Naar de inhoud

'VOLKSVERHALEN'

akke.beakke.be
Problemen
Er zijn nogal wat problemen met het lezen van de teksten, daarom volgende tip :
Met de muis links klikken en over de tekst schuiven.
De tekst verschijnt duidelijk leesbaar.

Archief

De hond, die...

De hond, die geen hond was
- Een Nederlands sprookje over een in een hond betoverde prins -
Er was eens een schipper en die voer met zijn schip over zee en toen verging het schip en hij kwam op een stuk hout aan land drijven. Hij was droevig, omdat hij zijn schip verloren had en toen kwam daar een zwarte hond bij hem en die vroeg hem, wat hem scheelde.

"Och, je kunt me toch niet helpen," zei de schipper, maar de hond hield aan. "Ik zal het je maar zeggen," zei die, " ik kan je wel helpen." De schipper was bang, dat die hond de Duivel was en hield zijn mond, maar toen het beest volhield, zei hij het op het laatst toch en hij vertelde, dat hij zijn schip had verloren en nu geen nieuwe meer krijgen kon.

"Bestel maar een schip," zei de hond, en de schipper bestelde een schip en toen ze dat aan het timmeren waren, liep de hond daar de hele tijd omheen, want hij moest het geld ervoor geven. Toen het schip klaar was, betaalde de hond het, maar het had nog geen zeilen en touwen.

"Hoe moet ik daaraan komen?" vroeg de schipper aan de hond.

"Hier heb je geld," zei de hond, "koop daar zeilen en touwen voor."

En toen die erop waren, zei de schipper: "Nu heb ik nog geen knechten en geen eten om op reis van te leven." De hond gaf hem weer geld. "Koop daar eten voor en huur knechten."

Dat deed de schipper en zo kwam hij klaar voor de reis. "Nu moet ik ook meevaren," zei de hond toen. Goed, en ze staken in zee. "Je moet maar al noord-aan zeilen," zei de hond. Goed, dat deed de schipper.

Toen ze drie dagen gezeild hadden, zei de hond: "Je moet je gereed maken, we krijgen een storm van anderhalve dag." Goed, toen kregen ze ook die storm.

En toen de storm over was, zei de hond: "Nu hebben we lange tijd mooi weer."

En zo gebeurde het ook. Maar daarna zei de hond: "Nu krijgen we weer een storm van een dag of drie, maak je maar gereed." En het gebeurde weer, zoals de hond gezegd had.

En nadat ze weer lange tijd mooi weer hadden gehad, zei de hond, dat er een storm van een week lang zou komen en dat ze het anker maar moesten laten vallen. Dat deed de schipper toen en die storm ging ook weer voorbij. "Nu hebben we net zo lang mooi weer, als we nog op zee zijn," zei de hond toen. En dat hadden ze ook.

Ze voeren lange tijd door en toen vroeg de hond: "Zie je ook haast land?"

"Nee," zei de schipper.

"Zeil vooral noord-aan," zei de hond.

Dat deed de schipper en na een dag of drie vroeg de hond weer, of de schipper nog haast geen land zag. "Nee," zei de schipper, "ik zie geen land, maar ik zie wel een groot vuur. Het lijkt de hel wel."

"Nee," zei de hond, "het is de hel niet en het is ook geen vuur. Het is mijn vaders kasteel, dat is van goud en daar schijnt de zon op."

Toen zeilden ze nog een dag of drie en daarna kwamen ze bij het land, maar ze konden niet dicht genoeg bij de wal komen, want het was daar niet diep genoeg. De hond zei, dat ze maar een boot uit moesten zetten en daar gingen ze toen mee naar het kasteel.

Daar was geen mens en de hond zei: "Nu moet je drie kwade nachten uitstaan, maar hou je maar stil."

"Goed," zei de schipper.

De eerste nacht brak aan, en toen de kaarsen opkwamen, was er een kamer vol volk en ze grepen de schipper en kaatsten hem elkander toe, van de een naar de ander. Zo de gehele nacht door en toen de dag aanbrak was al dat volk weg en ze waren weer met hun beiden en des daags aten ze met hun beiden.

Toen de kaarsen de tweede nacht weer opkwamen, ging het weer net zo en ze zeiden: - Dat is een mooie kaatsbal! En de derde nacht alweer zo. Maar toen zei de hond, dat het genoeg was, en ze kwamen in een kamer, waar een groot zwaard op tafel lag.

"Daar moet je me de kop mee afhouwen," zei de hond toen. Maar dat zinde de schipper niet. "Nee, dat kan ik niet doen, je bent veel te goed voor me geweest," zei hij.

"Je moet het toch doen," zei de hond, "anders moet jouw kop eraf."

Toen deed de schipper het en toen de hond zijn kop er af was, werd hij een mens.

"Zie je wel," zei hij, "zo is het beter. Mijn vader had mij in een hond omgetoverd en op zo'n manier moest ik weer een mens worden."

De schipper was natuurlijk heel blij. En hij kreeg nog zoveel geld van de hond toe, dat hij daar zijn hele leven genoeg aan had. Hij bedankte de hond, maar die zei, dat het niet nodig was. "Ik mag jou wel bedanken," zei hij. En de schipper ging voort met zijn geld.


                                        * * * einde * * *
Bron : - "Nederlandse sagen en volksverhalen" door Cor Bruijn. Fibula, Houten, 1989.
           Oorspr. titel: Nederlandse sagen. Ploegsma, Amsterdam, 1946. ISBN: 90-269-4419-5
           - www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:46 3 reacties Reageer op dit bericht

De hebberige buurvrouw(vervolg)

De hebberige buurvrouw (vervolg)
- De legende van het Danum-meer -
Toen ze klaar waren met eten, gaf de oude vrouw Bulan twee 'gabi' wortels en een rijststengel. "Ga nu naar huis," zei de oude vrouw. "Zo gauw als je thuis bent, berg dan de rijststengel op in de graanschuur. Kook de 'gabi'." Verder zei ze niets meer, ook geen goedendag. Bulan was teleurgesteld omdat ze in ruil voor haar varken en al haar problemen alleen twee 'gabi' wortels en één rijststengel had gekregen. Niettemin bedankte ze de oude vrouw en ging naar huis. Ze borg de rijststengel op in de graanschuur en kookte de 'gabi', precies zoals de oude vrouw haar had opgedragen.

Toen de 'gabi' gekookt had, pakte Bulan een mes om het in stukken te snijden. En toen merkte ze iets vreemds op. Het maakte namelijk niet uit hoeveel stukken ze afsneed, de 'gabi' bleef even groot. Weldra had ze honderd plakken van de 'gabi' op tafel meer dan genoeg om haar kinderen eten te geven. Toen wist ze dat dit de gift was van de oude vrouw.

Toen herinnerde ze zich de rijststengel en ze rende naar de graanschuur. Het stroomde er over van de rijst. Bulan was erg gelukkig, omdat ze wist dat haar familie nooit meer honger hoefde te lijden.

Spoedig merkten de buren het grote geluk van Bulan op. Eén van haar buren was een rijke maar begerige vrouw genaamd Galay. Deze vrouw had geweigerd om Bulan wat rijst te lenen toen deze niets had om haar kinderen te voeden. Galay vroeg Bulan hoe het kwam dat ze nu zoveel voedsel had. Bulan vertelde haar openhartig over haar vreemde reis. "Ik zal het varken van mijn man meenemen en uitkijken naar de oude heks," zei Galay met een harde flikkering in haar ogen. "Maar je graanschuur is vol!" riep Bulan uit. "Ach, maar als ik de magische rijststengel zou hebben dan zou ik nooit zou hard meer hoeven te werken!" zei Galay, terwijl ze wegliep om naar het varken te kijken.

De volgende dag ging de begerige buurvrouw op weg naar het meer met een varken in een mand op haar hoofd. Toen ze bij het meer kwam zette ze het varken op de grond. Ze trok aan zijn staart om er zeker van te zijn dat hij ging gillen. In een flits verscheen de vrouw. Alles gebeurde precies zoals Bulan haar had verteld. De twee vrouwen liepen over de oppervlakte van het water totdat ze bij het huis op de palen kwamen. De oude vrouw nam een wortelstoel, ging bij het raam zitten en droeg Galay op haar haar te luizen. Galay vervulde dit met afschuw en ze weigerde. Vervolgens maakte de oude vrouw het avondmaal. Maar toen Galay zag dat de borden waren gemaakt van menselijke schedels stond ze snel van tafel op. Toen Galay naar de deur rende sloeg de oude vrouw haar op haar dij. Onmiddellijk veranderde Galay in een grote pijnboom. Het huis en de oude vrouw verdwenen. Alleen het meer en de boom bleven bestaan.

Een paar jaar later kwam er een houthakker die de reusachtige boom zag staan in het midden van het ondiepe meer. Hij besloot om de boom om te hakken. Zodra de boom was omgehakt begon het water te stijgen. Het meer verzwolg veel van het omliggende land en werd zo diep dat je de bodem niet meer kon zien. Vandaag de dag wordt het het 'Danum-meer' genoemd, wat zoveel betekent als 'het water van het meer'. De pijnboom staat er niet meer, maar mensen geloven dat de geest van de hebberige buurvrouw nog steeds in het midden van het meer woont.


                                          * * * Einde * * *
Bron : - "The girl who fell from the sky" Klassieke legendes uit de Filippijnen, naverteld door: Maria Elena Paterno.
           Vertaald door Karin Bruggert (Stichting Beleven).
           - www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:00 8 reacties Reageer op dit bericht

De hebberige buurvrouw

De hebberige buurvrouw
- De legende van het Danum-meer -
Er was er eens een jonge weduwe genaamd Bulan en zij woonde hoog in het Cordillera gebergte. Zij was een eerlijke, vriendelijke en hardwerkende vrouw die werkte op de velden die haar man haar had nagelaten en ze zorgde voor haar kinderen zo goed als ze kon. Maar het weer was dat jaar slecht geweest. Te veel regen had de velden doen onderlopen en de rijstoogst vernietigt, zodat Bulan niets had om haar kinderen mee te voeden.

Op een dag toen ze in de graanschuur was om de laatste rijstkorrels op te rapen, hoorde Bulan het familie varken onder het huis gillen. Dat bracht haar op een idee. "Ik zal het varken naar de markt brengen en het ruilen voor rijst," zei ze tegen haar kinderen. "Dan hebben we tenminste voedsel om te eten."

De volgende dag bond Bulan het varken in een mand en zette de mand op haar hoofd en ging op weg. Het was een warme dag en ze werd snel moe omdat ze zo hongerig was. Na een tijdje stopte ze bij een ondiep meer. Toen ze de mand van haar hoofd tilde begon het varken hard te gillen. Plotseling verscheen er een oude vrouw. Haar witte haar leek het zonlicht te vangen en vast te houden. Haar gezicht was erg bleek, maar haar ogen waren helder en schitterend.

"Waar ga je met het varken naar toe?" vroeg de oude vrouw. De oude vrouw maakte haar nerveus, maar Bulan antwoordde haar oprecht en zei: "Ik ga naar Sagada om haar te ruilen voor eten." - "Volg me. Ik zal je iets geven voor je varken," zei de oude vrouw. Ze liep naar de rand van het meer en stak een voet uit. Terwijl Bulan in verbazing toekeek, liep de oude vrouw het water in. Maar haar voeten bleven droog. Ze deed een paar stappen op het glimmende oppervlak van het meer en keerde toen naar Bulan terug die nog steeds aan de rand van het meer stond. Bulan trilde onzeker met haar hoofd. Ze wist dat dit toverkunst was en dat maakte haar bang.

De oude vrouw liep terug naar Bulan en stak haar gerimpelde hand uit. Balancerend met de mand op haar hoofd pakte Bulan de hand van de oude vrouw. Langzaam liep ze het meer in. Ze wachtte op de nattigheid van het water, maar haar voeten gingen niet onder. Het was zoiets als lopen op een bed van zacht mos. Plotseling verscheen er een huis op palen in het midden van het meer. De twee vrouwen gingen naar binnen, en Bulan zette de mand met het varken neer op de vloer. De oude vrouw zat op een wortelstoel bij het raam en droeg Bulan op om de luizen uit haar haar te halen. Bulan was angstiger dan ooit omdat ze nu zeker was dat de oude vrouw een heks was. Toch deed Bulan wat haar was opgedragen.

Toen Bulan een scheiding maakte in het haar van de oude vrouw vond ze geen luizen, alleen kleine slangen en duizendpoten. Het moeten er duizenden zijn geweest! Bulan beet op haar lip zodat ze niet zou gaan schreeuwen en ze drukte dapper de slangen en duizendpoten tussen haar duimnagels kapot. Na een uur vroeg de vrouw haar te stoppen. Ze stond op en verzamelde de slangen en duizendpoten. Ze wierp hen in een groente-stoofpot en liet het koken. Na een tijdje besloot de heks dat het eten gaar was en diende het op op borden die gemaakt waren van menselijke schedels. Het was afschuwelijk, maar Bulan was bereid om dit walgelijke maal te eten zodat haar kinderen niet zouden sterven. Nogmaals beet ze op haar lippen en deed alsof het heel gewoon was.


                                    * * * wordt vervolgd * * *
Bron : - "The girl who fell from the sky" Klassieke legendes uit de Filippijnen, naverteld door: Maria Elena Paterno.
           Vertaald door Karin Bruggert (Stichting Beleven).
           - www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 22:45 Reageer op dit bericht

De zalm en de roodbaars

De zalm en de roodbaars
- Een fabel uit Lapland over zelfingenomen zijn -
De zalm en de roodbaarsHoog in het Noorden, in het ijzige Lapland, begon het lente te worden. De sneeuw smolt weg, het groen kwam weer te voorschijn en ook het ijs op de rivieren begon te breken. Voor de zalm was nu de tijd aangebroken om eitjes te gaan leggen. Nu kon hij dit niet zomaar overal doen. Hij had daar het helderste en zuiverste water voor nodig. En dus zwom de zalm kilometers ver stroomopwaarts de Tana-rivier op, naar waar hij wist dat er een waterval was.

Moe, maar voldaan bereikte de zalm na dagen de waterval. Over de hele breedte van de rivier stortte het water zich bruisend naar beneden. Prachtig water was het, helder en schoon. Het was alsof het zo uit de hemel kwam, zo zuiver. Tevreden zocht de zalm een rustig plaatsje, waar straks uit het kuit de jonge visjes geboren konden worden.

Toen hij zo nog wat uitrustte van de lange reis, kwam er een roodbaars naar hem toe zwemmen. De zalm, die een trotse vis was - wie immers was zo sterk en kon zo snel zwemmen als hij? - keek de roodbaars vanuit de hoogte aan en vroeg: "Zeg, wat ben jij eigenlijk voor een vis? Nooit gezien." De roodbaars antwoordde: "Dat kan best, hoor. Ik ben ook geen alledaagse vis. Ik zwem in de zee. Ik ben een roodbaars."

"Nooit van gehoord!" snierde de zalm. "Dat dacht ik al. Zalmen mogen dan veel praatjes hebben, maar zij weten lang niet alles," ketste de roodbaars terug. "Kijk," vervolgde hij, "ik ben familie van de zoetwaterbaars. Maar mijn stekels zijn nog veel scherper, wel zo scherp als naalden." En meteen prikte hij de zalm heel venijnig in de zij.

"Au! Dat doet pijn!" riep de zalm geschrokken. "Wat kom je hier eigenlijk doen. Je hebt hier niets te maken. Ga toch terug naar waar je thuishoort! Ik heb je toch niet gevraagd...?"

"We leven anders in een vrij land," meende de roodbaars. "Ik kan gaan en staan waar ik wil."

"Ach, man," begon de zalm weer. "Het is hier veel te koud voor zo’n magere vis als jij. Alleen als je goed in je vet zit, zoals ik, kan je het hier in de kou uithouden."

"Toch heb ik meer vet in mijn kop dan menige Lap in zijn voorraadkast bewaart," antwoordde de baars, zeker van zichzelf. "Weet jij wat wij eens moeten doen?" vervolgde hij. "Wij moesten eens om het hardst gaan zwemmen. Jij bent toch zo’n vlugge? Wie het hoogst tegen de waterval op kan komen!"

De zalm haalde minachtend zijn schouders op. Wat wilde die roodbaars? Het tegen hem opnemen? Laat me niet lachen, dacht de zalm, die zich niet verwaardigde om antwoord te geven. Daarop prikte de roodbaars hem opnieuw, ditmaal aan de andere kant.

"Nou? Wat zeg je ervan? Zullen we?" drong de roodbaars aan.

Als hij niet weer geprikt wilde worden, zat er voor de zalm weinig anders op dan maar in te stemmen. Beide vissen maakten zich klaar voor de wedstrijd. De zalm zwom wat terug om een goede aanloop te kunnen nemen. Met alle kracht moest hij tegen het vallende water in zwemmen. Een, twee... Daar ging hij. Als een pijl schoot hij door het water.

De roodbaars had rustig afgewacht. Toen de zalm hem passeerde pakte hij deze plotseling bij de staart en samen snelden zij naar boven. Op het moment dat de zalm het hoogste punt van de waterval bereikte, keerde hij razendsnel om met het hoofd naar beneden weer omlaag te duiken. En toen riep de roodbaars, die nog altijd aan zijn staart hing: "Kijk eens om! Zie je wel, dat ik veel hoger gekomen ben dan jij? En jij wou nog wel met mij om het hoogst zwemmen? Als je mij nu nog niet kent: ik ben een roodbaars en... ik heb van jou gewonnen!"

Daarop prikte de roodbaars de zalm nog een keer met een van zijn scherpe stekels. Beschaamd ging de zalm er vandoor.


                                        * * * EINDE * * *
Bron : - "Dierenfabels; de wereld rond" opnieuw verteld door Johan van Nieuwenhuizen.
           Uitgeversmaatschappij Holland, Haarlem, 1977. ISBN: 90-251-0311-1
           - www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:00 7 reacties Reageer op dit bericht

De kikker die...

De kikker die al het water opdronk
- Een oude overlevering van de Maori’s -
De kikker die al het water opdronkHeel ver weg, dichtbij 't grote vasteland van Australië, ligt Nieuw-Zeeland. De oorspronkelijke bewoners van dat land zijn de Maori's. En onder dat oude volk gelooft men nog altijd dat kikkers regen kunnen maken. Dit komt zeker doordat er, als er na een lange tijd van droogte eindelijk regen valt, opeens
zo heel veel kikkers te voorschijn komen. En niemand begrijpt waarvandaan. De kikkers worden daar dus bijzonder vereerd en wee degene die er een dood zou maken!

"Zo'n kikker heeft massa's water in zich," zeggen ze, "en als je er een doodtrapte, zou er een overstroming komen zoals er nog nooit een is geweest!" Oude mensen kunnen daar een grappig verhaal van vertellen.

Lang, lang geleden, voordat er zwarte of witte mensen in dit land woonden, verscheen er opeens een grote, grote kikker aan de oever van een meer. Hij was veel, veel groter dan alle andere kikkers en niemand wist waar hij vandaan kwam. Ook de andere kikkers niet. Die keken vreemd op dat het beest zo'n verbazende dorst scheen te hebben. Want kijk, hij dronk en dronk en dronk en dronk, net zolang tot hij dat hele meer had leeggedronken. En toen hipte hij naar een ander meer en dat dronk hij ook leeg en zo ging dat maar door, net zolang tot hij al het water uit alle meren en rivieren had opgedronken! En toen alles leeg was, ging hij midden in een droge rivierbedding zitten en zei maar aldoor: "Bluk! Bluk! Bluk!" Dat betekende dat hij nu genoeg had gedronken.

Nu, je kunt begrijpen, hoe verschrikt alle andere dieren in dat land waren, nu ze nergens meer een druppeltje water konden vinden om te drinken! Ze vroegen de grote indringer of hij niet een beetje water terug wou geven, omdat ze anders allemaal dood zouden gaan van de dorst. Maar hij zei niets dan: "Bluk! Bluk! Bluk!" en ze kregen niets.

Toen zeiden ze tegen elkaar: "We moeten proberen of we hem zover kunnen krijgen dat hij zijn grote, grote mond eventjes opendoet, zodat er wat water uitkomt." Hoe zouden ze dat het beste kunnen doen? Ze dachten er lang over na en toen bedachten ze dat ze hem aan het lachen moesten maken. Zo gezegd, zo gedaan. Eerst stuurden ze de koning van de kangoeroes op hem af. Die maakte allerlei dolle sprongen en op het laatst probeerde hij alleen op zijn korte voorpootjes te lopen. 't Was een heel gekke vertoning. Maar de kikker zei: "Bluk! Bluk! Bluk!" En hij lachte niet.

Toen kwam er een klein koalabeertje, zo'n wollig beestje, en dat rolde zich op tot een bal en liet zich van een heuvel naar beneden rollen tot het met allerlei malle sprongetjes belandde in het droge riet waar de grote kikker zat. Maar die zei alweer: "Bluk! Bluk! Bluk!" En hij lachte niet. Nu kwam er een grote zwarte slang te voorschijn en die vertoonde ook allerlei malle kunsten samen met een grappig klein slangetje.

Ze knoopten hun lange lijf ineen op de gekste manier die je maar kunt bedenken en alle andere slangen dansten en buitelden eromheen. 't Was o zo grappig om te zien, maar de kikker klokte diep in zijn keel: "Bluk! Bluk! Bluk!" En hij lachte niet.

Nu kwamen de kaketoes en de parkietjes aan de beurt. Die zwermden met z'n allen boven de kop van de grote kikker en ze riepen allerlei zotte dingen naar beneden. De andere dieren schudden van het lachen. De tranen liepen hun langs de wangen, zo moesten ze lachen, toen de spotvogel er ook nog bijkwam. Die kon toch zo grappig alle andere beesten nadoen. En hij wist zulke grappige oude sprookjes.

Hij ging vlak voor de kikker zitten en vertelde hem het malle sprookje van de slang die haar eigen staart verslond en zo langzamerhand zichzelf helemaal opat. En zo mooi als hij dat vertelde! Nee maar, het was gewoon te gek! Maar de kikker zat daar maar aldoor stil in het droge riet en diep in zijn keel klokte hij: "Bluk! Bluk! Bluk!"

Ook de grappige buideldieren en de stekelvarkens en de miereneters konden hem maar niet aan het lachen krijgen, hoe ze ook dansten en sprongen en wat voor malle dingen ze ook deden.

Eindelijk was de dag bijna voorbij en de dieren waren nog niets verder gekomen met de grote kikker, dan toen ze 's morgens begonnen. Hij zat daar maar aldoor stil in de rivierbedding en zei: "Bluk! Bluk! Bluk!"

En kijk, juist toen de dieren ten einde raad waren, kwam de zeepaling met zijn vrouw en zijn hele familie en die zeiden, dat ze het nu nog wel eens zouden proberen om de grote kikker aan het lachen te brengen. De dieren hadden op de oever van de rivier een vuurtje aangelegd en ze vroegen de zeepaling of dat in de schemering licht genoeg gaf voor zijn voorstelling? "O ja," zei de zeepaling, "dat is voldoende. We gaan zo dadelijk beginnen."

Nu plukte hij vlug alle groene grassprietjes die hij kon vinden en zijn vrouw haalde nog wat zeegras. En daarmee tooide hij zichzelf en al zijn familieleden. Daarna verhieven ze zich op hun staarten en al die palingen begonnen me daar rondom het vuur een dans uit te voeren... nee maar, wat een gekke dans was dat! Ze knikten en bogen dat de slierten gras en zeewier in de avondwind wapperden. En ze trokken er zulke gekke gezichten bij dat de grote kikker zich haast niet meer goed kon houden. En toen nu die opgesierde palingen met hun wit en bruine kronkellijven aldoor nog maller dansten, schaterde hij het opeens uit!

En daarbij ging zijn grote mond wijd, wijd open. En kijk, daar stroomde het water eruit met grote kracht. Het stroomde terug in al zijn oude beddingen en het hield niet op te stromen, voordat alle meren en rivieren weer vol waren. "Ziezo," zeiden de palingen, "nu gaan we maar weer naar de zee terug. Als je onze hulp ooit weer nodig hebt, roep ons dan maar." En meteen glipten ze weg. Daar zat nu die grote kikker. En kijk, hij was helemaal niet boos dat ze hem zo aan het lachen hadden gemaakt en dat hij al dat water weer was kwijtgeraakt.

Het was wel vreemd. Nu waren alle meren en rivieren weer vol en hij deed zijn bek weer dicht, maar het leek toch net, of hij nog een hele massa water in zijn buik had, zo dik was hij nog!

Nu waren de dieren bang dat hij hun hele land zou laten overstromen en ze pasten voortaan wel op, dat ze hem nooit weer aan het lachen maakten.


                                        * * * EINDE * * *
Bron : - "Het groot vertelselboek" verzameld door Nienke van Hichtum.
           Van Holkema & Warendorf, Bussum, 1973. ISBN: 90-269-0927-6
           - www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:11 6 reacties Reageer op dit bericht

Het meisje dat...

Het meisje dat niet wilde trouwen
- Een Swahili-sprookje over vooroordelen t.a.v. het huwelijk -
Er was eens een man die drie dochters had. Twee van hen waren al uitgehuwelijkt maar de derde weigerde te trouwen. Op een dag kwam een aanbidder haar het hof maken. Hij vroeg haar vader om haar hand. Haar vader antwoordde: "Ik wil hierover geen beslissing nemen. Ga maar naar haar toe en vraag wat ze er zelf over denkt!"

Die aanbidder riep haar kamermeisje en gaf haar veel geschenken. Daarna ging hij met het meisje zelf spreken. Ze dacht verschrikt: "Ik word uitgehuwelijkt!" en liep weg van huis om zich in het bos te verbergen. Niet lang daarna kwam een tweede vrijgezel om haar hand vragen, maar haar vader zei: "Ik heb geen huwbare dochter meer, ze is namelijk weggelopen omdat ze niet wil trouwen." De jongeman zei: "Ik zal haar gaan zoeken. Als ik haar vind en bij u terugbreng, mag ik dan met haar trouwen?" - "Als je haar vindt mag je haar houden," antwoordde de vader.

De jongeman ging naar het bos. Het meisje had zich verborgen vlak bij een meer. Toen het meisje de jongeman zag naderen liep ze vlug weg. Hij rende haar achterna. Ze riep: "Alsjeblief meneer, blijf staan, waarom loop je me achterna?" Hij riep terug: "Ik zie een wonder. Ik kwam me verbergen in het bos en heb sinds lang geen meisje gezien. Nu zie ik een meisje dat voor me wegvlucht." Het meisje riep: "Heb je dan geen andere reden om hier door dit bos te hollen?" - "Toch wel," antwoordde de jongen, "mijn vader wil dat ik met een meisje trouw, maar daar heb ik helemaal geen zin in. Daarom ben ik eigenlijk naar het bos gekomen!" - "Ach," zei ze, "ook ik ben hier omdat ik niet wil trouwen." De twee sloten vriendschap.

's Middags werd het bijzonder warm. Het meisje zei dat ze wilde zwemmen in het meer. Dat vond de jongen wel een goed idee en hij stelde voor: "Laat ons samen in het meer gaan." Ze antwoordde: "We kunnen samen zwemmen, maar je moet je rustig houden!" - "Ik ben al sedert mijn geboorte een uitgesproken rustig iemand," verzekerde de jongeman haar. Ze gingen beiden het water in.

Maar toen de jongen de stevige borsten van het meisje zag werd hij vervuld door begeerte. Hij omhelsde haar steeds inniger en ook het meisje werd aangestoken door een vurig verlangen. Ze kwamen uit het water en de jongen fluisterde haar tedere woordjes in en liefkoosde haar zacht tot het meisje tevreden was, en hij ook.

Na drie dágen van intens beminnen vroeg het meisje hem: "Wat is dit hier?" De jongen antwoordde: "Heb je ooit al eens van een huwelijk gehoord? Wel, een huwelijk is als dit." - "Als dit op een huwelijk lijkt wil ik onmiddellijk trouwen en liever vandaag dan morgen. Ik was gek vroeger, want ik geloofde de mensen die me zeiden dat het huwelijk iets slechts was. Ze zeiden me dat een echtgenoot zijn vrouw slaat en uitscheldt. Maar als een huwelijk is wat we hier al drie dagen doen, wil ik onmiddellijk naar mijn vader teruggaan en met je huwen."

Haar vader was zeer opgelucht zijn dochter behouden weer te zien, vooral omdat ze haar afkeer voor het huwelijk had opgegeven. Ze trouwden nog diezelfde dag, ze hielden een groot feest en leefden in een mooi huisje samen als man en vrouw.


                                        * * * einde * * *
Bron : - "Swahili sprookjes" samengesteld en vertaald uit het Swahili door Kris Berwouts.
           Uitgeverij Elmar, Rijswijk, 1993.
           - www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:30 4 reacties Reageer op dit bericht

Hoe een schipper ...

Hoe een schipper door de duivel werd gehaald
- Een Harderwijks volksverhaal over een dronken zeeman -
Stomdronken als gewoonlijk was de schipper weer, tegen de avond, aan boord gekomen, nadat hij eerst een paar uur in de herberg had zitten vloeken en razen. Scheldend en dreigend was hij over de meerplank naar de knecht toe gezwaaid en had hem bevolen, al de zeilen op te zetten, en voort te maken. De knecht had het, zonder iets tegen hem te zeggen, gedaan. De schipper stond waggelend aan het roer. En zo waren ze samen de haven uitgezeild met een flinke Noordooster.

Nauwelijks waren ze in zee of de schipper gaf het roer aan de knecht over, scharrelde naar het achteronder, en liet zich er met veel vloeken in zakken. De knecht schoof het luik boven de schipper toe, minderde het zeil en ging weer kalm aan het roer. "Dat is vast en zeker de laatste keer," dacht hij, "zodra die zatlap z'n roes uitgeslapen heeft, zal ik hem zeggen dat hij maar naar een andere knecht moet uitzien. De mensen in Harderwijk zouden er mij ook op gaan aanzien. Vertellen ze nu al niet overal dat hij zijn ziel aan de duivel heeft verkocht om altijd een goede lading te hebben en als 't eens zo was, dan... Je moest er niet aan denken. Op zee kon er heel wat gebeuren."

Hij hoorde praten in het achteronder. Eerst meende hij de stem van de schipper te herkennen, maar nee, er was nog een stem, die hardop lachte en vloekte. Voorzichtig schoof hij het luik wat opzij en gluurde naar beneden. Tot zijn grote ontzetting zag hij daar de schipper met een vreemde zwarte heer aan de tafel zitten, druk bezig met dobbelen, terwijl een grote kruik jenever en twee glazen tussen hen in stonden. Na iedere worp met de stenen sloeg de schipper woedend met de vlakke hand op het kleine tafeltje, zó hard, dat alles rinkelde, en dan lachte de zwarte heer.

In de grootste angst schoof de knecht het luik weer voorzichtig toe, en legde er een zware tros op. Hij voelde zich niets op zijn gemak en begreep maar niet hoe die zwarte heer aan boord gekomen kon zijn.

Nu was het hem of het schip niet meer naar het roer luisterde, maar of het in een grote kring rond zeilde. Intussen hield het schreeuwen en lachen beneden aan, tot het opeens stil werd. Die stilte was voor de knecht nog onaangenamer, wijl het hem in een onzekerheid bracht en hij moest telkens in de duisternis om zich heen zien. Bij het minste klappen van het zeil schrok hij op en tuurde naar alle kanten in het duister. De oude bekende Zuiderzee leek hem deze nacht zo groot en vreemd en vijandig als nooit te voren. Zij leek een groot zwart gat, gapend om hem heen als een oneindige leegte. En... grote God!... het schip begon te zinken. Verbeeldde hij zich dat nu? Nee, 't was geen verbeelding. Het schip zonk, zonk snel met een eigenaardig suizend geruis. Het moest een lek gekregen hebben.

Hij wilde naar beneden gaan om zich te overtuigen, overmande zijn vrees om de tros van de klap te nemen en het luik te lichten. Maar toen hij het op een kier open had kwam er uit de donkere ruimte daaronder een walgelijke stank en een bleke, magere hand, met kromme grijpvingers, wrong zich tussen de opening.

Met bovenmenselijke inspanning gelukte het hem die akelige klauw weer naar binnen te duwen met de rand van het luik, dat hij nu goed sloot. Alles wat maar zwaar was stapelde hij er op.

Opeens floot de wind gierend door het want en al het houtwerk kraakte. Met één sprong was hij weer aan het roer en hield het helmhout met krampachtige greep omkneld; maar daaronder in het duistere water achter hem werd aan het roer gewrongen. Waanzinnig van angst gaf hij een luide gil. "Almachtige God help! Wij vergaan."

De wind ging liggen en hij zag weer de witte schuimkoppen op de donkere rustige zee, waarover het schip kalm voort zeilde. Met zijn zakdoek wiste hij zich het angstzweet van 't voorhoofd en het duurde lang eer het bonzen van zijn hart wat bedaard was.

In de wijde verte scheerde de morgen als een zwaanblanke vogel over het water. De plaats van bestemming doemde op aan de verre horizon. Kleine speelse golven klotsten regelmatig tegen het schip op. Met het terugkerende licht van de jonge dag groeide weer zijn zelfbeheersing. Hij had zich zeker alles slechts verbeeld en de schipper zou wel te kooi liggen slapen. Hij zou hem aan dek roepen om het roer over te nemen.

Hij schoof het luik wat opzij en riep in 't achteronder. Geen antwoord. Nog eens en luider riep hij, maar 't bleef stil. Ongeduldig wierp hij het luik wijdopen en liet zich zakken om de schipper eens flink wakker te schudden uit zijn roes. Met één ruk vloog de kooideur open. De kooi was leeg. Het beddengoed lag zoals hij het de vorige dag had neergelegd. De schipper was verdwenen. Alleen de lege jeneverkruik lag op de vloer en rolde met elke schommeling van het schip heen en weer. Twee gebroken glazen en een dobbelsteen lagen er bij. De andere steen lag op het tafeltje, en nergens was een spoor van de schipper.

Opnieuw bekroop hem de angst van de afgelopen nacht en dodelijk ontsteld wilde hij weer naar boven; maar opeens zag hij dat het ruitje van een der poortjes eruit was... en... aan het houtwerk kleefde een bosje haar van de schipper en een bloedvlek. Het was dan toch zo, de duivel was hem deze nacht komen halen. Hoe men later ook boende of verfde, die bloedvlek kwam steeds weer te voorschijn, tot het hele poortje vernieuwd werd.


                                          * * * einde * * *
Bron : - "Veluwsche sagen" geschreven en verlucht door Gust. van de Wall Perné.
           Tweede bundel. Uitgegeven te Amsterdam bij Scheltens & Giltay, 1921. p. 64-71.
           - www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:00 8 reacties Reageer op dit bericht

De godin Benten en de zanger

De godin Benten en de zanger
- Een legende over een man die het bed deelt met een godin -
De godin Benten en de zangerIn Mikawa in de provincie Atsoemi staat de tempel Sam-mpo-in die aan Benten is gewijd. Van haar beeld moet een wonderbaarlijke kracht uitgaan en daarom stromen pelgrims van heinde en ver naar dit oord. Niet ver van de tempel verwijderd ligt het dorp Kamo. Daar leefde een paardendrijver die bekend stond als een zeer goede zanger. Hij was gewoon elke avond met zijn lastdier langs de Sam-mpo-in-tempel te komen en zong dan het hoogste lied.

Nu had Benten, als patrones van de muziek, genoeg verstand van de edele toonkunst om te kunnen onderscheiden wat goed en wat slecht was. De stem van deze zanger kon zij alleen maar vergelijken met die van uitzonderlijk begaafde hemelse geesten.

Op een avond toen de paardendrijver als gewoonlijk luid zingend voorbij kwam, zag hij voor de tempel een buitengewoon mooie vrouw staan. Zij liep naar hem toe en zei: "Ik ben geen gewone sterveling, maar niemand minder dan Benten van Sam-mpo-in. Ik heb elke avond met bewondering naar je gezang geluisterd, en ik ben verliefd op je geworden. Daarom heb ik besloten deze nacht met je door te brengen. Praat er echter met niemand over en zwijg als het graf over deze amoureuze affaire. Mocht je er ooit iets over los laten, dan kun je je testament wel maken! Maar wanneer je dit geheim goed bewaart, dan zul je een leven zonder zorgen hebben en zullen geluk en rijkdom je ten deel vallen. Dit gebeurt alleen maar omdat ik je stem zo mooi vind."

"Een nachtje met een godin slapen, dat gebeurt je ook niet elke dag!" dacht de drijver en hij beloofde er met niemand over te spreken.

Nog vele nachten genoot hij van de liefde van de godin, en zo lang hij zijn mond maar hield, ging alles goed. Maar hoeveel moeite kost het niet een geheim te bewaren, en dan nog wel zo'n groot geheim! Tegen een vriend die hem vroeg waarom hij nooit met een vrouw gezien werd, flapte hij het er ineens uit. Zijn verhaal was nog niet helemaal ten einde, of hij viel dood ter aarde.


                                          * * * Einde * * *
Bron : - "Japanse sagen en verhalen" door M.A. Prick van Wely.
           Fibula-Van Dishoeck, Haarlem, 1979. ISBN: 90-228-3346-1.
           - www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:09 2 reacties Reageer op dit bericht

De jaguar en de geitenbok

De jaguar en de geitenbok
- Een Braziliaanse fabel over samenwerking tussen gezworen vijanden -
Een jaguar wilde wel eens een huis bouwen; hij zocht een plek uit, rooide het bos en was van plan de volgende dag te beginnen met bouwen. Een geitenbok die ook van plan was een huis te bouwen, kwam langs de plek waar de jaguar al had gerooid en sprak: "Bravo! Wat een mooie plek om mijn huis te bouwen!" De geitenbok sneed direct een paar gevorkte takken af en stak die op de bewuste plaats in de grond en vertrok.

De volgende dag kwam de jaguar terug en toen die de gevorkte takken ontdekte, zei hij: "O, wie helpt me daar! Bravo! Het is God die me helpt." Hij legde vervolgens de balken in de vorken en ook de dakbalken en ging weg. Toen de geitenbok opnieuw kwam verwonderde hij zich en zei: "O, wie helpt me?! Het is God die me helpt." Hij legde de daklatten op hun plaats en ging weg. Toen de jaguar kwam, was die nog meer verbaasd. Hij legde niettemin de pannen neer, maakte de afdekking en ging weer weg. De geitenbok kwam en dekte nog beter af. Zo waren ze, elk op hun manier, druk bezig en maakten het huis af. Toen het klaar was, kwam de jaguar, maakte zijn bed op en ging erin liggen. Direct daarna kwam de geitenbok en toen hij de ander zag, riep hij:

"Nee, mijn vriend, dit huis is van mij, want ik stak de gevorkte takken in de grond, ik legde de daklatten en ik timmerde alles dicht."

"Nee, mijn vriend," antwoordde de jaguar,"het huis is van mij, want ik heb de plaats gerooid, de balken gelegd, de dakbalken, de pannen en de afdichting en het stro voor het dak".

Nadat ze onderhandeld hadden, zei de jaguar die de geitenbok eigenlijk wilde opvreten: "Maar we hoeven geen ruzie te maken, vriend geitenbok, want wij kunnen allebei in het huis leven."

De geitenbok aanvaardde dit angstig; hij zat hem behoorlijk te knijpen. De geitenbok hing zijn hangmat dan ook ver van het bed van de jaguar. De volgende dag zei de jaguar: "Vriend geitenbok, als je me mijn voorhoofd ziet fronsen, dan ben ik woedend en moet je oppassen!"

"Moet je luisteren, vriend jaguar, als je ziet dat mijn baardje trilt en ik nies, maak dan dat je wegkomt, omdat ik niet tegen grapjes kan."

Daarna ging de jaguar weg, zeggend dat hij eten ging zoeken. Daar, ver van het huis, pakte hij een grote geitenbok en doodde hem, en om zijn makker angst aan te jagen, bracht hij hem mee naar huis. Hij gooide hem op de grond en zei: "Daar, vriend bok, stroop hem en maak hem voor ons als eten klaar." De geitenbok mompelde in zichzelf toen hij dat zag: "Als je die grote al kon pakken, is het geen kunst om mij te doden!"

De volgende dag zei hij tegen de jaguar: "Nu, vriend jaguar, zal ik eten gaan zoeken!" En hij ging weg. Toen hij ver weg was, zag hij een grote, dikke jaguar, en hij deed of hij hem niet had gezien. Hij begon slingerplanten uit het bos te trekken. De jaguar kwam dichterbij en toen hij dat zag, zei hij: "Vriend bok, waar heb je zoveel slingerplanten voor nodig?" - "Hm, waarvoor? De zaak is ernstig! Bekommer je om jezelf! De wereld staat op het punt te vergaan, en het zal door een zondvloed zijn..." - "Wat zeg je daar, vriend bok?" - "Het is de waarheid; en jij, als jij je wilt redden, kom dan en bind je vast, want ik bind me ook vast."

De jaguar ging en koos een heel hoge stam uit en vroeg de bok hem vast te binden. De bok wikkelde hem helemaal in, en toen hij hem helemaal had vastgesnoerd, sloeg hij er flink op los, tot de jaguar dood was. Vervolgens sleepte hij hem mee, kwam met hem thuis, liet hem op de grond vallen en sprak: "Daar! Als je wilt, stroop hem dan en maak hem klaar!" De jaguar was verbaasd en verschrikt tegelijk. Ze waren allebei bang voor elkaar.

Op een dag ging de bok onder de douche om zich te verkoelen. Hij keek naar de jaguar die zijn voorhoofd fronste. Hij werd bang, liet zijn baard trillen en niesde. De jaguar sprong weg, hij trilde van angst, maar de bok ging er eveneens in volle vaart vandoor. Zelfs tot op de dag van vandaag gaat elk van hen zijn eigen weg.


                                        * * * EINDE * * *
Bron : - "Zuidamerikaanse sprookjes" verzameld door Felix Karlinger.
           Uitgeverij Elmar, Rijswijk, 1992. ISBN: 90-6120-95-60
           - www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 03:23 3 reacties Reageer op dit bericht

De streken van Djonaha

De streken van Djonaha
- Een Indonesisch schelmenverhaal over schulden terugbetalen -
Op een goede dag begaf het dorpshoofd van Padang-matogoe zich naar de woning van Djonaha om deze aan te manen zijn schulden te betalen. Hij vond Djonaha niet thuis en daarom begaf het dorpshoofd zich naar de sopo in de hoop hem daar wel aan te treffen. En inderdaad, daar zat Djonaha tussen zijn vrienden en had het hoogste woord. Hij vroeg het dorpshoofd waarom hij gekomen was en deze deelde hem toen mede dat hij hem nog tweehonderd bitsang schuldig was en dat hij deze vóór de volgende morgen moest betalen.

"Ik heb helemaal geen geld," moest Djonaha bekennen.

"Geef ons dan maar vast wat te eten," zei het dorpshoofd.

"Uitstekend," zei Djonaha, terwijl hij opsprong. "Laten wij eerst wat gaan eten."

Ze begaven zich naar het huis van Djonaha en de moeder maakte in allerijl een maaltijd gereed. Na de maaltijd beklaagde het dorpshoofd zich, dat ze geen vlees bij het eten gekregen hadden. "Het spijt me oprecht," zei Djonaha, "maar ik ben zó arm dat ik er geen kippen of varkens op na kan houden. Daarom eten wij hier ook geen vlees." De gasten verlieten de woning en begaven zich naar de sopo om daar de nacht door te brengen.

De volgende morgen wekte Djonaha zijn moeder in alle vroegte en zei: "Hebt u gisteren niet gehoord hoe boos het dorpshoofd was omdat hij en zijn dienaren geen vlees kregen? Maar vandaag zullen zij het hebben! Slacht zeven kippen en braad ze in potscherven. Houd ze goed warm op het fornuis en dien ze op in de potscherven op gevlochten onderleggers."

"Ik zal doen wat je vraagt, jongen," zei zijn moeder en zij ging meteen aan het werk.

Djonaha ging intussen naar de sopo om het dorpshoofd en zijn gevolg voor die dag voor het eten uit te nodigen. "Ik ga nu vogels in het woud schieten. Heer," zei hij, "Zou één van uw bedienden mij kunnen vergezellen?" Daar had het dorpshoofd niet het minste bezwaar tegen en zo trok Djonaha met zijn blaasroer, vergezeld door een bediende, naar het bos. Al heel gauw ontdekten zij een groep neushoornvogels die zich aan bessen te goed deden. Djonaha mikte met zijn blaasroer op één en riep toen: "Vogeltjelief, vlieg naar mijn huis dan kan mijn moeder je voor mijn gasten braden."

"Heb je die vogel werkelijk getroffen?" vroeg zijn metgezel. "Het leek net, of hij wegvloog."

"Welnee vriend," antwoordde Djonaha, "die ligt nu al op een potscherf te pruttelen."

"Dan heb je zeker een wonderblaasroer," zei de bediende die niet tot de slimsten behoorde.

Djonaha wees op een woudduif, mikte erop en riep: "Snel, vogeltje, vlieg naar mijn moeder en laat je braden." De bediende sperde van verbazing zijn mond wijd open toen hij de duif in de richting van Djonaha's huis zag vliegen. Nog vijfmaal achtereen schoot Djonaha op die manier een vogel af en daarna keerden zij naar de sopo terug. De bediende raakte niet uitgepraat over de wonderlijke trefzekerheid van Djonaha, maar deze was al weer naar huis gegaan om zijn moeder te helpen met het bereiden van het gastmaal. Toen alles gereed was, ging hij zijn gasten ophalen.

"Vrienden," zei hij, "ik hoop dat wat ik vandaag geschoten heb u goed zal smaken."

Het moet gezegd worden dat de gasten zijn tafel alle eer aandeden. Het gebraden gevogelte in de potscherven smaakte overheerlijk en ook de rijstkegels en de verschillende soorten sajoer werden duchtig aangesproken. Na de maaltijd sprak het dorpshoofd zijn dank en tevredenheid uit. "Maar," liet hij er meteen op volgen, "vergeet niet, beste Djonaha, dat je mij nog tweehonderd bitsang schuldig bent. Ik wil je echter die schuld kwijtschelden, wanneer je mij jouw blaasroer geeft."

"O nee Heer," sprak Djonaha, "dat is onmogelijk. Met dit blaasroer voorzie ik in ons onderhoud en voor geen geld zou ik het af willen staan."

"Maar ik beveel je mij het blaasroer te geven. Eerder ga ik niet weg."

"Ik weet dat wij een dorpshoofd gehoorzaamheid verschuldigd zijn," zei Djonaha met een onderdanig gezicht, "en daarom overhandig ik het u, al is het met een bloedend hart. Bedenk echter dat de wind nooit in het wapen mag blazen en dat er ook nooit een vlieg overheen mag lopen, want dan is het met de wonderkracht gedaan."

"Ik zal er goed op letten," zei het dorpshoofd, "en ik zal je ook nooit meer lastig vallen." Toen vertrok hij met zijn gevolg.

Een paar dagen later trok het dorpshoofd met het blaasroer het bos in. Al heel gauw zag hij een boom, waarin het krioelde van de vogels. Het was zeker geen kunst om er één te raken en daarom mikte hij naar een vogel hoog in de boom, terwijl hij riep: "Vogellief, vlieg naar mijn huis, dan kan mijn moeder je braden." Zo deed hij enkele keren achtereen en daarna ging hij naar huis.

"Moeder," vroeg hij, "hoeveel vogels hebt u gebraden?"

"Hoe kom je daarbij," zei zijn moeder, "ik heb geen enkele vogel in huis."

"Wel, dan heeft die Djonaha mij bedrogen!" riep het dorpshoofd woedend uit en hij zocht hem meteen op. "Djonaha," zei hij, "dat blaasroer van je is een waardeloos prul."

"Heeft u het wel goed opgeborgen?" vroeg Djonaha hem.

Het dorpshoofd moest bekennen dat hij dit niet gedaan had.

"Dan heeft er natuurlijk een vlieg overheen gelopen en is de toverkracht verbroken," stelde Djonaha vast. "Het spijt me, maar ik kan het nu niet terugnemen."

En het gefopte dorpshoofd moest onverrichter zake terugkeren.


                                        * * * EINDE * * *
Bron : - "Volksverhalen uit kleurrijk Nederland. List en Bedrog Verhalen over gastvrijheid, eerlijkheid, list en bedrog, uit de Chinese, Joodse, Nederlandse, Indiase, Turkse, Surinaamse, Marokkaanse en Indonesische verteltraditie"
           verschenen bij Uitgeverij Lemniscaat, Rotterdam, 1991.
           - www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:29 9 reacties Reageer op dit bericht

Meer van 'VOLKSVERHALEN'

↑ Terug naar de berichten