Naar de inhoud

'VOLKSVERHALEN'

akke.beakke.be
Problemen
Er zijn nogal wat problemen met het lezen van de teksten, daarom volgende tip :
Met de muis links klikken en over de tekst schuiven.
De tekst verschijnt duidelijk leesbaar.

Archief

Van de ezel, die een monnik werd

Van de ezel, die een monnik werd
- Een Frans spotverhaal over de inwoners van Saint-Jacut (Bretagne -
In Saint-Jacut-de-la-Mer woonde eens, in heel oude tijden, een molenaar die elke avond zijn ezel met een lang touw vlakbij de molen vastbond, opdat het beest vrijer zou kunnen grazen. Maar in diezelfde tijden stond er ook een klooster te Saint-Jacut, en de monniken uit dat klooster slopen 's nachts de velden rond, alles stelende wat van hun gading was.

Eens, toen deze monniken met rijke buit beladen naar hun klooster terugkeerden, kwamen ze voorbij de molen en toen ze daar die ezel ontdekten, zeiden ze tegen elkaar: "Kijk eens aan, die ezel kan prachtig alles wat we gestolen hebben, voor ons naar huis dragen, en als we hem daarna naar de markt brengen, brengt hij ons nog een aardig duitje op!"

De abt van het klooster die zich onder hen bevond keurde dit plan goed. "Maar," zei hij, "om geen achterdocht te wekken moet jij (en hij wees een van de monniken aan) de plaats van deze ezel innemen. We zullen je aan het touw vastleggen en als dan morgenochtend de molenaar komt, moet je tegen hem zeggen dat je tot straf voor je zonden in een ezel was veranderd, maar dat thans het uur van de onttovering gekomen is.

Zo gebeurde het, en toen de molenaar 's ochtends om drie uur zijn ezeltje wou komen halen, vond hij in zijn plaats een monnik, stevig vastgebonden aan het touw. "Wie is dit?" riep hij verschrikt. "Uw ezel," antwoordde de monnik met de sombere stem van een boeteling. "Par ma fa, mon fû (bij mijn geloof, mijn zoon)," stamelde de molenaar, "daar begint mijn ezel zowaar te praten!"

"Ik werd in een ezel veranderd," vervolgde de monnik, "om boete te doen voor mijn zonden; maar thans is voor mij het uur van de verlossing gekomen en ik ben weer een mens geworden."

"Par ma fa, mon fû," zei de molenaar weer, "als ik jou was, zou ik maar naar het klooster gaan. Ik kan jou toch niet gebruiken om de meelzakken weg te brengen op je rug."

Dat liet de monnik zich geen twee maal zeggen! In zijn vuistje lachend, keerde hij naar het klooster terug.

Toen de molenaar tegen zonsopgang thuis kwam om te ontbijten, zei hij tegen zijn vrouw: "Zeg, Fèlie, weet je wel - die ezel van ons? Nu, dat was geen echte ezel, maar een monnik, en hij was een ezel geworden om boete voor zijn zonden te doen, en nou is die boete voorbij en nou is-ie weer een monnik."

"Par ma fa, mon fû," zei de vrouw, "ik heb er vaak van opgekeken, dat-ie z'n bek zo vaak open en dichtklapte; maar dan heeft-ie zeker z'n brevier opgezegd."

Toen het zomer was geworden, hadden de monniken de ezel niet meer nodig voor hun nachtelijke tochten, en ze brachten hem dus naar de markt te Plouër.

Daar nu te Plouër de grootste ezelmarkt wordt gehouden, was ook de molenaar toevallig diezelfde dag met zijn vrouw daarheen gestapt om een nieuwe ezel te kopen.

En pas kreeg hij het grauwtje, dat de monniken te koop aanboden, in het oog, of hij herkende het dadelijk.

"Kijk eens, Fèlie," zei hij tegen zijn vrouw, "wel voor den drommel, nu heeft die monnik zeker weer allerlei slechtigheden uitgehaald! Ze hebben hem alweer in een ezel veranderd!"

En toen later een van zijn buren naar de ezel toe kwam om die eens te betasten, fluisterde de molenaar hem in 't oor: "Par ma fa, mon fû, pas op, en koop die ezel niet! Die deugt voor geen cent; over een dag of wat, als je 'm kwam halen, zou je, in plaats van hém, een monnik aan je touw vinden. Kijk maar eens, hoe ie aldoor z'n bek open en dichtklapt. Als-ie dat doet, dan zegt-ie z'n brevier op, moet je weten."

Zolang de markt duurde, bleef de molenaar in de buurt van de ezel en nauwelijks kwam er weer een koper opdagen, of hij waarschuwde die, evenals hij zijn buurman had gewaarschuwd.

En zo kwam het, dat de ezel niet te verkopen bleek, en de monniken hem mee terug moesten nemen naar hun klooster.


                                        * * * EINDE * * *
Bron : - "Oud-Fransche sagen, volksoverleveringen en sprookjes" bijeengebracht door S. Troelstra-Bokma de Boer.
           W.J. Thieme & Cie, Zutphen, 1930, p. 225-227.
           - beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:00 7 reacties Reageer op dit bericht

De wolf en de hond

De wolf en de hond
- Aesopus - De fabel van de wolf en de hond -
Op een nacht, 't was heldere maan, kwam een eenzame wolf, vanuit de schaduw te voorschijn. Hij was mager en hij stierf bijna van de honger. Terwijl hij rondliep kwam hij opeens een erg dikke, goed gevoede hond tegen. De twee groetten elkaar en de wolf merkte op, terwijl hij de hond van onder tot boven bekeek: "Mijnheer, wat ziet u er buitengewoon goed uit. Ik geloof niet ooit een gezonder en gelukkiger dier te hebben gezien. Vertelt u mij eens, hoe het komt, dat u beter schijnt te leven dan ik? Zonder valse bescheidenheid kan ik gerust zeggen, dat ik op de jacht mijn leven honderd keer vaker op het spel zet dan u. En toch bent u goed gevoed, terwijl ik bijna sterf van de honger." De hond gromde: "U kunt een even goed leven hebben als ik, als u doet, wat ik doe," zei hij kortaf. De wolf spitste zijn oren. "En wat is dat dan?" vroeg hij.

De hond lachte geheimzinnig, zoals ieder doet, die een geheim kent. "Het is heel eenvoudig, ik bewaak het huis gedurende de nacht en houd zo de dieven buiten de deur."

"Dat zou ik graag doen, want ik heb het nu ellendig," zei de wolf. "Mijn leven in het bos, waar ik last heb van regen, vorst en sneeuw, verruilen voor een warm dak boven mijn hoofd en lekker eten, zou me wel passen." De hond draaide zich om, gaf de wolf een teken hem te volgen en begon de weg af te lopen.

Terwijl ze naast elkaar voortsukkelden, zag de wolf toevallig een rare streep om de nek van de hond. Hij kon zijn nieuwsgierigheid niet bedwingen en vroeg hem hoe hij daar aan kwam. De hond deed of hij de vraag niet hoorde. Maar de wolf drong op een antwoord aan. "U moet dan weten," zei de hond tenslotte, "dat ik overdag vastgebonden ben, anders verlies ik mijn geduld en bijt ik een onschuldige vreemdeling. Ik mag alleen 's nachts vrij rondlopen." - Hij hield op en vervolgde toen op een toon, die scheen te betekenen, dat het zo nu eenmaal hoorde: "Als ik overdag toch nergens heenga, kan ik alleen maar slapen. 's Nachts, als ik vrij rondloop, ben ik des te waakzamer. Mijn baas en de hele familie zijn erg trots op me en ze geven me borden met botjes en restjes van de tafel. Mijn beloning is prima, dat zeg ik u."

De wolf bleef ineens staan. "Wat mankeert u?" vroeg de hond ongeduldig. "Kom op, treuzel niet zo." - "Nee," antwoordde de wolf, "neem me niet kwalijk, maar ik ga niet verder mee. Mijn vrijheid is me te lief en ik wil geen koning zijn op de voorwaarden, die u beschrijft." Terwijl hij dit zei, draaide de wolf zich om en rende terug naar het bos.

Vrijheid is beter dan comfort in gevangenschap.


                                          * * * EINDE * * *
Bron : - "De fabels van Aesopus" door Robert Mathias.
           Thieme, Zutphen, 1984. ISBN: 90-03-98320-8
           - www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 01:30 8 reacties Reageer op dit bericht

De vlieg en de vlo

De vlieg en de vlo
- Een Marokkaans grappig verhaal over twee plaagdieren -
Op een dag kwam de vlo de vlieg tegen. Het was lang geleden dat zij elkaar voor het laatst hadden gezien en ze begroetten elkaar hartelijk. De vlo merkte op dat de vlieg rood doorlopen oogjes had en zij vroeg naar de reden.

"Ik zal het je vertellen," legde de vlieg uit. "Stel je dit eens voor: ik ben samen met een man. Ik steek de man, dat is zo mijn natuur, hij slaat mij, dat is zijn natuur. En dan heb ik toch een plezier! Ik lach en lach zó hard dat daardoor mijn ogen bijna uit mijn hoofd gerold zijn!"

En beiden sloegen zich op de knieën van het lachen. "Maar jij dan," sprak eindelijk de vlieg, "jij hebt helemaal geen nek meer! Wat is er met je gebeurd?"

"Wat mij betreft," legde de vlo uit, "je weet wel dat ik erg kouwelijk ben. Nou vind ik het lekkerste plekje van de mens daar waar het het warmst is. Ik laat me dus tussen de huid en de kleding glijden, maar daar is het erg nauw. Zo nauw dat ik duw, en ik heb zó hard geduwd dat daardoor mijn hele nek naar binnen geschoten is."


                                    * * * EINDE * * *
Bron : - "Volksverhalen uit kleurrijk Nederland. Dieren. Dierenverhalen uit de Chinese, Joodse,
            Nederlandse, Indiase, Turkse, Surinaamse, Marokkaanse en Indonesische verteltraditie"
            Lemniscaat, Rotterdam, 1990.
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 04:19 14 reacties Reageer op dit bericht

Monsters met de mond op de borst (vervolg)

Monsters met de mond op de borst
het vervolg
- Paira Oendepo en de Indianen -
Paira Oendepo zocht overal naar de verdwenen Indianen, maar toen hij ze niet kon vinden, besloot hij zich terug te trekken. De Indianen en het tabbetje werden weer zichtbaar en daar had Stomp op gewacht! Hij stapte in een boot die precies op een reuzenkaaiman leek en ging over tot de aanval. De piaaimannen zeiden, dat de Indianen kampen moesten maken in de buurt van een rots, die eruit zag als een boomeend, terwijl zij weer in contact traden met de Dubbelgeest.

Letterhoutstomp in zijn reuzenkaaiman voer naar de rots en liet zich niet tegenhouden door de pijlen die de Indianen op hem afschoten. De Roodhuiden dachten al dat zij verloren waren... maar plotseling verhief zich een enorme worgslang uit het water, die Letterhoutstomp en alle blanke wreedaards met huid en haar inslikte. De Slangegeest had een helper gestuurd in de gedaante van een boa! De boot van Paira Oendepo dreef naar de oever, waar hij nog steeds te zien is als een stenen kaaiman die op een andere steen rust.

Een luid gejubel steeg op van alle kanten. Duizenden met veren versierde Indianen dansten de overwinningsdans. Op dit feest maakte een oude piaaiman op een rots in de Marowijne-rivier, Bigiston, Grote Steen, een aantal tekeningen over de ondergang van Letterhoutstomp.
In het stroomgebied van de Marowijne
Bezongen door het golfgeklots
Staat prijkende, in al haar glorie
De wijd vermaarde Temere-rots
Die eeuwen lang reeds heeft gedragen
Het teken van de zware strijd
Toen Paira Oende werd verslagen
Door piaaimannen van de oude tijd

Die blanke in zijn kaaiman-vaartuig
Had aan zijn borst een grote mond
Waarmee hij in koelen bloede
Rood mensenvlees als prooi verslond
Maar ziet, het water rees verbolgen
De Worgslang der Piaai verscheen
En Houten Stomp die werd verzwolgen
Zijn kaaiman werd een dubbele steen

Victorie! juichten duizend kelen
Overal klonk de zegezang
Ons bloed is weerin bloed gewroken
Aan u de eer, o Geest der Slang!
Toen naderde een oude piaaiman
Hij grifte in het harde graniet
Paira Oendepo en zijn kaaiman
Zoals je die nog heden ziet.
WAARSCHUWING!!!

Niet iedereen gelooft dat Letterhoutstomp is ingeslikt door de worgslang. Volgens sommige Indianen is hij gevangen genomen en uitgeleverd aan de Fransen in Cayenne, het buurland van Suriname. Paira Oendepo was namelijk een Franse gouverneur. De Fransen hebben Stomp in een ijzeren kooi naar Brazilië vervoerd, waar hij nog steeds leeft en op een geheime plaats ter beschikking van het Braziliaanse leger wordt gehouden. In tijden van oorlog kan Brazilië Stomp altijd loslaten om de soldaten te helpen alle Indianen uit te roeien. Stomp eet elke dag tientallen kilo's rauw rundvlees bij gebrek aan mensenvlees...


                                        * * * EINDE * * *
Bron : - "Volksverhalen uit kleurrijk Nederland. Draken en andere vreemde wezens.
           Verhalen uit de Chinese, Joodse, Nederlandse, Indiase, Turkse, Surinaamse, Marokkaanse en Indonesische verteltraditie" Uitgeverij Lemniscaat, Rotterdam, 1991.
           - www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door saagje om 00:12 9 reacties Reageer op dit bericht

Monsters met de mond op de borst

Monsters met de mond op de borst
- Paira Oendepo en de Indianen -
Eertijds nog voor de grootvader van mijn grootmoeder geboren was, leefden er tal van Indianenstammen in de bossen van de Guyana's, ook bekend als de Wilde Kust. Volgens de blanken waren de meeste Indianen menseneters, terwijl de Indianen vertellen dat het de blanken waren die mensen, en met name Indianen, aten. In de tijd dat de blanke wreedaards aan de kust van de Guyana's verschenen in zeilschepen die op vleermuizen leken, woonden op de plaats waar nu in Suriname Fort Zeelandia staat de Steen-Indianen. Zij waren zo vechtlustig, dat zij dag en nacht met bijlen en knotsen rondliepen, waardoor hun handen misvormd raakten: zij hadden geen duim en pink meer! Zij hadden zulk lang haar, dat het grootste deel van hun lichaam erdoor bedekt werd. Hun taal bestond slechts uit het woord 'se'.

Deze vreemde Indianen woonden onder de stenen langs de rivier, maar zodra de vloed opkwam, klommen zij in de bomen langs de oever. Vroeger werd het in de droge tijd zo koud, dat men wel onderaardse woningen moest inrichten. De blanken, die aan de rivier een fort wilden bouwen, hebben de Steen-Indianen verdreven. Hun afstammelingen wonen nu langs de Coppename-rivier. Merkwaardig genoeg bestonden er ook Tweevingerige Indianen, die aan elke hand alleen maar een duim en een pink hadden. Daarmee konden zij moeilijk een houwer of een bijl vasthouden en het lukte hun niet bomen te vellen om kostgronden aan te leggen. Zij leefden van bosvruchten, wild en... mensenvlees, evenals de Bloeddrinkende Indianen die hun slachtoffers levend verscheurden. Een andere stam, de Nacht-Indianen, liep 's nachts met flambouwen rond. Volgens een ander verhaal leefden zij in een streek waar de dag nooit aanbrak. De Oor-Indianen hadden zulke lange oren dat zij die als het stortregende als een paraplu boven hun hoofd droegen. Als er vreemden aankwamen, veranderden de mannen van de Pataka-stam zich in pataka en zij zwommen dan met hun hoofd boven water, net als de pataka-vissen. Hun vrouwen en kinderen bleven echter aan land. Mensetende dwergen woonden er ook in de Guyana's. Hun voeten bevonden zich direct onder hun kaken en dat maakte dat zij niet gewoon liepen maar rondsprongen. In hun mond, die geweldig breed was, staken lange, scherpe tanden waarmee zij soms zo knarsten dat het door merg en been ging. Als zij praatten, klonk dat als een door de neus gesproken "Hé, hé, hé!"

Maar hoeveel gevaarlijke wezens er ook in de bossen van de Wilde Kust rondliepen, niemand was gevreesder dan Paira Oendepo( Pairahundypo).ofwel Letterhoutstomp, de aanvoerder van de blanke menseneters die lang geleden de Marowijne-rivier waren komen opvaren. Paira Oendepo had, als alle blanken, geen nek, zijn hoofd zat onder zijn schouders en dat betekende dat zijn mond zich op zijn borst bevond. Zijn armen hingen langs zijn oren die onder zijn oksels zaten. Paira Oendepo had ook ogen in zijn achterhoofd, waarmee hij alles kon zien wat achter zijn rug gebeurde. Hij had de bijnaam Letterhoutstomp gekregen, omdat hij altijd een wandelstok van letterhout bij zich had, die hij in holen van rotsen en bergen stak om Indianen die zich daar schuilhielden eruit te jagen.

Paira Oendepo achtervolgde de Indianen in de dichtste bossen met honden zo groot als tapirs. Wee degenen die in zijn handen vielen... Levend werden zij verscheurd en opgegeten! Als het monster Stomp de dorpen verlaten vond, omdat de Indianen op tijd waren gevlucht, stak hij de kampen in brand en verwoestte de kostgronden.

Ten einde raad besloten de Indianen zich te verenigen tegen het geweld van Letterhoutstomp en zijn blanke krijgers. Zo kwamen alle piaaimannen, alle Indiaanse priesters, bij elkaar en zij riepen de Slangegeest op om te horen wat zij tegen Paira Oendepo zouden kunnen doen. De Slangegeest raadpleegde de Geest van Twee Lichamen, de Dubbelgeest, die beval dat alle Marowijne-Indianen zich moesten terugtrekken op een tabbetje, een eilandje in de rivier, in de buurt van een grote savanne. Toen Stomp dit hoorde, kookte hij van woede en met zijn leger en zijn bloedhonden trok hij naar het tabbetje, dat... begon te bewegen en acht dagen lang verdween. Zo groot was de kracht van de piaaimannen!


                                  * * * wordt vervolgd * * *
Bron : - "Volksverhalen uit kleurrijk Nederland. Draken en andere vreemde wezens.
           Verhalen uit de Chinese, Joodse, Nederlandse, Indiase, Turkse, Surinaamse, Marokkaanse en Indonesische verteltraditie" Uitgeverij Lemniscaat, Rotterdam, 1991.
           - www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:54 9 reacties Reageer op dit bericht

De zwarte paraplu

De zwarte paraplu
- Uit de Afro-Amerikaanse verteltraditie -
Het huisje stond aan de rand van de stad en behoorde toe aan Eliza, een zwarte vrouw. Al vele jaren was ze keukenmeid en wasvrouw in het huis van een rijke koopman. Van maandagmorgen tot en met zondagmorgen werkte en sliep ze in het grote fraaie huis, maar de zondagmiddag en de nacht van zondag op maandag bracht ze door in haar kleine huis in de buitenwijk. Daar zat ze meestal bij het raam, want zo kon ze horen en zien, wat er buiten gebeurde.

Toen ze op een avond bij het raam was ingedommeld, werd ze wakker door een eigenaardig zingen. "Zo zingt een vogel toch niet," dacht Eliza en ze sloeg de ogen op. In het schemerdonker kon ze achter het lage muurtje van het kerkhof een aantal in het zwart geklede gebogen gedaanten zien. En ze beluisterde het lied, waarmee de mensen gewend waren hun doden naar het graf te begeleiden:
Geen tranen zullen meer in je ogen komen;
jij bent nu voor eeuwig thuis,
daar waar geen tranen meer stromen.
Eliza de keukenmeid had dat lied dikwijls zelf gezongen, wanneer een buurman of buurvrouw uit de buurt naar de laatste rustplaats werd gebracht. Eliza zong graag: treurige en vrolijke liederen, maar het liefst treurige. Ze deed nu het raam dicht, trok haar schoenen aan, zette haar hoed op en ging naar buiten.

Op het kerkhof knielde ze naast de rouwende mensen neer en zong met hen mee. Het werd donker, de regen viel uit de laaghangende wolken, de wind bulderde boven het kerkhof. Eliza trok haar hoed dieper over het voorhoofd en zette de kraag van haar mantel op. De regen liep haar langs de rug, maar ze zong door. En er stond een lange magere man in een zwarte geklede jas op om de keukenmeid een grote zwarte paraplu te geven. "Neem hem maar, zuster," zei hij, "zo'n goede zangeres mag niet nat worden." En hij maakte de paraplu voor haar open. De keukenmeid school eronder weg en bleef met de anderen het graflied voor de arme negers zingen.

Toen het lied beëindigd werd, stond de magere man nog eens op en begon te bidden. Allen baden gedempt met hem mee. Maar toen de keukenmeid tenslotte 'amen' zei, stak er een hevige wind op, die over het kerkhof dreunde als vlerken van een reusachtige vogel. Eliza keek op en zag, dat ze naast een met gras en onkruid begroeid graf lag geknield en dat er zich buiten haar niemand op het kerkhof bevond.

Geschrokken stond ze op en vluchtte naar huis. Nadat ze de huisdeur achter zich gesloten had, merkte ze, dat ze de grote zwarte paraplu nog steeds in haar hand hield. Ze zette hem in een hoek en bracht de nacht trillend en wakend door. Zouden de geesten van de gestorvenen de paraplu niet terug komen halen? Maar er verscheen niemand, slechts de regen ruiste eentonig neer en de door de wind gegeselde takken sloegen tegen het raam.

Nog vele jaren stond die grote zwarte paraplu in het huisje van keukenmeid Eliza. Als het regende, haalde ze hem uit de hoek en als ze thuiskwam, zette ze hem weer op zijn plaats. Maar ze leende hem nooit uit. En niemand heeft haar ooit uitgelachen, als Eliza vertelde dat ze in de regen met de geesten het dodenlied voor arme negers had gezongen.


                                        * * * EINDE * * *
Bron : - "Sprookjes van de prairie. Verhalen uit Noord-Amerika" verteld door Vladimir Stuchl.
           Vertaling Margot Bakker. Uitgeverij Ankh-Hermes, Deventer, 1982.
           - www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 01:10 16 reacties Reageer op dit bericht

Cui Tao

Cui Tao
- Een Chinees griezelverhaal over een man die met een tijgerin trouwde -
Cui Tao was een man uit Puzhou. Op zijn reizen kwam hij door Chuzhou en hij wilde in zuidelijke richting doorreizen naar Liyang. 's Ochtends vertrok hij uit Puzhou en toen hij het Renyi-posthuis had bereikt besloot hij daar de nacht door te brengen. De kastelein zei: "Dit posthuis is noodlottig en kwaad. Wees zo goed hier de nacht niet door te brengen." Tao trok zich niets van hem aan en met zijn bundel op de rug betrad hij de hal. De kastelein van het posthuis voorzag hem van een lamp en kaarsen.

Tao wachtte daarna tot de tweede wake, spreidde zijn bed en wilde juist gaan slapen toen hij opeens voor de poort van het posthuis een grote poot zag als van een wild dier. Plotsklaps vloog de poort open en zag hij een tijger binnenkomen. Tao vluchtte geschrokken. Toen hij op een duistere plek verborgen toekeek, zag hij het dier midden in het hof het beestenvel uitdoen. Hij zag een uitzonderlijk knap en keurig opgemaakt meisje dat de hof betrad en toen ook nog eens ging liggen in zijn bed. Hij kwam te voorschijn en vroeg haar: "Waarom ga je liggen slapen in mijn bed? Hoe komt het dat ik je zoëven als dat beest zag binnenkomen?"

Het meisje stond op en zei: "Neem het mij alstublieft niet kwalijk. Mijn vader en mijn broers leven van de jacht en wij zijn arm. Wil ik een goede echtgenoot ontmoeten, dan heb ik geen andere mogelijkheid om mijn verlangen te laten blijken. Daarom kleed ik me 's nachts heimelijk in een tijgervel en wanneer ik weet dat een heer in dit posthuis de nacht doorbrengt, wil ik mijzelf aan hem toevertrouwen om hem als dienstmeid te dienen. Maar voorheen zijn alle gasten en reizigers van angst overleden. Vannacht tref ik dan gelukkig een verstandige man en mijn wens is dat u mijn verlangen wilt overwegen."

Tao zei: "Als dat waarlijk uw streven is, is het mijn wens u te gerieven." De volgende dag wierp hij het tijgervel in een droge put achter de hal en het meisje nam hij mee. Later slaagde Tao voor het mingjing-examen en werd hij benoemd tot magistraat van Xuancheng. Toen Tao op weg ging naar zijn ambtspost, reisden zijn vrouw en hun zoontje met hem mee. Na ruim een maand brachten ze weer de nacht door in het Renyi-posthuis. Tao zei glimlachend: "Dit posthuis is de plek waar ik je voor het eerst ontmoette." Toen hij ging kijken in de put, lag het beestenvel daar nog precies als toen. Opnieuw glimlachend zei Tao tegen zijn vrouw: "Het kleed dat je destijds droeg ligt er nog."

Zijn vrouw zei: "Laat iemand het eens halen." Toen men het had gepakt, zei zij glimlachend tegen Tao: "Laat me nu eens zien of ik het nog aankan." Ze had het beestenvel nog maar nauwelijks helemaal aan, of ze veranderde in een tijger. Met grote sprongen en luid brullend stoof ze de hal in, verslond het kind en Tao, en verdween.


                                        * * * EINDE * * *
Bron : - "Volksverhalen uit kleurrijk Nederland. Dieren. Dierenverhalen uit de Chinese, Joodse, Nederlandse, Indiase, Turkse, Surinaamse, Marokkaanse en Indonesische verteltraditie" Lemniscaat, Rotterdam, 1990.
           - www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:37 6 reacties Reageer op dit bericht

Het geheim van de onsterfelijkheid

Het geheim van de onsterfelijkheid
- Een griezelverhaal bij Halloween van Nils van Buren -
Dag allemaal. Ik heb begrepen dat jullie hier vanavond gekomen zijn om naar een eng verhaal te luisteren... Weten jullie dat wel heel erg zeker? Het is namelijk erg donker buiten en met Halloween lopen er allerlei rare figuren op straat... Oké dan, ik ken nog wel een eng verhaal.

Ik zal jullie vertellen hoe ik aan dit zwarte ooglapje kom en waarom mijn gezicht er zo uitziet. Ik heb het opgeschreven want mijn geheugen is helaas niet al te best meer.

Ik ben geboren in een hele aparte buurt van Hilversum. De straat was vol met allemaal hele kleine huisjes en daar woonden allemaal mensen die zo vreemd waren dat ze alleen in die straat mochten wonen. Het werd ook wel de Griezelstraat genoemd.

Mijn vader en moeder waren ook hele vreemde mensen. Ze zagen er wel gewoon uit, maar toch deden ze vreemde dingen. Mijn vader ging bijvoorbeeld altijd 's nachts weg en als hij dan 's ochtends vroeg thuiskwam zaten zijn kleren altijd onder het bloed. Daar werd nooit over gepraat bij het ontbijt. Het leek wel alsof mijn moeder niet wilde weten wat hij allemaal gedaan had.

Maar hoe ouder ik werd, hoe nieuwsgieriger ik werd. Ik besloot dat ik erachter zou komen wat mijn vader allemaal uitspookte. Ik had een stapeltje kleren onder mijn bed verborgen en nadat mijn moeder me naar bed had gebracht, trok ik heel erg zachtjes die kleren aan. Ik luisterde nog even aan de deur tot ik zeker wist dat mijn moeder beneden was en niet zou merken dat ik wegging.

Mijn vader vertrok elke avond om 8 uur precies. Het was nu kwart voor 8, dus ik had nog een kwartiertje om buiten te komen en mezelf te verstoppen zodat ik achter mijn vader aan kon sluipen. Ik klom uit mijn slaapkamerraam en verstopte me achter een grote boom die recht voor ons huis stond. Het was heel erg donker buiten en ik voelde me absoluut niet prettig in deze vreemde straat.

Ineens ging de voordeur open en daar kwam mijn vader. Heel voorzichtig sloop ik achter hem aan en ik deed mijn best om ervoor te zorgen dat hij me niet zou zien. Ineens stopte hij en snel draaide hij zich om! Ik dook weg achter een boom. Gelukkig! Hij had me niet gezien en hij liep verder.

Aan het einde van de straat ging hij naar rechts en hij liep recht af op het grote verlaten huis dat daar op de hoek stond. Ik sloop steeds dichter naar hem toe. Voor de deur bleef hij even staan en ineens riep hij:"Nou jochie, je bent me nu tot zover gevolgd. Kom maar verder hoor... Vanavond mag je mee! Je bent toch zo nieuwsgierig? Nou, na vanavond zul je nooit meer nieuwsgierig zijn!"

Heel langzaam liep ik naar hem toe en ging naast hem staan. Hij klopte op de deur en er werd opengedaan.

Binnen stonden drie mannen met witte jassen en in de hoek zaten drie kinderen, van mijn leeftijd. "Vanavond gaat mijn zoontje kijken wat we doen, zodat hij ons werk later kan voortzetten," zei mijn vader tegen de drie mannen. We liepen naar een tafel waarop allemaal naalden lagen in verschillende maten. Naast de naalden stonden zilveren bekers.

Een van de kinderen werd vastgepakt en naar de tafel gebracht. "We zoeken hier naar het geheim van de onsterfelijkheid," zei mijn vader en hij stak de naald recht in het oog van het jongetje. De jongen begon te trillen en te schudden, maar hij maakte geen geluid. Het leek wel alsof hij verdoofd was.

Hij zoog wat bloed in de naald en deed dat in een beker.

De jongen viel op de grond en bewoog niet meer.

Daarna deden ze hetzelfde met de andere kinderen.

Hoewel ik heel erg bang was vond ik het toch ook wel erg interessant.

En toen pakte mijn vader mij vast! Ik begon te schreeuwen en probeerde weg te komen, maar de twee andere mannen hielden me stevig vast. Ik zag de naald op mijn oog afkomen en...

De volgende morgen werd ik wakker in mijn eigen bed, met mijn pyjama weer aan. Ik had ook een ooglapje om en ik proefde een vreemde smaak in mijn mond. Ik veegde mijn mond af en ik zag dat er bloed aan mijn mouw zat!

Het is inmiddels alweer erg lang geleden. Mensen die dit verhaal kennen vragen mij weleens of het middel voor de onsterfelijkheid ooit gevonden is...

Wat denken jullie?

Nou, laat ik dan alleen maar zeggen dat ik inmiddels 145 jaar oud ben. En straks ga ik een kopje koffie drinken bij mijn ouders maar niet te lang, want ik heb nog en hoop werk te doen. Ik ben nog op zoek naar het middel tegen jeugdpuistjes...

Fijne avond nog en misschien tot later...


                                        * * * EINDE * * *
Bron : - www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 03:38 12 reacties Reageer op dit bericht

De geesten van de nacht

De geesten van de nacht
- Een Surinaams griezelverhaal over nachtgeesten -
De Warau Haboeli was op jacht gegaan en toen de nacht viel, bevond hij zich nog midden in het bos. Haboeli kon geen hand voor ogen meer zien en wachtte op de maan. Plotseling hoorde hij stemmen, zeer vreemde stemmen die hem angst inboezemden en hij verstopte zich achter een boom. Tussen de bladeren door zag hij de vreemdelingen naderbij strompelen. Ze hadden een gedrongen gestalte en liepen gebogen met zware tred op voeten die net vuisten leken, terwijl hun handen eruit zagen als die van een kikker. Hun behaarde oren hingen over grijze wangen en ze keken om zich heen met de ogen van een uil. Haboeli verstond ze eerst niet, maar ontdekte opeens dat zij een soort lied zongen:
Wij zijn de geesten van de nacht
Wij wonen in het donker, wij lopen
heel zacht Met ons akelig gezang
Maken wij mensen en dieren bang.
Nachtgeesten! Haboeli had zich al omgedraaid en hij sloop weg, maar de nachtgeesten hadden hem toch gezien of gehoord en kwamen hem achterna. Plotseling stond hij voor een grote zwamp. Wat nu? Snel klom hij een boom in, net op tijd... Een van de geesten had zijn rechtervoet al te pakken, maar Haboeli schopte van zich af en bereikte de hoogste tak. Nu was hij veilig, want hij wist dat nachtgeesten nooit naar boven kijken, omdat zij bang voor het hemellicht zijn.

De geesten van de nacht gingen rondom de stam van de boom staan en staken hun enge koppen bij elkaar. "Broertje," zei er één, "als jij naar boven klimt, gooi je hem voor ons naar beneden!" - "Hoe moet ik klimmen?" vroeg Broertje. "Met je ogen naar de grond en je bil naar boven," luidde het advies. Haboeli, die alles gehoord had, nam een pijl. Toen hij de bil van Broertje nachtgeest op zich af zag komen, stak hij zijn pijl in diens achterste. Broertje slaakte een gil en tuimelde naar beneden. Daar wachtte hem een warme ontvangst: de nachtgeesten sloegen hun broer bont en blauw.

De slimme Haboeli maakte van de verwarring gebruik om vlug omlaag te glijden en ervandoor te gaan. Maar de nachtgeesten zagen hem ontsnappen en gillend van woede zetten zij de achtervolging in, alles wat onder hun voeten kwam vertrappend. Haboeli dook een kuil in en hield zich muisstil. "Waar is hij? Waar is hij?" riepen de nachtgeesten door elkaar. "Bijen, kom ons helpen zoeken." De bijen van de nacht, die geweldig goed kunnen ruiken, hadden Haboeli in een mum van tijd gevonden en begonnen hem overal te steken. "Ik geef me over," schreeuwde Haboeli en hij deed of hij flauwviel. Daar schrokken de nachtgeesten van, want zij wilden hem levend in handen hebben. "Medicijn, medicijn!" riepen ze door elkaar en ze stoven alle kanten op om medicijnen voor Haboeli te zoeken. Die sprong op en verdween in het struikgewas waar een holle boomstam lag. Hij kroop erin en maakte het zich gemakkelijk.

Toen de geesten van de nacht hem hadden gevonden, durfden zij niet naar binnen, omdat zij bang waren dat hij zijn pijlen in hun ogen zou steken. Dus riepen zij de hulp van de steekmieren in, die vlammetjes spugend de holle boomstam introkken. De nachtgeesten lachten: "We roken hem uit!" Haboeli keek angstig om zich heen. Hij wist niet wat hij tegen die venijnige vuurspuwende mieren moest beginnen. Toen voelde hij wat speeksel in zijn mond en hij begon ook te spugen. Zoals je weet, kunnen vlammetjes niet tegen vocht en het vuur doofde en de mieren renden - klets-nat! - weg.

De nachtgeesten konden van woede wel uit hun vel springen en ze vloekten zo luid dat de bladeren van de bomen vielen. Straks zou het ook nog licht worden en dan was hun macht voorbij. "De maka-slang is de enige die ons kan helpen!" riep een van de geesten. "We moeten er twee hebben," zei een ander. Twee maka-slangen meldden zich en rolden zich op voor de uitgangen van de holle boomstam. Haboeli zat nu echt in de val. Niemand haalt het in zijn hoofd over een maka-slang te stappen. Als je op hem trapt, richt hij zich sissend op, zijn tong schiet uit zijn giftige bek en een kleine beet betekent de dood. De nachtgeesten waren lachend en fluitend verdwenen: "Tot vanavond! Vanavond komen we terug!"

De dag brak aan en Haboeli hoorde de regenroofvogel schreeuwen. "Hé, oom," riep Haboeli, "liggen die slangen nog voor de deur?" - "Ssst," sisten de slangen, "gil niet zo. Is die vogel echt familie van je?" - "Ja, hoor," antwoordde Haboeli. "Hij zal me zo wel te hulp komen." - "Dat hoeft niet," slisten de slangen, "we zijn al weg." - "Willen jullie niet met hem kennismaken?" vroeg Haboeli schijnheilig. "Ik ken hem al," fluisterde een van de slangen. "Kijk maar, je oom heeft een van mijn ogen uitgepikt en ik wil mijn andere oog graag houden." Haboeli moest erom lachen, al vond hij het ook wel zielig voor de slang die als de heer en meester van het bos bekendstaat en toch een vijand heeft: de regenroofvogel. Hij kroop uit de holle boomstam, sprong op en rende aan een stuk door tot hij thuis was. Daar maakte zijn verhaal over de nachtgeesten weinig indruk. Men vond Haboeli dom. Als het donker wordt, moet je zorgen dat je binnen bent. Zo niet, dan word je uiteraard door de nacht(geesten) overvallen.


                                        * * * EINDE * * *
Bron : - "Volksverhalen uit kleurrijk Nederland. Draken en andere vreemde wezens.
           Verhalen uit de Chinese, Joodse, Nederlandse, Indiase, Turkse, Surinaamse, Marokkaanse en Indonesische verteltraditie" uitgegeven door Lemniscaat, Rotterdam, 1991.
           - www.beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:14 15 reacties Reageer op dit bericht

Meer van 'VOLKSVERHALEN'

↑ Terug naar de berichten