Naar de inhoud

'VOLKSVERHALEN'

akke.beakke.be
Problemen
Er zijn nogal wat problemen met het lezen van de teksten, daarom volgende tip :
Met de muis links klikken en over de tekst schuiven.
De tekst verschijnt duidelijk leesbaar.

Archief

De illusie van Narada

De illusie van Narada
- Een hindoeïstisch verhaal over het overwinnen van illusies -
Er leefde eens een wijze ziener, Narada genaamd. Op een dag ging hij naar de god Vishnu met de bedoeling luit voor hem te spelen. De ziener arriveerde juist op het moment dat Vishnu en zijn vrouw, Lakshmi, verwikkeld waren in het minnespel.

Toen Lakshmi Narada zag binnenkomen, maakte zij zich ijlings uit de voeten. Narada voelde zich lichtelijk in zijn wiek geschoten en zei tegen Vishnu: "Ik ben een ziener, geen gluurder. Ik heb alle illusie overwonnen."

"Dat jij een ziener bent, kan ik beamen," sprak Vishnu. "Juist daarom zou je moeten weten dat een getrouwde vrouw nooit in gezelschap kan vertoeven van een man die niet haar echtgenoot is. Maar zeg nooit dat je alle illusie overwonnen hebt. Zelfs een god zou dat nooit doen."

Daarop vroeg Narada: "Laat mij zien wat illusie is." Vishnu verklaarde zich daartoe bereid. Hij nam Narada mee naar een prachtige vijver en nodigde hem uit om daarin een bad te nemen.

Terwijl de ziener het water inliep, verloor hij zijn mannelijke lichaam en veranderde in een vrouw. Vishnu raapte de luit op en verdween. Narada bleef achter en vergat dat hij ooit een man geweest was. Een koning, Taladhvaja genaamd, kwam juist langs de vijver rijden en zag de vrouw uit het water komen. Hij vroeg naar haar naam, maar zij wist niet hoe zij heette. Zij wist ook niet waar zij vandaan kwam, of waar zij naartoe ging.

Taladhvaja nam haar mee naar zijn paleis en hoewel hij niets van haar wist, besloot hij met haar te trouwen. Hij gaf haar de naam Saubhagya Sundari, hetgeen 'zij wier schoonheid haar fortuin is' betekent.

Zij was inderdaad zo mooi, dat de koning geheel aan haar verslaafd raakte. Hij vergat al zijn koninklijke plichten en was dag en nacht in haar slaapvertrek te vinden. Hij dronk veel wijn en verloor alle besef van tijd; hij dacht enkel en alleen aan plezier. De koningin werd zwanger en in de jaren die volgden bracht zij acht zonen ter wereld.

Daarna trouwden haar zonen en kwamen er kleinzonen. Soms was zij gelukkig en soms had zij verdriet, vanwege de ruzies tussen haar zonen en hun vrouwen. Soms was zij ziek en leed zij pijn.

Op een dag werd het koninkrijk aangevallen door een vijandelijk leger. In het geweld kwamen al de zonen en kleinzonen om het leven.

Terwijl de koningin in een vlaag van smart lag te weeklagen, kwam de god Vishnu, vermomd als priester, naar haar toe. Hij sprak: "Waarom heb jij zo'n verdriet? Alles wat gebeurd is berust enkel en alleen op een vergissing en bedrog. Wie ben jij en wiens zonen zijn gestorven? Zit niet bij de pakken neer; houd op met huilen en zorg ervoor dat de riten voor de doden worden uitgevoerd. Om te beginnen moet jij als eerste een ritueel bad nemen."

Vervolgens nam hij de koningin, haar echtgenoot en enkele verwanten mee naar de vijver. Daar sprak hij tot de koningin: "In een eindeloze reeks van wedergeboorten heb jij miljoenen vaders, echtgenoten en zonen gehad. Om wiens dood wil je treuren? Het is een dwaling die in jouw bewustzijn is ontstaan, zoals een droom waarvan je denkt dat het de werkelijkheid is."

Daarop gebood hij haar de vijver in te gaan en terwijl zij het water inliep, veranderde zij in een man. De god Vishnu stond aan de kant en reikte hem een luit aan. Op dat ogenblik wist de man weer dat hij Narada was.

                                          * * * Einde * * *
Bron : - www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:01 8 reacties Reageer op dit bericht

Volle maan gedaante

Volle maan gedaante
- vandaag volle maan -
Het is nacht de maan schijnt zoals nooit tevoren.

Hij is zo helder en zo vredig, maar iets verbreekt die vrede.

Een gedaante staat in het licht van de maan op het kerkhof.

Er klinkt een ijselijke kreet van iemand...
iemand die hulp nodig heeft.

Er ligt overal bloed maar er zijn geen tranen.

En opeens de stilte alsof er noooit iets is gebeurt.


                                      * * *einde* * *
Bron : - www.verhalenlezen.nl
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:07 11 reacties Reageer op dit bericht

Vogel van de zon

Vogel van de zon
- Een Egyptische mythe over de vogel Feniks (Phoenix) -
Er is een vogel die geen eieren legt en geen jongen krijgt. Hij was er al toen de wereld begon en nu leeft hij nog, in een verborgen woestenij, ver hiervandaan. Het is de Phoenix, de vuurvogel.

Op een dag, in de begintijd van de wereld, keek de zon omlaag en zag een grote vogel met de meest prachtige, blinkende veren. Ze waren rood, goud, purper - helder van kleur en oogverblindend als de zon zelf. Toen riep de zon: "Prachtige Phoenix, jij zult mijn vogel zijn en eeuwig leven!"

Eeuwig leven! De Phoenix was heel erg blij toen hij dit hoorde en hij hief zijn kop op en zong: "Zon, o, schitterende zon, ik zal mijn liederen zingen voor jou alleen!"

Maar de Phoenix was niet lang gelukkig. Arme vogel. Zijn veren waren veel te mooi. Mannen, vrouwen en kinderen joegen hem altijd op en probeerden hem te vangen. Ze wilden een paar van die mooie, blinkende veren voor zichzelf hebben.

"Hier kan ik niet blijven," dacht de Phoenix. En hij vloog weg naar het oosten, waar de zon in de morgen opkomt.

De Phoenix vloog en vloog, tot hij bij een verre, verborgen woestenij kwam waar geen mensen waren. En daar leefde hij in vrede, vrij rondvliegend en zijn loflied zingend op de zon boven hem.

Bijna vijfhonderd jaren gingen voorbij. De Phoenix leefde nog, maar hij was oud geworden. Hij was vaak moe en hij had veel van zijn kracht verloren. Hij kon niet meer zo hoog door de lucht scheren, en ook niet meer zo ver en zo snel vliegen als toen hij jong was.

"Zo wil ik niet blijven leven," dacht de Phoenix. "Ik wil jong en sterk zijn."

En de Phoenix hief zijn kop op en zong: "Zon, o, schitterende zon, maak mij weer sterk en jong!" Maar de zon antwoordde niet. Dag na dag zong de Phoenix zijn lied. Maar toen de zon nog steeds geen antwoord gaf, besloot de Phoenix terug te gaan naar de plaats waar hij in het begin gewoond had, en het nog één keer aan de zon te vragen.

Hij vloog over de woestenij, en over heuvels, groene valleien en hoge bergen. Het was een lange reis, en omdat de Phoenix oud en zwak was, moest hij onderweg dikwijls rusten.

Nu heeft de Phoenix een fijn reukorgaan en hij is vooral dol op kruiden en specerijen. Dus elke keer als hij op de grond kwam verzamelde hij stukjes kaneelboombast en allerlei soorten welriekende bladeren. Sommige daarvan stak hij tussen zijn veren en de rest droeg hij mee in zijn klauwen.

Toen de vogel tenslotte aankwam bij de plaats waar hij vroeger gewoond had, ging hij zitten in een hoge palmboom die hoog op een berghelling groeide. En helemaal boven in de boom bouwde de Phoenix een nest met kaneelboombast en bekleedde het met geurige bladeren. Toen vloog de Phoenix weg en verzamelde wat van die scherpruikende hars die mirre genoemd wordt en die hij uit een boom vlakbij had zien sijpelen. Daarvan maakte hij een ei en droeg het naar zijn nest.

Nu was alles gereed. De Phoenix ging op zijn nest zitten, hief zijn kop op en zong: "Zon, o, schitterende zon, maak mij weer sterk en jong!"

Deze keer hoorde de zon het lied. Snel verjoeg hij de wolken van de hemel, hield de winden stil en scheen met al zijn kracht op de berghelling.

De dieren, de slangen, de hagedissen en alle andere vogels verstopten zich in grotten en holen, in de schaduw van stenen en bomen voor de felle stralen van de zon. Alleen de Phoenix zat op zijn nest en liet de zonnestralen neerkomen op zijn prachtige blinkende veren.

Plotseling was er een lichtflits, vlammen sloegen op uit het nest en de Phoenix veranderde in een laaiende vuurbol.

Na een poosje doofden de vlammen uit. De boom was niet verbrand en het nest ook niet. Maar de Phoenix was verdwenen en in het nest lag een hoopje zilvergrijze as.

De as begon te beven en kwam langzaam omhoog... en van onder de as rees een jonge Phoenix op. Hij was klein en zag er wat verfomfaaid uit. Maar hij strekte zijn nek en zijn vleugels en sloeg ze uit. Hij werd zienderogen groter, tot hij net zo groot was als de oude Phoenix. Hij keek om zich heen en vond het ei van mirre, holde het uit, stopte de as erin en sloot het ei weer. En toen hief de Phoenix zijn kop op en zong: "Zon, o, schitterende zon, alleen voor jou zal ik mijn lied zingen! Voor altijd en altijd!"

Toen het lied uit was begon de wind te waaien, de wolken kwamen weer opzetten aan de hemel en de andere levende schepsels kropen weer uit hun schuilplaatsen.

Toen steeg de Phoenix op met het ei in zijn klauwen en vloog weg. Tegelijkertijd verhief zich een zwerm vogels in alle soorten en maten en vloog achter de Phoenix aan, en allemaal zongen ze: "Jij bent de grootste onder de vogels! Jij bent onze koning!"

En de vogels vlogen met de Phoenix mee naar de Zonnetempel die de Egyptenaren hadden gebouwd in Heliopolis, de stad van de zon. Toen legde de Phoenix het ei met de as erin op het altaar van de zon.

"Nu," zei de Phoenix, "nu moet ik alleen verder vliegen." En nagekeken door de andere vogels vloog hij weg naar de verre woestijn.

Daar woont de Phoenix nog altijd. Maar elke vijfhonderd jaar, als hij zich zwak en oud begint te voelen, vliegt hij naar het westen naar dezelfde berg. Daar bouwt hij boven in een palmboom een welriekend nest en daar wordt hij tot as verbrand. Maar iedere keer verrijst de Phoenix uit de as, versterkt, vernieuwd en verjongd.

                                          * * * Einde * * *
Bron : - "Mythische dieren uit alle windstreken" naverteld door Margaret Mayo.
           Uitgeverij Christofoor, Zeist, 1997. ISBN: 90-6238-666-0
           - www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:12 9 reacties Reageer op dit bericht

De dwalende rechter

De dwalende rechter
- Een Limburgse sage over een rechter die na zijn dood geen rust vindt -
Lang geleden woonde en werkte er een rechter in Maastricht. Hij was een streng maar rechtvaardig man, tot zijn vrouw hem overhaalde tot een eerste verkeerde daad. Daarna was er geen houden meer aan. Hij vergat rechtvaardigheid en liet geld bepalen wat de waarheid was.

Toen kwam de dag dat een oude zwerver voor de uitvoering van zijn doodsvonnis de rechter toeschreeuwde: "Wacht maar tot u voor Gods rechterstoel moet verschijnen!"

De mederechters en de beul lachten om deze bedreiging. Maar het lachen verging hen snel toen de rechter plotseling door een beroerte werd getroffen en voor hun ogen in elkaar zakte.

De rechter werd begraven, maar keerde dezelfde nacht nog terug naar zijn huis. Hij liep op zolder rusteloos heen en weer. Zijn vrouw kon ook de slaap niet vatten en luisterde gespannen naar de slepende voetstappen boven haar. Toen de klok van de kerk één uur had geslagen, daalde de rechter de trap af. De vrouw van de rechter zag de deur van haar kamer opengaan, de kaarsen doofden door deze onverwachte tochtvlaag.

In de duisternis zag de vrouw de ogen van de dode rechter brandden vol woede en haat. Zij had hem aangezet tot zijn eerste slechte daad welke hem vervolgens naar zijn ondergang had geleid. De vrouw moest in zijn ogen kijken tot zij tenslotte bewusteloos achterover viel.

In die ene nacht was ze grijs geworden en veranderd in een angstige, bibberende vrouw. De volgende morgen ging ze naar de kapelaan van de Sint Servaaskerk en smeekte hem om de geest uit haar huis te verdrijven.

De kapelaan geloofde niet in geesten, maar toch was hij rond middernacht present. Hij hoorde de voetstappen op zolder en klokslag één uur daalde de rechter de trappen af. Weer werden de kaarsen gedoofd door het openen van de deur. Een doffe stem vroeg: "Wat kom je hier doen, kapelaan?"

"Ik kom je verjagen," was het antwoord.

"Dat kun jij niet, kapelaan, daar heb jij het recht niet toe. Ook jij hebt immers gezondigd. Geef eerst maar eens het mes terug aan je vriendje dat je vroeger hebt gestolen!"

"Helaas, dat is niet mogelijk. Deze vriend is kort na de diefstal gestorven."

"Dat weet ik," zei de rechter en zijn holle lach kaatste door de kamer.

Totaal van streek rende de kapelaan terug naar de kerk en vertelde de pastoor wat hem overkomen was. De pastoor luisterde aandachtig en trok zijn jas aan. Deze geest wilde hij wel eens met eigen ogen zien. De voordeur stond open en de stem van de rechter kwam hem al in de gang tegemoet. "Wat wil je, pastoor?"

"Ik wil je verdrijven uit dit huis!"

"Dat zal je niet lukken," zei de rechter smalend, "heb jij niet als jongen een paar wortels van het land gestolen?"

"Ja heer rechter," antwoordde de pastoor bedremmeld, "maar ik heb er geld voor in de plaats gelegd!"

"De boer heeft het geld nooit gevonden, dus je bezweringen zullen nutteloos zijn!"

Op dat moment opende de voordeur opnieuw. In de deuropening stond een stokoude pater met een gegroefd gezicht en een lange sneeuwwitte baard. Achter hem volgde de doodsbange vrouw van de rechter. Na het falen van de kapelaan was zij naar het klooster gevlucht. De broederportier had de enorme angst in haar ogen gelezen en daarom de poort verlaten om met haar mee te gaan.

De pater keek de rechter aan. "Ik kom je uit dit huis verjagen. Je kunt je toevlucht nemen tot de koepel achter in de tuin. Daar kun je blijven tot je het laatste oordeel hoort slaan!"

"Pater, jij hebt macht over mij, want ik kan je niets ten laste leggen. Laat mij nog een maal mijn handen neerleggen in mijn huis."

Bliksemsnel had de rechter zijn linkerhand gelegd op de tafel waar hij zijn eerste foute vonnis ondertekende en zijn rechterhand op de schouder van zijn vrouw. De handen van de rechter gloeiden als hels vuur en de vrouw schreeuwde het uit. Voor de rest van haar leven stond de handafdruk van de rechter in haar schouder gebrand. Zijn andere hand was in de tafel gebrand en hoe men ook schaafde en boende, het was onuitwisbaar.

De rechter was gedoemd elke nacht naar de koepel in de tuin te gaan. Daar las hij bij kaarslicht in dikke boeken. Als hij ooit voor het hemelse gerecht zou moeten verschijnen, wilde hij zich kunnen verdedigen. Nog steeds begreep hij niet dat je je niet tegenover God kunt beroepen op wetsartikelen en dat zijn verdediging zou falen.


                                * * * EINDE * * *
Bron : - wwwbeleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:19 6 reacties Reageer op dit bericht

Wilhelm Tell

Wilhelm Tell
- Een Zwitserse legende over de appel van Willem Tell -
Op een herfstnacht in de maand november van het jaar 1307 kwamen 33 mannen uit drie Zwitserse kantons op de Rütliweide in Unterwalden aan de Vierwaldstättersee bijeen en beloofden met een plechtige eed hun land tegen de Oostenrijkse indringers te verdedigen.

De wrede landvoogd Gessler vermoedde onraad en om de volksstemming te peilen liet hij op de markt in Altdorf, de hoofdstad van het kanton Uri, een Oostenrijkse hertogshoed op een stang plaatsen en onder trompetgeschal door een omroeper bekend maken, dat iedere voorbijganger die hoed met eerbied moest groeten alsof hij voor de Habsburgse keizer zelf stond. De Zwitsers slikten hun ergernis in en gehoorzaamden. Tot Wilhelm Tell, één van de 33 mannen uit Rütli, voorbijging zonder enig respect voor de hoed te tonen. Hij werd door Gesslers mannen gegrepen en voor de landvoogd gebracht.

Gessler had horen spreken over Tells bekwaamheid in het boogschieten. "Jij die zo kan schieten," zei hij, "moet een meesterschot doen: je moet met een pijl een appel van het hoofd van je kind schieten." Tevergeefs protesteerde de ontstelde vader. Gessler antwoordde honend, dat hij bij weigering zowel vader als zoon ter dood zou veroordelen.

Nu werd aan Wilhelm een handboog gegeven en een koker, waaruit hij twee pijlen koos. De ene pijl legde hij op de handboog, de andere stak hij in zijn gordel. Terwijl de toeschouwers in ademloze spanning toekeken, mikte hij. Het volgende ogenblik viel de appel stukgeschoten van het hoofd van de jongen.

Het volk juichte en Tell omarmde in blijdschap zijn zoon. "Je bent een knap schutter," zei Gessler, "maar zeg eens, waarom stak je een pijl in je gordel?" Tell aarzelde met zijn antwoord, maar de landvoogd zei: "Zeg zonder vrees de waarheid. Ik beloof je dat je leven gespaard blijft!"

"Welnu," antwoordde Tell, "dan zal ik de hele waarheid zeggen. Had ik mijn kind met de pijl getroffen, dan was de andere voor u bestemd geweest en die zou zeker zijn doel niet gemist hebben!"

Met een grimmig gezicht zei Gessler: "Dat je leven veilig was, dat heb ik je beloofd en die belofte zal ik houden. Maar om mij veilig voor jou te voelen, zal ik je in de boeien laten slaan en je naar een plaats brengen waar zon noch maan schijnt."

Daarop beval hij Tell naar een burcht te brengen aan de andere zijde van de Vierwaldstättersee. Nauwelijks was de boot van wal gestoken, of er brak een geweldige stom los. Het schip was de ondergang nabij. Allen aan boord riepen dat Wilhelm Tell de enige was die hen kon redden. Gessler liet zijn boeien losmaken. Zodra Tell het roer in handen had, hield hij recht op de oever aan. Toen de boot langs een laag plateau in de rotswand gleed, maakte hij van de gelegenheid gebruik, greep zijn boog en sprong op de rots, die nog heden ten dage 'die Tellsplatte' heet. Voordat men aan boord begreep wat er was gebeurd, was Tell al in de bergen verdwenen.

Toen Gessler de volgende dag naar zijn slot reed en hij bij een holle weg tussen met bos beklede hoogten kwam, suisde een pijl op hem neer en trof hem in de borst. "Dat is Tells pijl," zei hij, "die ken ik." En daarop gaf hij de geest.


                                          * * * Einde * * *
Zie vandaag 18 november - blog.seniorennet.be/waaroemni/
Bron : - www.beleven.org
Foto : - Photoglob AG, Zürich
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:07 11 reacties Reageer op dit bericht

De duur van het leven

De duur van het leven
- Grimm 176 - De tijd van leven -
Toen Onze Lieve Heer de wereld had geschapen en aan alle schepselen de tijd van leven wilde toebedelen, kwam de ezel ook en hij vroeg: "Heer, hoe lang moet ik leven?" - "Dertig jaren," antwoordde God, "vind je dat goed?" - "Ach Heer," zei de ezel, "dat is zo lang. Denk nu eens aan mijn moeitevol bestaan; van de morgen tot aan de nacht zware lasten dragen, korenzakken naar de molen slepen, opdat anderen daar brood van krijgen, door niets word ik aangemoedigd dan door slagen en schoppen, en dat is mijn enige opfrissing! Ontlast me van een deel van die lange levenstijd." God had medelijden en schonk hem achttien jaren. De ezel ging getroost weg. En toen kwam de hond. "Hoe lang wou jij leven?" vroeg God hem, "de ezel vindt dertig jaar teveel, maar jij zult er wel tevreden mee zijn." - "Here," sprak de hond, "is het Uw wil? Denk toch eens hoe ik draven moet, dat houden mijn poten zo lang niet uit; en als ik dan geen stem meer heb om te blaffen en geen tanden meer om te bijten, wat blijft er dan nog anders voor me over, dan van de ene hoek naar de andere te lopen en te knorren." God zag, dat hij gelijk had, en hij schonk hem twaalf jaar.

Toen kwam de aap. "Jij wilt zeker wel graag dertig jaar hebben?" sprak de Heer tot hem: "jij hoeft niet te werken als de ezel en de hond, en je bent altijd in je knollentuin." - "Och Here," antwoordde hij, "dat lijkt nu wel zo, maar zo is het niet. Als het gerstebrei regent, dan heb ik geen lepel. Ik moet altijd maar grappen maken, rare gezichten trekken, om de mensen aan het lachen te maken, en als ze me dan nog een appel geven en ik bijt er in – dan is hij zuur. Hoe vaak is er droefheid achter de grap! Dat hou ik geen dertig jaar uit." God was genadig en schonk hem tien jaar.

Eindelijk verscheen de mens. Hij was vrolijk, gezond en fris en hij bad God, hem zijn levenstijd te bepalen. "Dertig jaar kun je krijgen," zei de Heer, "is dat goed?" - "Wat een korte tijd!" riep de mens, "als ik mijn huis heb gebouwd en het vuur brandt in mijn eigen haard, en als ik bomen heb geplant die bloeien en vrucht dragen, en als ik dan van mijn leven denk te kunnen genieten, dan moet ik al doodgaan! O Heer, verleng mijn tijd!" - "Ik zal er je de achttien jaar van de ezel bij doen," zei de God. "Dat is niet genoeg!" antwoordde de mens. "Dan kun je ook nog de twaalf jaren van de hond krijgen." - "Nog altijd te weinig!" - "Wel!" sprak God, "dan zal ik er nog de tien jaar van de aap bijvoegen, maar meer krijg je ook niet." De mens ging weg, maar tevreden was hij niet.

Dus leeft de mens zeventig jaar. De eerste dertig jaar zijn de menselijke jaren: die gaan snel voorbij. Dan is hij gezond, vrolijk, werkt met plezier en verheugt zich over zijn bestaan. Maar dan komen de achttien jaren van de ezel. Dan wordt hem de ene last na de andere opgelegd; hij moet het koren dragen dat anderen tot voedsel strekt, en slaag en schoppen zijn het loon van zijn dienstbaarheid. Dan komen de twaalf jaren van de hond, dan ligt hij in de hoek, gromt, en heeft geen tanden meer om te bijten. En als die jaren voorbij zijn, dan vormen de tien jaar van de aap het slot. Dan is de mens een zwakhoofd en een dwaas, dan doet hij domme dingen en wordt voor de kinderen tot spot !


                                          * * * Einde * * *
Bron : - "De sprookjes van Grimm; volledige uitgave" vertaald door M.M. de Vries-Vogel.
           Unieboek BV - Van Holkema & Warendorf, Weesp, 1984.
           - www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:06 9 reacties Reageer op dit bericht

Het verstandige meisje

Het verstandige meisje
- Een Deens volksverhaal over op de zaken vooruit lopen -
Er was eens een echtpaar dat maar één dochter had. Op een dag kwam er een vrijer voor haar en de moeder stuurde haar naar de kelder om bier uit het vat te tappen. Toen ze de spon uit het vat had, kwam de gedachte bij haar op: "Als ik hem nou krijg - en ik krijg hem beslist - en we hebben een zoontje, en die heeft hoofdpijn - waar moeten we hem dan in wikkelen?" Ze hield de kruik onder de tap en het bier liep tot het haar aan de enkels kwam.

Toen kwam de moeder naar beneden en vroeg: "Wat zit jij daar te doen?"

"Och, ik zit hier na te denken: als ik hem nou krijg - en krijgen doe ik hem - en we hebben een zoontje, en dat heeft hoofdpijn - waarin moet ik hem dan wikkelen?"

"Tja, waarin moeten we hem dan wikkelen?" En ze hielden de kruik onder de tap en het bier liep tot het hen aan de knieën reikte.

Toen ging de man naar beneden om te zien waar ze bleven. "Wat zitten jullie hier te doen?" vroeg hij. En de vrouw zei: "We zitten na te denken: als ze hem krijgt - en ze krijgt hem zekeren ze hebben een zoontje, en dat heeft hoofdpijn - waarin moeten we hem dan wikkelen?"

"Tja, waarin kunnen we hem dan wikkelen?" En ook hij bleef zitten. De kruik hielden ze onder de tap en het bier liep tot ze er tot hun heupen inzaten.

Toen geen van drieën meer naar boven kwam, ging de vrijer zelf naar beneden en toen hij hen zag vroeg hij: "Waarom zitten jullie hier?" Toen zei de man: "Wij zitten hier en denken erover na dat als ze jou nou krijgt - en krijgen doet ze je - en jullie hebben een zoontje, en dat heeft hoofdpijn: waarin moeten jullie hem dan wikkelen?" Maar toen de vrijer dat hoorde ging hij weg en kwam nooit meer terug.


                                        * * * EINDE * * *
Bron : - "Deense volkssprookjes" bijeengebracht door Laurits Bødker.
           A.W. Bruna & Zoon, Utrecht/Antwerpen, 1974. ISBN: 90-229-3308-3
           - www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:10 5 reacties Reageer op dit bericht

De scharlaken vis

De scharlaken vis
- Een oude Egyptische fabel over het gevaar van tevreden zijn -
In het midden van de tuin was een mooie grote vijver. De wanden waren bedekt met glinsterende blauwgroene tegels en steeds stroomde het heldere water er in door een ronde stenen pijp om aan de andere kant, tussen de tralies van een donker rooster, weer weg te vloeien. In die vijver leefde een aantal vissen die, dik en vet, tevreden rondzwommen en één klein vuurrood visje. De grote vissen aten alle wormen en vliegen die er te vinden waren en zodra ze zich voldaan voelden, vulden ze alle schaduwrijke koele plekjes onder de lotusbladeren aan de oever. Zo had die arme kleine vis bijna niets te eten en geen enkel plekje buiten de hete zon waar het rustig kon slapen.

Daar het zijn tijd dus niet kon doorbrengen met lekker eten of lui wegdoezelen in de schaduw, verzon het visje allerlei bezigheden om niet al te verdrietig te worden. Het onderzocht ieder stukje van de vijver, totdat het precies wist hoeveel tegels er gebruikt waren voor de reusachtige wand die uit het water oprees. En het wist altijd welke lotusknop nu weer het eerst zou openspringen.

De grote vissen werden dikker en dikker en het rode visje werd steeds dunner. Zó dun dat het op een goede dag, toen het toevallig langs het tralierooster zwom, merkte dat het best door zo'n vierkant gat zou kunnen. Toen het halverwege was bleek het wel een beetje moeilijk en het verloor een paar van zijn rode schubbetjes, maar opeens was het vrij! De vis zwom door een smalle geul die uitliep in een brede rivier. En hij zwom en zwom... de hele rivier af, totdat hij in de zee terecht kwam. En daar vond hij veel dingen die hij prachtig vond, maar ook dingen die hem heel bang maakten.

Eerst zag hij een enorme vis. "Die zou onze hele vijver leeg kunnen drinken en dan nóg dorst hebben," dacht het rode visje benauwd. De grote vis zwom rond met een wijd open bek en verzamelde zijn ontbijt, zoals de visser zijn net langs de bodem van de zee sleept. En daar schoot het arme kleintje, hup, door de wijde keel in de schrikwekkende duisternis van de woelige vissenbuik! In zijn wanhoop begon de rode vis hardop te bidden tot de god van alle vissen. En gelukkig, hoewel hij verborgen was in die donkere buik, hoorde de god hem tóch. En de god zorgde dat de grote vis de hik kreeg, zo hevig, dat het rode visje vanzelf weer in de zee terechtkwam.

Toen vond hij in de heldergroene diepte van de zee een schitterend paleis van rood koraal. Een menigte vissen met blauwe en gouden spikkels wachtte hem op en bracht hem heerlijke vette wormen op parelmoeren bordjes. Ons visje had het zo naar zijn zin dat hij daar best had willen blijven. Maar opeens dacht hij aan de dikke vissen in de vijver. Moest hij niet teruggaan om ze te vertellen over al de opwindende belevenissen die zij moesten missen, gewoon doordat zij te dik waren en niet door de tralies van het rooster konden zwemmen?

Daarom verliet hij de zee en zwom door de lange brede rivier en beleefde nog meer avonturen. Sommige waren net zo mooi als het koralen paleis, andere zo gevaarlijk als het verblijf in de donkere, warme vissenbuik. Hij zwom en zwom... de hele rivier af, daarna door de smalle watergeul tot aan zijn eigen rooster. En door alle opwinding en de vermoeiende tocht was hij zo dun geworden, dat hij nu gemakkelijk tussen de tralies door gleed.

Hij verwachtte dat alle vissen erg verrast zouden zijn hem terug te zien, maar ze hadden niet eens gemerkt dat hij weggeweest was. Het rode visje zwom nu vlug naar de koning van alle vissen in de vijver en riep: "U moet niet zoveel eten en steeds maar belletjes blazen, dikke vis! Ik kan jullie vertellen over alle wonderlijke dingen die mij overkomen zijn aan de andere kant van het rooster. En ik zal jullie leren hoe je dun kunt worden, zodat jullie dezelfde heerlijke vakantie kunnen beleven en net zo verstandig worden als ik."

Op zijn dooie gemak zwom de dikke vis naar het rooster. En toen hij zag dat de openingen tussen de tralies zo smal waren dat hij er nauwelijks een van zijn vinnen tussen kon steken, blies hij twee grote luchtbellen naar de oppervlakte van het blauwe water en mompelde: "Onnozele kleine, rode vis! Ben ik, koning van alle vissen in de vijver, niet veel verstandiger dan jij? Verstoor mijn zoete rust niet met je domme gebabbel. Hoe zou jij tussen die tralies door kunnen zwemmen, als ik er maar één vin in kan steken?" En de dikke vis zwom terug naar zijn schaduwrijke holletje onder de lotusbladeren.

Kort daarna heerste er een langdurige droogte. In de buis vloeide geen water meer en de visvijver zakte lager en lager. De dikke, vette vissen werden banger en banger. Totdat zij, snakkend naar adem, in de modder op de bodem lagen. Daar gingen ze dood, de een na de ander.

Maar de kleine scharlaken vis had een heerlijk leventje in het koralen paleis op de bodem van de zee en voelde zich heel gelukkig.


                                          * * * EINDE * * *
Bron : - "De scharlaken vis. Egyptische sprookjes" door Joan Grant. Nederlandse bewerking door Marijke van Raephorst.
           Oorspronkelijke titel: 'The Scarlet Fish and other stories' verschenen bij Methuen & Co. London (1942).
           Uitgeverij Ankh-Hermes, Deventer, 1973. ISBN: 90202-45-414
           - www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:13 9 reacties Reageer op dit bericht

De wonderdokter van Druten

De wonderdokter van Druten
- Een Gelderse geschiedenis uit 1865 over een duiveluitdrijver -
Er was eens een vrouw die op een middag haar man, die op de fabriek werkte, zijn eten bracht. Haar man echter had ruzie gehad met een andere man wiens vrouw een toverheks was. Onder het eten, rond twaalf uur, kregen de twee mannen weer ruzie en het liep zo hoog dat ze maar besloten om het uit te vechten. De twee vrouwen vermoedden niets en zaten rustig met elkaar te praten. Toen de vrouw zag dat de mannen op de vuist gingen stond ze op en wilde hen tegenhouden. "Rustig maar," zei de andere vrouw (de toverheks), "mijn man zal uw man niets doen."

De andere dag was de vrouw echter helemaal niet lekker en toen ze zich herinnerde dat de andere vrouw haar een klap op de knie had gegeven dacht ze: als ze mij maar niet heeft betoverd! Ze kon niet meer eten, alleen nog maar een beetje drinken. Ze ging naar de dokter, maar hij wist niet wat het was. Hij gaf haar toch maar een drankje, maar natuurlijk hielp dat helemaal niet en op een dag moest de dokter bekennen: "Vrouw, u moet eraan sterven, al was u de laatste op de wereld."

De baas van de fabriek had al meermaals aan zijn knecht gevraagd hoe het met zijn vrouw ging en telkens moest hij horen dat het niet goed ging. Toen de knecht echter vertelde dat ze naar de dokter was geweest en dat die had gezegd dat z'n vrouw eraan zou sterven, ook al was ze de laatste op de wereld, kreeg hij een goede raad van z'n baas. "Vanmiddag komt de eigenaar van de fabriek," zei de baas, "en dan zal ik hem vertellen wat er aan de hand is. Je moet hem dan maar om een paard en wagen vragen en zondag met je vrouw naar Druten rijden. Daar woont een wonderdokter, ze noemen hem ook wel de 'duivelbanner'.

En inderdaad, de volgende zondag reed de man met zijn zieke vrouw naar Druten en hij belde bij de dokter aan. "Man, wat kom je hier doen? Hou je maar bij de bakker, dat is beter dan de dokter."

"Ik kom voor mijn vrouw," zei de man, "die is heel niet goed." De dokter liet ze in een kamer waar ze een poosje moesten wachten. De vrouw moest drie keer heel diep adem halen en die adem werd door de dokter met zijn mond opgevangen. Toen ging hij weg en liet ze zeker een uur wachten.

Nat van het zweet en helemaal uitgeput kwam de dokter daarna weer binnen en hij zei: "Ziezo, dat is gebeurd. Wat ik al niet voor u heb uitgestaan. Duizenden padden en kikkers heb ik u afgenomen. Het is jammer dat ik ze u niet mag laten zien, want u zou het niet geloven. Ik wil best geloven dat u in geen drie weken hebt gegeten, want steeds had u een brok in de keel. Helemaal er vanaf bent u niet want u zult steeds pijn in uw linker zij houden. Daar kan ik u niet van af helpen."

Even later at de vrouw voor het eerst sinds weken een beschuit in een café in Druten en ze dronk ook een lekkere kop koffie. Ze is, zo besluit het verhaal, tweeënzestig jaar geworden, maar ze heeft de pijn in haar linker zij altijd gehouden.


                                      * * * EINDE * * *
Bron : - "Spokerijen in Gelderland. Verhalen over reuzen, heksen, witte juffers, weerwolven, ridders en jonkvrouwen uit de 'Geldersche Volks-Almanak' van 1835 tot 1904, 1942 en 1947"
           opnieuw verzameld en bewerkt door Ria Lissenberg-Hörter. Europese Bibliotheek, Zaltbommel, 1974.
           - www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:00 4 reacties Reageer op dit bericht

Meer van 'VOLKSVERHALEN'

↑ Terug naar de berichten