Naar de inhoud

'VOLKSVERHALEN'

akke.beakke.be
Problemen
Er zijn nogal wat problemen met het lezen van de teksten, daarom volgende tip :
Met de muis links klikken en over de tekst schuiven.
De tekst verschijnt duidelijk leesbaar.

Categorie: heksen

Heksen op de koffie

Heksen op de koffie
- Een grappig verhaaltje over heksen die bij een schrijver verhaal komen halen -
Meneer Mijermans was schrijver. Hij schreef al heel lang verhalen over heksen en kabouters. Iedereen was dol op zijn verhalen. Zijn grootste fan was nog wel zijn poes, Wips. Meneer Mijermans las, als hij een verhaal af had, altijd zijn verhaal voor aan Wips. Wips wist zeker dat meneer Mijermans geen leugens schreef. Hij moest het wel zelf gezien hebben, want hij wist altijd alle details. Wips was trots op zijn baas. Want niet veel poezen hebben een baas die heksen en kabouters kent!

Op een avond lag Wips lekker in zijn mandje. Mijermans zat te schrijven. Ineens werd er op de deur geklopt. Nog voor Mijermans kon opstaan om open te doen, vloog de deur open en stonden er ineens twee kleine heksen in de kamer. Ze hadden een bezem onder hun armen.

Meneer Mijermans trok wit weg in zijn gezicht. De heksen zeiden: "We willen eens even zeggen dat we het zat zijn dat jij zoveel onzin over ons vertelt! Al die verhalen, die slaan helemaal nergens op!" Wat was de schrijver bang. Hij kroop onder een tafel. "Ga weg, ga toch weg!" riep hij bang.

Nu snapte Wips wat er aan de hand was. Zijn baas wist helemaal niks over heksen en kabouters. Hij had het allemaal verzonnen. En nu waren de heksen natuurlijk boos geworden!

De heksen gingen nog niet weg en om meneer Mijermans nog een beetje extra te pesten kropen bij hem onder de tafel. "Gezellig hè, Jutta, zo met zijn allen onder de tafel?" zei de ene heks tegen de andere. "Nou, dan moet meneer wel luisteren. Zullen we nu maar beginnen dan Julla?" - "Begin jij dan maar, dan ga ik even een kopje koffie zetten in de keuken. Ik heb wel dorst gekregen van dat vliegen!"

Jutta kroop onder de tafel vandaan en Julla ging meneer Mijermans vertellen wat allemaal niet waar was. "We eten geen spinneweb-pannenkoek en zeker eten we geen jonge lammetjes! Hoe kom je er toch bij. We dansen op feesten nooit de heksenpolka, maar de heksenwals. Dus dat wil ik ook nooit meer in één van je boeken zien!" Toen kwam Jutta uit de keuken terug. "Hij heeft niet eens keutelbonenkoffie, alleen maar gewone. Die lust ik niet!"zei ze een beetje verontwaardigd. Ze kroop, zonder koffie, weer onder de tafel. Om meneer Mijermans nog een beetje te pesten trokken ze om beurten aan zijn benen, zijn armen en zijn haar. Meneer Mijermans was nog nooit zo bang geweest.

Wips de poes zag alles vanuit zijn mandje. Hij zag best dat de heksen helemaal niet gemeen waren. Hij snapte niet dat meneer Mijermans zo bang was.

Opeens schoot meneer Mijermans onder de tafel vandaan en kroop onder de bank. De heksen moesten heel hard lachen, omdat ze nog nooit zo'n bang mens hadden gezien. "Mijermans, we gaan zo weg hoor," zei Julla, terwijl ze samen met Julla onder de tafel vandaan kwamen en onder de bank kropen, lekker dicht tegen meneer Mijermans aan. "Maar eerst moeten we nog even zeker weten dat je niet nog meer onzin gaat vertellen!" Mijermans stamelde dat hij dat beloofde. De heksen waren tevreden en lachend kropen ze onder de bank vandaan. Ze pakten hun bezems en weg waren ze.

Wips kroop onder de bank, waar meneer Mijermans nog steeds lag te bibberen van angst. "Goh, wat moet je nou gaan schrijven?" vroeg Wips aan zijn baas. "Wips, kun je praten?" vroeg Mijermans verbaasd. Dat had hij niet geweten. "Weet je wat," zei Wips, "als je nu eens poezenverhalen ging schrijven, dan kan ik je mooi helpen." Dat was een reuze goed idee.

Vanaf toen maakte Mijermans de mooiste poezenverhalen. De heksen waren er ook blij mee. Ze zijn in elk geval nooit meer op de koffie geweest.


                                      * * * EINDE * * *
Bron : - www.beleven.com
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:23 6 reacties Reageer op dit bericht

De motketel van Schokland

De motketel van Schokland
- Een heksenverhaal over het voormalige eiland in de Zuiderzee -
Midden in het vlakke polderlandschap lijkt Schokland zo'n onschuldig streepje land. Maar schijn bedriegt. Vroeger waren hier bijeenkomsten van heksen en tovenaars die rond de Zuiderzee huisden. Op een van de punten van het vroegere eiland stookten zij dan de motketel op een hels vuur. Zodra het begon te pruttelen en te dampen, dansten de heksen hun spookachtige heksendansen rond de motketel. Heel wat schippers hebben tijdens stormachtige nachten heksen naar hun verzamelplaats zien vliegen, met wapperende haren en gezeten op hun bezemsteel.

De eilandbewoners, de Schokkers, kwamen dan niet buiten. Ze sloten ramen en deuren en gingen vroeg naar bed. Toch waren ze ook binnen niet altijd veilig. Maar al te vaak kwam het voor dat ineens een vreemd heerschap bij hun haard zat, om even later net zo plotseling te verdwijnen als hij gekomen was. Zo'n kerel was natuurlijk een tovenaar, op weg naar de motketel.

In zulke nachten, als de volle maan achter wolkenflarden kroop, verscheen er ook vaak een spookschip boven Schokland. Met bolle zeilen voer het tegen de wind in door de stormluchten. En iedereen wist wat dat betekende: ergens op de Zuiderzee verging er nu een schip. De heksen dansten dan nog wilder rond de motketel en zongen er hun afgrijselijke liederen bij.

Tijdens zo'n stormnacht was Berend, een jonge Schokker, bij zijn meisje geweest. Ze hadden de avond in haar kamertje doorgebracht, maar omdat hij vroeg op moest besloot hij toch maar op huis aan te gaan. Dat beviel het meisje natuurlijk niet. Ze had haar vrijer veel liever in haar warme bed gehouden.

"Blijf toch hier," smeekte ze hem."Hoor je de wind dan niet gieren, hoor je de zee niet brullen? Nu dansen de heksen rond de motketel! Blijf hier, het is buiten veel te gevaarlijk."

"Ik kom er wel doorheen," lachte haar vrijer. Hij gaf haar een zoen op de wang dat het klapte en ging de deur uit.

"Kom niet op de punt!" riep het meisje hem nog na, maar die waarschuwing ging verloren in het lawaai van de storm.

Voort stapte Berend, zijn muts diep over de oren getrokken. Op land kon hem niets gebeuren, op zee lag het anders. Telkens wanneer de wind hem een andere kant leek uit te duwen, boog Berend het sterke lijf en stapte door in de richting die hij wilde gaan. Regelrecht naar huis!

Maar de wind bleek sterker. Berend was na een halfuur nog niet thuis. Hij keek eens om zich heen en merkte tot zijn schrik dat hij nu op de punt van het eiland was, waar de heksen hun motketel stookten.

"Kijk uit, Berend," mompelde de jongen in zichzelf. "Ze zijn er nog niet, die duivelse heksen, maar ze kunnen elk moment komen." Hij trok zijn mes tevoorschijn om op alles voorbereid te zijn. Even later hoorde hij boven de wind uit een vreemd geluid. Kattengemiauw! Een groep zwarte en grijze katten omsingelde hem krijsend. Berend wierp zijn mes naar de dichtstbijzijnde kat. Hij trof een van de poten en daar bleef het mes in steken. De andere katten kwamen nu dreigend op hem af. Hun felle ogen voorspelden weinig goeds.

"Ik ben er geweest," zei Berend hardop, "alleen God kan me nu nog helpen." In doodsnood sloeg hij een kruis en meteen verdwenen de katten. Berend vervolgde opgelucht zijn weg. De storm ging liggen en niet veel later was hij thuis. Hij dronk nog een kroes bier tegen de schrik en ging toen slapen.

Zeven jaar later verliet Berend zijn woning om naar Harderwijk te gaan. Hij werd uitgezwaaid door zijn vrouw, het liefje dat hij op die stormachtige nacht verlaten had. Samen met hun drie kinderen keek ze hem liefdevol na.

Berend deed zaken in Harderwijk en ging daarna naar een zeemanslogement. De waardin bracht hem eten en legde een mes naast zijn bord. Berend verstarde. Dat was zijn mes! Het mes dat hij was kwijtgeraakt in die spooknacht, zoveel jaar geleden.

"Dat is mijn mes," zei hij met haperende stem. "Lang geleden ben ik het kwijtgeraakt. Hoe kom jij eraan?"

De waardin tilde haar rok op. Een litteken ontsierde haar dij.

"Dat heb jij me bezorgd!" zei ze dreigend. "Het is goed dat ik je die nacht niet te pakken heb gekregen. Samen met mijn vriendinnen zou ik je levend verslonden hebben. Gooi nooit meer je mes naar een kat, want de volgende keer heb je minder geluk!"

Berend stond haastig op en gooide een paar munten op tafel. Zonder gegeten te hebben, verliet hij het logement om er nooit meer terug te keren.

Op Schokland haalden de eilandbewoners hun schouders op toen hij zijn verhaal vertelde. Natuurlijk, op de punt dansten heksen en katten rond de motketel, dat wist toch iedereen! Nee, hij moest niet met oud nieuws aankomen...


                                      * * * EINDE * * *
Bron : "Hanneke Zwartegat. Volksverhalen over heksen en heksenmeesters" door Hans Petermeijer.
           Elmar, Rijswijk, 2002. ISBN: 90-389-1229-3
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 02:01 8 reacties Reageer op dit bericht

De geraamtevrouw

De geraamtevrouw
- Een griezelsprookje uit Groenland over een lijk in de zee -
In het hoge noorden, waar alleen maar ijs is en sneeuw en een grijsblauwe hemel boven een grijsblauwe zee, dobberde een bootje op het water. In het bootje zat een visser. Hij had de hele dag nog niets gevangen, maar hij zat nog steeds te vissen. Aan één visje zou hij genoeg hebben. Hij hoefde voor niemand te zorgen en geen sterveling zou ongerust zijn als hij heel laat of helemaal niet thuis kwam. Een traan rolde langs zijn wang toen hij daaraan dacht. Hij veegde de traan vlug weg en ging door met vissen.

Plotseling werd zijn lijn strakgetrokken. Hij had beet! En het was geen kleine vis ook, zag hij toen hij de vis voorzichtig binnenhaalde. Deze vis was groter dan de meeste vissen, maar kleiner dan een zeehond. En wit - witter dan wit. Wat was het, daar onder water? Het leek wel een vrouw.

Het geraamte van een vrouw!

Ze dook op uit het water, vlak voor zijn neus en grijnsde over de rand van het bootje tegen hem, terwijl ze zich met haar benige vingers probeerde vast te klampen. Hoe lang had ze op de zeebodem liggen deinen met de zeestromingen mee, terwijl de grote vissen het vlees van haar botten knabbelden en de kleintjes speelden tussen haar ribben? Ze wist het niet. Ze wist alleen maar dat het een goed gevoel was weer terug te zijn in de wereld van de levenden!

"Ga weg!" riep de visser angstig. Hij liet zijn vislijn vieren, greep zijn peddel en sloeg haar net zo lang tot ze de boot losliet. Toen peddelde hij zo hard hij kon naar het strand terug.

Hij werd gevolgd door het vrouwengeraamte dat met haar benige armen zwaaide alsof ze wilde roepen: "Wacht op mij! Wacht op mij!"

De man peddelde harder en het vrouwengeraamte rende met rammelende botten door het water achter hem aan, waarbij ze wild met haar hoofd schudde. "Wacht op mij!"

Op het strand sprong de visser uit de boot, greep zijn vishengel en zette het op een lopen over de ijzige, besneeuwde vlakte, tot hij thuis was.

Hij kroop naar binnen terwijl zijn hart bonkte in zijn keel. Eindelijk was hij veilig, verborgen in zijn witte iglo midden in de witte sneeuw. Na een poosje voelde hij zich iets beter. Hij begon zijn vislijn te ontwarren en rolde het op tot een keurig balletje.

Toen hoorde hij buiten het gerammel van botten en even later kroop het vrouwengeraamte zijn iglo binnen!

De visser hield op met werken. Zijn hart ging weer als een razende tekeer. Het vrouwengeraamte was heel stil. Heel geduldig zat zij - een bundeltje botten - geduldig te wachten. Toen zag hij wat er gebeurd was. Ze kon hem niet zien want de vissen hadden haar ogen lang geleden al opgegeten. Ze kon hem zelfs niet horen, want ze had geen oren. Hij had haar zelf meegesleept omdat ze verward zat in de vislijn.

De visser had medelijden met haar. Daarom begon hij haar zachtjes en voorzichtig te bevrijden uit de vislijn. Het duurde heel lang. Maar tenslotte had hij haar botten goed neergelegd. Toen kroop hij terug naar zijn kant van de kleine sneeuwhut.

Het geraamte richtte zich op van de plek waar de visser haar had neergelegd en bleef daar zitten, met botten die rammelden van kou en angst, totdat hij haar een paar stukken bont toegooide. "Draai je daar maar in," zei hij, "en laat mij rustig slapen!"

Terwijl de visser sliep rolden er weer een paar tranen van eenzaamheid over zijn wangen.

De geraamtevrouw kon niet zien, horen of ruiken - maar ze voelde dat hij huilde. En ze had dorst. Ze kroop naar de man toe en begon te drinken. En die paar tranen werden een rivier vol levenswater. Ze lag op zijn borst en hoorde zijn hart slaan als een trommel. En het ritme van die trommel trilde door haar botten als een lied dat het vlees op haar botten zong en het haar op haar hoofd. Haar ogen konden weer zien en haar oren horen en haar eigen hart klopte en klopte en klopte...

Toen de man wakker werd was er geen geraamte meer, maar een echte, levende vrouw en hij wist dat hij nooit meer eenzaam zou zijn.

Ze bleven hun hele leven bij elkaar en de vissen die zich op de zeebodem aan haar tegoed hadden gedaan zorgden ervoor dat de visser en zijn vrouw nooit meer honger hoefden te hebben. De mensen uit het noorden vertellen dit sprookje - en ze zweren dat het waar is!


                                      * * * EINDE * * *
Bron : "De ruiter zonder hoofd en andere griezelsprookjes" naverteld door Maggie Pearson.
           Uitgeverij De Eekhoorn, Oud-Beijerland, 2001. ISBN: 90-6056-851-6
Hoe vind je dit bericht? 2 stemmen
Geschreven door saagje om 00:10 9 reacties Reageer op dit bericht

De gehoornde vrouwen

De gehoornde vrouwen
- Een Iers volksverhaal over heksen die verslagen worden -
Al heel laat op de avond zat een rijke vrouw wol te kaarden. Haar kinderen en dienaren sliepen al. Plotseling werd er op de deur geklopt en riep een stem: "Doe open! Doe open!" - "Wie is daar?" vroeg de vrouw. "Ik ben de heks met één hoorn," werd er geantwoord. De vrouw dacht dat een van haar buren hulp nodig had en deed open. Er kwam een vrouw binnen met een kaarde in haar hand en een hoorn op haar voorhoofd, die daaruit leek te groeien. Ze nam zwijgend plaats bij het vuur en begon haastig wol te kaarden.

Opeens stopte ze en zei: "Waar zijn de vrouwen? Het duurt te lang voor ze er zijn." Toen werd er nog eens op de deur geklopt en opnieuw riep een stem: "Doe open! Doe open!" De rijke vrouw voelde zich verplicht nogmaals open te doen en meteen kwam er een tweede heks binnen, met twee hoorns op haar voorhoofd en een spinnewiel in haar hand.

"Maak ruimte voor me," zei ze. "Ik ben de heks met de twee hoorns." En razendsnel sloeg ze aan het spinnen. En zo werd er steeds weer aangeklopt en werden er steeds meer heksen binnengelaten, totdat er uiteindelijk twaalf vrouwen rond het vuur zaten: de eerste met één hoorn, de laatste met twaalf hoorns. En ze kaardden de wol en lieten hun spinnewielen draaien en weefden en zongen daar met zijn allen een oud versje bij, maar ze zeiden geen woord tegen de vrouw. Vreemd en angstaanjagend waren ze, die twaalf heksen met hun hoorns en hun spinnewielen. De vrouw was doodsbang en wilde opstaan om hulp te halen, maar ze kon zich niet verroeren en geen woord uitbrengen, want de heksen hadden haar betoverd.

Toen zei een van de heksen in het Iers tegen haar: "Sta op, vrouw en maak taart voor ons." De vrouw ging op zoek naar een kom om water uit de put te halen waarmee ze het beslag voor de taart kon aanmaken, maar ze kon geen kom vinden. Toen zeiden de heksen: "Neem maar een zeef en haal daar het water in." Ze ging met de zeef naar de put, maar het water stroomde eruit. Ze kon zo geen water voor de taart halen en ging bij de put zitten huilen.

Op dat ogenblik hoorde ze een stem die zei: "Neem gele klei en mos en vermeng ze. Druk het mengsel in de zeef, zodat het water erin blijft liggen." Dat deed ze en het water voor het beslag bleef in de zeef. Daarop zei de stem: "Ga terug en als je in de noordelijkste hoek van het huis bent, roep dan drie keer uit volle borst: 'De berg van de Fenische vrouwen en de hemel erboven staan in brand.'" Ook dat deed de vrouw. Toen de heksen haar hoorden, slaakten ze een afgrijselijke kreet en vluchtten al krijsend en gillend naar Slievenamon, waar de meesten van hen woonden. Maar de geest van de put raadde de vrouw aan haar huis te beschermen tegen de betovering van de heksen, voor het geval dat ze nog terug zouden komen.

Daarom goot ze allereerst het water waarin ze de voeten van haar kinderen had gewassen - het voetenwater - buiten over de drempel. Vervolgens deelde ze de taart, die de heksen in haar afwezigheid hadden gebakken met bloed van haar slapende kinderen, in stukken en gaf elk kind een stuk in de mond. Toen werden haar kinderen weer gezond. Daarop nam ze de lap die de heksen hadden geweven en legde hem voor de helft in en voor de helft buiten de kist met het hangslot. En ten slotte grendelde ze de deur af met een grote dwarsbalk, zodat de heksen niet meer binnen konden komen. Toen ze dat allemaal had gedaan, wachtte de vrouw af.

Het duurde niet lang voor de heksen terugkwamen. Ze waren woedend en schreeuwden om wraak. "Doe open! Doe open!" schreeuwden ze. "Doe open, voetenwater!" - "Dat kan ik niet," zei het voetenwater. "Ik ben over de grond uitgegoten en ik stroom weg naar zee." - "Doe open, hout en boom en balk!" riepen de heksen tegen de deur. "Dat kan ik niet," zei de deur. "Want ik ben afgegrendeld met een dwarsbalk en kan me niet bewegen." - "Doe open, taart die we hebben gebakken met bloed!" riepen de heksen nu. "Dat kan ik niet," zei de taart. "Want ik ben in stukken gebroken en mijn bloed ligt op de lippen van de slapende kinderen."

Toen vlogen de heksen al krijsend terug naar Slievenamon en ze vervloekten de geest van de put, die hen te gronde had willen richten. Maar de vrouw en het huis lieten ze met rust en de vrouw hing een mantel aan de muur die een van de heksen in de lucht had laten vallen, ter herinnering aan die nacht. Deze mantel bleef nog vijfhonderd jaar in het bezit van haar nakomelingen, die hem van generatie op generatie doorgaven.


                                      * * * EINDE * * *
Bron : "De mooiste Keltische Mythen en Sagen"
           uitgegeven door uitgeverij Verba. ISBN: 90-5513-409-0
Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door saagje om 00:08 11 reacties Reageer op dit bericht

De mooie heks

De mooie heks
- Een heksenverhaal uit Terschelling -
Er was eens een jonge boer op Terschelling, die verkering had met een meisje van het dorp. Ze was niet alleen rijk, maar ook mooi en de jongen hield verschrikkelijk veel van haar. Op een dag zei een vriend tegen hem: "Je hebt een beste meid, maar het is een heks." - "Hoe kom je er bij?" zei de jonge boer. "Als je me niet gelooft, moet je maar eens langsgaan als ze je niet verwacht," stelde de vriend voor.

Die opmerking bracht de jonge boer aan het twijfelen. Om zich zekerheid te verschaffen, ging hij op een avond, toen iedereen naar bed was, kijken.

Het meisje lag te slapen. De jonge boer riep haar naam, maar ze gaf geen antwoord. Hij stootte haar aan, schudde haar door elkaar, maar er was geen leven in te krijgen. Hij vond het vreemd en ging op een stoel bij het hoofdeind zitten wachten tot ze wakker zou worden.

Opeens hoorde hij een muis ritselen. Hij keek op en zag het diertje over de dekens rennen en in haar mond verdwijnen. Meteen begon ze diep te ademen en sloeg ze haar ogen op. De jonge boer verzon een uitvlucht en ging weg zonder iets te laten merken.

Een paar dagen later ging hij nog eens kijken. Ze zat op een stoel te slapen met haar voeten op een stoof. Weer was ze niet wakker te krijgen. Even later sprong een vonk uit het haardvuur in haar mond. Daarop zuchtte ze en werd wakker.

Hij wist genoeg en wilde haar nooit meer zien.


                                      * * * EINDE * * *
Bron : "Alle sprookjes van de Lage Landen" door Eelke de Jong en Hans Sleutelaar.
           Rebo, Sassenheim, 1985.
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:55 19 reacties Reageer op dit bericht

Het toverpaardje

Het toverpaardje
- Een Hongaars sprookje over twaalf broers en een heks -
Er was eens een arme man die twaalf zonen had. Omdat hij ze thuis niet allemaal te eten kon geven, stuurde hij ze de wijde wereld in om zelf hun brood te verdienen en hun geluk te zoeken. Twaalf dagen en nachten trok de groep broers over berg en dal tot een rijke koning ze ten slotte in dienst nam als rijknechten en ze ieder een jaarloon van driehonderd gulden beloofde.

Nu bevond zich onder de paarden van de koning een mager, lelijk paardje, dat door de elf oudste broers voortdurend werd geplaagd en getreiterd, omdat het zo lelijk was. De jongste broer zorgde echter juist het beste voor dit paardje. Hij verzamelde alle broodkorsten en restjes voor het ziekelijke paardje en daarom werd hij vaak door zijn oudere broers bespot en uiteindelijk zelfs veracht alsof hij een dwaas was. Hij liet zich hun spot en minachting echter net zo rustig welgevallen als het paardje de plagerijen.

Toen het jaar ten einde liep, ontvingen de jongemannen hun loon en bovendien mochten ze ook elk een van de paarden van de koning uitzoeken. De elf oudste broers zochten de mooiste paarden uit, maar de jongste verlangde slechts het arme kreupele paardje. Zijn broers probeerden hem op andere gedachten te brengen, maar vergeefs. Hij wilde geen ander paard. Daarop verklapte het paardje de jongeman dat hij eigenlijk een toverpaard was en dat hij zich, zodra de jongen dat wilde, in een schitterend strijdros kon veranderen dat zijn berijder zo snel als de bliksem kon vervoeren.

Vervolgens aanvaardden de twaalf broers de terugreis. Trots sprongen en galoppeerden de prachtige paarden van de elf oudsten er vandoor, terwijl de jongste zijn paard aan zijn halster achter zich aantrok. Toen ze bij een moeras kwamen, bleef het ongelukkige paardje daarin steken en de andere broers, die hem al een stuk vooruit waren, keerden vol ergernis terug om hun jongste broer uit het moeras te helpen. Een poosje later zakte de jongste opnieuw in een moeras en weer trokken de anderen hem er vloekend uit. Toen hij echter voor de derde keer wegzakte, luisterden ze niet meer naar zijn geroep.

"Laat ze maar gaan," zei het toverpaardje toen en vroeg hem: "Zijn ze al ver weg?"

"Ja," antwoordde de jongeman.

Even later vroeg het toverpaardje weer: "Zijn ze nog te zien?"

"Als zwarte stipjes helemaal in de verte," antwoordde zijn meester.

"Zijn ze nu nog te zien?" vroeg het paardje nadat weer enige tijd was verstreken.

"Nee," was deze keer het antwoord.

Toen sprong het toverpaardje uit de poel, zette bliksemsnel de jongeman op zijn rug en vloog er zo hard vandoor, dat hij de anderen ver achter zich liet. Thuis aangekomen, veranderde het toverpaardje zich weer in de lelijke knol van voorheen en liep naar de mesthoop om te grazen. De jongeman kroop onopgemerkt achter de kachel.

Toen de anderen waren gearriveerd, toonden ze hun vader het geld en de paarden en op zijn vragen naar zijn jongste zoon, antwoordden ze dat die zijn verstand had verloren, een armzalig, kreupel paard als beloning had uitgekozen, net zo een als buiten op de mesthoop stond te grazen, en onderweg met dat paard in een poel was blijven steken en daar waarschijnlijk ook was verdronken. "Dat is niet waar," zei nu de jongste van achter de kachel en kwam te voorschijn, tot verbijstering van allen.

Nadat de jongemannen enkele dagen bij hun vader hadden doorgebracht, maakten ze zich op om weer op pad te gaan, deze keer om een vrouw te zoeken. Zo reisden ze door zeven landen en zeven dorpen, maar nergens vonden ze twaalf meisjes die hen bevielen. Ten slotte, toen de schemering al begon te vallen, zagen ze een heks die met twaalf merries aan het ploegen was. Ze vroeg de jongemannen wat ze zochten en zodra ze het doel van hun reis had vernomen, bood ze aan hun twaalf meisjes te laten zien. De jongemannen stemden daarmee in en de heks bracht ze haar huis binnen, nadat ze de merries naar de stal had gedreven. Toen toonde ze hun twaalf meisjes, want daarin had ze de merries omgetoverd die ze net hadden gezien.

's Avonds wees ze elke jongeman samen met een meisje een slaapplaats, de oudste bij de oudste en zo het rijtje af en zo kreeg de jongste broer het jongste en lieftalligste meisje met goudblond haar.

Dit meisje verklapte de jongeman dat haar moeder de elf oudste broers wilde vermoorden. Om ze te redden stond de jongste broer, zodra iedereen vast sliep, weer op en legde in alle bedden zijn broers tegen de muur en in hun plaats de meisjes aan de rand. Zelf ging hij echter weer op zijn oude plaats liggen.

Korte tijd later kwam de heks en sloeg met een groot zwaard alle gedaanten die aan de rand lagen het hoofd af en ging daarna weer slapen. Vervolgens stond de jongeman weer op, wekte zijn broers en vertelde hoe hij hen had gered. Vervolgens drong hij erop aan dat ze weg zouden gaan. Ze gingen er zo snel mogelijk vandoor, maar de jongste broer bleef achter om de nieuwe dag af te wachten.

Zodra de ochtendschemering aanbrak en hij merkte dat de heks naderde om de bedden te onderzoeken, stond hij op en ging met zijn goudblonde meisje op zijn toverpaardje zitten. Toen de oude heks het bedrog ontdekte, greep ze haar kachelijzer, veranderde zich in een toverpaard en zette de achtervolging in. Toen ze hen al bijna had ingehaald, gaf het toverpaardje de jongeman een roskam, een borstel en een wollen lap. Hij moest eerst de roskam achter zich gooien en als dat niet hielp de borstel en in het ergste geval ook de wollen lap. Dus gooide hij eerst de roskam achter zich en onmiddellijk ontstond een woud tussen hen dat zo dicht was als de tanden van de kam. Tegen de tijd dat de heks zich hier doorheen had geworsteld, was het vervolgde paar haar al ver vooruit.

Toen ze hen voor de tweede keer naderde, gooide de jongeman de borstel weg en ook daaruit schoot een niet minder dicht woud tussen hen omhoog. Met grote moeite wurmde de heks zich ook hier dwars doorheen.

Weer haalde ze het paar bijna in en nu gooide de jongeman de wollen lap achter zich. Er ontstond nu zo'n dicht woud tussen hen en de heks, dat het leek alsof het uit één enkele boom bestond. Omdat de heks er ondanks haar inspanningen niet in slaagde hier doorheen te dringen, veranderde ze zich in een duif om er overheen te vliegen. Nauwelijks had het toverpaardje dit echter in de gaten, of hij stortte zich in de gedaante van een gier op de duif en verscheurde deze met zijn klauwen en redde zo de jongeman en het mooie goudblonde meisje van de woede van de afschuwelijke heks.

Zijn elf oudere broers gingen opnieuw op pad om vrouwen te zoeken, maar de jongste trouwde met zijn mooie goudblonde meisje en leefde vrolijk en zorgeloos met haar en als ze intussen niet zijn gestorven, dan doen ze dat nu nog.


                                      * * * EINDE * * *
Bron : "Hongaarse sprookjes" samengesteld door Leander Petzoldt, vertaald door Uta Anderson.
           Uitgeverij Elmar, Rijswijk, 1996. ISBN: 90-389-03839
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 14:32 8 reacties Reageer op dit bericht

Jorinde en Joringel

Jorinde en Joringel
- Een sprookje van de gebroeders Grimm over een boze oude heks -
Er was eens een oud slot, middenin een groot, dicht bos. Daar woonde een oude vrouw in - heel alleen - en ze was een echte heks. Overdag liep ze rond als een kat of een nachtuil, maar 's avonds was ze weer een gewoon mens. Ze kon wild en vogels bij zich lokken, en die slachtte ze dan en kookte of braadde ze. Als iemand op honderd schreden dicht bij het slot kwam, dan moest hij stilstaan, en kon niet weg van de plek waar hij was, tot ze hem verloste met een spreuk; maar als een rein meisje in die toverban kwam, dan veranderde ze haar in een vogel, stopte haar in een mand en droeg de mand naar een kamer van 't kasteel. Zo had ze wel zevenduizend van die manden met wonderlijke vogels in het slot.

Nu was er eens een meisje, en dat heette Jorinde, zij was mooier dan alle anderen. Zij en een heel knappe jongen, Joringel, waren verloofd. Ze waren al in de bruidsdagen, en ze genoten altijd van elkaars aanwezigheid. Om nu eens rustig met elkaar te kunnen praten, gingen ze wandelen in het bos. "Pas op," zei Joringel, "dat je niet te dicht bij het slot komt."

Het was een mooie avond, de zon scheen tussen de boomstammen door in 't donkergroen van 't bos en het tortelduifje riep klagelijk in een oude beuk. Jorinde huilde soms, ging in de zon zitten en klaagde; Joringel klaagde ook. Ze voelden zich zo bezwaard, alsof ze moesten sterven; ze keken om, wisten niet waar ze waren en ook niet hoe ze weer naar huis konden komen. De zon stond nog half boven de berg, en half was ze er al achter. Joringel keek door de struiken en zag toen de oude muur om het slot vlakbij, hij schrok en werd bang. Jorinde zong:

Mijn vogel met het ringetje rood,
zingt leed, zingt leed, zingt leed;
't Voorspelt de duif een vroege dood,
zingt leed... tureluut, tureluut.
Joringel keek weer naar Jorinde. Jorinde was betoverd in een nachtegaal die tureluut, tureluut zong. Een nachtuil met gloeiende ogen vloog driemaal om haar heen en krijste driemaal: "Hoe, hoe, hoe." Joringel kon zich niet bewegen, hij stond als een steenrots, hij kon niet huilen, niet spreken, handen en voeten waren stijf.

De zon was onder, de uil vloog naar een struik, en vlak daarop kwam er een oude, kromme vrouw achter die struik te voorschijn, geel en mager was ze: grote, rode ogen, een kromme neus, die met de spits tot de kin reikte. Ze prevelde, ving de nachtegaal toen met haar hand en droeg ze daarop weg. Joringel kon niets zeggen, kon niet van zijn plaats komen, de nachtegaal was weg. Eindelijk kwam het mens terug en sprak met een holle stem: "Gegroet, Zachiel, als 't maantje in het mandje schijnt, maak los, Zachiel, ter goeder ure." Toen kon Joringel zich weer bewegen. Hij viel voor de heks op de knieën en smeekte dat ze hem Jorinde terug zou geven; maar ze zei, nooit kreeg hij haar terug, en toen ging ze weg. Hij riep, hij huilde, hij jammerde; alles vergeefs. "Wat zal er nu gebeuren?"

Joringel ging zwerven, en kwam in een ander dorp, daar hoedde hij een poos de schapen. Dikwijls ging hij om het slot heen, maar niet te dicht in de buurt. Maar eens droomde hij 's nachts, dat hij een bloedrode bloem vond met een grote, mooie parel in het midden. Hij had de bloem afgebroken en was ermee naar het slot gegaan, en hij droomde dat hij op die manier Jorinde terug had gekregen.

Toen hij 's morgens wakker werd, begon hij met zoeken, door berg en dal, of hij zo'n bloem niet vinden kon; hij zocht acht dagen lang en de negende dag vond hij vroeg in de morgen een bloedrode bloem. In het midden was een grote dauwdruppel, groot als de mooiste parel. Die bloem droeg hij dag en nacht tot aan het slot. Toen hij op honderd stappen afstand van het slot kwam, werd hij niet stijf, maar ging door tot aan de poort. Joringel verheugde zich bijzonder, hij raakte de poort met de bloem aan, en open sprong zij. Hij trad erdoor, kwam in de tuin, luisterde waar hij al die vogelstemmen vandaan hoorde; eindelijk had hij het precies bepaald. Hij zocht en vond de zaal; daar was de heks en ze voerde de vogels in de zevenduizend manden.

Toen ze Joringel zag, werd ze boos, heel boos; schold, spuwde gif en gal tegen hem uit, maar ze moest op twee pas afstand van hem blijven. Hij richtte zich niet tot haar, maar liep door, hij bekeek de manden met vogels, maar er waren honderden nachtegalen: hoe zou hij zijn Jorinde terugvinden? Terwijl hij zo zocht, merkte hij, dat de heks heimelijk een mandje met een vogel nam, en daarmee naar de deur ging. Snel sprong hij erheen, raakte het mandje met zijn bloem aan en ook de oude heks: nu was haar toverkracht gebroken, en daar stond Jorinde, ze had haar arm om zijn hals geslagen, en ze was net zo mooi als vroeger. Toen gaf hij ook alle andere vogels weer hun meisjesgedaante terug, hij ging met zijn Jorinde naar huis, en ze leefden lang en gelukkig tezamen.


                                      * * * EINDE * * *
Bron : "De sprookjes van Grimm; volledige uitgave" vertaald door M.M. de Vries-Vogel.
           Oorspronkelijke titel: Jorinde und Joringel
           Engelse tekst: Jorinde and Joringel
           Unieboek BV - Van Holkema & Warendorf, Weesp, 1984.
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:00 2 reacties Reageer op dit bericht

De heks van Oostbroek

De heks van Oostbroek
- Een heksenverhaal -
Er leefde in het vlek Oostbroek, niet ver van Utrecht, een weduwe, bij wie een knecht inwoonde tot het verrichten van werkzaamheden, zoals de omstandigheden dat meebrachten. Daar hij reeds meermalen, nieuwsgierig zoals knechten plegen te zijn, door het tralievenster had opgemerkt, dat zijn meesteres in het holst van de nacht, zodra het dienstpersoneel ter ruste was gegaan, geregeld naar een bepaalde plaats toe ging en met uitgestrekte handen een balk van de aan de stal grenzende hooizolder vastgreep, besloot hij, benieuwd wat dit toch wel betekenen kon, ook zelf, buiten medeweten van zijn meesteres, hetzelfde te doen en de kans te wagen.

Toen derhalve zijn meesteres als altijd naar die gewone plek was toegegaan en, zoals bleek, verdwenen was, volgde hij ook, bekeek de plek, en greep naar het voorbeeld van de weduwe de hooizolder vast. Terstond daarop werd hij in de lucht gevoerd en naar de stad Wijk bij Duurstede gebracht in een verborgen en onderaardse spelonk, waar hij een samenkomst van heksen vond, die onder elkaar over hun boze plannen beraadslaagden. Zijn meesteres, die evenals haar gezelschap verbaasd was over de onverwachte verschijning van haar knecht, vroeg hem door welke list en op welke wijze hij hier in een oogwenk was aangeland. Hij antwoordde juist zoals de zaak zich had toegedragen. Zij wilde daarop tegen hem gaan uitvaren, doch werd door de anderen gekalmeerd, die de knecht vriendschappelijk opnamen, onder beding dat hij het diepste stilzwijgen zou bewaren omtrent hetgeen hij te zien en te horen zou krijgen. Aan welk gebod natuurlijk volgaarne werd voldaan.

Toen de tijd van uiteengaan gekomen was, stelde zij voor de indringer te doden, maar de anderen waren zachtmoediger en wisten haar te bewegen hem op haar schouders naar huis te brengen, zoals ook geschiedde. Sneller dan de wind vlogen zij door de lucht. Toen zij een flink eind op weg waren, ontwaarden zij een diep moeras, met riet overdekt. De boze heks, die de jongeling niet vertrouwde, gooide hem eensklaps van haar schouders, in de vaste mening, dat hij zijn nek wel zou breken of verdrinken. Maar God, die barmhartig is, maakte dat hij in het dichtste deel van het riet viel, zodat hij niet omkwam.

De ongelukkige, die vreselijk kermde, werd, zodra de dag aanbrak, met gebroken dijbenen door de voorbijgangers gevonden, en was toen genoodzaakt zijn wedervaren te vertellen. Toen het gerucht hiervan de Utrechtse schout Johan van Culemborch ter ore kwam, liet hij de heks ten spoedigste gevangen nemen en in de ketens leggen. Zij legde een volledige bekentenis af, in de hoop op een zachter vonnis, maar zij werd met algemene stemmen tot de brandstapel veroordeeld.


                                      * * * EINDE * * *
Bron : "Volksverhalen uit Utrecht en het Gooi" samengesteld door Willem de Blécourt.
           Uitgeverij Het Spectrum, Utrecht/Antwerpen, 1979. ISBN: 90-274-7083-9
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:00 6 reacties Reageer op dit bericht

Het vuur van Doevere voor!

Het vuur van Doevere voor!
- Een heksenverhaal -
Er lag bij Terschelling een schuitje achter de dijk. Iedere keer weer als de eigenaar van dat schuitje erbij kwam, hadden drie luitjes er een grote boodschap op gedaan. Dat gebeurde steevast alle dagen, zodat hij op het laatst heel erg kwaad werd. Hij dacht natuurlijk: "Dat hebben die verdomde kwajongens gedaan en ik zal ze wel krijgen!" Hij nam zich voor een hele nacht aan boord te blijven. Maar dan wel in een schuilhoek, want ze mochten hem niet ontdekken.

Zo gezegd, zo gedaan. De avond viel en hij bleef op het schip. Al een hele poos had hij zo in een hoekje gezeten en hij kreeg er schoon genoeg van. Hij begon al aardig stijf te worden en er kwam niets. "Ze hebben vast in de gaten dat ik hier zit," zei hij bij zichzelf.

Juist wilde hij overeind om weg te gaan, toen hij opeens drie oude wijfjes zag aankomen, die de dijk langs kuierden. "Die moeten eerst maar even voorbij wezen," redeneerde hij. En hij kroop weer in zijn schuilhoek.

Maar toen de wijfjes naast het schuitje waren gekomen, daalden ze af van de dijk en begaven ze zich naar het scheepje. Ze dribbelden over de plank, haalden die in, één ging aan het roer staan, de andere twee haalden de zeilen op, en... daar stoof het heen. Het was ondertussen al donker geworden. Maar de man durfde niet meer voor den dag te komen, zo verschrikt was hij door het ongewone gebeuren. Hij wilde wel, dat hij er nooit aan was begonnen!

Ze hadden naar zijn idee nog nooit zo'n groot eind gevaren, toen hij een van hen hoorde zeggen: "Hoe ver zijn we nu?" De andere antwoordde: "Het vuur van Doevere (= Dover) vóór!" Een ogenblikje later verluidde het: "Het vuur van Doevere achter!"

Ze voeren maar door. En de man kon wel constateren, dat het geweldig hard ging. Toen, opeens, werd er vaart geminderd. De boot lag stil. Hij hoorde de plank uitleggen en de wijfjes er overheen stappen. Begrijpelijkerwijs was hij verschrikkelijk nieuwsgierig waar ze nu wel wezen zouden. Hij stak zijn hoofd het luik uit. En wat hing daar in de lucht te zwaaien? Een tak vol met sinaasappels! Hij plukte er vlug een paar af en stak die in zijn zak.

Na enige tijd kwamen de wijfjes terug. Toen ging het weer op Terschelling aan. Opnieuw hoorde hij, hoe het ene wijfje vroeg: "Hoe ver zijn we nu?" En het andere wijfje antwoordde: "Het vuur van Doevere vóór." Een ogenblik later verluidde het: "Het vuur van Doevere achter!"

Op het laatst ging het weer wat langzamer. Het schuitje lag voor de wal en de plank werd weer uitgelegd. De wijfjes zouden er al weer vandoor gaan, toen de man een van hen hoorde zeggen: "Ho, wacht eens, wij moeten onze tol nog betalen!"

De rokjes werden opgestroopt en er kwamen drie hoopjes te liggen. "Jullie smerige vrouwlui!" riep de man. "Nou heb ik jullie!"

De drie wijfjes werden natuurlijk doodsbang. Ze hadden er helemaal geen weet van gehad, dat die man zich ook op het schuitje had bevonden - zo goed had hij zich schuil gehouden. En ze zeiden:

  1. "Hadden we dat maar geweten -
    We hadden je schuit nooit bescheten!"
    Sindsdien zijn ze er nooit meer geweest.

Volgens sommigen was de schipper zo trots op zijn heldendaad, dat hij de sinaasappels op zijn hoed droeg - bij wijze van trofee. Dit namen de heksen hem zo kwalijk (want het waren ongetwijfeld heksen, deze drie olijke wijfjes), dat ze hem te verstaan gaven: ze zouden hem wel krijgen. En hij is inderdaad, korte tijd daarna, toen hij op een stormachtige dag toch zee koos, over boord geslagen en jammerlijk verdronken.

                                      * * * EINDE * * *
Bron : "Volksverhalen uit Noord- en Zuid-Nederland" bijeengebracht en toegelicht door dr. Tjaard W.R. de Haan.
           Uitgeverij Het Spectrum, Utrecht/Antwerpen, 1979. ISBN: 90-274-1009-7
Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door saagje om 00:00 10 reacties Reageer op dit bericht

De heksen van de Fondamente Nuovo

De heksen van de Fondamente Nuovo
- Een Venetiaans heksenverhaal over een visser en zijn vrouw -
Een jonge visser, die zijn aanlegplaats had aan de Fondamento Nuovo, deed op een dag een vreemde ontdekking. Het touw waarmee hij elke avond zijn boot vastlegde, was soms 's morgens op een andere manier vastgeknoopt dan hij zelf placht te doen. Hij besloot de zaak uit te zoeken en daarom verstopte hij zich bij het vallen van de duisternis in de achtersteven van zijn eigen boot.

Klokslag middernacht naderde er een groepje vrouwen. De aanvoerster van hen sprong in de boot en riep de anderen bij zich met de woorden: "Eerste zuster, kom bij mij, tweede zus, vlug erbij. Derde zus, de beurt is aan jou, vierde zus, stap in, en gauw."

Zo ging het verder, tot ze ten slotte alle zeven aan boord waren.

De vrouwen hesen het zeil, maar er was geen zuchtje wind. De oudste vrouw telde de leden van de groep opnieuw en kwam tot zeven. "Er is vanavond iemand extra in de boot," zei ze. De visser in zijn schuilplaats voelde zijn adem stokken, want hij vreesde dat hij nu zou worden ontdekt. De aanvoerster vervolgde echter: "Een van ons zal wel zwanger zijn." De zeven vrouwen strekten hun handen uit en riepen met opgetogen stemmen:

Alleen in die bewuste nachten, wanneer zijn vrouw als een dode naast hem lag, werd de visser overvallen door somberheid en verdriet. In zijn wanhoop wendde hij zich tot een vertrouwde vriend, die pastoor was in de stadswijk waar ze woonden.

"Wees welkom heksenkind, kom en breng ons nu de wind."

Nauwelijks hadden ze deze woorden uitgesproken, of er stak een stevige bries op, die de boot snel naar de open zee voerde. De visser had geen flauw idee waarheen de reis ging. Hij merkte alleen dat het schip pijlsnel over de golven gleed.

Na enige tijd liep de boot op vaste grond. De vrouwen stapten uit en verdwenen. Pas toen kroop de visser uit zijn schuilplaats tevoorschijn.

Alles was in diepe duisternis gehuld, maar er had zich een wonderbaarlijke verandering voltrokken. Er waaide een zachte, zoele wind en de lucht was vervuld van heerlijke geuren. De visser liep wat rond aan land. Hij brak een tak met vreemdsoortige vruchten af van een imposante boom en verstopte deze in de boot.

Een poosje later keerden de heksen in uitgelaten stemming terug. Terwijl ze nog grapjes met elkaar stonden te maken, glipte de visser weer in de achtersteven en toen ging het in vliegende vaart huiswaarts. De boot legde weer aan bij de Fondamento Nuovo en de vrouwen stapten uit.

Nu kon de visser in alle rust de meegebrachte tak bestuderen.

"Dadels," mompelde hij. "Het is een tak van een dadelpalm. We zijn in Egypte geweest."

Al snel kwam hij erachter dat de heksen elke woensdag- en vrijdagnacht uitvoeren. De visser maakte op dezelfde manier nog menige geheimzinnige reis mee, vooral toen hij hevig verliefd was geworden op de jongste van de groep.

Hij volgde haar stilletjes door de stad, zocht uit waar ze woonde en deed zijn uiterste best met haar in contact te komen. Ten slotte lukte het hem haar op klaarlichte dag te ontmoeten. Het meisje kreeg vertrouwen in hem en uiteindelijk trouwden ze.

Het jonge paar leefde gelukkig. De vrouw was vriendelijk en ijverig en de netten van de visser werden elke dag voller, zodat hij een goed inkomen verdiende.

"Ik weet dat mijn vrouw een heks is," verklaarde hij, "maar ik houd van haar en ik wil alles doen om haar te helpen."

"Daar is slechts één middel voor," antwoordde de pastoor. "Je moet haar boze heksengeest vernietigen."

"Maar hoe?"

"Kom na de mis op vrijdag bij me in de sacristie. Dan zal ik je vertellen wat je moet doen."

Nog diezelfde vrijdagnacht wachtte de visser tot zijn vrouw star en levenloos in bed lag. Uit haar geopende mond kroop een dikke, zwarte vlieg tevoorschijn, die door het raam wegvloog. Vervolgens raakte de man de mond, de neus en de oren van zijn roerloze vrouw aan met een gewijde kaars. Toen nu de vlieg tegen de ochtend terugkwam om het lichaam weer in bezit te nemen, bleek dat onmogelijk te zijn. De visser sloeg het beest dood en daarmee was de boze heksengeest vernietigd. De volgende ochtend ging het paar naar de kerk, waar ze door de priester met wijwater werden gezegend.

Op deze manier slaagde de dappere visser erin zijn vrouw te bevrijden van de duistere vloek. In het vervolg noemde hij haar altijd Maria, omdat men zegt dat degenen die deze naam dragen, beschermd zijn tegen alle verleidingen van het kwade.

                                      * * * EINDE * * *
Bron : "Venetiaanse sprookjes" verzameld door Herbert Boltz.
           Uitgeverij Elmar, Rijswijk, 2004. ISBN: 90-389-0855-5
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:00 9 reacties Reageer op dit bericht

Meer van 'VOLKSVERHALEN'

↑ Terug naar de berichten