Naar de inhoud

'VOLKSVERHALEN'

akke.beakke.be
Problemen
Er zijn nogal wat problemen met het lezen van de teksten, daarom volgende tip :
Met de muis links klikken en over de tekst schuiven.
De tekst verschijnt duidelijk leesbaar.

Categorie: legende

Koning Radboud weigert het doopsel (vervolg)

Koning Radboud weigert het doopsel - vervolg
- Een Westfriese legende over Wulfram en Radboud -
Wulfram had dagelijks aan het Friese hof gepredikt. Zijn gehoor had ademloos naar zijn woorden geluisterd. Het beeld van Christus was vollediger geworden. Nu zagen de Friezen de ogen van de nieuwe God op zich gevestigd. Zeker, Hij was een vorst, een koning, maar Hij kon ook de minste, Hij kon een dienaar zijn. Hij had de dood overwonnen en zegevierend en vol luister verbleef Hij in Zijn hemel, maar er was ook een dag geweest, waarop Hij als offerdier, met de zonden van de mensen beladen, op schandelijke wijze gekruisigd was.

Radboud echter hield zijn blik slechts op de hemelse Koning gevestigd en hij vroeg de Angelsaksische monnik het doopwater over hem uit te gieten. Met de koning zouden nog vele anderen gedoopt worden; ook Vrouwgaast, zijn zuster, zou christin worden. Bij de bron wachtte Wulfram de koning, en die met hem gedoopt zouden worden. Radboud stond nu voor de priester. "Ere zij de Vader en de Zoon en de Heilige Geest," zo begon de monnik. En de jongen, die hem tot knecht diende, antwoordde: "Gelijk het was in den beginne en nu en altijd, in de eeuwen der eeuwen. Amen."

"Ik zal rein water over u uitstorten en gij zult van al uw ongerechtigheden gezuiverd worden, zegt de Heer." Toen vroeg Wulfram de koning naar zijn naam. "Radboud is mijn naam." - "Wat vraagt gij van de kerk Gods?" - "Ik vraag het geloof." - "Wat geeft u het geloof?" - "Het eeuwige leven."

Vraag en antwoord wisselden elkaar af. De koning verzaakte aan de duivel en al zijn werken en ijdelheden en geloofde aan God, aan Zijn enige Zoon en aan de Heilige Geest. Ten slotte vroeg Wulfram: "Wat vraagt gij?" - "Het doopsel," antwoordde Radboud en hij zette zijn rechtervoet in het water. - "Wilt gij gedoopt worden?"

Op dat ogenblik rezen voor het geestesoog van de koning de gestalten van zijn gestorven voorouders op. Zijn vader en ook zijn grootvader, had hij gekend. Het waren beiden onverschrokken mannen geweest, die met krachtige vuist hadden geregeerd. Zij waren zijn voorbeeld geweest; zij hadden hem gevormd naar lichaam en geest. Zij hadden hem verteld van hun voorvaderen, die ook de zijne waren. En nu stonden zij allen om hem heen en keken hun nazaat in de ogen. Het scheen Radboud toe, dat zij hem uitdaagden. De koning richtte zich haastig tot de priester en hij vroeg hem: "Waar zijn mijn voorouders?" En hij verwachtte, dat Wulfram zou antwoorden: "In de hemel; daar waar helden thuis horen!" Maar de monnik schudde het hoofd: "Ik weet niet waar uw voorouders zijn. Wat weten wij mensen van de doden? Het is niet aan ons, slechts aan God, om over hen te oordelen."

Toen werd Radboud bevreesd en hij riep uit: "Mijn voorouders zijn niet gedoopt. Zijn zij wellicht verdoemd?!" - "Ik weet het niet," antwoordde de priester. "Gij weet het niet, maar gij veronderstelt het wel!" - "Nogmaals, wij weten niet, wat God met de zielen der afgestorvenen doet..." De koning liet Wulfram niet uitspreken. Met het oog op zijn voorouders gericht, riep hij uit: "Als gij denkt dat zij verdoemd zijn, dan wil ik met hen verdoemd zijn, want in het hiernamaals wil ik niet van hen gescheiden zijn!" - "Laat dit rusten, koning," zo trachtte Wulfram de vorst tot andere gedachten te brengen. "En laat mij u thans mogen dopen."

Op dat ogenblik trad Bernlef - dezelfde die Radboud al eerder voor het christendom had gewaarschuwd - naar voren en zei: "Waarom zoudt gij u laten dopen, wanneer gij daardoor de kans loopt niet in de hemel der voorvaderlijke helden te komen, doch in een geheel andere, waarin gij de metgezel van een slaaf, die aan een kruishout stierf, zult zijn?!"

Er was een ogenblik van afschuwelijke stilte, toen riep Radboud uit: "Ik wil, dat de hemel der helden na mijn dood mijn deel zal zijn!" Met een plotselinge ruk trok hij zijn rechtervoet uit het water. "Daartoe is voor mij uw doopsel niet nodig! Integendeel, het is een belemmering daartoe!"

Verder zwijgend verliet de koning de plaats, waar hij gedoopt zou worden. Maar achter zich hoorde bij het geweeklaag der andere Friese dopelingen, waaronder Iglo, de stoutmoedige krijgsoverste en Tako, de fijnzinnige ziener. En ook vernam hij het snikken van zijn zuster Vrouwgaast, die hij boven alle andere stervelingen lief had.


                                      * * * EINDE * * *
Bron : "Noord- en Zuid-Nederlandse sagen en legenden" door Willem Hoffman.
           Elsevier, Amsterdam/Brussel, 1962.
           www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:12 5 reacties Reageer op dit bericht

Koning Radboud weigert het doopsel

Koning Radboud weigert het doopsel
- Een Westfriese legende over Wulfram en Radboud -
In de koningszaal van de burcht zat Radboud op zijn troon en naast hem zat zijn zuster, Vrouwgaast. "Broeder," zei ze, "ontvang nu de vrome Wulfram. Hij zal u van Christus spreken." De koning zag zijn raadslieden, de hoofdmannen en de skalden, die om hem heen stonden, in de ogen. Hij hoefde hun niets te vragen. Van elk kende hij de meningen en gedachten. Van Iglo, de stoutmoedige krijgsoverste, van Tako, de fijnzinnige ziener, van Bernlef, het heftige priesterhoofd en van al de anderen. Toen keek hij over de hoofden van zijn raadslieden heen en zijn blik vestigde zich op het zonnerad boven de ingang van de zaal. Een tijdelijk beeld van de eeuwigheid had Tako dit zonnerad genoemd. Van het tijdelijke, daarvan wist koning Radboud veel, van de eeuwigheid echter weinig of niets.

De koning gaf zijn zuster een wenk. De christenprediker zou in hun midden van zijn God mogen spreken. Was hij een Frank geweest, dan zou koning Radboud hem dit nooit hebben toegestaan, maar hij was een volgeling van Willibrord, en ook een Angelsaks en zijn sibbe was aan die van de Friese vorst verwant. De monnik werd voor de koning geleid. Vrij en frank stond hij voor zijn gastheer. "Spreek!" zei Radboud.

"Ik ga u spreken van God," begon Wulfram, "van Christus, de Eerstgeborene van gans de schepping, want in Hem werd alles geschapen, wat in de hemel is en op de aarde, de zichtbare en de onzichtbare dingen. Ik ga u tekenen Zijn gestalte, opdat Zijn beeld, dat van de vorstelijke held, dat van de vaderlijke vriend, voor u moge staan, nu en voor altijd. Dit is Zijn beeld: Hij is gezeten op een hoge stoel; Hij is omringd door de groten van Zijn rijk in de zaal van Zijn koninklijke burcht. Zijn ogen zijn het licht, dat uitgaat over gans de wereld, dat schijnt bij dag en bij nacht, brandend en flonkerend aan het uitspansel des hemels, schitterend aan de noordelijke horizon. Zijn adem is de kracht, die stormt over de zeeën en de velden, die de gesteenten van de bergen breekt en het zand van de heuvelen verstrooit. Gezegend zijn zij, die in Zijn licht staan, want zij zullen Zijn kracht ontvangen: de man een ontembare moed, de vrouw een onvergankelijke liefde. Wie zou aarzelen deze God dienstbaar te zijn? Zoudt gij dat wagen? Gij, die u voedt, die u kleedt, die u siert met Zijn vorstelijke gave, gij, die in de wouden, in de houttuinen Zijn wild opjaagt? Gij, die in de stromen, in de vijvers Zijn vissen, Zijn waterdieren vangt? Gij, die van de velden Zijn vruchten oogst, uit de boomgaarden Zijn herfstfruit plukt? Gij, die u kleedt met de huiden van Zijn dieren, met het weefsel, gesponnen van Zijn gewassen; gij, die u siert met de glinsterende metalen, gedolven uit de schoot van Zijn groeven; met de flonkerende barnstenen, gewonnen uit de diepten van Zijn zee? Nee, gij zult niet aarzelen; gij, volk van de Friese stammen, zult met vreugde Zijn licht ontvangen! En de kracht, die Hij u geeft, zal u vormen tot Zijn getrouwe kampvechters; gij zult strijden in Zijn heir en met Hem, de held Christus, de Koning der Koningen, uw hoop en uw roem, zult gij overwinnen al de machten van duisternis en boosheid. En wanneer uw strijd in dit aardse leven gestreden zal zijn, zal Christus, uw Vader, u ontvangen in de zaal van Zijn koninklijke burcht en Hij zal opstaan van Zijn hoge stoel, en al de groten van Zijn rijk zullen oprijzen en Hij, uw God, zal u begroeten, en u sluitend in Zijn armen, zal Hij u noemen: Mijn edele, vrije Fries. En Hij zal u geven de schaal van Zijn eeuwige drank en Hij zal u doen nederzitten in Zijn eeuwige zaal."

De woorden van Wulfram hadden grote indruk gemaakt. Allen zwegen. Toen sprong Bernlef naar voren; zijn vurige blik op de koning gevestigd, riep hij uit: "Wie zou aarzelen, deze God dienstbaar te zijn? vraagt deze monnik. Maar dienstbaarheid aan deze God betekent ook: vazal van de Frank zijn!" - "Is dat zo?" vroeg Radboud. "Een Frank of een vazal van een Frank zou het niet wagen, zonder wapenen hier in uw midden, in de koningszaal van de Friezen, te verschijnen," antwoordde de christenprediker eenvoudig. "Je hebt moed en alleen op een moedig man kan men vertrouwen; daarom geloof ik je." - "Ik dank u, koning!"

Toen zei Radboud, en zijn woord was tevens een bevel voor zijn groten: "Breng vrij verder je boodschap. Wij zullen naar je luisteren en over je woorden nadenken. Iglo zal je beschermen."


                               * * * wordt vervolgt * * *
Bron : "Noord- en Zuid-Nederlandse sagen en legenden" door Willem Hoffman.
           Elsevier, Amsterdam/Brussel, 1962.
           www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:19 7 reacties Reageer op dit bericht

Het Mariabeeld te Wessem

Het Mariabeeld te Wessem
- Een Limburgse legende over het wonderbeeld van de Mariakapel -
Iets buiten het dorp Wessem, ligt een kleine eenvoudige kapel. Zij is in het bezit van twee Mariabeelden. Het ene is nog nieuw en steekt zeer af bij het andere ruwe beeldje dat er naast staat en een opmerkelijke oudheid verraadt. Het is merendeels wegens dit laatste dat de kapel zo druk bezocht wordt.

Immers de bewoners van Wessem plaats hebben van hun ouders vernomen, hoe wondervol dit beeldje voor Wessem behouden bleef, en daardoor is het hun bijzonder dierbaar.

Het was namelijk tijdens de eerste Franse omwenteling. De Maas had haar water over de dijken gestuwd, en tengevolge hiervan waren de nabij de kapel gelegen grachten, die nog maar net bestonden en een gedeelte van Wessem omvatten, tot de randen toe met water gevuld.

Gelijk elders, woelde te Wessem ook een club godvergeten revolutionaire handlangers, en het spreekt dus van zelf, dat baldadigheden tegen de godsdienst niet lang uitbleven.

Op zekere dag viel hun oog op het Lieve Vrouwebeeld, destijds boven op de kapel geplaatst, en tot dusverre onopgemerkt door hen. Zij rukten het beeld weg, wierpen het in de dichtstbijzijnde gracht, en na deze heiligschennis gingen zij heen.

De godsdienstige inwoners hadden met een weemoedig hart deze snode daad aanschouwd. Nog wierpen zij een laatste blik op dat beeld, dat zij van jongs af aan op de kapel gezien hadden, en waaraan voor hen zo menige aangename herinnering verbonden was. Nu - helaas! - was het hun voor altijd ontroofd. Immers wegens de hoge waterstand stonden de grachten in verbinding met de Maas en de stroming was fel! De Maasstroom zou het beeld meevoeren en de bedrukte toeschouwers zouden het nooit meer zien!

Maar wat gebeurde? In plaats van door het onstuimig water te worden weggesleept, dreef het beeld tegen de stroom in, terug naar de kapel. Met een dankbaar hart werd het door de vreugdedronken inwoners opgenomen en sinds die tijd te Wessem met de grootste eerbied bewaard.

Zo verhalen met een blij gemoed de ouders te Wessem aan hun kinderen de legende van het oud en ruw, maar dierbaar wonderbeeld van Maria.


                                      * * * EINDE * * *
Bron : "Limburgsche legenden, sagen, sprookjes en volksverhalen. Deel 1"
           verzameld en uitgegeven door H. Welters.
           Uitgeverij de Lijster, Maasbree, 1982. ISBN: 90-6486-031-9
Hoe vind je dit bericht? 2 stemmen
Geschreven door saagje om 00:00 10 reacties Reageer op dit bericht

De koning, de duif en de valk

De koning, de duif en de valk
- Een hindoe-legende over een beschermer van smekelingen -
Op zekere dag werd een mooie duif in het luchtruim achtervolgd door een valk. Ze streek neer en zocht bescherming bij een edele koning.

Toen die trouwhartige koning de duif zo angstig een toevlucht zag zoeken op zijn schoot, sprak hij tot haar: "Wees niet zo bang, o uit het ei geborene! Wat heeft je zo beangstigd? Wat heeft je zo'n grote vrees aangejaagd, dat je meer dood dan levend bent? Je veren zijn blauwachtig als een pas ontloken blauwe lotus, en je ogen zijn rood als een granaatappel of de bloesem van de ashokaboom. Vrees niet. Niemand zal je durven aanraken, nu je onder mijn bescherming staat. Ik ben bereid mijn hele koninkrijk voor jou op te offeren en, als het moet, mijn leven. Wees dus kalm, mijn duifje, en vrees niet meer."

Maar de valk was ook neergestreken en hij riep verontwaardigd: "Die duif is als voedsel voor mij bestemd. Het past niet, o koning, dat u haar tegen mij in bescherming neemt. Ik heb jacht op haar gemaakt en met grote inspanning heb ik haar gevangen. Felle dorst kwelt mij en honger knaagt aan mijn ingewanden. Deze duif is mijn eerlijk verworven prooi. Zie, haar lijf is gekneusd en opengereten door mijn klauwen en ze haalt nog maar zwakjes adem. Om mensen tegen mensen in bescherming te nemen, daartoe heeft u de macht. Maar uw gezag strekt zich niet uit over de vogels die de lucht doorklieven. En als u soms meent verdiensten te verwerven door die duif te beschermen, denk dan ook eens aan mij. Ik sterf bijna van honger!"

De woorden van de valk brachten de koning in grote verlegenheid. Om ook de valk recht te laten wedervaren, zei hij: "Ik zal voor jou een os laten slachten, of een ever of een hert of een buffel. Stil daar je honger mee. Maar iemand die bij mij bescherming gezocht heeft, mag ik in geen geval in de steek laten. De eerste plicht van een koning is de bescherming van de zwakken."

Maar de valk zei: "Ik eet het vlees van ossen of evers niet. Ik wens alleen het voedsel dat van eeuwigheid bestemd is voor wezens van mijn soort: valken eten duiven. Maar als u werkelijk zo op die duif gesteld bent, geef me dan vlees van uw eigen lichaam, zoveel als de duif weegt."

"Het zij zo," antwoordde de koning. "Ik zal doen wat je me vraagt." En na die woorden begon hij zijn eigen vlees af te snijden en het op een weegschaal af te wegen tegen de duif.

Ondertussen was het tot in de binnenste vertrekken van het paleis doorgedrongen wat er aan het gebeuren was. Onder luid geweeklaag kwamen de koningsvrouwen naar buiten gelopen, behangen met juwelen en edelstenen. Ook de ministers en andere dienaars van de koning kwamen vol ontzetting naar buiten gelopen en de hele omgeving weergalmde van jammerklachten. En de heldere hemel werd met wolken overdekt, terwijl de aarde begon te beven.

De koning sneed het vlees af van zijn zijde, van zijn armen, van zijn dijen, maar nog altijd woog de duif zwaarder. Toen er van de koning niets meer over was dan een bloedig geraamte, ging hij zelf op de weegschaal liggen om zijn hele lichaam te geven.

Op dat ogenblik verschenen alle goden. Onzichtbare wezens sloegen op hemelse trommels en een regen van bloemen daalde op de koning neer. De goden omkransten hem en ze voerden de edele koning, die beschermer van smekelingen, in een wagen die schitterde van edelstenen naar het verblijf van de goden.


                                      * * * EINDE * * *
Bron : "Mahabharata" door Krishna Dvaipayana Vyasa.
           Vertaald en bewerkt door H. Verbruggen. Mirananda, Den Haag, 1991. ISBN: 90-6271-815-9
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 04:34 15 reacties Reageer op dit bericht

Lidwina van Schiedam

Lidwina van Schiedam
- zomaar een heilige -
Lidwina werd in 1380 te Schiedam geboren. Ten gevolge van een noodlottige val op het ijs brak zij haar heup en was gedurende 38 jaar bedlegerig. Te midden van haar vreselijk lijden was zij een voorbeeld van heldhaftig geduld en van uitzonderlijke liefde tot God en haar medemensen. Op 14 april 1433 werd zij uit haar voortdurende beschouwing van Christus' passie opgeroepen tot het aanschouwen van zijn heerlijkheid. De verering die haar na haar dood ten deel viel, werd in 1890 officieel erkend, toen paus Leo XIII haar liturgische viering goedkeurde. Tevoren was een deel van haar relieken, die in 1615 om veiligheidsredenen naar Brussel waren gebracht, op 14 juni 1871 naar haar geboortestad teruggebracht.

Een andere bron vertelt wat meer:

In 1425 doet Filips de Goede van Bourgondie Schiedam aan, om evenals in andere steden van Holland als regent te worden ontvangen. 's Avonds kwamen een aantal van zijn soldaten, Picardiers genaamd, naar de woning van Lidwina. Ze hadden de pastoor van Schiedam, Jan Engel, zo ver gekregen dat hij met ze meeging. Ze begonnen 'seer onsedelic in haer camer te roepen ende haer te quellen'.

De pastoor probeerde hen daarvan te weerhouden, maar toen riepen de Picardiers dat Lidwina zijn bijzit was. Ze gingen naar binnen, staken een kaars aan en haalden de gordijnen van de bedstee op en trokken het dek weg, zodat Lidwina naakt lag. Haar nichtje Pieternel kwam tussenbeide, maar het kind werd zo ruw opzij geworpen, dat ze haar heup bezeerde en tot haar dood zou blijven hinken.

De Picardiers begonnen de latere heilige voor slet uit te schelden en te zeggen dat ze 's nachts wellustig de hoer uit hing, dat ze al 14 kinderen had, enz. Vooral de man die de kaars vasthield ging grof tegen haar te keer. Daarna bezoedelde de Picardiers Lidwina's lichaam zeer ruw met hun handen, zo ruw dat het op drie plaatsen ging bloeden. De Picardiers gingen weg om het bloed van hun handen te wassen, maar ze kwamen terug om haar opnieuw uit te schelden.

Hertog Filips voer verder naar Rotterdam. De heren van het Schiedamse gerecht, die van de behandeling der Picardiers vernamen, wilden een aanklacht indienen, maar Lidwina wilde dit niet. De wraak Gods zou de schurken spoedig achterhalen.

De eerste Picardier werd in de haven van Rotterdam plotseling van de ene reling naar de andere geslingerd, sloeg overboord en verdronk. Hij werd op het kerkhof begraven.

De tweede werd in Brouwershaven tijdens een gevecht doodgeslagen.

De derde kwam tot Zierikzee. Daar werd hij door razernij aangetast, zodat men hem overbood zette in een bootje. Hij is kort daarna krankzinnig gestorven.

De vierde werd te Sluis door een beroerte getroffen zodat hij zijn spraak verloor. Zijn knecht vroeg of hij degene was die de maagd van Schiedam zo onheus had behandeld. De man knikte, gaf een teken van berouw en stierf.

In 1426 is Filips van Bourgondie opnieuw in Schiedam. Een ridder uit zijn gevolg gaf bij die gelegenheid zes van zijn mannen de opdracht Lidwina dag en nacht te bewaken. Filips vertrekt spoedig naar Vlaanderen en Lidwina wordt verder met rust gelaten.

Op 14 april 1433 sterft Lidwina van Schiedam. Talloze pelgrims zullen haar graf bezoeken, totdat in 1615 haar gebeente wordt opgegraven om als relikwie naar de Zuidelijke Nederlanden te worden gebracht.


                                      * * * EINDE * * *
Bron : beleven
Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door saagje om 00:00 3 reacties Reageer op dit bericht

De zwarte paraplu

De zwarte paraplu
- Verhalen uit Noord-Amerika -
Het huisje stond aan de rand van de stad en behoorde toe aan Eliza, een zwarte vrouw. Al vele jaren was ze keukenmeid en wasvrouw in het huis van een rijke koopman. Van maandagmorgen tot en met zondagmorgen werkte en sliep ze in het grote fraaie huis, maar de zondagmiddag en de nacht van zondag op maandag bracht ze door in haar kleine huis in de buitenwijk. Daar zat ze meestal bij het raam, want zo kon ze horen en zien, wat er buiten gebeurde.

Toen ze op een avond bij het raam was ingedommeld, werd ze wakker door een eigenaardig zingen. "Zo zingt een vogel toch niet," dacht Eliza en ze sloeg de ogen op. In het schemerdonker kon ze achter het lage muurtje van het kerkhof een aantal in het zwart geklede gebogen gedaanten zien. En ze beluisterde het lied, waarmee de mensen gewend waren hun doden naar het graf te begeleiden:

       Geen tranen zullen meer in je ogen komen;
       jij bent nu voor eeuwig thuis,
       daar waar geen tranen meer stromen.

Eliza de keukenmeid had dat lied dikwijls zelf gezongen, wanneer een buurman of buurvrouw uit de buurt naar de laatste rustplaats werd gebracht. Eliza zong graag: treurige en vrolijke liederen, maar het liefst treurige. Ze deed nu het raam dicht, trok haar schoenen aan, zette haar hoed op en ging naar buiten.

Op het kerkhof knielde ze naast de rouwende mensen neer en zong met hen mee. Het werd donker, de regen viel uit de laaghangende wolken, de wind bulderde boven het kerkhof. Eliza trok haar hoed dieper over het voorhoofd en zette de kraag van haar mantel op. De regen liep haar langs de rug, maar ze zong door. En er stond een lange magere man in een zwarte geklede jas op om de keukenmeid een grote zwarte paraplu te geven. "Neem hem maar, zuster," zei hij, "zo'n goede zangeres mag niet nat worden." En hij maakte de paraplu voor haar open. De keukenmeid school eronder weg en bleef met de anderen het graflied voor de arme negers zingen.

Toen het lied beëindigd werd, stond de magere man nog eens op en begon te bidden. Allen baden gedempt met hem mee. Maar toen de keukenmeid tenslotte 'amen' zei, stak er een hevige wind op, die over het kerkhof dreunde als vlerken van een reusachtige vogel. Eliza keek op en zag, dat ze naast een met gras en onkruid begroeid graf lag geknield en dat er zich buiten haar niemand op het kerkhof bevond.

Geschrokken stond ze op en vluchtte naar huis. Nadat ze de huisdeur achter zich gesloten had, merkte ze, dat ze de grote zwarte paraplu nog steeds in haar hand hield. Ze zette hem in een hoek en bracht de nacht trillend en wakend door. Zouden de geesten van de gestorvenen de paraplu niet terug komen halen? Maar er verscheen niemand, slechts de regen ruiste eentonig neer en de door de wind gegeselde takken sloegen tegen het raam.

Nog vele jaren stond die grote zwarte paraplu in het huisje van keukenmeid Eliza. Als het regende, haalde ze hem uit de hoek en als ze thuiskwam, zette ze hem weer op zijn plaats. Maar ze leende hem nooit uit. En niemand heeft haar ooit uitgelachen, als Eliza vertelde dat ze in de regen met de geesten het dodenlied voor arme negers had gezongen.


                                      * * * EINDE * * *
Bron : "Sprookjes van de prairie. Verhalen uit Noord-Amerika" verteld door Vladimir Stuchl.
           Vertaling Margot Bakker. Uitgeverij Ankh-Hermes, Deventer, 1982.
Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door saagje om 00:08 9 reacties Reageer op dit bericht

Confucius en de loop van het water

Confucius en de loop van het water...
- Een taoïstisch verhaal over de woelingen van het leven -
Ik volg de loop van het water...

Ik zit stil,
doe niets.

De lente komt
en het gras groeit vanzelf.

Op een dag maken de wijsgeer Confucius en zijn volgelingen een wandeling bij een waterval die van honderdvijftig meter hoogte naar beneden stort. Het schuim drijft over een afstand van zestig kilometer voort.

Geen schildpad, vis of krokodil kan zich in de kolkende massa handhaven.

Dan ziet het gezelschap tot zijn verbijstering een oude man rondzwemmen in het kolkende water. Het kan niet anders of hij verkeert in doodsnood.

De wijsgeer stuurt zijn volgelingen erop af om hem te redden. Toen ze dichterbij kwamen, liep de man echter alweer zingend op de kant. Zijn haar hing los en hij genoot van de prachtige omgeving.

Confucius sprak hem aan, en zei:

"Ik zag u voor een geest aan, maar nu zie ik dat u een mens bent. Mag ik vragen: hebt u soms een bijzondere truc om door dit woeste water te gaan?"

De man antwoordde: "Nee, een bijzondere kunstgreep heb ik niet. Maar ik begon het te leren op jeugdige leeftijd en toen ik opgroeide, werd het mijn tweede natuur. Nu is de goede afloop zo zeker als het lot. Ik ga erin en met het water omlaag tot aan het middelpunt van de draaikolk. Ik kom weer boven als het de andere kant uitdraait. Ik volg de loop van het water en doe niets uit mijzelf dat daar tegenin gaat. Aldus is de manier waarop ik er doorheen kom."


                                      * * * EINDE * * *
Bron : http://www.woordenwisseling.com/wijze.htm
Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door saagje om 00:12 18 reacties Reageer op dit bericht

Zonnescherm en sandalen

Zonnescherm en sandalen
- Een Indiaas verhaal over bescherming tegen de hitte van de zon -
Lang geleden leefde er een heilige kluizenaar, die Jamadagni heette. Dag aan dag oefende hij zich in het boogschieten en zijn vrouw Renuka raapte dan de pijlen op en bracht ze hem terug.

Nadat Jamadagni op een morgen in de heetste tijd van het jaar al zijn pijlen verschoten had, zei hij tegen Renuka: "Ga, schoonogige, en haal de pijlen terug, zodat ik ze opnieuw kan gebruiken."

Renuka ging, maar de zon brandde zo fel op haar hoofd en verschroeide haar voeten zo erg, dat ze wel even moest rusten in de schaduw van een broodboom. Maar lang durfde ze toch niet te blijven zitten, uit schrik voor de toorn van haar man. Ze zocht haastig de pijlen bijeen en keerde naar huis terug, bekommerd van hart en met pijnlijke voeten. Bevend naderde ze haar echtgenoot.

Die riep woedend tegen zijn bevallige vrouw met ronde dijen en ronde borsten: "Waar ben je zo lang gebleven, Renuka?"

Daarop antwoordde de onberispelijke vrouw: "Mijn hoofd en mijn voeten werden verzengd door de stralen van de zon. Uitgeput door de hitte heb ik even gerust in de schaduw van een broodboom. Daardoor ben ik wat te laat. Wees niet boos op mij."

Terwijl zijn ogen koperkleurig van woede werden, riep Jamadagni: "Vandaag nog zal ik de zon, die je met haar stralen zo gekweld heeft, met mijn onfeilbare pijlen doorboren!" En hij greep pijl en boog, en terwijl hij boos naar de zon keek, bestudeerde hij haar loop.

Toen de zonnegod Surya dit merkte, kwam hij naar hem toe in de gedaante van een welonderwezen brahmaan. En hij vroeg: "Waardoor heeft de zon je mishaagd? Het is de zon die de vochtigheid van de aarde opzuigt en ze in de vorm van regen weer op haar laat neerdalen. Daardoor komen bladeren, vruchten, kruiden en groenten tot wasdom. Hoe zou de mens zich kunnen voeden, als er geen zon bestond? En welk wezen kan er zonder voedsel bestaan? Wat zou je er mee winnen, als je de zon vernietigt?"

Maar ondanks die wijze woorden van Surya bleef Jamadagni wraaklustig in zijn gemoed en was hij vast van plan zijn voornemen uit te voeren.

Toen kwam de zonnegod in de gedaante van een andere brahmaan bij hem. En hij zei: "De zon is voortdurend in beweging. Je zult haar nooit kunnen treffen!"

Maar Jamadagni antwoordde: "Midden in de dag schijnt u een ogenblik stil te staan. Dan zal ik u doorboren met mijn pijlen."

"Je hebt me dus herkend," sprak de zonnegod teleurgesteld. "Maar kijk, nu sta ik hier als smekeling voor jou en ik vraag je om bescherming tegen mijn belager!"

Daarop antwoordde de heilige Jamadagni met een glimlach: "Nu hoeft u niets meer te vrezen. Wie zou immers een smekeling kunnen doden? Maar bedenk dan zelf een middel waarmee de mensen zich kunnen behelpen, als uw stralen op hen branden."

En toen gaf de duizendstralige zonnegod Sürya hem een zonnescherm en een paar lederen sandalen ten geschenke.


                                      * * * EINDE * * *
Bron : "Mahabharata" door Krishna Dvaipayana Vyasa.
           Vertaald en bewerkt door H. Verbruggen.
           Mirananda, Den Haag, 1991. ISBN: 90-6271-815-9
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:54 11 reacties Reageer op dit bericht

Lin Ji

Lin Ji
- Een Legende over de dappere Lin Ji -
In Minzhong in Dongye ligt het Yonggebergte, dat zich tientallen mijlen verheft. In het moerasgebied in het noordwesten daarvan leefde een grote slang die zeven of acht roeden lang was en enkele ellen dik. In de wijde omgeving werd hij gevreesd. Vele commandanten van Dongye en magistraten van de daaronder vallende steden waren tegen dit monster gesneuveld. Men offerde hem sindsdien buffels en geiten en bleef zo voor rampen gespaard. Maar van tijd tot tijd verscheen hij aan iemand in een droom, of hij nam bezit van een sjamaan met de boodschap dat hij als maal een twaalf of dertienjarige maagd eiste. De commandant en de magistraten wisten niet wat te doen, maar toen het monster tekeer bleef gaan, begonnen ze slavinnetjes en dochters van misdadigers te kopen die ze voedden en in leven hielden om er telkens een op de eerste ochtend van de achtste maand te offeren. Ze brachten haar dan naar het hol van de slang, de slang kwam naar buiten en verzwolg haar. Zo ging het jaren achtereen en ze hadden al negen meisjes verbruikt.

Op een moment werden er weer meisjes te koop gevraagd, maar zonder resultaat. Een zekere Li Dan uit het district Jiangle had zes dochters en geen zoons. Zijn jongste dochter heette Ji en zij wilde zich laten verkopen. Haar ouders wezen dat voorstel af maar Ji zei: "Vader en moeder, jullie zijn zo ongelukkig geweest om alleen maar zes dochters te krijgen en geen enkele zoon, dat is dus net zoveel als niets! Ik heb geen gelegenheid gehad om jullie het leven te redden. Ik ben niet in staat om in jullie levensonderhoud te voorzien en ik kost jullie alleen maar geld voor kleding en voedsel. Het heeft geen enkel nut dat ik in leven blijf, dus kan ik maar het beste zo spoedig mogelijk sterven. Maar als jullie mij verkopen krijgen jullie nog wat geld voor jullie levensonderhoud - dat is toch prachtig?" Haar ouders hielden van haar en bleven dus weigeren haar te laten gaan. Daarop ging Ji eigener beweging in het geheim - ze konden haar niet tegenhouden.

Ji zorgde dat ze een goed zwaard kreeg en een hond die was afgericht op het vangen van slangen. Op de eerste ochtend van de achtste maand ging ze onverwijld naar de tempel, waar ze plaatsnam met het zwaard in de hand en de hond bij zich. Van tevoren had ze een paar tonnetjes rijstekoeken met honing overgoten en voor het hol van de slang neergezet. De slang kwam meteen naar buiten. Zijn kop was zo groot als een graanmijt en zijn ogen leken spiegels van twee voet doorsnee. Toen hij de geur van de koeken rook, viel hij op de tonnetjes aan en verslond ze in een oogwenk. Op dat moment liet Ji de hond los, die grommend en grauwend op het monster afsprong. Nu kon Ji de slang van achteren besluipen en ze slaagde erin hem met haar zwaard zo te verwonden, dat het monster kronkelend van pijn naar buiten kwam om bij het bereiken van de binnenplaats van de tempel te sterven.

Ji ging zijn hol in om het te doorzoeken en vond er de schedels van de negen meisjes. Ze droeg ze naar buiten en sprak ontdaan: "Jullie waren laf en zwak, zodat jullie opgegeten werden door de slang! Hoe meelijwekkend!" Daarop wandelde het meisje Ji op haar gemak terug naar huis. Toen de koning van Yue hiervan hoorde, maakte hij Ji zijn koningin, hij benoemde haar vader tot magistraat van Jiangle en haar moeder en zusters werden met geschenken overladen. Zo was Dongye voorgoed van monsters bevrijd. Het lied over haar daden wordt nog steeds gezongen.


                                      * * * EINDE * * *
Bron : "Volksverhalen uit kleurrijk Nederland. Draken en andere vreemde wezens. Verhalen uit de Chinese,
           Joodse, Nederlandse, Indiase, Turkse, Surinaamse, Marokkaanse en Indonesische verteltraditie"
            Uitgeverij Lemniscaat, Rotterdam, 1991.
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:54 8 reacties Reageer op dit bericht

Hoe de lianen in het oerwoud kwamen

Hoe de lianen in het oerwoud kwamen
- Een ontstaanslegende van de Guarayu-Indianen uit Bolivia -
In de oude tijd, toen de hemel nog zo laag was dat de oerwoudreuzen hem bijna konden aanraken, waren er troepen hongerige jaguars die alles wat leefde opvraten.

De Indianen vreesden hen het meeste en ze dachten er over hoe ze zich tegen hen konden beschermen. Er ging geen dag voorbij waarin niet een Indiaan een onvrijwillig feestmaal voor een jaguar was.

Het enige wat ze konden doen was zo vlug mogelijk weglopen - maar waar heen moest je vluchten als achter elke boom een paar begerige jaguarogen blikkerden?

Op een dag had een oude sjamaan de reddende inval... Hij nam zijn boog in de hand, schoot een pijl in de hemel, toen een tweede en een derde... en al spoedig ontstond daaruit een ladder die van de hemel naar de aarde reikte.

De Indianen kwamen er allemaal omheen staan en klommen langs de sporten naar boven, als laatste de oude sjamaan.

De jaguars bliezen van kwaadheid, toen ze merkten, dat hun lekkerste buit hun ontkomen was. Ze probeerden weliswaar achter de mensen aan de ladder te beklimmen, maar dat ging niet. De sporten waren zo hard en glad dat de scherpe klauwen van de jaguars geen steun vonden.

De Indianen waren veilig en tevreden en wachtten af wat hun vijanden zouden doen.

De jaguars dachten er niet aan om bij de ladder weg te gaan. Ze liepen met de tongen uit de bekken om de ladder heen en werden daarbij steeds magerder, want ook alle andere dieren hadden een veilig plaatsje opgezocht.

Geen wonder dat kort daarop veel jaguars dood gingen en als ze geen slimme leider hadden gehad was er waarschijnlijk niet een over gebleven.

De leider zei: "De Indianen lachen ons uit en al gauw zullen we ook de laatste rest van onze kracht en lenigheid verliezen. We moeten weg. Vooruit broeders, zo lang we er nog toe in staat zijn!" Het was werkelijk grappig om te zien hoe het bloeddorstige gezelschap met ingetrokken staarten wegsloop.

De Indianen ademden verlicht op. De volgende dag kwamen ze terug in hun dorpen en alleen de oude sjamaan brak zijn hoofd er over, wat er nu met de ladder moest gebeuren.

De Indianen zouden hem niet meer gebruiken, hun vaderland was op aarde, in het oerwoud. Maar het zou jammer zijn van zo'n goede ladder!

Toen kreeg de sjamaan weer een idee. Hij greep de onderste sport met beide handen en schudde zo lang tot de ladder met veel lawaai naar beneden viel. Geloof maar niet, dat hij uit elkaar viel. Nee, daar waar hij neerkwam, groeiden stevige, buigzame ranken omhoog. Ze haakten zich aan de dichtstbijzijnde boom en aan de daar naast staande boom vast, ze kronkelden zich om de stammen en sprongen handig van tak naar tak - het hele oerwoud door!

De sjamaan was tevreden. In plaats van de sporten van de hemelladder waren het nu de spruitende lianen, met wier hulp de Indianen gevaarlijke moerassen konden oversteken of die ze tot sterke netten konden knopen.

Dat hij voor de kinderen en de apen heerlijke schommels had getoverd, daaraan had de sjamaan niet gedacht.


                                      * * * EINDE * * *
Bron : "Sprookjes van de Indio's. Mythen, sprookjes en legenden van de Indianen uit Midden- en Zuid-Amerika"
           door Vladimir Hulpach, vertaald door Anke Eggink.
           Uitgeverij Ankh-Hermes, Deventer, 1979. ISBN: 90-202-0044-5
Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door saagje om 21:36 10 reacties Reageer op dit bericht

Meer van 'VOLKSVERHALEN'

↑ Terug naar de berichten