Naar de inhoud

'VOLKSVERHALEN'

akke.beakke.be
Problemen
Er zijn nogal wat problemen met het lezen van de teksten, daarom volgende tip :
Met de muis links klikken en over de tekst schuiven.
De tekst verschijnt duidelijk leesbaar.

Archief

Het meisje in de groene japon

Het meisje in de groene japon
- Een oud Chinees verhaal over een vrouwelijke geest -
Een jongeman, Yu Djing genaamd, had zich in een huisje bij de tempel 'De Groene Bron' teruggetrokken om zich geheel aan de studie te wijden. Hij studeerde van de vroege ochtend tot de late avond tot hij eindelijk met pijnlijke ogen op zijn rieten mat in slaap viel.

Op een avond toen hij weer als gewoonlijk over zijn boeken gebogen zat, hoorde hij buiten een meisjesstem roepen: "Ei, ei! Die geleerde Yu kan er maar niet genoeg van krijgen!" Verbluft keek hij op en ontdekte voor de open deur een lieftallig meisje in een groene japon. Zij zag er zo betoverend uit dat de student meteen wist dat zij geen gewone sterveling was. Maar hij liet niets merken.

"Waar kom je vandaan, lief kind?" vroeg hij.

"Zie ik er soms uit of ik je op zal eten, of vind je mij niet knap genoeg?" plaagde zij hem.

"Ik vind je zo mooi als ik nog nooit iemand gezien heb," antwoordde hij. Met een handgebaar nodigde hij haar uit binnen te komen. Zij gingen samen op de mat zitten en Yu maakte haar haar los dat geurde als een lotusbloem en daarna ontdeed hij haar van haar groene japon. Haar middel was zo slank dat hij het bijna tussen duim en pink kon omvatten. Hij bracht de nacht met haar door, en toen het wateruurwerk het begin van de dag aankondigde, was zij ineens verdwenen.

Vanaf die tijd kwam het meisje elke avond terug, maar Yu had wel moeite om overdag zijn hoofd bij de studie te houden.

Toen zij op een avond weer bij elkaar zaten en aten, dronken en vrolijk praatten en lachten, zei Yu ineens: "Je stem klinkt zo fijn en licht. Ik geloof dat je ook erg mooi moet kunnen zingen."

"Ik zou wel iets voor je willen zingen," zei het meisje, "maar eigenlijk is ons dit niet toegestaan. Ik kan je niet uitleggen waarom."

"Kom, zing iets voor me, al is het maar een klein liedje," hield Yu aan, maar het meisje wilde niet toegeven. Toen hij bleef aandringen, zei zij eindelijk: "Ik zal zo zacht zingen dat jij alleen het kunt horen." Met een stem die klonk als zilveren klokjes zong zij, terwijl haar sierlijke voetjes op de maat bewogen:
"Een vogel zong 's nachts in een boom,
Ik ontwaakte 's morgens uit mijn droom.
Ik denk aan jou in het halfduister,
terwijl ik telkens je lieve naam fluister."
Haar stem was zo teer als de morgendauw, zo fijn als zijde en zo buigzaam als riet. Geen wonder dat Yu haar smeekte om nog meer te zingen. Maar het leek net of zij angstig was toen zij zong:
"De kaars flikkert onrustig in de nacht,
net of zij op ons afscheid wacht.
Wanneer zij verspreidt haar laatste stralen,
moet ik heengaan zonder dralen."
"Waarom ben je toch zo angstig?" vroeg Yu haar.

Zij antwoordde: "Ik denk aan het gezegde: Geesten die met mensen verkeren, roepen de wraak des hemels op."

Even later tuurde zij door het raam en terwijl zij rusteloos heen en weer liep, zei zij: "Ik kan het je niet verklaren. Mijn hart klopt zo onstuimig. Ik voel dat mijn einde nadert."

Yu trachtte haar op alle mogelijke manieren gerust te stellen, maar nog voor de morgenschemering was aangebroken, en terwijl de kaars langzaam uitdoofde, stond zij op, kleedde zich aan en wilde weggaan. Voor de deur draaide zij zich om en zei met bevende stem: "Ik heb zo'n angstig voorgevoel, ik weet niet waarom. Maar ik smeek je, ga met mij mee naar buiten." En toen zij buiten waren, zei zij: "Blijf hier staan en kijk me na tot ik weg ben."

Yu wachtte tot zij verdwenen was en wilde juist weer naar binnen gaan, toen hij om hulp hoorde roepen. Hij vloog naar de andere kant van het huisje, maar zag niets. Een zacht geweeklaag scheen van boven te komen. Onder het dak ontdekte hij een spinnenweb met een kolossale grote spin. Het dier hield een insect in zijn greep gevangen, dat klagelijke kreten uitstootte. Yu vernielde het web en bevrijdde het slachtoffer. Het bleek een groene bij te zijn die nog maar amper leefde. De student pakte het diertje op en zette het neer op zijn tafel. Langzaam begon de bij weer te lopen. Hij stak zijn angel uit en schreef op het papier dat er onder lag: "Heb dank..." Daarna spreidde hij zijn vleugels uit en vloog door het raam de morgen tegemoet.


                                          * * * einde * * *
Bron : - "Chinese sagen en verhalen" door M.A. Prick van Wely.
           Fibula-Van Dishoeck, Haarlem, 1978. ISBN: 90-228-33445
           - www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:33 6 reacties Reageer op dit bericht

Heksen in de wijnkelder

Heksen in de wijnkelder
- Een Limburgse sage over een heks die zich vergist in een toverspreuk -
Een jonge heks was eens met een troepje oudere heksen van Herkenbosch naar Keulen geweest, om zich daar in een wijnkelder, aan een van de oude heksen bekend, te goed te doen. Dat was zo gegaan. De overste van de heksentroep had, nadat elk op haar bezemsteel had plaats genomen, maar gezegd:

Hoetepetoet!
Door de sjoarstein oet,
Euver hek en sjtroek,
Tot in Keulen in de wienkelder,
En dan oug weer droet. Huitepetuit!
Door de schoorsteen uit,
Over hek en struik,
Tot in Keulen in de wijnkelder,
En dan ook weer eruit.
Dat was de jonge heks daar in Keulen zo goed bevallen, dat zij zich voornam de reis nog eens te maken, maar nu, om wat meer vrijheid te hebben, alleen met een vriendin die evenals zij, eerst pas bij het heksenkorps was ingelijfd.

De vriendin durfde in het eerst wel niet goed, maar zij liet zich toch bepraten. Op zekere nacht stonden de twee heksen dan ook gereed, om klokslag middernacht de tocht te wagen.

Hoetepetoet!
Door de sjoarstein oet,
Dan door hek en sjtroek,
Tot in Keulen in de wienkelder,
En dan niet weer droet. Huitepetuit!
Door de schoorsteen uit,
Dan door hek en struik,
Tot in Keulen in de wijnkelder,
En dan niet weer eruit.
De jonge heks zou al gauw merken, hoe lelijk zij zich had vergist. Want in plaats van hoog door de lucht te rijden, als de eerste keer, ging het nu laag langs de grond, vooruit door heggen en struiken naar de wijnkelder.

Ze zagen er uit, toen zij aankwamen in de wijnkelder! Hoofd en schouders vol striemen en bulten, en haar kleren waren er al niet veel beter aan toe. Daar lagen ze nu in de kelder, kermende van pijn. Toen die wat naliet herinnerden zij zich weer, waarom zij die dolle tocht hadden ondernomen. Zij probeerden nu haar chagrijn weg te drinken, wat haar wonderwel lukte. Zij herinnerden zich evenwel ook, dat de duivel haar de nek brak, wanneer zij niet voor zonsopgang weer thuis zouden wezen.

Toen zij het nu tijd vonden om te vertrekken, poogden zij op dezelfde manier weg te komen, als zij er waren gearriveerd. Zij 'bestegen' haar bezemstelen, maar het ging ditmaal niet zoals de vorige keer. Haar 'paarden' roerden zich niet. Of zij de bezemstelen nu ook al het achterste voren gebruikten, het hielp evenmin. Ze bleven waar zij waren. Wat nu gezongen! Zij waren verloren. Dat wisten zij. De eerste heks had immers gezegd, 'en dan niet' in plaats van 'oug weer droet'.

"Of de duivel me van nu af aan te pakken krijgt of morgenvroeg," troostte de tweede heks, "dat maakt niets uit op de eeuwigheid. Dan wil ik ook niet nuchter in de hel komen!" En zij dronk tot zij omlag. Dat vond de andere ook nog zo dom niet en volgde haar voorbeeld. Toen de wijntappers des morgens heel vroeg in de kelder kwamen, vonden zij daar de twee heksen liggen, stomzat en met de bezemstelen ernaast.

"Daar heb je de dieven!" zei een van de tappers. "En je ziet ook goed, van wat voor slag ze zijn."

De mannen gingen hun meester waarschuwen en eer de zon opkwam wist heel Keulen wat er was gebeurd en stonden de beide heksen, rug aan rug tegen een paal gebonden, al op de brandstapel.

Dat was een groot geluk voor de heksen, anders had de duivel haar de nek gebroken. Want toen de vlammen aan haar likten, kregen de beide vrouwen berouw over haar hekserij en bekeerden zich nog eer zij verbrand waren.

De duivel liet wel merken dat hij dat niet gaarne had, want hij vloog in de gedaante van een koetsjuul (steenuil) door de lucht, rond de brandstapel en heel de lucht rook naar zwavel en pek. Hij had echter geen macht meer over de heksen en moest dus weer alleen naar de hel terugvliegen.

                                                               * * * EINDE * * * Bron : - "Limburgs sagenboek" door Pierre Kemp. Gebrs. van Aelst. Maastricht, 1925.
           - www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:14 4 reacties Reageer op dit bericht

Een visser uit IJmuiden

Een visser uit IJmuiden
- Een sage over de droom van een visser over zijn moedertje. -
Op een nacht had een IJmuidense visser een wel heel wonderlijke droom. Terwijl hij in zijn kajuit lag uit te rusten van een vermoeiende dag, zag hij in zijn droom zichzelf roerloos liggen. Hij kon de trekken van zijn gezicht duidelijk onderscheiden, hij zag de onduidelijke bult onder de dekens die zijn lichaam was, en tegelijkertijd nam hij ook de meubels en de voorwerpen in zijn kajuit waar.

Hij kon zijn ogen niet van dit vreemde tafereel afhouden. Hij keek geen ogenblik in de richting van de deur. Toch wist hij dat er iemand binnen kwam die hij heel goed kende. Het was zijn oude moedertje. Ze kwam met zachte passen dichterbij. "Wat komt ze bij me doen?" dacht hij. Hij voelde dat dit geen gewone droom was, maar iets wat hij in werkelijkheid beleefde.

Zijn moeder droeg iets in haar hand. Toen hij zag wat het was, raakte hij diep ontroerd. Het was haar oude, versleten bijbeltje, dat ze zo lief had en waar ze hem zo vaak uit had voorgelezen, toen hij nog een kleine jongen was.

Toen ze het bed van haar zoon was genaderd, streek ze hem over zijn haren, pakte het hoofdkussen op en legde het bijbeltje met liefdevolle aandacht neer. Daarna verdween ze geruisloos.

Toen de visser de haven van IJmuiden binnenvoer, wilde hij zo snel mogelijk naar zijn ouderlijk huis. Hij had een onbehaaglijk voorgevoel. Zijn kennissen die hij in het voorbijgaan op straat ontmoette, groetten hem schuw.

Toen hij thuis aankwam, zag hij dat de gordijnen dicht waren. Zijn vader kwam hem met gebogen hoofd tegemoet. Hij droeg iets in zijn hand. Hij nam de visser bij de schouders en vertelde hem dat zijn moeder was overleden, in de nacht dat de visser zo vreemd had gedroomd.

"Hier mijn jongen, is haar bijbeltje... je moeder heeft me op haar sterfbed gesmeekt het aan jou te geven!"

                                                               * * * EINDE * * *
Bron : - "De mooiste Nederlandse sagen en legenden"
           uitgegeven door Verba, Hoevelaken, 1999. ISBN: 90 5513 369 8
           - www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:00 4 reacties Reageer op dit bericht

Ombaq en Oemboel (vervolg)

Ombaq en Oemboel (vervolg)
- Een Javaans volkssprookje over een koninklijke tweeling -
De twee jongens haastten zich verder. Toen ze bij hun moeder aangekomen waren, bogen ze zich tot haar voorover en bevrijdden haar van de marteling. De beide jongens vertelden haar alles wat er gebeurd was. Ze gingen weg met hun moeder en vestigden zich in het bos. Op den duur werd dit een groot rijk, omdat er veel mensen kwamen wonen.

Nu willen we het hebben over Raden Poetra, die op een dag in het bos ging jagen. Hij zag dat er een dorp was, zo uitgestrekt als een koninkrijk. Hij zei tegen zijn patih: "Broeder! Hier is een nieuw groot dorp in het bos gekomen. Je moet eens onderzoeken of ik daar kan verblijven."

"Om u te dienen heer!"

De patih ging naar het grootste huis, en daar trof hij Limaran met haar twee zoons.

Patih Prasanta sprak: "Duizendmaal vergiffenis, mag ik ook vragen van wie dit huis is?"

Limaran zei: "Broeder, ken je me niet meer?"

"O hemel, het is mijn meesteresse, die ik hier voor me zie! En die twee krijgshaftige jongemannen daar, wie zijn dat?"

Dat zijn mijn zoons, broeder, met wie Wadal Werdi bedrog heeft gepleegd, en die ze met twee jonge hondjes verruild heeft, zodat ik veel geleden heb. Mag u hier wel komen, broeder?"

"Ja zeker, Raden Poetra heeft me gestuurd, om het dorp hier eens te bekijken omdat hier altijd vroeger een uitgestrekt groot bos geweest is."

"Ja, broeder. Ik heb dit dorp gesticht, met mijn twee jongens hier."

De twee jongemannen vielen haar in de rede: "Praat eens met vader. Want moeder heeft veel te lijden gehad in Wesi Asad; wij willen alleen maar dat haar recht gedaan wordt. Als vader uit eigen beweging geen gerechtigheid wil doen, dan dagen we hem uit, om het tegen ons op te nemen in toverkrachtige middelen."

"Goed, broeder, kom, laten we op weg gaan." De patih, Ombaq, Oemboel en hun moeder gingen naar Raden Poetra, en ze vertelden hem wat er allemaal gebeurd was. Raden Poetra wilde Limaran meenemen naar de rijkszetel. Ombaq zei echter: "Ik verzoek u, dat u moeder meeneemt naar Djenggala, maar ik smeek u Wadal Werdi naar de nederzetting te zenden, met een zadel op de rug, dan zal ik op haar rijden en haar mond op en neer doen gaan met de breidel, en dan zal ik ervoor zorgen, dat ze moeder begeleidt op haar tocht naar de rijkszetel."

Raden Poetra sprak tot zijn patih: "Roep die Wadal Werdi hierheen, en zeg, dat het mijn uitdrukkelijke wens is dat ze, wanneer ze hier gekomen is, terstond gegrepen zal worden en gebreideld en gezadeld. Geef haar aan mijn zoon Ombaq."

Al gauw was de patih te Djenggala gekomen, ging de vrouwenvertrekken in, en sprak tot Wadal Werdi: "Ik ben door Zijne Majesteit gezonden, met een halster. U moet nu mee naar het bos; zo wenst het Zijne Majesteit."

Toen vertrokken ze meteen. In de nederzetting van Limaran aangekomen, werd Wadal Werdi gegrepen, gebreideld, en gezadeld. Ze jammerde hartroerend.

Patih Prasanta zei: "Nou zul je je straf moeten ondergaan, omdat je de twee jongetjes voor jonge hondjes verruild hebt."

Om de beurt reden Ombaq en Oemboel op haar, zodat het een schouwspel werd voor de bevolking van het hele land. Toen ze aan het paleis van Djenggala gekomen waren, moest men Wadal Werdi begraven op de vroegere plaats van Limaran, tot aan de borst, en ze werd bewaakt door lijfwachten tot aan haar dood toe.

Verder wordt verteld, dat Raden Poetra en zijn vrouw Limaran weer vreedzaam leefden als voorheen


                                          * * * einde * * *
Bron : - "Nieuwe Indonesische Sprookjes" samengesteld door Bert Oosterhout.
           Uitgeverij Elmar, Rijswijk, 1993. ISBN: 90-389-01461
           - www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:02 5 reacties Reageer op dit bericht

Ombaq en Oemboel

Ombaq en Oemboel
- Een Javaans volkssprookje over een koninklijke tweeling -
De prins van Djenggala, die Raden Poetra heette, had twee echtgenoten, waarvan de ene Wadal Werdi heette en de andere Limaran. Op een dag kreeg Limaran een tweeling, twee jongens. Wadal Werdi was jaloers, dat Limaran kinderen had en zij niet. Uit afgunst stopte ze de tweeling in een kistje en verving ze door twee jonge hondjes. De tweeling liet ze de rivier afdrijven. Wadal Werdi speldde Raden Poetra op de mouw, dat de kinderen van Limaran er niet als jongetjes uitzagen, maar als jonge hondjes...

En inderdaad, toen Raden Poetra er naar kwam kijken, zag hij, dat het wel jonge hondjes leken. Aan zijn patih droeg hij op Limaran te verwijderen; te Wesi Asad moest ze tot haar hoofd begraven worden op een viersprong. De patih moest bekend maken dat de voorbijgangers haar mochten kwellen zoveel zij wilden, en als ze dat niet deden, ten minste hardop haar fout moesten verkondigen.

Nu willen we het hebben over het kistje met de tweeling. De vrouw van de Groene Reus was net naar de rivier gegaan om de was te doen. Daar zag ze een kistje de stroom afdrijven; ze ving het op, opende het en zag tot haar verbazing, dat er twee kleine jongetjes in lagen. Ze nam ze mee naar huis en stopte ze weg. Toen de Groene Reus thuiskwam, vertelde ze hem: "Man. ik heb een kistje in de rivier gevonden. Toen ik het deksel oplichtte, bleken er twee jongetjes in te zitten. Dit zijn ze!"

"Goed, wat wil je met ze doen, vrouw?"

"Ik wou ze grootbrengen, omdat ik zelf geen kinderen heb. Later pluk ik daar de vruchten van."

Toen er geruime tijd verstreken was en de jongens al groot geworden waren, werd de een Ombaq en de ander Oemboel genoemd. Op een dag moesten de jongens de Groene Reus luizen. Toen ze zijn haar losmaakten, zagen ze drie dingen. In de eerste plaats een vuurvlieg. Ombaq vroeg: "Wat is dat, grootvader, een vuurvlieg?"

"Dat is een tovermiddel: als ik met een vijand te doen krijg en ik haar laat vliegen, wordt het vuur."

Daarna vroeg Ombaq: "Wel, wat is dit, grootvader, een steentje?"

"Als je dat weggooit, kan het een berg worden."

En daarna: "Hé, dit is net een ranti vrucht."

"Als je dat weggooit, kan het een zee worden."

Ombaq nam de drie tovermiddelen weg.

De twee jongens kregen een influistering van de goden om weg te gaan en hun moeder bij te staan, die door rampspoed gekweld werd. Toen grootvader en grootmoeder Groene Reus sliepen, liepen de beide jongens weg. Grootvader Groene Reus werd wakker en riep Ombaq en Oemboel, maar ze kwamen niet. Om ze te krijgen liep hij hen door het bos achterna. De Groene Reus riep ze toe om stil te staan, maar zij namen het eerste tovermiddel, de vuurvlieg, die ze loslieten met de opdracht: "Vuurvlieg, pak de Groene Reus met je vuur en zorg dat hij doodgaat!"

De vuurvlieg veranderde in een mantel en viel de Groene Reus onhoorbaar op het lijf, zodat hij helemaal verbrandde.

Ombaq zei: "Broertje, laten we deze drie tovermiddelen vooral meenemen naar Raden Poetra van Djenggala."

"Goed, broer. Als Raden Poetra jou of mij mishandelen wil, dan zullen we het hem betaald zetten."

"Als je ze bij je hebt, kunnen ze ons geen kwaad doen."

"Kom broertje, laten we nu snel verder gaan om onze moeder uit haar ongeluk te verlossen."

De beide jongens gingen meteen op weg, en het duurde niet lang of ze waren in Djenggala gekomen. Ze kwamen nu bewoners van het rijk tegen. Ombaq vroeg aan een voorbijganger of het waar was, dat de echtgenote van Raden Poetra te Wesi Asad, midden op een viersprong begraven was.

De ander antwoordde: "Ja, het is me wat moois. Ik heb juist een omweg gemaakt, omdat nu eenmaal bepaald is, dat iedereen die daar komt en de koningin niet wil mishandelen, toch zeker haar fout hardop moet verkondigen."


                                  * * * morgen het vervolg * * *
Bron : - "Nieuwe Indonesische Sprookjes" samengesteld door Bert Oosterhout.
           Uitgeverij Elmar, Rijswijk, 1993. ISBN: 90-389-01461
           - www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:20 4 reacties Reageer op dit bericht

Zoete Hydromel

Zoete Hydromel
- Een grappig verhaal van Urbanus over een honingzoet meisje -
Vader Fleuris ging naar de tuin om er zijn laatste boerenkool af te snijden. Terwijl moeder Fleuris de aardappels schilde, zaten al hun vierentwintig kindjes reeds met rammelende buiken aan tafel. "Het is niet waar!" klonk het plots vanuit de tuin en moeder en kroost spoedden zich naar vader, die bleek en bevend met de kool in zijn armen stond. "Alweer eentje," zuchtte moeder en de vierentwintig kindjes staarden met opengevallen mond naar hun splinternieuwe zusje dat midden in de boerenkool lag. "God vergeve mij," schreide de arme man, "maar we kunnen dit meisje niet houden, we scheuren nu al van de honger."

Ze trokken met z'n allen naar het bos en legden de baby te vondeling in een bedje vergeet-mij-nietjes. Met een loden schuldgevoel en een lege maag gingen ze weer naar huis.

Het kleine meisje had geen flauw benul van wat er gebeurde en giechelde naar de witte wolkjes in de lucht. Ze grabbelde met haar ronde handjes naar de groene stengels en de bloemblaadjes kriebelden haar in haar neusje. Zo lag ze daar uren en niemand kwam voorbij.

Een zoemend bijtje, dat zich aangetrokken voelde door de geurige vergeet-mij-nietjes, verschoot bijna haar angel toen ze merkte dat er een rozig-blozend dingetje tussen de bloemen lag. Al gauw had ze begrepen dat het een verlaten mensenkind was en snorde als een spoedbestelling terug naar haar nest. "Ik moet dadelijk de koningin spreken," hijgde ze en ze werd dan ook onmiddellijk naar de troon gebracht. Met een ingewikkelde rondedans vertelde ze de koningin wat ze gevonden had en hoe je er weer naartoe kon vliegen. De koningin die al duizenden keren moeder was geweest, was onmiddellijk bereid om voor dat arme kind te zorgen. "Meester dar," sprak ze, "zeg aan al de werkbijen dat ze de helft van onze honing en een kwart van onze koninginnebrij naar dat meisje brengen. Het is onze plicht om ons over dat wichtje te ontfermen."

Van toen af werkten de bijen dubbel zo hard, zonder daarvoor in staking te gaan en de koningin legde tweemaal zoveel eitjes want de kolonie moest uitbreiding nemen om het opgroeiende kind te voeden. Toen het meisje één jaar werd kwam de bijenvorstin haar persoonlijk geluk wensen en gaf haar als verjaardagsgeschenk een naam. "Voortaan zal je Hydromel heten," sprak ze plechtig en al de bijen juichten: "Leve Hydromelleke!"

Zo groeide het meisje op en toen ze achttien was geworden, kon ze reeds goed voor zichzelf zorgen. Ze zoog de nectar uit de bloemkelkjes en de klaverbloempjes en knabbelde het stuifmeel uit de stampertjes.

In de schaduw van een zilverberk deed ze haar middagdutje en het toeval wou dat een jonge prins, vergezeld door een oude tovenaar, daar voorbijkwam. Ze sprongen allebei van hun paard en knielden bij het meisje neer. "Dit is wat ik zoek!" zei de prins, "de mooiste jonge vrouw van de wereld en nu heb ik ze gevonden."

Hij kuste haar zachtjes op de bovenlip en Hydromelleke werd wakker. "Wie ben jij?" vroeg ze angstig. "Ik ben de prins en ik wil met je trouwen want jij bent zo mooi en zoet als een kers." Hydromel, die van haar leven nog nooit een jongen had gezien, en zeker geen prins, voelde voor het eerst iets dat ze nog nooit eerder bij de bijtjes had gevoeld. De prins glimlachte en kuste haar weer en Hydromelleke liet hem begaan.

De tovenaar begreep dat hij daar niet nodig was en ging gauw een eindje verderop toveren. Ze kusten elkaar minuten lang op de mond. Toen de prins even ophield en naar adem snakte, gilde het meisje verschrikt: "Maar prins wat is er met je mond gebeurd?" De prins keek in zijn spiegel en zag dat al zijn tanden verdwenen waren behalve nog een paar bruine stompjes. "Oo, ljief meisje, jouww kwussen zjijn zo zoewt dat al mijn tjanden rjot geworden zjijn!"

Nu liep hij naar de tovenaar en zij: "Tover mij onmiddellijk een nieuw gwebit wjitste pwordelein." De prins kreeg zijn gebit en met een fonkelende glimlach stapte hij weer naar zijn geliefde. Hij kust haar opnieuw maar nu nog langer. Van al dat gezoen werd de prins zo suikerachtig, dat hij verlangde naar iets bitter, iets pikants. Hij knabbelde dan ook een ganse mand knoflook op.

Nu stonk zijn adem zo afschuwelijk, dat Hydromelleke hem de rug toekeerde. "Tovenaar, wil je eens komen?" riep de prins.

"Wat kan ik voor u doen?" vroeg de wijze. "Maak mij een gorgelwater en een drankje, dat ik het meisje kan beminnen zonder haar te kussen." De tovenaar brouwde een sudderend goedje en goot het in een fles. "Neem hiervan één eetlepel," zei hij en de prins dronk het flesje leeg. Nu begon hij te gloeien, het zweet spoot als fonteintjes uit zijn voorhoofd en zij oren floten stoom. Zijn vals gebit kletterde als een stepdanser. "Schone vrouwe, ik smacht naar jou."

En de prins omhelsde haar zo wild dat de tovenaar nog een heel eind verder moest gaan toveren. Maar Hydromelleke was zo zoet dat ze in de armen van haar vurige aanbidder begon te smelten als sneeuw voor de zon. Toen de tovenaar terug kwam, zag hij dat de prins huilend als een kind op zijn knieën zat met alleen nog een beetje stroop aan zijn handen. "Gesmolten," snikte hij.

En vandaag de dag zit een oude prins heel alleen in zijn kasteel. Koning is hij nooit geworden. Droevig kijkt hij door het raampje. Hij schenkt zichzelf het zoveelste kopje thee in en telkens voor hij het klontje suiker er in gooit, geeft hij er een kusje op.


                                        * * * EINDE * * *
Bron : - Tekstboek bij de LP: 3 sprookjes van Urbanus, 1977.
           Zie ook: De goede dennenboom en Het windemannetje.
           - www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:15 6 reacties Reageer op dit bericht

De dood van het hennetje

De dood van het hennetje
- Een dierensprookje van Grimm -
Eens op een keer gingen het hennetje en het haantje naar de notenberg, en ze spraken af, wie een noot vond, moest die met de ander delen. Nu vond het hennetje een grote, dikke noot, maar ze zei er niks van en wilde die alleen opeten. Maar de noot was zo dik, dat ze die niet door kon slikken en zij in haar hals bleef steken, en ze werd bang dat ze zou stikken. Toen riep het hennetje: "Haantje, ik smeek je, loop wat je lopen kunt en haal wat water, want anders stik ik!"

En het haantje liep wat het lopen kon, naar de bron toe en zei: "Bron, wil je water geven, hennetje ligt op de notenberg, heeft een grote noot opgeslokt en zal nog stikken." De bron antwoordde: "Loop eerst naar de bruid en laat je rode zijde geven."

Het haantje liep naar de bruid: "Bruid, je moet rode zijde geven, rode zijde moet ik aan de bron geven, de bron moet me water geven, 't water moet ik 't hennetje geven, hennetje ligt op de notenberg, heeft een grote noot opgeslokt en zal nog stikken!" De bruid antwoordde: "Ga me eerst mijn kransje halen, dat bleef aan de wilg hangen."

Toen liep het haantje naar de wilg en trok het kransje van de tak en bracht het aan de bruid, en de bruid gaf hem rode zijde, en die bracht hij aan de bron, en de bron gaf water.

Toen bracht het haantje 't water naar het hennetje, maar toen hij bij haar aankwam, was het hennetje al gestikt en lag dood en bewoog niet meer. Toen werd het haantje zo treurig, dat het luid ging huilen, en toen kwamen alle dieren er aan en weeklaagden over het hennetje, en zes muizen bouwden een wagentje om het hennetje daarin naar 't graf te brengen, en toen de wagen klaar was, spanden ze zich ervoor, en het haantje ging op de bok. Maar onderweg kwam de vos: "Waar wil je heen, haantje?" - "Ik wil mijn hennetje begraven!" - "Mag ik mee?"
"Ja, maar achter op de wagen,
Vóór kunnen de paardjes je niet dragen."
En toen ging de vos er achterop zitten, en dan de wolf, en dan de beer, en dan het hert, en de leeuw en alle dieren van het hele bos. Zo ging de rit voort, en toen kwamen ze bij een beek. "Hoe moeten we nu over?" zei het haantje.

Daar lag een strootje bij de beek, en het zei: "Ik zal er wel dwars over gaan liggen, dan kun je over me heen rijden." Maar toen de zes muizen op de brug kwamen, gleed de strohalm uit en 't water in, en de zes muizen vielen er allemaal in en verdronken. Toen was goede raad weer duur, maar toen kwam er een kooltje vuur en dat zei: "Ik ben groot genoeg, ik zal er overheen gaan liggen en dan kun je over mij heen rijden."

Het kooltje vuur legde zich ook over het water, maar ze raakte het helaas even aan, en toen siste het, ging uit, en was dood. Toen zag een steen dat, hij had medelijden, wilde het haantje helpen en ging over het water liggen. Nu trok het haantje zelf de wagen, maar toen hij hem al gauw aan de overkant had, en hij met 't dode hennetje al op 't land was en de anderen, die achterop zaten ook wou optrekken, toen waren er dat te veel geworden, en de wagen rolde terug, en alles tuimelde over elkaar heen het water in en verdronken.

Nu was het haantje nog maar alleen met de dode hennetje, en hij groef haar een grafje en legde haar erin en hij wierp er een grafheuvel over heen, en daar ging hij op zitten en treurde zo lang, tot hij ook stierf; en toen was alles dood!


                                        * * * Einde * * *
Bron : - "De sprookjes van Grimm; volledige uitgave" vertaald door M.M. de Vries-Vogel.
           Unieboek BV - Van Holkema & Warendorf, Weesp, 1984.
           - www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:00 5 reacties Reageer op dit bericht

Een slimme man

Een slimme man
- Een Afrikaans verhaal over waarom slimheid wenselijk is -
Op een dag ging een man op weg met drie dingen: een geit, een luipaard en een mand vol cassave. Ze reisden drie dagen. Tijdens deze reis aten noch de man noch de dieren iets en ze kregen alledrie ongelooflijke honger. Ze reisden zo ver totdat ze een grote rivier bereikten. Er was een wet ingesteld die te maken had met het oversteken van deze rivier: een persoon mag per overtocht slechts één lading tegelijk meenemen.

De man bereikte de rivier en wilde oversteken met de geit, de luipaard en de mand vol cassave. Als de man de rivier oversteekt met alleen de mand vol cassave, zal hij de geit en de luipaard samen moeten achterlaten en zal de luipaard de geit opeten. Als hij de rivier oversteekt met alleen de luipaard, moeten de cassave en de geit samen achterblijven, en zal de geit de cassave opeten.

Wat moest hij doen?

Toen de man de oversteekplaats van de rivier bereikte en hem de wet werd uitgelegd, stak hij eerst de rivier over met de geit en bond hem vast aan de overkant voordat hij terugkeerde om de luipaard te halen. Toen de man met de luipaard de rivier was overgestoken, maakte hij de geit los en ging hij samen met de geit weer terug om hem aan de andere oever vast te binden. Toen nam hij de mand vol cassave en stak daarmee de rivier over en zette die aan de overkant naast de luipaard die er toch niet van zou eten. Toen stak hij de rivier nog een keer over, maakte de geit los en bracht hem als laatste naar de overkant. Toen vervolgde de man zijn reis met alledrie zijn bezittingen.

Deze man liet slimheid zien door te voorkomen dat de dieren elkaar op zouden eten. Hij bereikte veilig en wel zijn bestemming met zijn drie bezittingen. Dat is waarom slimheid wenselijk is.


                                        * * * EINDE * * *
Bron : - "Royal Antelope and Spider: West African Mende Tales", Marion Kilson, The Press of The Langdon Associates, Cambridge, Massachusetts, 1976.
           - www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:08 4 reacties Reageer op dit bericht

De drie kleine biggetjes

De drie kleine biggetjes
- Het bekende Engelse sprookje "The three little pigs" -
Lang geleden was er eens een oude zeug en die had drie biggetjes. En omdat ze niet genoeg had om hun te eten te geven, stuurde ze hen de wereld in om hun geluk te zoeken.

De eerste die wegging, ontmoette een man met een bos stro en zei tegen hem: "Alsjeblieft man, geef mij dat stro om er een huisje van te bouwen." Dat deed de man en het varkentje bouwde er een huisje van.

Niet lang daarna kwam er een wolf aanlopen die aan de deur klopte en zei: "Varkentje, varkentje, laat mij erin." Waarop het varkentje antwoordde: "Nee, daarin heb ik geen zin, je komt er niet in!" De wolf antwoordde daarop: "Dan blaas ik maar en dan proest ik maar, en zo blaas ik je huisje uit elkaar." En toen blies en proestte hij, blies het huisje uit elkaar en at het kleine varkentje op.

Het tweede varkentje kwam een man met een bos takken tegen en zei: "Alsjeblieft man, geef me die takken om er een huisje van te bouwen." Dat deed de man en het varkentje bouwde zijn huisje. Toen kwam de wolf eraan, die zei: "Varkentje, varkentje, laat mij erin."

"Nee, daarin heb ik geen zin, je komt er niet in."

"Dan blaas ik maar en dan proest ik maar, en zo blaas ik je huisje uit elkaar," antwoordde de wolf ook deze keer. En toen blies en proestte de wolf, en hij proestte en hij blies, en tenslotte blies hij het huisje omver en at het varkentje op.

Het derde varkentje kwam een man tegen met een vracht stenen en zei: "Alsjeblieft man, geef mij die stenen om er een huisje van te bouwen." De man gaf hem de stenen en het varkentje bouwde er zijn huisje mee. Toen kwam, net als bij de andere varkentjes, de wolf, die zei: "Varkentje, varkentje, laat mij erin."

"Nee, daarin heb ik geen zin, je komt er niet in.""Dan blaas ik maar en dan proest ik maar, en zo blaas ik je huisje uit elkaar."

En de wolf blies en proestte, en blies en proestte, en hij proestte nog eens, maar hij kon het huisje niet omver krijgen. Toen hij merkte dat hij met al zijn blazen en proesten het huisje niet omver kon blazen, zei hij: "Varkentje, ik weet een mooi veldje met knollen."

"Waar?" vroeg het varkentje.

"In de tuin bij het huis van meneer Smit. En als je morgenochtend klaar bent, kom ik je afhalen en gaan we er samen een paar halen."

"Heel goed," zei het varkentje. "Ik zal klaar staan. Hoe laat wil je gaan?"

"O, om zes uur."

Het varkentje stond om vijf uur op en haalde de knollen vóór de wolf kwam. Die kwam om ongeveer zes uur en zei: "Varkentje, ben je klaar?" Het varkentje zei: "Klaar? Ik ben alweer terug en ik heb een mooie pot vol gehaald voor het eten." De wolf werd hier erg boos over, maar hij dacht dat hij het varkentje toch wel op de een of andere manier te pakken zou krijgen. Daarom zei hij: "Varkentje, ik weet een mooie appelboom te staan."

"Waar?" vroeg het varkentje.

"In het grote park," antwoordde de wolf, "en als je wilt, haal ik je morgen om vijf uur af om wat appels te gaan halen."

Het kleine varkentje nu repte zich de volgende morgen om vier uur het huis uit en hoopte terug te zijn voordat de wolf kwam. Maar hij moest nu verder lopen en ook nog in de boom klimmen. Zo kwam het dat hij de wolf aan zag komen toen hij net bezig was weer naar beneden te klimmen. En je kunt je voorstellen dat hij erg bang werd. Toen de wolf eraan kwam, zei hij: "Hé, varkentje, was je hier al vóór mij? En zijn het lekkere appeltjes?"

"Ja, erg lekker," zei het varkentje. "Ik zal er eentje omlaag gooien." En hij gooide hem zover weg dat, toen de wolf weg was om hem op te halen, het varkentje naar beneden sprong en hard naar huis liep.

De volgende dag kwam de wolf weer en zei tegen het varkentje: "Vanmiddag is er jaarmarkt in de stad. Ga je mee er naar toe?"

"O ja," zei het varkentje, "ik ga mee. Hoe laat sta jij klaar?"

"Om drie uur," zei de wolf.

Het varkentje ging zoals gewoonlijk eerder weg en kwam op de markt aan. Hij kocht een regenton, waarmee hij op weg naar huis was toen hij de wolf zag aankomen. Toen wist hij niet meer wat hij moest doen. Hij kroop in de regenton om zich te verbergen, maar toen begon de ton rond te draaien en rolde de heuvel af met het varkentje erin. Hierdoor werd de wolf zó bang, dat hij naar huis holde zonder naar de markt te gaan. Hij ging naar het huis van het varkentje en vertelde hem, hoe bang hij was geweest voor een groot rond ding dat langs hem heen de heuvel was afgerold.

Toen zei het varkentje: "Ha, ha, ik heb je bang gemaakt! Ik ben naar de jaarmarkt geweest en heb daar een regenton gekocht, en toen ik jou zag, ben ik erin gekropen en ermee de heuvel afgerold."

Toen werd de wolf toch zó vreselijk boos! Hij kondigde aan dat hij het varkentje op zou eten en door de schoorsteen zou komen om hem te pakken. Toen het varkentje begreep wat de wolf van plan was, hing hij een pot vol water op en stak er een groot vuur onder aan. En net toen de wolf door de schoorsteen kwam, nam hij het deksel van de pot en de wolf viel erin. Toen deed het varkentje ogenblikkelijk het deksel er weer op, kookte de wolf en at hem op als avondeten. En hij leefde nog lang en gelukkig in zijn stenen huisje.


                                          * * * einde * * *
Bron : - "Sprookjesboek, 60 sprookjes en volksverhalen"
           uitgegeven door Reader's Digest, Amsterdam, 1987.
           - www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:14 5 reacties Reageer op dit bericht

De oude grootvader en zijn kleinzoon

De oude grootvader en zijn kleinzoon
- Een moraalsprookje van de gebroeders Grimm -
Er was eens een stokoude man; zijn ogen waren troebel geworden, zijn oren doof, en zijn knieën knikten. Als hij aan tafel zat en zijn lepel nauwelijks kon vasthouden, morste hij de soep op het tafellaken en hij liet ook weer wat uit zijn mond lopen. Zijn zoon en diens vrouw gruwden daarvan en daarom moest de oude grootvader tenslotte in de hoek achter de kachel gaan zitten, en ze gaven het eten in een aarden schotel en bovendien niet eens genoeg; dan keek hij bedroefd naar de tafel en zijn ogen werden vochtig. Tenslotte konden zijn bevende handen het schoteltje niet meer vasthouden, het viel op de grond en brak.

De jonge vrouw werd boos, maar zij zei niets en zuchtte alleen maar. Toen kocht ze voor hem een houten bakje voor een paar stuivers en daar moest hij uit eten. Terwijl ze zo bij elkaar zitten, zien ze dat het kleinzoontje van vier jaar kleine plankjes bij elkaar raapt. "Wat doe je daar?" vraagt de vader. "Ik ga een houten bakje maken," antwoordde het kind, "daar moeten vader en moeder uit eten als ik groot ben." Man en vrouw keken elkaar een poos aan en begonnen beiden te huilen. Meteen haalden zij de oude grootvader weer aan tafel en lieten hem voortaan altijd meeëten en zeiden niets als hij een beetje morste.


                                          * * * einde * * *
Bron : - "De sprookjes van Grimm; volledige uitgave" vertaald door M.M. de Vries-Vogel.
           Unieboek BV - Van Holkema & Warendorf, Weesp, 1984.
           - www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:00 7 reacties Reageer op dit bericht

Meer van 'VOLKSVERHALEN'

↑ Terug naar de berichten