeve wordt genoemd. Hij is verantwoordelijk voor het stuwen van het water in het Riegmeer en de omliggende vaarten. Het volk is bang voor hem; hij is moeilijk in de omgang en men beweert dat hij aan 'zwarte kunst' doet.

De schutmeester woont samen met zijn oude huishoudster en zijn pleegdochter Cilie. Het meisje heeft een mooie stem en zingt ze de prachtigste liedjes die de bewoners en de schippers betoveren. Over haar afkomst wordt geheimzinnig gedaan. Ze zou het bastaardkind zijn van een Surinaamse slaaf en de vrouw van een plantage eigenaar. Volgens de bevolking wijst alles erop dat Cilie een heks is...

Tijdens een warme zomer logeert bij de familie Bentinck in Hoogeveen een adellijke jonge arts, Allard genaamd. Hij is uit Den Haag gekomen en gebruikt deze zomer om nieuwe levenslust op te doen in de natuur. Wanneer hij op een dag buiten is wordt hij aangetrokken tot het Riegmeer. Hij probeert het te bereiken via een door kreupelhout omzoomd dijkje. Dan hoort hij een prachtige zangstem: een reine en zuivere stem van een jong meisje dat hem verder en verder lokt, tot achter de woning van De Stroeve, waar hij met ingehouden adem blijft staan luisteren en kijken...

Plotseling klinkt er een vreselijke schreeuw. Marije, een meisje uit Hollandsche Veld, blijkt gebeten door een adder en Allard snelt toe. Als arts weet hij wat hem te doen staat: hij pakt zijn pennenmesje, opent de wond en bindt de ledemaat af met zijn zakdoek. Maar de gedachten aan de stem en de verschijning van het wonderschone meisje laten hem niet los... Hij vraagt aan iedereen hem iets over Cilie te vertellen. De mensen zeggen echter dat ze vanwege haar neiging om in de ochtend- en avondschemering de velden in te trekken 'Nevelhekse' wordt genoemd. Hij blijft er over praten en het lijkt wel of Allard 'betjoend' is door haar gezang, dat hij in haar macht is...

De volgende dag brengt Allard een bezoek aan de zieke Marije. Haar moeder is woedend: "Als Marije komt te steven," zo gilt ze, "dan zal die Nevelhekse haar volgen! Haar gezang heeft zowel Marije als de adder behekst!" Allard schrikt en gaat naar het huis van De Stroeve om hem en Cilie te waarschuwen. De man is niet thuis, maar hij heeft wel een tweede ontmoeting met het meisje. Haar onschuld en puurheid laten hem in een hevige verliefdheid ontbranden... Hij kiest er echter voor zijn liefde voor Cilie te onderdrukken. Hij is van adel en hoe zullen zijn ouders reageren als hij met zo'n heidinnetje thuis zou komen? Bovendien heeft zijn moeder al een huwelijk geregeld met een adellijke dochter van een van haar Haagse vriendinnen.

Wanneer hij enige tijd later langs het kerkhof loopt, is de koster bezig met het graven van een graf. Tot zijn grote schrik wordt hem door de man verteld dat het graf bestemd is voor Marije. Ze is dood! Tijdens haar begrafenis wordt het volk opgezweept in de strijd tegen het boze. "Marije stierf onder een vloek van een heks en de heks zal moeten boeten," zo fluisteren de mensen op weg naar huis.

Een paar dagen later ondergaat Cilie haar lot. Ze wordt uitgescholden, geslagen en bijna door Marije's moeder gewurgd. Ze wordt door haar in het Riegmeer gegooid, maar net op dat moment komt Allard uit de struiken tevoorschijn en springt hij Cilie na en lukt het hem haar te redden van de verdrinkingsdood. Na deze gebeurtenis hebben Allard en Cilie dagelijks contact. Hun vriendschap groeit en Cilie vertelt hem haar eigen levensverhaal. Volgens haar is ze een kind uit een adellijk huis, een dochter van een Franse edelman.

Wanneer zijn moeder hoort van Allards' vriendschap met het meisje en haar slechte reputatie verneemt, wordt hij gedwongen terug te keren naar Den Haag. Hij neemt afscheid van een betraande Cilie en belooft haar snel te zullen terugkeren en haar te zullen schrijven. Zijn brieven worden echter achtergehouden door De Stroeve en Cilie raakt langzaam maar zeker wanhopig en ten einde raad. Ze gaat zelfs bij de familie Bentick in Hoogeveen naar Allard vragen, maar ze wordt alleen maar uitgelachen en beschimpt. Op de weg naar huis wordt ze bovendien nog met stenen bekogeld en uitgescholden door een krijsende menigte.

Vier dagen later wordt De Stroeve midden in de nacht wakker door het geluid van een waterval. Als hij gaat kijken blijkt het schut open te staan, waardoor het water zich met donderend geraas in de brede sloot stort. Hij vindt geen spoor van Cilie. Ze is verdwenen. Ze heeft het schuthuis in weer en wind verlaten in haar nachtkleding.

De Stroeve vervalt in driftbuien en gewetenswroeging. Drie dagen na haar verdwijning meldt hij zich bij politie en bekent een drievoudige moord. Zijn echte naam is Martin Balringe. Hij is slavendrijver geweest op een Surinaamse plantage. Daar werd Cilie geboren, als dochter van zijn meester, de markies De Cosse. Martin lokte een opstand uit, doodde de markies en vertrouwde Cilie toe aan een tante. Deze vroeg kort voor haar dood het meisje naar Nederland te brengen, naar haar familie in Amsterdam. Martin ging echter rechtstreeks naar het Hollandsche Veld, geld en juwelen met zich meenemend.

Jonker Allard komt drie dagen na Cilie's verdwijning naar Hoogeveen. Vergeefs doorkruist hij de velden, in de hoop dat Cilie zich ergens verschuilt. Op zoek naar haar lijk laat hij in alle plassen vissen. Ze wordt niet gevonden. Allard legt zijn oor te luister bij de bevolking, maar het enige wat hij verneemt is roddel en achterklap. Allard is uiteindelijk weer naar Den Haag gegaan, maar niet voor lang. In de loop van 1706, het jaar van Cilie's verdwijnen, maakt hij de eerste van een serie lange reizen. Men zegt dat hij dat deed in de hoop afleiding te vinden voor zijn zielsverdriet...


                                         * * * EINDE * * *
Bron : - "Het ware, maar o zo verdrietige verhaal van Cilie de Cosse, bijgenaamd NEVELHEKSE en jonker Allard, zoals dit tot ons kwam via Albert Steenbergen"
            Bewerkt door Albert Metselaar, Hoogeveen.
            - www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:16 2 reacties Reageer op dit bericht

Hoefijzers aan handen en voeten

Hoefijzers aan handen en voeten
- Een Limburgs heksenverhaal over het berijden van de nachtmerrie -
Op de Abtstraat te Maastricht woonde eens een vrouw, die met de dag magerder werd. Van een dokter wilde zij niet meer weten; die kon haar toch niet helpen, beweerde ze. Zij durfde, naar het scheen, niet goed te zeggen, wat haar mankeerde; het werd echter op het laatst zo erg met haar, dat haar man nog eens bij haar aandrong: "Maar zeg mij nu in Gods naam toch eens, wat je denkt, dat je scheelt? Je teert met de dag meer en meer uit."

"Och," klaagde de vrouw, "ik zal het je dit keer zeggen. Iedere nacht komt er een vrouwspersoon bij mij aan het bed, dat werpt mij een toom over het hoofd en in hetzelfde ogenblik verander ik in een paard en dan rijdt dat vrouwspersoon op mij rond, tot aan het klaren van de morgen. Kan ik op die manier wel dik worden?"

Nu begreep de man, waarom hij 's nachts wel eens dat hinniken en snuiven en dat schuren van hoeven over de vloer had gehoord. Hij had altijd gemeend, dat te hebben gedroomd, te meer, daar hij vroeger bij de huzaren had gediend en die geluiden dus aan zijn herinneringen van den dienst toeschreef. Hij wist geen raad en was al van plan er een geestelijke bij te halen, toen hij toevallig met iemand over het geval te spreken kwam. Deze ried hem, 's nachts eens - onder een of ander voorwendsel - van plaats te verwisselen met zijn vrouw. Hij moest dan proberen zich goed wakker te houden, anders zou hij zelf het kind van de rekening worden. Wanneer er dan wat voor het bed kwam en probeerde hem iets over het hoofd te gooien, moest hij vlugger zijn, dat voorwerp grijpen en dadelijk werpen over het hoofd van datgene, wat hem dat wilde aandoen. Dan zou zich wel een paard vertonen. "Houdt dat goed bij de toom vast en waar jij vroeger gereden hebt, rijdt jij het eens een nacht duchtig af en ga er dan mee naar de hoefsmid, om het te laten beslaan. Dan zul je naderhand wel merken, wie je dat alles aandoet."

De man volgde die raad op en wist zijn vrouw te bepraten een nacht van plaats te verwisselen. Hij lag nu voor en zij achter. Omstreeks elf uur werd de deur van de slaapkamer voorzichtig geopend en trad en een wijf binnen met een toom in de handen. Zij sloop naar het bed en probeerde degene, die voor lag, de toom over het hoofd te werpen; maar deze, dit keer niet lui, greep vlug die toom en wierp hem over het wijf, dat dadelijk als een flinke, grauwe merrie voor hem stond. "Zo, beestje," zei de man, "nu zal ik op jou eens proberen of ik het rijden nog niet verleerd heb. Je bent nu lang genoeg ruiter geweest!"

Hij leidde het paard tot op de straat, sprong er op en bereed het, tot de morgen begon te schemeren. Toen klopte hij bij een hoefsmid aan en liet de merrie vier hoefijzers stevig onder de poten slaan. Daarna leidde hij het paard weer naar huis. Toen hij zijn vrouw wilde roepen om haar ook eens haar plaaggeest te laten zien, liet hij, vergetend wat zijn raadsman hem zo op het hart had gedrukt, even de teugels los; terstond sprong het beest weg en was verdwenen, eer hij er zich goed en wel rekenschap van had kunnen geven.

Nu woonde er in dezelfde straat een andere vrouw, die geen goede naam had en die altijd ruzie met de zijne had. Die vrouw vertoonde zich die dag niet. Dat viel zoveel te meer op, waar zij anders altijd te kletsen stond en de bewoners van de buurt heimelijk tegen elkaar ophitste. Ook de volgende dag werd zij niet gezien. Toen men haar ook de derde dag nog miste, werd de politie er bij gehaald en deed deze de deur openbreken.

Men vond het wijf ziek te bed liggen, steunende van pijn. Dat kwam de man van de vrouw, die altijd door dat paard geplaagd werd, erg verdacht voor. Hij deed of hij erg met de zieke begaan was, stak haar de hand toe en vroeg schijnbaar deelnemend, hoe zij het maakte. "Slecht! Slecht!" antwoordde de vrouw, maar zij nam de toegestoken hand niet aan. "Wat?" vroeg de man of hij er erg geraakt over was, "ben ik geen hand waard, dat gij ze niet aanneemt?" en meteen reet hij het wijf de dekens af; hij meende nu wel zeker te zijn van zijn zaak.

Zo was het ook, want allen zagen het nu: het wijf lag daar met stevige hoefijzers aan handen en voeten. Men wist genoeg.

Later is de vrouw, na zich, tijdens een zware ziekte en op de rand van het graf zijnde, te hebben bekeerd, echter door een priester verlost.


                                         * * * EINDE * * *
Bron : - "Limburgs sagenboek" door Pierre Kemp.
            Gebrs. van Aelst. Maastricht, 1925.
            - www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:03 4 reacties Reageer op dit bericht

Het zieke been

Het zieke been
- Een sage uit Gulpen over dansende heksen in de nacht -
Te Gulpen had een jongeman verkering met een meisje dat de naam had een heks te zijn. De ouders van de jongeman waren er zeer tegen dat hij omgang met haar had, en drongen zo lang bij hem aan, dat hij de verkering verbrak.

Op zekere dag was hij naar de kermis in een naburig dorp gegaan. Laat in de nacht, tussen twaalf en een, kwam hij naar huis en moest daarbij over een weide. De volle maan scheen helder; het leek wel dag. Onder een groep bomen hoorde hij muziek en dans.

"Daar moet ik bij zijn," dacht hij in zijn kermisstemming. Hij ging eropaf en toen hij naderbij kwam, zag hij dat daar verscheidene jonge meisjes aan het dansen waren.

"Joechhei!" riepen de meisjes toen ze hem zagen. Zij nodigden hem uit met hen te dansen en zij gaven hem ook een beker wijn, die hij op hun gezondheid moest ledigen.

Daarna koos hij zich onder de meisjes er een uit, die hem het meest beviel en danste met haar mee in de kring.

Toen hij met haar een poosje gedanst had, kwam een van de andere meisjes naar hem toe en spuwde hem de hele tijd in het gelaat. Hij trok zich daar niets van aan en danste, en dronk uit de beker die telkens voor hem werd gevuld.

Terwijl zij echter zo aan het dansen waren, nieste een van de meisjes. "God zegene u!" riep de jongeman haar toe, maar toen hij dit zei, was alles plotseling verdwenen, behalve de beker die hij nog in zijn hand hield.

Hij troostte zich al gauw over het verlies van zijn schone danseres, denkende, je hebt toch in ieder geval de beker, en ging naar huis. Onderweg sprong hem de gehele tijd een zwarte kat tussen de benen. Zij legde het er maar op aan, hem te doen struikelen.

Toen hij thuiskwam, vroeg zijn moeder hem al dadelijk: "Wat heb je daar voor een vies ding in de hand!"

"Wel, dat is een beker, die hebben de meisjes met wie ik heb gedanst, mij gegeven!"

"Ben je gek, jongen! Kijk eens goed!"

De jongeman keek en zag nu, evenals zijn moeder het had gezien, dat hij niet een beker, maar een paardenpoot in de hand hield. Zijn moeder gebood hem, die paardenpoot dadelijk op de mestvaalt te werpen. Dat deed hij.

De volgende morgen voelde hij zich echter niet wel en klaagde hij over pijn in het linkerbeen. Dat werd al erger en erger. Een dokter werd erbij gehaald, maar deze kon niets aan het been merken. Een tweede dokter, eveneens geroepen, verklaarde hetzelfde. En zo moest de jongeman geruime tijd het bed houden.

Daar de toestand niet veranderde en duren bleef, meende de moeder, ten einde raad, dat er iets achter schuilde. Daarom stelde zij haar jongen voor, zijn vroegere liefje eens bij hem te laten komen. De jongen was daar echter niet erg over te spreken en hij was ook bang een weigerachtig antwoord te krijgen. Van de andere kant was hij er nog altijd niet van overtuigd dat zij een heks zou wezen, en daarom liet hij haar roepen.

Het meisje kwam en om toch wat te zeggen, vroeg de jongen haar, waarom zij hem nog niet eens had bezocht. Zij moest toch wel weten dat hij ziek was. "Nee, daar heb ik niets van geweten!" antwoordde zij. Hij vertelde haar toen alleen iets over het been en verzweeg de nachtelijke ontmoeting met de danseres.

Zij vroeg hem, het been eens te mogen zien. Hij voldeed aan haar verzoek; nauwelijks had zij het been gezien of zij zei, terwijl zij er een naald uittrok: "Domme ezels, jij en de dokters, heeft nu geen van jullie drieën kunnen zien, dat er een naald in je been stak!"

Nadat zij de naald er uit getrokken had, was het been ineens genezen. Zij had intussen bewezen, wel degelijk een heks te zijn; de jongen wilde sindsdien niets meer van haar weten. Hij had nu het bewijs dat zijn ouders gelijk hadden.


                                         * * * EINDE * * *
Bron : - "Limburgs sagenboek" door Pierre Kemp. Gebrs. van Aelst. Maastricht, 1925.
            - www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:11 6 reacties Reageer op dit bericht

De granaatappels(slot)

De granaatappels (slot)
- Een Italiaans sprookje over een sombere jongen en een heks -
De twee meisjes vertelden dat er een koningszoon langs was gekomen die Caterina had verlost. Daarop werd de oude heks zo ziedend, dat ze onmiddellijk de achtervolging inzette. Caterina was een schrander kind en had allang in de gaten dat ze achterna werden gezeten door de oude kol. Toen ze de heks dichterbij zag komen, wierp ze de walnoot weg. Op de plek waar de noot viel verrees prompt een kapel, terwijl het meisje in een priester veranderde en de prins in een geestelijke.

De oude vrouw ging de kapel binnen.

"Hebt u een meisje en een jongeling langs zien lopen?"

"U wenst?" antwoordde de geestelijke. "Wilt u misschien de mis bijwonen? De klokken luiden al."

"Onzin! Ik wil alleen maar weten of u een meisje en een jongeling hebt gezien," zei de oude heks.

"Wilt u de zegen ontvangen? Het zal u goed doen. Of wilt u misschien biechten?"

De geestelijke maakte de oude heks zo in de war, dat ze vertrok. Het meisje en de prins stapten weer in de koets en reden door. De oude vrouw keerde terug naar de twee meisjes.

Toen ze zag dat het derde meisje ook de hazelnoot had meegenomen die ze voor haar had moeten bewaren, gaf de oude kol een gil van verbijstering en riep: "Heilige Maria! Heeft Caterina ook de hazelnoot meegenomen?"

"Natuurlijk," antwoordden de twee meisjes.

Opnieuw zette de oude vrouw de achtervolging in. Toen ze op het punt stond om Caterina in te halen, gooide Caterina de hazelnoot weg. Op de plek waar de hazelnoot was terechtgekomen, schoot een prachtige tuin uit de grond. Caterina was in een tuinierster veranderd en de prins in een tuinder.

"Hebt u misschien een meisje en een jongeling gezien?" vroeg de heks aan de tuinierster.

"U wenst?" zei de tuinierster. "Wilt u een bos rozen? Ik kan ze meteen voor u plukken."

"Rozen, onzin! Ik wil..."

"Nu weet ik het. U wilt een bos acaciabloemen. Ik haal ze wel even..."

Kortom, ook de tuinierster maakte de oude heks zo in de war, dat ze rechtsomkeer maakte en de twee hun reis voort konden zetten. De oude vrouw wilde van de twee meisjes weten: "Heeft Caterina ook de amandel meegenomen?"

"Ja, ze heeft alles meegenomen, zelfs het toverzweepje."

"O jee, wat ben ik stom. Als ik haar te pakken krijg, dan zwaait er wat!"

En weer begon ze te rennen. Ze rende zo hard ze kon en omdat ze een heks was, haalde ze Caterina natuurlijk spoedig in. Maar Caterina was niet dom en zodra ze de oude tovenares aan zag komen, wierp ze de amandel weg. Plotsklaps verscheen er een woeste rivier die net als andere rivieren vol water was. Maar zodra iemand een voet in het water zette, werd hem de pas afgesneden, want het water van deze rivier was zo scherp als een mes. De heks kon dus niet verder. Uiteindelijk besloot ze het toch te wagen en sprong in het water. Het duurde niet lang of ze was in kleine stukjes gesneden. Zo was het water haar dood geworden. De rivier verdween zoals hij was gekomen en de betoveringen verloren hun kracht. De prins keerde met Caterina terug om de andere meisjes op te halen en samen reden ze naar het paleis.

De prins huwde met Caterina, de jongste van de drie meisjes, en huwelijkte de andere meisjes uit aan twee prinsen. Zo werd een zwaarmoedige prins toch nog vrolijk.


                                         * * * EINDE * * *
Bron : - "Heksensprookjes. Sagen, sprookjes en mythen over magische vrouwen" vertaald door Gerrit J. ten Bloemendaal.
            Elmar, Rijswijk, 2003. ISBN: 90-389-1428-8
            - www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:00 12 reacties Reageer op dit bericht

De granaatappels

De granaatappels
- Een Italiaans sprookje over een sombere jongen en een heks -
Een koning had een zwaarmoedige zoon. Was hij niet depressief, dan was hij wel gedeprimeerd. Hoe dan ook, nog nooit had iemand hem zien lachen. Eigenlijk kon hij nergens om lachen; geen vermaak, geen afleiding vond hij de moeite waard. De koning wist zich allang geen raad meer. Om zijn zoon aan het lachen te krijgen had hij al van alles geprobeerd. Er waren tovenaars aan het hof verschenen, de beste en beroemdste artsen uit alle delen van de wereld hadden de zoon onderzocht en adviezen gegeven, talloze hofnarren hadden hun kunsten vertoond.

Op zekere dag had de koning toch nog een idee: op het plein voor het paleis liet hij drie klaterende fonteinen aanleggen: één met wijn, één met olie en één met azijn. Hij nodigde de mensen in de stad uit om te komen halen wat ze konden gebruiken. En dat gebeurde ook. De mensen dromden naar het plein en haalden wat ze konden krijgen. Er werd geduwd en geslagen. Het leek wel een gekkenhuis. De mensen waren door het dolle heen.

De prins bekeek het tafereel door een raam van het paleis zonder een spier van zijn gezicht te vertrekken. Zeven dagen later waren de voorraden vrijwel op. Alleen de oliefontein druppelde nog wat toen een oud vrouwtje met een grote fles kwam aanzetten. Ze liet de fles druppeltje voor druppeltje vollopen Maar omdat het nogal lang duurde en ze al die tijd in een ongemakkelijke houding moest staan, begon ze ongeduldig te worden. De prins, die nog steeds uit het raam stond te kijken, nam een steen, wachtte tot de fles van het vrouwtje bijna vol was en mikte toen zo precies dat de fles uiteenspatte.

Hij lachte zich kapot.

Het oude vrouwtje werd woedend op hem en zei: "Ha! Je bent het lachen dus toch nog niet verleerd, vlegel dat je bent. Maar weet wel dat je nooit gelukkig zult zijn zonder een meisje van melk en bloed."

Deze woorden maakten de prins zwaarmoediger dan ooit. Hij zei tegen zijn vader dat hij de wereld in wilde trekken om een meisje te vinden van melk en bloed. Met een gevulde beurs trok hij eropuit. Hij wandelde en wandelde, zag veel steden en veel landen, maar het meisje dat hij zocht, vond hij niet.

Op zekere ochtend kwam hij in een bos. Het bleek zo ongelooflijk groot dat de koningszoon dagenlang liep zonder iemand tegen te komen. Lopen maakt dorstig, maar nergens was water te vinden. Er was zelfs geen huis waar hij om water had kunnen aankloppen. Hij besloot erbij te gaan zitten, want hij was te moe om nog door te lopen. Nadat hij enigszins was uitgerust, zag hij opeens een boom met drie granaatappels. Ha, dacht de prins, daar lust ik er wel een van: een appeltje tegen de dorst!

Hij plukte een appel, sneed hem door en ziedaar, er sprong een meisje uit. Wit en rood van melk en bloed. De prins zei tegen haar:"Ga je met me mee en wil je bij me blijven?"

"Heb je te eten en te drinken voor mij?"

"Nee."

"Dan blijf ik niet bij jou."

Ze keerde terug in de granaatappel en de appel verdween tussen de bladeren. De prins plukte een andere appel, sneed hem door en ook dit keer sprong er een meisje uit. Ook zij vroeg aan hem of hij te eten en te drinken had, en ook dit keer moest hij nee verkopen. Net als het eerste meisje wilde ook dit meisje niet bij de prins blijven. Vervolgens plukte hij de derde appel. Alweer kwam er een meisje uit van melk en bloed, maar dit keer beantwoordde hij haar vraag met ja.

"Dan blijf ik bij jou," zei het meisje.

Ze vertelde dat ze was betoverd door een boze tovenares die alle meisjes in granaatappels had opgesloten. Ze hadden een toverzweepje, een hazelnoot, een amandel en een walnoot voor de heks moeten bewaren, wat haar nu goed van pas kwam. Ze sloeg met het zweepje en sprak: "Geef me een koets met paarden." En meteen verscheen er een prachtige koets met vier witte paarden ervoor. Het meisje en de prins stapten in en reden weg. De heks, een oude vrouw, keerde even later bij de boom terug en zag dat er nog maar twee granaatappels aan hingen. Ze liet de twee andere meisjes eruit en vroeg heel grimmig: "Waar is Caterina?"


                                    * * * wordt vervolgd * * *
Bron : - "Heksensprookjes. Sagen, sprookjes en mythen over magische vrouwen" vertaald door Gerrit J. ten Bloemendaal.
            Elmar, Rijswijk, 2003. ISBN: 90-389-1428-8
            - www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:56 5 reacties Reageer op dit bericht

Akkes-Kil

Akkes-Kil
- Een heksenverhaal uit de Waddeneilanden -
Akkes-Kil was een echte heks en ze woonde in het dorpje de Waal op Texel.
Ze was beslist niet zo goedaardig als de Sommeltjes van de Sommeltjesberg.
Ze wachtte lang niet altijd tot het avond was voor ze te voorschijn kwam om haar nare streken uit te halen, hoewel ze zich in het nachtelijk donker, als de wind de takken van de bomen deed kreunen, wel op haar best voelde.

Ze had de gewoonte om over haar onderdeurtje te hangen, zo'n groen half deurtje met zo'n mooie koperen klink eraan.
Dat deurtje en die klink zagen er onschuldig genoeg uit, maar als je Akkes-Kil zag, wist je meteen dat iets loos was.

Ze stond daar zoals heksen wel vaker doen, haar armen over elkaar en haar scherpe neus vooruitgestoken.
Ze had een paar ogen boven die enorme neus die je niet gewoon aankeken, nee, die keken dwars door je heen.
Naast haar zaten altijd twee witte katten op het randje van de onderdeur, elk aan een zijde.
Die katten hadden ogen om bang van te worden en ze zetten kromme ruggen en dikke staarten om van te griezelen.
Wanneer er dan per ongeluk iemand langskwam, begon Akkes-Kil haar kunsten te vertonen.
Ze keek de ongelukkige scherp aan met haar heksenogen en als hij zo bang was dat zijn benen trilden, begon ze hem te bekogelen met de loden gewichten van haar klok.
Van die grote gewichten zoals ze aan een staande Friese klok hingen, dus dat kwam hard aan.

Nee Akkes-Kil was beslist een hele slechte heks.


                                         * * * EINDE * * *
Bron : - Uit Verhalen van de Waddeneilanden, uitg. HMP Voila 2002
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:06 13 reacties Reageer op dit bericht

De behekste schapen

De behekste schapen
- Een Tiels volksverhaal over een gekke schapenziekte -
In 1845 leefde er in de buurt van Tiel een familie die veel schapen bezat. Op een dag brak er echter onder de schapen een ziekte uit en wel zo eigenaardig dat ook de veearts er geen raad mee wist. Als een schaap die ziekte kreeg dan ging het op z'n achterste zitten, draaide de voorpoten in het rond en bleef zo spelen tot het dood in het hok neerviel.

De familie, die leefde van de schapenfokkerij, had zo al heel wat schapen verloren en men was ten einde raad. De man des huizes ging op een morgen naar de markt en zei: "Ik kom niet eerder terug voordat ik raad weet."

Met gebogen hoofd liep hij die maandag over de markt en hij piekerde zich suf over die vreemde ziekte onder zijn schapen. "Wel Kobus, wat scheelt eraan?" hoorde hij opeens. "Je kijkt zo treurig. Kan ik je soms helpen?"

"Ach man," zei de schapenfokker, "of ik nu vertel wat er aan de hand is of niet; het helpt toch niet."

"Ken je me niet?" vroeg de ander.

"Nee, jij noemt mij wel bij m'n naam, maar ik ken je niet."

"Als ik je mijn naam zou noemen, dan zou je me wel kennen. Maar kom, vertel nou toch es wat er aan de hand is. Misschien kan ik je helpen."

En toen vertelde Kobus van die vreemde ziekte waarbij zijn schapen op hun achterste gingen zitten en net zo lang met de voorpoten speelden tot ze er dood bij neervielen. "Zo," zei de man, "en waar heb je die dooie schapen gelaten?"

"Nou, begraven natuurlijk. Wat moet ik er anders mee doen?"

"Ik had ze maar opgegeten als ik jou was, want die schapen waren er gezonder aan toe dan jij. Maar luister es Kobus, komt er bij jou niet iedere dag een buurvrouw die vraagt hoe het met de schapen gaat en of ze nog niet beter worden?"

"Ja man, dat mens komt iedere dag."

Toen gaf de vreemde man Kobus een goede raad. Kobus moest zo snel mogelijk naar huis toe gaan en als daar weer een dood schaap was dan moest hij het hart en de lever eruit halen en dat in een pot doen. Dan moesten de ramen en de deuren worden gesloten. Zelfs het sleutelgat moest dicht zijn. Geen gaatje mocht er open blijven.

Toen Kobus thuiskwam vertelde hij het hele verhaal aan zijn vrouw. "Stook het vuur in de haard maar goed op voor die pot," zei Kobus, "een man heeft mij gezegd dat de schapen zijn betoverd. We moeten alles goed afsluiten en dan zal de heks wel komen."

Driftig als hij was zette Kobus alvast een riek en een bijl klaar. Toen de pot echter net boven het vuur hing viel de heks op de pot en terwijl ze met beide handen op de pot sloeg zei ze: "Mijn God, Kobus, wat doe je nou?" Kobus schrok geweldig en in zijn schrik liet hij de heks ontsnappen. Kobus' schapen werden echter weer gezond en ze hebben nooit meer last gehad van die vreemde ziekte. De buurvrouw heeft hij nooit meer binnen gelaten, hoewel ze nog dikwijls langs zijn huis kwam.


                                         * * * EINDE * * *
Bron : - "Spokerijen in Gelderland. Verhalen over reuzen, heksen, witte juffers, weerwolven, ridders en jonkvrouwen uit de 'Geldersche Volks-Almanak' van 1835 tot 1904, 1942 en 1947" opnieuw verzameld en bewerkt door Ria Lissenberg-Hörter. Europese Bibliotheek, Zaltbommel, 1974.
            - www.beleven.com
Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door saagje om 00:00 10 reacties Reageer op dit bericht

Meer van 'VOLKSVERHALEN'

↑ Terug naar de berichten