Naar de inhoud

'VOLKSVERHALEN'

akke.beakke.be
Problemen
Er zijn nogal wat problemen met het lezen van de teksten, daarom volgende tip :
Met de muis links klikken en over de tekst schuiven.
De tekst verschijnt duidelijk leesbaar.

Archief

Philemon en Baucis

Philemon en Baucis
- Een Griekse mythe over de linde en de eik -
Zeus, de opperste der goden, maakte eens samen met zijn zoon Hermes een bedevaart. Ze wilden overnachten in een rijke gemeente, maar een vriendelijke ontvangst en een slaapplaats vonden ze daar niet.

Tevergeefs liepen ze van het ene huis naar het andere, maar overal bleven de deuren gesloten. Alleen in een huisje aan de rand van het dorp werden ze vriendelijk onthaald. Het was er wel klein en alles was met stro bedekt, maar door de gastvrijheid zagen ze de armoe van de bewoners niet. In dit huisje, dat van de oude Philemon en zijn vrouw Baucis was, heerste al jaren liefde en eendracht.

Toen de reizigers hun huisje binnengingen, bood Philemon hen een zitplaats aan en Baucis dekte de tafel. Ze rakelde het bijna gedoofde vuur op, zette een ketel water op het fornuis en kookte een stuk vlees. Ze gaf de gasten er salade, radijsjes, kaas en eieren bij en Philemon schonk hen zowaar nog een glas wijn in. En als dessert kregen de gasten honing, vijgen en dadels.

De oude mensen wisten niet wie hun gasten waren. Voor ze klaar waren met eten waren ze er echter achtergekomen. Hoewel Philemon niet voor de tweede keer een glas wijn kon schenken, werd het glas door de wil van de goden weer gevuld met wijn.

De oude Philemon en zijn vrouw waren zeer verbaasd. Ze wisten nu, dat de goden hen een bezoek gebracht hadden. Ze vouwden hun handen en vroegen vergeving voor het weinige voedsel, dat ze de gasten hadden voorgezet. Om hun schuld af te lossen, liepen ze naar buiten en probeerden hun enige gans te pakken te krijgen. Maar de gans had snelle vleugels en ontkwam. De gasten zeiden:

"Wij zijn goden, maar u hoeft de gans voor ons niet te slachten. Uw ongastvrije buren zullen hun straf niet ontlopen. Verlaat uw hut en ga met ons mee naar die heuvel daar."

Philemon en Baucis haastten zich. Met behulp van een stok liepen ze de goden achterna en toen ze op de heuvel stonden en naar beneden keken, zagen ze de hele gemeente onder water staan. Alleen hun hut niet: die veranderde in een tempel.

En de opperste van de goden, Zeus, keerde zich tot de oudjes en zei vriendelijk:

"Het onrecht moet gestraft worden, het goede krijgt een beloning. Zeg wat u wenst en uw wens zal in vervulling gaan."

"Wij zouden graag de bewakers van uw tempel willen zijn. En als ons leven voorbij is, willen we graag samen sterven, zodat we altijd samen zullen zijn."

De goden vervulden hun wens. Zolang ze leefden waren ze de bewakers van de tempel en toen hun tijd gekomen was, zag Philemon plotseling, dat Baucis in groene bladeren gehuld werd. En Baucis zag, dat Philemon in groene bladeren gehuld werd. Voordat ze helemaal in een boom veranderden konden ze nog net zacht tegen elkaar zeggen: "Vaarwel, lieve man! Vaarwel lieve vrouw!" Vanaf die tijd staan op de heuvel een eik en een linde trouw naast elkaar.


                                      * * * Einde * * *
Bron : "De betoverde tuin" door Marie Mrstikova.
           Nederlandse vertaling van Els Nuijen.
           Uitgeversmaatschappij Holland, Haarlem, 1978. ISBN: 90-251-0297-2
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 21:38 5 reacties Reageer op dit bericht

Gekke Hiske

Gekke Hiske
- Een Fries sprookje over een stelend aardmannetje -
Er was eens een boer, die had drie zonen. Een daarvan was niet erg snugger, daarom noemden ze hem Gekke Hiske. Nu was het al een paar keer voorgekomen dat de boer, als hij 's ochtends achter in de schuur kwam, een bos stro miste. Ze konden maar niet begrijpen, wie dat toch altijd deed. Op een avond zei Hiske tegen zijn vader: "Nu moeten jullie mij helemaal in een bos stro rollen, dan zal ik vannacht wel oppassen om te zien wie ons stro steelt."

Dat leek hen een goed idee, en Gekke Hiske kroop in het stro. En toen, die nacht, sloop er heel stil een aardmannetje naar binnen. En die pakte een bos stro, juist die bos, waar Hiske in zat.

Het aardmannetje dacht: "Dat is een dik bos, net wat voor mij!" Toen nam hij het bos stro met Hiske erin op zijn schouders en ging weg. Hij liep al maar verder en verder, een heel eind. Ze kwamen in een bos, maar het aardmannetje liep maar door. Maar tenslotte, heel diep in het bos, kwamen ze bij zijn huis, een mooi kasteel.

Het aardmannetje ging door de achterdeur naar binnen en smeet het bos stro op de bodem. Toen ging hij het kasteel in. Gekke Hiske zat vanzelf nog altijd in het stro, maar dat begon hem danig te vervelen. Het was zo zoetjes aan al aardig licht geworden en Hiske vond, hij moest het mooie kasteel maar eens bekijken.

Hiske hoorde of zag niets meer van het aardmannetje. Hij kroop uit het stro, en ging door een deur. Wat keek hij verbaasd op, toen daar allemaal mooie koetsen en paarden stonden. Dat spul was ook door het aardmannetje gestolen.

Toen maar door een andere deur. Daar zat een mooie juffrouw te spinnen, met een gouden spinnewiel. Wat schrok ze, toen Hiske zo plotseling voor haar stond. "Stil, stil," zei ze tegen hem, "het aardmannetje mag je niet horen, want dan slaat hij je dood."

"Waar is hij dan?" vroeg Hiske.

"Hij ligt op bed en slaapt," was het antwoord.

"Dan zal ik hem wel krijgen," zei Hiske. Hij pakte een bijl, die aan de beddeur hing, en pats, daar sloeg hij het aardmannetje het hoofd af. Toen was hij meteen dood.

Wat was de juffrouw blij; het aardmannetje had haar ook gestolen. Nu waren die mooie dingen natuurlijk ook van hen. Ze moesten ook maar trouwen, vonden ze. Maar Hiske wilde eerst nog één keer naar zijn ouders. Maar hij zou ze dan maar niet vertellen wat hij allemaal meegemaakt had. En op een mooie dag zou de juffrouw onverwachts ook komen. Nu zo gebeurde het ook.

Gekke Hiske ging naar zijn vader. Daar vroegen ze hem natuurlijk, waar hij zolang gebleven was. "Och," zei hij, "ik was in het bos verdwaald." Toen Hiske een paar dagen thuis was, kwam er op een morgen een mooie koets aanrijden met twee zwarte paarden ervoor. "Wat zullen we nu hebben," zeiden de ouders van Hiske, want zo iets waren ze helemaal niet gewend. En warempel, daar stopte hij precies voor hun deur. Een mooie dame stapte eruit, en ging bij hen naar binnen. Die mensen wisten niet hoe ze het hadden. Toen kwam Hiske binnen. Nou, toen vertelde hij het ook maar. Wat hoorden ze vreemd op, dat Gekke Hiske met die mooie juffrouw trouwen zou.

Een paar dagen later trouwden ze. Natuurlijk hielden ze een groot feest. En toen gingen ze naar het kasteel in het bos. Daar bleven ze, en leefden gelukkig. Zo was Gekke Hiske in een klap rijk geworden.


                                      * * * einde * * *
Bron : "De opgeverfde haan. Bekende & onbekende verhalen over schelmen & vagebonden,
tovenaars & heksen, boze moeders & ontaarde zonen, ezels & schapen, reuzen & dwergen,
kluizenaars & molenaars, tempeliers & wonderdokters, spoken & weerwolven, juffers & bruiden,
zeemeerminnen & nachtmerries, bokken & egels, soldaten & jagers, katers & eksters, knechten & meesters, kooplieden & dieven & vele andere eeuwige stuiverzoekers" samengesteld door Willem de Blécourt.
           vertaald door Ef Leonard, keuze en eindredactie Karla Reiss.
           Uitgeverij Spectrum, Utrecht/Antwerpen, 1982. ISBN: 90-274-7115-0
Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door saagje om 21:20 4 reacties Reageer op dit bericht

De vos en de kat

De vos en de kat
- Een fabel van de gebroeders Grimm over hoogmoed -
Eens op een keer ontmoette de kat in het bos de heer Vos. En daar ze dacht: "Hij is zo slim, heeft ervaring en heeft wat te zeggen in de wereld," sprak ze hem vriendelijk toe. "Goedendag, lieve heer Vos, en hoe gaat het en hoe staat het? Hoe maakt u het in deze dure tijd?"

De vos, hoogmoedig, bekeek de kat van top tot teen en wist geruime tijd niet of hij eigenlijk wel antwoord zou geven. Eindelijk zei hij: "Jij armzalige snorrenwasser, jij bontgevlekte zot, jij hongerlijder en muizenjager, wat bezielt je? Durf je te vragen hoe ik het maak? Wat heb je eigenlijk geleerd? Hoeveel kunsten ken je?" - "Ik kan er maar één," antwoordde de poes bescheiden. "Wat is dat dan voor een kunst?" vroeg de vos. "Als de honden achter me aanzitten, dan kan ik een boom in en mezelf redden." - "Is dat alles?" zei de vos, "ik ben honderd kunsten meester en ik heb bovendien nog een zak vol listen. Ik heb met je te doen; kom maar mee, ik zal je eens leren, hoe je de honden ontloopt."

Daar kwam een jager aan met vier honden. De kat sprong behendig in een boom, tot in 't topje, waar takken en bladeren haar geheel verborgen. "Doe de zak om, doe de zak om!" riep de kat nog, maar de honden hadden de vos al gegrepen en beten zich vast. "Zeg eens Vos!" riep de kat, "nu blijf je met je honderd kunsten steken. Als je de boom in had gekund zoals ik, dan was het niet om je leven gegaan!"


                                      * * * Einde * * *
Bron : "De sprookjes van Grimm; volledige uitgave" vertaald door M.M. de Vries-Vogel.
           Unieboek BV - Van Holkema & Warendorf, Weesp, 1984.
           Oorspronkelijke titel: Der Fuchs und die Katze
Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door saagje om 00:08 18 reacties Reageer op dit bericht

Het verhaal van de oude heks

Het verhaal van de oude heks
- Een kort Argentijns volkssprookje over een moedige christen -
Er was eens een oude heks die op haar oude heksenberg woonde. Daar konden de mensen niet voorbijgaan, want de oude vrouw had een grote zak. Daarin werd iedereen vernietigd die omhoog naar de berg keek.

Er was eens een kleine christen die zei: "Ik wil naar de oude heks op de berg gaan en ik zal niet naar boven kijken als ze me roept."

Hij ging dus op weg, zadelde zijn geit in plaats van een paard en kwam bij de berg waar de heks zat. Die zei tegen hem: "Kleine christen, kom toch bij me!" Hij keek echter niet omhoog. "Kijk toch hierheen, kleine christen!" riep de heks weer, maar hij deed het niet en antwoordde: "Kijk toch omlaag, oude vrouw!" Maar zij keek niet naar beneden en riep hem weer toe: "Kijk toch naar boven, kleine christen!" Hij keek echter niet naar boven, maar zei: "Kijk toch omlaag!"

Toen keek de oude vrouw omlaag en viel plotseling naar beneden, heel diep de aarde in, zodat alleen haar ene been eruit stak. Toen trok de kleine christen haar er met de zadelriem uit, bond een grote gevlochten lasso aan haar en besteeg zijn paard.

De oude heks had echter een hoofd van ijzer. De kleine christen trok haar tong uit en bond die aan zijn zadelriem vast. Zo kwam hij thuis.

De koning liet hem roepen en hij ging naar hem toe. "Hoe heb je het klaargespeeld die oude heks te doden?" vroeg de koning. "Ik doodde haar omdat God het zo wilde," antwoordde de kleine christen. Toen zei de koning hem: "Er is een wilde stier met gouden horens, als je die doodt, geef ik je mijn dochter tot vrouw."

"Dat is goed," antwoordde de kleine christen en ging op weg, zadelde zijn kleine geit als een paard, bond aan de zadelriem zijn grote gevlochten lasso en vertrok. En toen hij aankwam, riep hij: "Waar is de stier met de gouden horens?" - "Hier vlak voor je!" kreeg hij ten antwoord. Hij vloog op het dier af en trof het stampende dier. De horens glansden van het goud. Het woedende dier werd in de grote gevlochten lasso gevangen. Toen steeg hij van zijn paard, de kleine geit. Deze bleef echter stokstijf staan. Toen wurgde hij de stier en doodde hem, sneed de horens af en de tong en nam dat alles mee naar de koning. Toen gaf de koning hem zijn dochter tot vrouw en bovendien een ring.

"Met deze ring kun je wensen wat je wilt," zei de koning tegen hem. Hij sprak echter: "Ring, ik wil een groot huis hebben om in te wonen!" Toen ontstond er een groot huis en daar bracht hij zijn vrouw heen. In de buurt woonde echter een neger. Die werd verliefd op de vrouw van de kleine christen. En toen die sliep, haalde hij de ring van zijn vinger. Hij zei toen: "Ring! Door je toverkracht breng je me aan de overkant van het meer met deze vrouw!"

En toen was hij al aan de andere kant van het meer. Toen de kleine christen wakker werd, had hij geen ring meer. Toen riep hij de hond en de rat: "Jullie moeten nu naar de overkant van het meer gaan!" De rat ging op het oor van de hond zitten en de hond ging zwemmen; midden in het meer rustten ze uit, toen gingen ze verder tot ze aan de andere kant waren, waar de neger zich ophield. Toen sprak de hond: "Vooruit, rat, jij bent kleiner dan ik!"

Toen ging de rat op weg. De oude neger en de vrouw sliepen echter net. Zo trof de rat hem aan, sloop zacht naar hem toe en haalde de ring van zijn vinger. "Deze neger moet vier dagen slapen, ring!" zei de rat en liep weer terug. Toen zij echter bij de oever van het meer kwam, sprak zij: "Direct moeten we bij het huis van de kleine christen aankomen, ring!" En direct waren ze daar en brachten ook de vrouw van de kleine christen mee. "Ik gelast nu dat de koning zijn dochter weer terugneemt!" zei de kleine christen. "Als hij dat niet wil, zal ik iedereen laten doden!"

Toen nam de koning zijn dochter weer terug. Zo kwam de kleine christen weer aan zijn ring. De hond en de rat schonk hij echter een groot huis om in te wonen. Hij had meer macht dan de koning en was heer en meester over het land.


                                    * * * EINDE * * *
Bron : "Volkssprookjes en legenden uit Zuid-Amerika," door Felix Karlinger.
           Uitgeverij Elmar B.V., Rijswijk. ISBN: 90-6120-433-X
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:08 5 reacties Reageer op dit bericht

Lidwina van Schiedam

Lidwina van Schiedam
- zomaar een heilige -
Lidwina werd in 1380 te Schiedam geboren. Ten gevolge van een noodlottige val op het ijs brak zij haar heup en was gedurende 38 jaar bedlegerig. Te midden van haar vreselijk lijden was zij een voorbeeld van heldhaftig geduld en van uitzonderlijke liefde tot God en haar medemensen. Op 14 april 1433 werd zij uit haar voortdurende beschouwing van Christus' passie opgeroepen tot het aanschouwen van zijn heerlijkheid. De verering die haar na haar dood ten deel viel, werd in 1890 officieel erkend, toen paus Leo XIII haar liturgische viering goedkeurde. Tevoren was een deel van haar relieken, die in 1615 om veiligheidsredenen naar Brussel waren gebracht, op 14 juni 1871 naar haar geboortestad teruggebracht.

Een andere bron vertelt wat meer:

In 1425 doet Filips de Goede van Bourgondie Schiedam aan, om evenals in andere steden van Holland als regent te worden ontvangen. 's Avonds kwamen een aantal van zijn soldaten, Picardiers genaamd, naar de woning van Lidwina. Ze hadden de pastoor van Schiedam, Jan Engel, zo ver gekregen dat hij met ze meeging. Ze begonnen 'seer onsedelic in haer camer te roepen ende haer te quellen'.

De pastoor probeerde hen daarvan te weerhouden, maar toen riepen de Picardiers dat Lidwina zijn bijzit was. Ze gingen naar binnen, staken een kaars aan en haalden de gordijnen van de bedstee op en trokken het dek weg, zodat Lidwina naakt lag. Haar nichtje Pieternel kwam tussenbeide, maar het kind werd zo ruw opzij geworpen, dat ze haar heup bezeerde en tot haar dood zou blijven hinken.

De Picardiers begonnen de latere heilige voor slet uit te schelden en te zeggen dat ze 's nachts wellustig de hoer uit hing, dat ze al 14 kinderen had, enz. Vooral de man die de kaars vasthield ging grof tegen haar te keer. Daarna bezoedelde de Picardiers Lidwina's lichaam zeer ruw met hun handen, zo ruw dat het op drie plaatsen ging bloeden. De Picardiers gingen weg om het bloed van hun handen te wassen, maar ze kwamen terug om haar opnieuw uit te schelden.

Hertog Filips voer verder naar Rotterdam. De heren van het Schiedamse gerecht, die van de behandeling der Picardiers vernamen, wilden een aanklacht indienen, maar Lidwina wilde dit niet. De wraak Gods zou de schurken spoedig achterhalen.

De eerste Picardier werd in de haven van Rotterdam plotseling van de ene reling naar de andere geslingerd, sloeg overboord en verdronk. Hij werd op het kerkhof begraven.

De tweede werd in Brouwershaven tijdens een gevecht doodgeslagen.

De derde kwam tot Zierikzee. Daar werd hij door razernij aangetast, zodat men hem overbood zette in een bootje. Hij is kort daarna krankzinnig gestorven.

De vierde werd te Sluis door een beroerte getroffen zodat hij zijn spraak verloor. Zijn knecht vroeg of hij degene was die de maagd van Schiedam zo onheus had behandeld. De man knikte, gaf een teken van berouw en stierf.

In 1426 is Filips van Bourgondie opnieuw in Schiedam. Een ridder uit zijn gevolg gaf bij die gelegenheid zes van zijn mannen de opdracht Lidwina dag en nacht te bewaken. Filips vertrekt spoedig naar Vlaanderen en Lidwina wordt verder met rust gelaten.

Op 14 april 1433 sterft Lidwina van Schiedam. Talloze pelgrims zullen haar graf bezoeken, totdat in 1615 haar gebeente wordt opgegraven om als relikwie naar de Zuidelijke Nederlanden te worden gebracht.


                                      * * * EINDE * * *
Bron : beleven
Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door saagje om 00:00 3 reacties Reageer op dit bericht

Van de mus met de gebroken poot

Van de mus met de gebroken poot
- Een Japans sprookje over pompoenen vol met rijst -
Lange tijd geleden woonde er eens in een of ander bergdorp in Japan een goedhartig oud vrouwtje. Op een dag kwam er een mus in haar tuin die een poot gebroken had en zich bitter beklaagde.

Toen de oude vrouw dat bemerkte, kreeg ze medelijden; ze pakte de mus op, zette hem in een mand van bamboe, gaf hem het voer dat mussen graag lusten en verzorgde hem met grote liefde.

In korte tijd heelde ook de wond aan de poot van de mus en kon hij weer vrij in de mand rondfladderen. De oude vrouw verheugde zich daarover en steeds meer begon de mus haar na aan het hart te liggen. Op een dag hupte de mus uit de mand en vloog weg. Omdat hij niet meer terugkeerde, maakte het vrouwtje zich zorgen en probeerde erachter te komen waarheen hij gevlogen was. De volgende dag kwam er een mus onder het afdak zitten en zijn vrolijke stem verheffend begon hij te tjilpen. Het vrouwtje vond dat iets heel bijzonders en opende de deur en zag dat hij pompoenpitten op het erf strooide.

De vrouw raapte alle pitten op en zaaide ze uit op het achterveld. Er kwamen wonderbaarlijke scheuten uit de grond, waaraan bloesems kwamen. Er groeiden vruchten uit en ze kon ten slotte een groot aantal flinke pompoenen oogsten. De oude was daar erg blij om en op een zonnige plek onder het afdak hing ze ongeveer tien dagen lang al deze grote pompoenen op.

Na deze tijd kwam er uit de eerste pompoen, korreltje voor korreltje een soort glanzende rijst stromen. Ze raapte een korreltje op en proefde het; het bleek kostelijke glanzende rijst te zijn. Toen ze daarna alle pompoenen eraf haalde en erin keek, zat elk ervan vol rijst. Vol vreugde kookte het moedertje meteen een maaltijd van deze rijst en at ervan; het smaakte goed! Ze deed een deel van de rijst in dozen en deelde die ook rond in de buurt. Ze verheugde er zich over dat dit gerecht iedereen goed smaakte. Hoeveel ze ook van de rijst nam, de voorraad verminderde in het geheel niet en daardoor werd het oude vrouwtje bijzonder welgesteld.

In de buurt woonde echter een hebzuchtige oude vrouw. Toen zij van deze geschiedenis hoorde, werd ze door grote afgunst gegrepen en ze nam zichzelf voor om ook een mus te vangen. Nadat ze er eindelijk een gevangen had, brak ze zijn poot en zette hem in een mand. Omdat ze hem echter in het geheel geen voedsel gaf, leed de mus honger en fladderde moeizaam in de mand rond. Al spoedig haalde de hebzuchtige oude het deksel eraf. Het musje stootte een smartelijke kreet uit en vloog weg. De oude stelde zich al voor hoe de mus haar de volgende dag een of ander geschenk zou brengen.

De volgende dag kwam de mus op de vensterbank zitten tjilpen. Toen ze haastig de luiken opende, zag ze dat hij pompoenpitten had meegebracht en uitgestrooid. Vol blijdschap daarover zaaide de hebzuchtige oude vrouw, zonder iets over te laten, ze op haar veld uit. Er kwamen wonderbaarlijke scheuten te voorschijn, er kwamen bloesems aan en vruchten en er rijpten een groot aantal pompoenen aan. Ze plukte ze en hing ze allemaal onder het afdak. "Als er nu maar gauw rijst uitkomt! Als er nu maar gauw rijst uitkomt!" riep ze en keek er elke dag naar, maar het liet zich niet aanzien dat er ooit rijst uit zou komen.

De hebzuchtige oude vrouw werd heel woedend; ze rukte alle pompoenen omlaag en brak de ene na de andere open. Toen kwamen er uit de pompoenen grote slangen, duizendpoten, horzels en hagedissen in grote scharen te voorschijn. Ze grepen de oude vrouw, slingerden zich om haar heen en beten of staken haar; de oude hebzuchtige vrouw kon er helemaal niets tegen doen en stierf ten slotte waanzinnig. Zo wordt er verteld.


                                      * * * einde * * *
Bron : "Japanse volkssprookjes" bijeengebracht door Horst Hammitzsch,
           vertaald door Ef Leonard, keuze en eindredactie Karla Reiss.
           A.W. Bruna & Zoon, Utrecht/Antwerpen, 1974
Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door saagje om 00:05 15 reacties Reageer op dit bericht

De nieuwsgierige vrouw

De nieuwsgierige vrouw
- Een Ecuadoriaans volksverhaal over het uitbannen van geesten -
Er was er eens een heel nieuwsgierige vrouw in een dorp. Elke keer als zij een of ander geluid of een gedruis hoorde, hoe onbeduidend ook, liep zij de trap af om te kijken wat er gebeurde. Het kon haar niet schelen als zij zelfs om middernacht moest opstaan, als zij maar haar nieuwsgierigheid kon bevredigen.

Op een nacht hoorde zij weer een geluid, en zij dacht dat er wat op het plein gebeurde. Zij stond op en liep naar beneden en toen zag zij dat er heel wat mensen op straat langs haar huis trokken. Zij bleef bij het raam, vol verwachting, staan om te zien wat het was. En langzamerhand werd het haar duidelijk dat het hier een processie betrof. Alle voorbijgangers zongen droefgeestige wijsjes, waarvan zij de woorden weliswaar niet kon verstaan.

Toen de menigte dichtbij genoeg was, probeerde de vrouw al het mogelijke om iemand van de voorbijgangers te herkennen, maar het gelukte haar niet, want de een had - zo scheen het haar - geen neus, de ander geen ogen, de derde geen mond. De nieuwsgierige schrok, maar zij trok zich niet terug.

Intussen naderde een man haar met een licht in zijn hand en dat gaf hij haar met de woorden: "Als de processie voorbij is, doof dan het licht en bewaar het in een koffer!" De vrouw deed zoals haar gezegd was, maar zij voelde zich erg bang. En de volgende morgen ging zij naar de pastoor van het dorp en vertelde hem wat er gebeurd was. De pastoor zei haar echter dat het hier de duivel moest betreffen. En opdat hij haar niet zou meeslepen, als straf voor haar nieuwsgierigheid, moest zij een aantal zuigelingen in haar huis halen, verder rozemarijn en gewijde palmtakken en ook wat wierook. En hij raadde haar aan dat zij - als die kerel 's nachts terugkeerde - de wierook moest aansteken, de rozemarijn en de gewijde palmtakken om haar heen leggen en de kinderen laten huilen. Later zou zij met een kind op haar arm naar het raam moeten gaan en het licht meenemen, dat niets anders was dan een bot van een dode.

Bevend van angst volgde de nieuwsgierige de opdracht die de pastoor haar had gegeven op. Om precies middernacht hoorde zij weer de processie voorbijlopen. En weer kwam die man op haar toe en verlangde het licht terug. En dankzij de kinderen en de andere middelen kon de duivel haar niet meenemen. Dat was een goed middel om de vrouw van haar nieuwsgierigheid te genezen.


                                      * * * Einde * * *
Bron : "Volkssprookjes en legenden uit Zuid-Amerika," door Felix Karlinger.
            Uitgeverij Elmar B.V., Rijswijk. ISBN: 90-6120-433-X
Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door saagje om 00:11 9 reacties Reageer op dit bericht

De geraamtevrouw

De geraamtevrouw
- Een griezelsprookje uit Groenland over een lijk in de zee -
In het hoge noorden, waar alleen maar ijs is en sneeuw en een grijsblauwe hemel boven een grijsblauwe zee, dobberde een bootje op het water. In het bootje zat een visser. Hij had de hele dag nog niets gevangen, maar hij zat nog steeds te vissen. Aan één visje zou hij genoeg hebben. Hij hoefde voor niemand te zorgen en geen sterveling zou ongerust zijn als hij heel laat of helemaal niet thuis kwam. Een traan rolde langs zijn wang toen hij daaraan dacht. Hij veegde de traan vlug weg en ging door met vissen.

Plotseling werd zijn lijn strakgetrokken. Hij had beet! En het was geen kleine vis ook, zag hij toen hij de vis voorzichtig binnenhaalde. Deze vis was groter dan de meeste vissen, maar kleiner dan een zeehond. En wit - witter dan wit. Wat was het, daar onder water? Het leek wel een vrouw.

Het geraamte van een vrouw!

Ze dook op uit het water, vlak voor zijn neus en grijnsde over de rand van het bootje tegen hem, terwijl ze zich met haar benige vingers probeerde vast te klampen. Hoe lang had ze op de zeebodem liggen deinen met de zeestromingen mee, terwijl de grote vissen het vlees van haar botten knabbelden en de kleintjes speelden tussen haar ribben? Ze wist het niet. Ze wist alleen maar dat het een goed gevoel was weer terug te zijn in de wereld van de levenden!

"Ga weg!" riep de visser angstig. Hij liet zijn vislijn vieren, greep zijn peddel en sloeg haar net zo lang tot ze de boot losliet. Toen peddelde hij zo hard hij kon naar het strand terug.

Hij werd gevolgd door het vrouwengeraamte dat met haar benige armen zwaaide alsof ze wilde roepen: "Wacht op mij! Wacht op mij!"

De man peddelde harder en het vrouwengeraamte rende met rammelende botten door het water achter hem aan, waarbij ze wild met haar hoofd schudde. "Wacht op mij!"

Op het strand sprong de visser uit de boot, greep zijn vishengel en zette het op een lopen over de ijzige, besneeuwde vlakte, tot hij thuis was.

Hij kroop naar binnen terwijl zijn hart bonkte in zijn keel. Eindelijk was hij veilig, verborgen in zijn witte iglo midden in de witte sneeuw. Na een poosje voelde hij zich iets beter. Hij begon zijn vislijn te ontwarren en rolde het op tot een keurig balletje.

Toen hoorde hij buiten het gerammel van botten en even later kroop het vrouwengeraamte zijn iglo binnen!

De visser hield op met werken. Zijn hart ging weer als een razende tekeer. Het vrouwengeraamte was heel stil. Heel geduldig zat zij - een bundeltje botten - geduldig te wachten. Toen zag hij wat er gebeurd was. Ze kon hem niet zien want de vissen hadden haar ogen lang geleden al opgegeten. Ze kon hem zelfs niet horen, want ze had geen oren. Hij had haar zelf meegesleept omdat ze verward zat in de vislijn.

De visser had medelijden met haar. Daarom begon hij haar zachtjes en voorzichtig te bevrijden uit de vislijn. Het duurde heel lang. Maar tenslotte had hij haar botten goed neergelegd. Toen kroop hij terug naar zijn kant van de kleine sneeuwhut.

Het geraamte richtte zich op van de plek waar de visser haar had neergelegd en bleef daar zitten, met botten die rammelden van kou en angst, totdat hij haar een paar stukken bont toegooide. "Draai je daar maar in," zei hij, "en laat mij rustig slapen!"

Terwijl de visser sliep rolden er weer een paar tranen van eenzaamheid over zijn wangen.

De geraamtevrouw kon niet zien, horen of ruiken - maar ze voelde dat hij huilde. En ze had dorst. Ze kroop naar de man toe en begon te drinken. En die paar tranen werden een rivier vol levenswater. Ze lag op zijn borst en hoorde zijn hart slaan als een trommel. En het ritme van die trommel trilde door haar botten als een lied dat het vlees op haar botten zong en het haar op haar hoofd. Haar ogen konden weer zien en haar oren horen en haar eigen hart klopte en klopte en klopte...

Toen de man wakker werd was er geen geraamte meer, maar een echte, levende vrouw en hij wist dat hij nooit meer eenzaam zou zijn.

Ze bleven hun hele leven bij elkaar en de vissen die zich op de zeebodem aan haar tegoed hadden gedaan zorgden ervoor dat de visser en zijn vrouw nooit meer honger hoefden te hebben. De mensen uit het noorden vertellen dit sprookje - en ze zweren dat het waar is!


                                      * * * EINDE * * *
Bron : "De ruiter zonder hoofd en andere griezelsprookjes" naverteld door Maggie Pearson.
           Uitgeverij De Eekhoorn, Oud-Beijerland, 2001. ISBN: 90-6056-851-6
Hoe vind je dit bericht? 2 stemmen
Geschreven door saagje om 00:10 9 reacties Reageer op dit bericht

De gauwdief en zijn meester

De gauwdief en zijn meester
- Een sprookje van Grimm over een tovenaar en zijn leerling -
Jan wou zijn zoon een ambacht laten leren. Toen ging Jan naar de kerk en vroeg aan Onze Lieve Heer, wat Hem behagen zou. De koster stond juist achter het altaar en zei: "Gauwdieven, gauwdieven." Toen ging Jan weer naar zijn zoon terug en zei, dat het gauwdieven moest wezen, dat had Onze Lieve Heer zelf gezegd.

Nu gaat hij met zijn zoon naar een man die goed stelen kan. Ze lopen een hele poos, en dan komen ze bij een groot bos. Daar staat zo'n klein huisje met zo'n oud wijf erin, en Jan zegt: "Weet jij niet een man die stelen kan?"

"Dat kan je hier wel leren," zegt de vrouw, "daar is mijn zoon een meester in." Nu gaat hij met de zoon praten: "Of hij het wel goed kan?" De meesterdief zegt: "Ik wil het je zoon wel leren, kom maar over een jaar terug, als je dan je zoon nog herkent, wil ik geen leergeld hebben, ken je hem niet, dan geef je me tweehonderd daalders."

De vader gaat naar huis, en de zoon leert om goed te toveren en te stelen. Als het jaar om is, gaat de vader er snikkend heen, hoe hij het nu weten moet, of hij zijn zoon weer herkent. Als hij zo loopt te snikken, dan komt 'm zo'n klein mannetje tegemoet, die zegt: "Man wat grien jij? Je bent zo bedroefd."

"Ach," zegt Jan, "ik heb mijn zoon verleden jaar bij een meesterdief verhuurd om het ambacht te leren, en die zei me, ik moest na een jaar weeromkomen, en als ik hem nog kende, hoefde ik niks te geven, en nu ben ik zo bang, dat ik hem niet meer ken, en waar krijg ik dan die tweehonderd daalders vandaan?"

Toen zei dat manneke, hij moest maar eens een korstje brood meenemen, en onder de schoorsteen gaan staan: "En op de haalboom staat een mandje, en daar kiekt een vogeltje uit en dat is je zoon."

Nu gaat Jan erheen en gooide een korstje zwart brood voor het mandje, daar wipt het vogeltje eruit en kijkt ernaar. "Hola, mijn zoon, ben je daar?" zegt de vader. De zoon was heel blij, dat hij zijn vader zag, maar de meesterdief zei: "Dat heeft de duivel je laten weten: hoe kon je nou zien dat dat je zoon was?"

"Vader, laten we nu gaan," zegt de jongen.

Nu wou de vader met zijn zoon weer naar huis gaan, en onderweg kwam er een koets aanrollen, en toen zei de zoon tegen z'n vader: "Vader, ik ga me in een grote windhond veranderen, dan kunt u er veel geld aan verdienen."

De heer uit de koets roept: "Zeg man, wil je me die hond verkopen?"

"Ja," zegt de vader.

"Hoeveel moet je d'r voor hebben?"

"Dertig daalders." "Nou, dat is veel, maar omdat het zo'n prachtig mooie hond is, wil ik hem houden." Hij koopt de hond, en de hond komt in de koets zitten, maar na een eindje springt hij eruit, door de ruiten, en dan is hij geen windhond meer, maar loopt weer naast zijn vader.

Nu gaan ze samen naar huis. De volgende dag is er markt in het naaste dorp. Dan zegt de jongen tegen z'n vader: "Ik zal me nu in een mooi paard veranderen; en verkoop me daar; maar als u me verkoopt, trek het toom van me af, want anders kan ik nooit meer een mens worden." De vader trekt met het paard naar de markt, maar nu komt de meesterdief en koopt het paard voor honderd daalders, en de vader vergeet het en trekt hem het toom niet af.

Nu trekt de meesterdief met het paard naar huis en zet het in de stal. De meid gaat over de deel, dan zegt het paard: "Doe me het toom af, doe me het toom af." De meid staat te luisteren: "Kan je praten?" en ze gaat heen en doet hem het toom af. Dan verandert het paard zich in een mus en vliegt over de onderdeur weg, maar de meesterdief verandert zich ook in een mus, en vliegt hem na. Nu komen ze bij elkaar en pikken elkaar, maar de meesterdief wordt in het water gedreven, en nu maakt hij zich een vis. Nu maakt de jongen zich ook tot een vis, en ze vechten weer, maar de meester moet het afleggen. Dan verandert de meester zich in een haan, maar de jongen wordt tot een vos en hij bijt de haan de kop af, en toen is de meester dood gegaan en dood gebleven tot op deze dag.


                                    * * * EINDE * * *
Bron : "De sprookjes van Grimm; volledige uitgave" vertaald door M.M. de Vries-Vogel.
            Unieboek BV - Van Holkema & Warendorf, Weesp, 1984.
           Oorspronkelijke titel: De Gaudeif un sien Meester
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:13 8 reacties Reageer op dit bericht

De overstroming van Bogota

De overstroming van Bogota
- Een oud verhaal uit Colombia over een zondvloed -
Een hele, hele tijd geleden, toen de aarde nog geen maan had, leefden er op de vlakte van Bogota mensen zonder cultuur als wilden. Zij kenden noch de akkerbouw, noch een wet en orde.

Op een dag verscheen er bij de wilde stammen een oude man, die stamde uit het gebied in het oosten van de Cordillere van Chingasa. Hij was van een geheel ander ras als de wilden van Bogota en had een lange, dichte baard. Deze grijsaard luisterde naar drie verschillende namen: Bochica, Nemquetheba en Zuhe. Hij sloot zich bij de mensen aan en bracht hen bij niet meer naakt te lopen, maar zich te kleden, akkers te bebouwen en vruchten te oogsten, hutten te bouwen en in gezinsverband te leven. De oude bracht ook zijn vrouw mee, die eveneens drie namen had: Chia, Yubecayguaya en Huythaca. Helaas was deze vrouw even mooi als boos. Zij haatte de mensen van iedere streek en als haar echtgenoot iets voor hen maakte, dan vernielde zij het vaak weer.

Door tovenarij liet zij de Río Funza zo zwellen, dat die het hele dal van Bogota overstroomde. Door deze vloed verdronken bijna alle mensen die daar woonden en slechts weinigen konden zich op de top van de omliggende bergen redden. Toen de oude man dit zag werd hij heel kwaad op zijn vrouw. Hij joeg haar weg van de aarde en verdreef haar naar de hemel. En sinds die tijd heeft de aarde een maan, die in de nacht schijnt.

De grijsaard Bochica werd echter gegrepen door medelijden met de mensen, die in het hooggebergte moesten leven. Hij verpletterde de rotsen, die het dal van Bogota aan de zijde van Canoas en Trequendama insloten, zodat door deze opening de watermassa's weg konden vloeien. Toen bracht hij de verspreide mensen weer tezamen, bouwde huizen en steden voor hen, leerde hun het aanbidden van de zon, benoemde opperhoofden, elk één voor de wereldlijke en voor de geestelijke macht.

Toen trok de grijsaard zich terug in het heilige dal van Iraca onder de naam Idacanzas, waar hij als kluizenaar vele duizenden jaren leefde.


                                      * * * Einde * * *
Bron : "Volkssprookjes en legenden uit Zuid-Amerika," door Felix Karlinger.
            Uitgeverij Elmar B.V., Rijswijk. ISBN: 90-6120-433-X
Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door saagje om 00:07 8 reacties Reageer op dit bericht

Meer van 'VOLKSVERHALEN'

↑ Terug naar de berichten