Naar de inhoud

'VOLKSVERHALEN'

akke.beakke.be
Problemen
Er zijn nogal wat problemen met het lezen van de teksten, daarom volgende tip :
Met de muis links klikken en over de tekst schuiven.
De tekst verschijnt duidelijk leesbaar.

Archief

Toen het pannenkoeken regende

Toen het pannenkoeken regende
- Een Argentijns volksverhaal over een praatzieke oude man -
Er leefden eens in een streek in het noorden van Argentinië een oude man en vrouw die straatarm waren. Ze hadden een kleine hut midden in het gebergte, waar alleen maar Sint-Jansbroodbomen groeiden. Niet ver daarvandaan was een dorp met een kleine school.

Op een dag toen de twee oude mensen hout gingen sprokkelen, vonden ze een beurs met veel geld, die een reiziger had verloren. De oude vrouw raapte hem op en verstopte hem, en zij zei tegen haar man: "Niets zeggen en gaan slapen!"

En zij liep naar het dorp en kocht eieren en meel. Zij bakte een enorme hoeveelheid pannenkoeken, die zij bij haar hut over berg en veld uitstrooide. Toen ging zij haar hut in en wekte de oude man en zei tegen hem: "Oudje, je moest toch eens naar school gaan en zien dat je nog wat leert!"

"Wat moet ik nog leren, ik ben toch al zo oud!" riep de man uit.

"Dat doet er niet toe," zei de oude vrouw, "ga nu maar wat leren!"

En de man liet zich nog twee of drie dagen naar school sturen.

Intussen hadden de eigenaars van de geldbeurs het verlies ontdekt en waren op zoek gegaan. En ze kwamen ook bij de hut van de twee oude mensjes en vroegen daar of ze niets gezien hadden. De oude vrouw antwoordde, dat ze niets gevonden hadden, maar de oude man zei: "Jawel, we hebben hem gevonden!"

"Ach, deze oude man is gek!" riep de vrouw, "we hebben immers niets gevonden. Je moet je mond houden, want je bent werkelijk getikt."

"Welnee, oudje! Herinner je je dan niet dat wij de beurs hebben gevonden?"

"Zo," zei de oude vrouw, "wanneer hebben we hem dan gevonden?"

"Herinner je je dat niet? Destijds toen het pannenkoeken regende, zoveel, dat berg en dal ermee bedekt waren."

"Zie je nou wel?" vroeg de oude vrouw aan de eigenaars van de beurs, "hij bazelt."

"Geen sprake van," zei de oude man, "weet je niet meer, dat was toen ik naar school ging."

"Die oude man is volslagen krankzinnig!" zeiden de eigenaars van de geldbeurs, "hoeveel jaren is het al niet geleden dat die naar school ging!" En ze gingen weg.


                                      * * * EINDE * * *
Bron : "Zuid-Amerikaanse sprookjes" verzameld door Felix Karlinger.
            Oorspronkelijke uitgave: Südamerikanische Märchen, Fischer Taschenbuch Verlag GmbH, Frankfurt am Main.
            Nederlandse vertaling door Geert Redslo. Uitgeverij Elmar, Rijswijk, 1992. ISBN: 9061209560
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:06 9 reacties Reageer op dit bericht

Het duivelsmeer

Het duivelsmeer
- Een kort heldenverhaal uit Ecuador over een drakendoder -
In een dorp woonde eens een zekere oude man die Pedro heette, en die had een zoon die Juan heette. Op een dag, toen Juan juist twintig werd, zei zijn vader tegen hem: "Mijn zoon, ik heb een geheim zo lang bewaard tot je twintig werd. Achter deze grote vlakte ligt een meer dat het duivelsmeer wordt genoemd. En midden in dit meer staat een boom met gouden appels. Voor degene die zo'n appel plukt, deelt het water van het meer zich en dan ziet hij een schitterend paleis."

Toen vroeg Juan aan zijn vader: "Wie heeft dat paleis dan in het meer neergelaten?" En de vader antwoordde hem: "Heel, heel lang geleden was er een ontaarde koning die zich niet om zijn volk bekommerde; en voor straf overstroomde de duivel zijn paleis."

De volgende dag ging Juan op weg om de boom met de gouden appels te zoeken. Hij liep door de vlakte en toen hij midden op de weg was, hoorde hij plotseling een gelach. Hij keek naar alle kanten, maar hij zag niemand. Toen klom hij in een boom, en in die boom zat een vogel met prachtige veren. Opnieuw hoorde Juan een gelach en hij vroeg zich af: "Wie is dat?" Toen zag hij de vogel die met zijn vleugels klapperde en die met een liefelijke stem zei: "Juan, wees maar niet bang? Zet je tocht naar het duivelsmeer voort." Toen vervolgde Juan zijn weg weer en opnieuw hoorde hij het gelach van de duivel en hij zei bij zichzelf: "God, geef me kracht!"

Zo liep hij door tot hij eindelijk het duivelsmeer zag, en in het midden ontwaardde hij de boom met de gouden appels. Net toen hij een appel wilde plukken, verscheen er plotseling een draak met achttien koppen om hem op te eten. Maar Juan zei: "Mijn God, verlaat me niet!" Hij raapte al zijn moed bij elkaar, trok zijn zwaard en gordde zich aan tot de strijd. Toen de eerste kop zich naar hem toeboog om hem te verslinden, sloeg hij deze met een krachtige houw van de romp. En zo vocht hij verder tot hij alle achttien koppen had afgeslagen.

Daarna plukte hij een van de gouden appels en op hetzelfde ogenblik deelde het water zich aan zijn voeten en hij zag een schitterend kasteel. Hij ging het kasteel binnen en zag daar zijn vader met een aardig meisje. En de vader zei tegen hem: "Vanwege jouw dapperheid moet jij met dit meisje trouwen, en je zult de koning van dit volk worden." Zo werd Juan koning van dat volk, en hij leefde gelukkig met zijn geliefde vrouw.


                                      * * * EINDE * * *
Bron : "Volkssprookjes en legenden uit Zuid-Amerika," door Felix Karlinger.
           Uitgeverij Elmar B.V., Rijswijk. ISBN: 90-6120-433-X
Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door saagje om 00:07 12 reacties Reageer op dit bericht

De zwarte paraplu

De zwarte paraplu
- Verhalen uit Noord-Amerika -
Het huisje stond aan de rand van de stad en behoorde toe aan Eliza, een zwarte vrouw. Al vele jaren was ze keukenmeid en wasvrouw in het huis van een rijke koopman. Van maandagmorgen tot en met zondagmorgen werkte en sliep ze in het grote fraaie huis, maar de zondagmiddag en de nacht van zondag op maandag bracht ze door in haar kleine huis in de buitenwijk. Daar zat ze meestal bij het raam, want zo kon ze horen en zien, wat er buiten gebeurde.

Toen ze op een avond bij het raam was ingedommeld, werd ze wakker door een eigenaardig zingen. "Zo zingt een vogel toch niet," dacht Eliza en ze sloeg de ogen op. In het schemerdonker kon ze achter het lage muurtje van het kerkhof een aantal in het zwart geklede gebogen gedaanten zien. En ze beluisterde het lied, waarmee de mensen gewend waren hun doden naar het graf te begeleiden:

       Geen tranen zullen meer in je ogen komen;
       jij bent nu voor eeuwig thuis,
       daar waar geen tranen meer stromen.

Eliza de keukenmeid had dat lied dikwijls zelf gezongen, wanneer een buurman of buurvrouw uit de buurt naar de laatste rustplaats werd gebracht. Eliza zong graag: treurige en vrolijke liederen, maar het liefst treurige. Ze deed nu het raam dicht, trok haar schoenen aan, zette haar hoed op en ging naar buiten.

Op het kerkhof knielde ze naast de rouwende mensen neer en zong met hen mee. Het werd donker, de regen viel uit de laaghangende wolken, de wind bulderde boven het kerkhof. Eliza trok haar hoed dieper over het voorhoofd en zette de kraag van haar mantel op. De regen liep haar langs de rug, maar ze zong door. En er stond een lange magere man in een zwarte geklede jas op om de keukenmeid een grote zwarte paraplu te geven. "Neem hem maar, zuster," zei hij, "zo'n goede zangeres mag niet nat worden." En hij maakte de paraplu voor haar open. De keukenmeid school eronder weg en bleef met de anderen het graflied voor de arme negers zingen.

Toen het lied beëindigd werd, stond de magere man nog eens op en begon te bidden. Allen baden gedempt met hem mee. Maar toen de keukenmeid tenslotte 'amen' zei, stak er een hevige wind op, die over het kerkhof dreunde als vlerken van een reusachtige vogel. Eliza keek op en zag, dat ze naast een met gras en onkruid begroeid graf lag geknield en dat er zich buiten haar niemand op het kerkhof bevond.

Geschrokken stond ze op en vluchtte naar huis. Nadat ze de huisdeur achter zich gesloten had, merkte ze, dat ze de grote zwarte paraplu nog steeds in haar hand hield. Ze zette hem in een hoek en bracht de nacht trillend en wakend door. Zouden de geesten van de gestorvenen de paraplu niet terug komen halen? Maar er verscheen niemand, slechts de regen ruiste eentonig neer en de door de wind gegeselde takken sloegen tegen het raam.

Nog vele jaren stond die grote zwarte paraplu in het huisje van keukenmeid Eliza. Als het regende, haalde ze hem uit de hoek en als ze thuiskwam, zette ze hem weer op zijn plaats. Maar ze leende hem nooit uit. En niemand heeft haar ooit uitgelachen, als Eliza vertelde dat ze in de regen met de geesten het dodenlied voor arme negers had gezongen.


                                      * * * EINDE * * *
Bron : "Sprookjes van de prairie. Verhalen uit Noord-Amerika" verteld door Vladimir Stuchl.
           Vertaling Margot Bakker. Uitgeverij Ankh-Hermes, Deventer, 1982.
Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door saagje om 00:08 9 reacties Reageer op dit bericht

De nieuwe kantele

De nieuwe kantele
- Een Finse sage over een muziekinstrument -
Vainamöinen verheugde zich over de rijke oogsten, het weldoorvoede vee en de mooie huizen die de Finnen zich bouwden. Slechts een ding ontbrak: nergens klonk een lied, nergens waren de klanken van een harp te horen.

Daarom verzocht de oude wijze zijn broer Ilmarinen hem een lange hark te smeden. De smid beloofde het hem en smeedde een hark zoals de wereld nog niet had gezien: de tanden maten honderd vadem en de steel was zelfs vijfmaal zo lang. Daarmee voer Vainamöinen de zee op om de gezonken kantele op te dreggen. Maar vergeefs kruiste hij met zijn scheepje heen en weer, vergeefs kamde hij slingerplanten en stenen op de zeebodem - hij vond het instrument niet terug.

Hij ging weer aan land en schreed met gebogen hoofd naar huis. Door een bosje lopend hoort hij een klaaglijk geschrei. Hij kijkt op en zie: daar op de weide staat een eenzame berk tranen te vergieten.

"Waarom huil je zo?" vroeg Vaino, naderbij komend en de boom antwoordde: "Denkt u dat ik geen reden tot huilen heb, dat het mij bij het zingen der vogels blij te moede is? Ik sta hier geheel alleen en als er iemand naar mij toekomt is het om mij pijn te doen. In het voorjaar scheuren de jongens mij de bast van het lijf, in de zomer zitten de meisjes in mijn schaduw en breken mijn takken af om er bezems van te maken. En de mannen? Die slaan mij direct tot brandhout..."

Zo klaagde de berk en vertelde nog hoe de winter hem kwelde en de herfst hem van zijn bladeren beroofde...

"Je zult niet meer wenen, of het zal van vreugde zijn," zei daarop de wijze oude.

Hij nam de treurende berk mee en maakte uit zijn witte stam het geraamte van een harp.

Nu nog de pennen en de snaren, denkt hij, en weet ook meteen waar hij die zoeken moet.

Achter de dorsvloer, op het achtererf, stond een eeuwig jonge, eeuwig vrolijke eik.

Vrolijk, omdat hij aan elke twijg een eikel droeg en op elke eikel een koekoek zat. Uit deze twijgen maakte de oude de pennen voor zijn nieuwe instrument en reeds vroeg hij zich af waar de snaren vandaan te halen.

Hij liep door bossen en velden tot hij bij een beekje een schone blonde jonge vrouw ontmoette.

"Geef mij een paar van uw gouden haren," vroeg Vaino haar. "Ik zou daar dan snaren voor mijn nieuwe kantele van kunnen maken."

Het meisje deed hem dat genoegen graag.

Vainamöinen spande de snaren tussen de pennen en nadat hij het instrument had gestemd, streek hij er met voorzichtige vingers overheen. Toen hij luider en luider begon te spelen, steeg het rivierwater uit zijn bedding, de bomen neigden hun takken, het gedierte uit het bos kwam aangelopen en de vogels kwamen aangevlogen. Vainamöinen trok door gans Kalevala, de mannen schaarden zich vol eerbied en bewondering rond hem, de vrouwen onderbraken hun werk en de kinderen zongen mee.

Zo begon ten tijde van Vainamöinen de triomftocht van de kantele en de mensen bezongen de avonturen van hun sagenhelden tot vreugde en troost van zichzelf en anderen.


                                      * * * EINDE * * *
Bron : "Van gouden tijden zingen de harpen: Europese sagen en legenden" door Vladimír Hulpach, Emanuel Frynta en Václav Cibula.
            Met illustraties van Miloslav Troup. Nederlandse vertaling door Han de Boer. Uitgeversmaatschappij Holland, Haarlem, 1970.
Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door saagje om 00:20 14 reacties Reageer op dit bericht

De wijze en de luiaards

De wijze en de luiaards
- Een grappig Chinees verhaal over goede raad -
In een dorpje woonde eens een oude man, die overal van zichzelf vertelde hoe wijs hij was. De mensen geloofden dat graag. En wie raad nodig had ging op bezoek bij de 'Wijze'.

In datzelfde dorp woonden ook een man en een vrouw, die ongelofelijk lui waren. Zo lui, dat zij er 's morgens niet eens toe kwamen op te staan. Als andere mensen allang ontwaakt waren en, na hun ontbijt, een flink stuk veld hadden omgeploegd, sliepen de twee luiaards nog als marmotten en maakten geen aanstalten uit bed te komen.

Op een dag zei een van de buren tot de vrouw: "Zeg buurvrouw, waarom koopt u niet een haan? Zo'n bonte vogel, die iedere ochtend voor het venster staat te kraaien en alle luiaards wakker maakt!"

"O buurman," riep de vrouw verheugd, "hartelijk dank voor die goede raad." En zij liep dadelijk naar huis om het nieuws te vertellen. En inderdaad besloot het luie echtpaar zich zo'n voortreffelijke vogel aan te schaffen. De volgende morgen gingen zij naar de stad waar juist markt was. Maar daar zij nooit een haan gezien hadden, zochten en zochten zij urenlang en kochten tenslotte een mooie, vetgemeste eend. Die namen zij mee naar huis, zetten hem onder het bed en sliepen vredig in. Het werd ochtend, het werd middag en nog steeds lagen de luiaards rustig te slapen. De eend zat ineengedoken onder het bed en verroerde zich niet...

Toen het echtpaar, laat in de middag, wakker werd, keek het verbaasd onder het bed.

"Dat is een vreemde kraaivogel!" merkte de man op.

"Kom mee naar de Wijze," opperde zijn vrouw, "misschien kan hij ons raad geven." De Wijze ging dadelijk met hen mee, bekeek de eend van links naar rechts, van onder en van boven en slaakte eindelijk een diepe zucht.

"Nu begrijp ik het," zei hij langzaam. "U hebt deze haan op zijn snavel getrapt en hoe zou het arme beest met deze platte snavel kunnen kraaien?"

De beide luiaards waren verrukt over zulk een wijs antwoord. En sindsdien spraken zij met nóg meer eerbied over de wijze man.

Na enige tijd gebeurde het dat de os van de luiaards losbrak en over hun erf wandelde. Plotseling ontdekte hij een stenen pot vol graankorrels. Vlug stak hij zijn kop erin… maar ach, hij kon hem er onmogelijk meer uittrekken! Het luie echtpaar trachtte hem te helpen, trok het ene ogenblik aan de pot en dan weer aan het achterwerk van de os. Maar niets hielp. Het enige redmiddel was: opnieuw de hulp van de Wijze in te roepen.

Deze kwam, bekeek nadenkend de os die nog steeds, met de pot op zijn kop, over het erf stapte, en sprak: "Maar beste mensen, dat is immers heel gemakkelijk! Als jullie de kop van het dier uit de pot willen halen, moet je eenvoudig de kop afhakken!"

"Natuurlijk, dat is het!" riepen de luiaards verheugd uit. Zij renden naar de keuken, haalden een groot mes en... even later had hun os geen kop meer. Doch de kop zat nog steeds in de stenen pot!

"Nu maar flink met de pot op de stenen slaan," raadde de Wijze, "dan zie je vanzelf de kop eruit komen."

"Dat wij daar nu zelf niet aan gedacht hebben," merkte de vrouw verbaasd op. En de man pakte kordaat de stenen pot en smeet hem in duizend stukken! En ziet, naast de scherven rolde de kop van de os over de grond.

"U weet niet hoe dankbaar wij u zijn voor deze kostbare raad," zei het echtpaar vol bewondering tegen de Wijze. "Sta ons toe dat wij u een eenvoudig middagmaal aanbieden."

De os werd geslacht en ter ere van de Wijze werd er een groot feestmaal aangericht. Midden in die gezellige smulpartij werd de Wijze plotseling heel verdrietig. Hij legde zijn eetstokjes neer en trachtte de tranen, die over zijn gerimpelde wangen stroomden, te drogen.

Ook het echtpaar legde verschrikt de stokjes op tafel en vroeg: "Wat is er gebeurd, geëerde gast? Hebt u zo'n pijn dat er geen stukje vlees meer naar binnen wil?"

"Nee, lieve vrienden," en de Wijze zuchtte pijnlijk, "dit verdriet geldt niet mijzelf maar u! Ik vraag mij maar steeds af wat u toch moet beginnen, als ik er niet meer ben!" En weer begonnen de tranen te stromen. Nu niet alleen bij de Wijze, maar ook het luie echtpaar boog zich snikkend over de maaltijd.

Doch die goede luiaards hadden zich werkelijk geen zorgen hoeven te maken. De Wijze leeft nog steeds en strooit zorgvuldig zijn onbetaalbare raadgevingen onder het volk.


                                      * * * EINDE * * *
Bron : "Chinese sprookjes" bewerkt door Marijke van Raephorst.
            Uitgeverij N. Kluwer, Deventer, 1971, p. 128-129. ISBN: 90-20-20-00-62
Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door saagje om 00:41 9 reacties Reageer op dit bericht

De zeven magische mijnwerkers (2/2)

De zeven magische mijnwerkers (2/2)
- trots, verdriet en eenzaamheid -
Ze kwamen allen thuis aan en troffen daar de drijver. Hij begon meteen te vertellen waarvoor hij op reis was en zei dat de koning hen zeer goed zou belonen als ze kwamen en volbrachten wat hij gedaan wilde hebben.

De volgende morgen gingen ze vroeg op pad, want ze hadden verscheidene dagen nodig om het slot te bereiken. Ze kwamen in het slot aan en de koning ontving hen zeer welwillend. Na het middageten legde hij uit waarvoor hij hen nodig had. De kleine was al van alles op de hoogte en was al eerder naar zijn broers gekomen om hun te vertellen dat het om een prinses ging die op een eiland verbleef. Toen wilde de koning weten welke wonderbaarlijke krachten ieder van hen had. Toen zei de oudste:
Ik ben een meester in het handwerk. Als het me invalt bouw ik een schip in de lucht.'
'Goed, dat is iets wat ik nodig heb. En u?' vroeg hij aan de volgende.
Ik kan alles goed in elkaar zetten heer. En als u een bewijs wilt, sla dan een ei in stukken en ik maak het weer heel.'
De koning, die het zekere voor het onzekere wilde nemen brak een ei en ging zover, dat hij het helemaal in elkaar drukte en op een bord goot. De mijnwerker ging er geduldig naar toe en begon het in elkaar te zetten, tot het net zo was als tevoren.
'Dat is goed,' zei de koning. 'En u?'
'Ik wek doden tot leven.'
'Ook dat kan men gebruiken,' zei de koning. 'En u?' vroeg hij de broer die hierna kwam.
Ik raak met mijn kogel alles waar ik mijn oog op richt.' 'Ook dat is goed.'
De broer die nu aan de beurt was zei:
'Ik ben geweldig sterk, want wat ik oppak kan niet op de grond blijven.'
'En wat voert u uit?' vroeg hij aan de broer die vóór de kleinste stond.
Ik ben een uitstekende dief. Niemand merkt me op.'
'Ook dat is noodzakelijk.' Toen vroeg hij aan de kleinste:
'En wat kunt u?'
Ik ben steeds op de hoogte van alles wat er gaat gebeuren.'
'Dat is het allerbelangrijkste.'

De volgende dag gingen ze aan het werk. In korte tijd had de eerste een luchtschip klaar. En ze gingen op reis. Ze landden op zee in de buurt van het eiland, terwijl de slang nog wakker was. De kleinste broer zei tegen de anderen:
'Laten we even wachten.'
Even daarna zei hij:
'Nu is het tijd.'
De geweldig sterke en de dief gingen er op af. De dief sloop naar binnen en stal de slang, en de geweldig sterke greep de prinses met zijn ene hand, en met de andere pakte hij nog een sinaasappelboom vol vruchten beet die daar buiten aan de rand van het erf stond, want hij wilde de reus laten zien dat ze er geweest waren. Ze kwamen bij het schip, joegen even door het water en stegen op. De slang had nog geen vijf minuten nodig om wakker te worden en floot zo, dat de reus onmiddellijk naar huis snelde en de prinses daar niet aantrof. De reus greep een geweer en rende naar zijn schip, hij zag hen meteen en toen begon het vuurgevecht. De goede schutter mikte zo precies vanuit de lucht naar de reus gat hij stond te dansen van de pijn, maar dood kreeg hij hem niet, en tenslotte raakte de reus de prinses in het voorhoofd, waardoor hij haar op slag doodde. Maar de in-elkaar-zetter, maakte haar weer heel en de dodenopwekker gaf haar het leven terug.
'Nu zijn we al in veiligheid!' Toen zei de kleine:
'Man, we verknoeien onze tijd. Mik op de hak van zijn schoen, want daarin zit zijn levenskracht.'
Dat deed de schutter. Meteen was de reus dood. En ze vlogen voorspoedig verder.

De koning stond op hen te wachten, buiten zichzelf van bezorgdheid voor zijn dochter tot ze in zicht kwamen. Ze kwamen voor het slot aan, klommen uit het schip en de koning omhelsde zijn dochter. De koning wist niet welke onderscheiding hij de mijnwerkers moest geven, nu ze hem zo uit de moeilijkheden hadden gehaald. Na het feestmaal dat hun wachtte en dat niet een, niet twee, maar vele dagen duurde wilden de mijnwerkers terug naar huis. Toen vroeg de koning hoeveel ze van hem wilden hebben. De oudste zei tegen hem - want hij besliste voor de anderen - dat het helemaal niets kostte.
'Wat nu?' zei de koning. Ik heb jullie laten halen om me te helpen toen ik in nood zat, noem nu ook je prijs.'
'Dat kan ik niet.'
'Man, dan zal ik jullie de lastdieren meegeven beladen met geld, en jullie laten terug brengen naar waar men jullie heeft gehaald.'
De volgende dag liet hij de karavaan uitrusten en met tien vrachten geld beladen. En ze gingen op weg tot ze bij de hut kwamen waarin ze met hun moeder woonden.
Natuurlijk werkten ze nu niet meer in de mijn. Ze vestigden zich in een dorp en leefden daar gelukkig met hun moeder, en als ze nu nog niet zijn gestorven hebben ze nog altijd plezier in hun leven.


                                      * * * EINDE * * *
Bron : Verhalen uit Chili. Beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:07 15 reacties Reageer op dit bericht

De zeven magische mijnwerkers (1/2)

De zeven magische mijnwerkers (1/2)
- trots, verdriet en eenzaamheid -
Er was eens een koning en die had een dochter, en omdat koningen vroeger altijd op zoek waren naar een manier om hun dochters waardig uit te huwelijken, zette deze haar neer in de laatste verdieping van zijn slot, wat de bovenste was, en buiten kwam een tafel met drie sinaasappels en op een bord de mededeling, dat op zijn woord van eer als koning diegene met haar zou trouwen die haar met een sinaasappel op haar voorhoofd raakte.

Allen deden hun best om deze opgave te volbrengen, maar de prinses zat zo hoog dat het niemand lukte. En op een mooie dag kwam er een reus op zijn paard aanrijden en die las de mededeling. Hij stapte van zijn paard en greep een van de sinaasappels, waarmee hij terstond de prinses op haar voorhoofd trof. De koning hield woord. Ze trouwden en de reus zette haar achter zich op het paard, en men zag noch hoorde verder iets van haar.

De reus woonde op een eiland en bezat afgezien daarvan een gebied waarin hij zijn paarden hield, het eiland bereikte hij per schip. Hij reed dus tot daar met de prinses, liet zijn paard achter en ging met haar scheep naar het eiland.

De koning kon niets te weten komen over zijn dochter en de prinses niets over haar vader.

Lange tijd verstreek en de prinses leed iedere dag meer. Als de reus uit werken ging bewaakte een slang haar, die was eigendom van de reus en voor haar komst de enige metgezellin die hij had gehad. De slang had de gewoonte, na twaalven bij de prinses op schoot te slapen. En toen ze zo in haar verdriet aan God om nieuws over haar vader vroeg kwam er op een dag een duif aangevlogen die tegen haar zei:
'Als je iets over je vader wilt weten of uit deze verbanning bevrijd wilt worden kun je je vader de boodschap sturen, dat de enigen die je hier weg kunnen krijgen de zeven magische mijnwerkers zijn.'
Daar ze kon schrijven maakte ze ter plaatse een brief klaar en diezelfde duif vloog weg en wierp hem boven het slot af. Daar vonden de volgende dag de dienaressen bij het vegen het papier, en omdat de koning hun had verzekerd dat hij aan diegene die hem nieuws over zijn dochter zou brengen zou geven wat hij maar vroeg, renden ze met de boodschap naar de koning. De koning las de brief en kwam tot de overtuiging dat de zeven magische mijnwerkers de enigen waren die de prinses uit deze afgrond konden halen. Vervolgens riep de koning de drijver van zijn lastdieren.
'Morgen in alle vroegte belaad je de lastdieren met levensmiddelen en trek je de hele wereld door tot je de zeven magische mijnwerkers vindt, die kinderen van een en dezelfde moeder moeten zijn.'
De muildierdrijver deed wat hem gezegd was. Hij begon de wereld af te reizen.

Toen hij een paar dagen onderweg was zag hij op een dag bij zonsondergang een hut en zei:
'Laten we in die hut maar eens gaan vragen. Als het daar ook niet is kunnen we er toch overnachten, want het is al laat.'
Ze kwamen er aan. Een oude vrouw kwam naar buiten.
'Goedenavond, goede vrouw.'
Het oudje groette hen op dezelfde manier.
'Kunt u ons onderdak geven?'
'Zeker heer!'
Zij gaf hun heet water en begon eten en drinken op te dienen. De muildierdrijver vroeg zich af hoe een mens alleen in deze eenzaamheid kon leven.
'Deze vrouw leeft vast niet alleen.'
Meteen na de thee begon hij met haar een gesprek over de opdracht waarmee hij onderweg was.
'Mijn koning heeft me uitgestuurd om de zeven magische mijnwerkers op te sporen die van een moeder moeten afstammen.'
'Toevallig,' zei het oudje tegen hem, 'heb ik zeven zoons en dat zijn mijnwerkers en ze komen zo thuis.'
Nauwelijks had ze dat gezegd of een voor een kwamen de zoons van de vrouw aan, en als laatste kwamen de jongste en de oudste. De kleine babbelde met zijn oudste broer:
'Man, kijk eens, morgen gaan we op reis.'
'Waarheen dan?' zei de ander tegen hem.
'Onze koning laat ons halen, en thuis zit al iemand op ons te wachten.'
De oudste broer was verbaasd toen hij dat hoorde.
'Hoe komt het dat hij zoveel weet? Maar dat zal tenslotte wel zijn bijzondere begaafdheid zijn.'
Want geen van de zeven begreep de wonderbaarlijke krachten waarover ieder van hen beschikte.


                               * * * wordt vervolgd * * *
Bron : Verhalen uit Chili. Beleven.org
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:16 12 reacties Reageer op dit bericht

Tweeërlei leven(2/2)

Tweeërlei leven (2/2)
- Een sprookje uit Venezuela over een reis door de tijd -
Hij nam Pedro dus met zich mee naar huis, in een prachtig paleis midden in de stad, met veel mooie en rijke kamers en zalen. Pedro vond het leven in de stad prettig, en vooral raakte hij verliefd op een dochter van de onbekende heer, van wie hij nu hoorde dat hij een rijke graaf was. Maar na een paar dagen wilde Pedro terug naar huis, de graaf zei echter tegen hem: "Pedro blijf nog wat bij ons. Je vader weet wanneer je terugkomt, en je zult ook precies op tijd thuis zijn." Toen liet Pedro zich overhalen en hij bleef in de stad. En er verliep nauwelijks een jaar of hij trouwde met de dochter van de graaf, en die liet een ander paleis voor het jonge paar bouwen, het was niet minder prachtig dan zijn eigen paleis.

Pedro, die nu al helemaal ingeburgerd was in het land, had daar zijn zaken. Zijn vrouw baarde hem zoons en dochters, en hij leefde gelukkig en tevreden. Slechts van tijd tot tijd had hij verlangen naar zijn ouders en broers en zusters, maar altijd troostte zijn schoonvader hem: "Dat heeft de tijd nog. Je komt vroeg genoeg thuis."

Zo verstreken de jaren, en Pedro was al grootvader geworden, toen hij zijn verlangen naar thuis niet meer kon bedwingen, en op een avond zei hij tegen zijn schoonvader, die nu al een gebrekkige grijsaard was: "Vader, morgen wil ik vertrekken om mijn familie te bezoeken." - "Wil je dat echt?" - "Ja. Ik vrees wel dat mijn ouders al lang in het graf liggen, maar mijn broers en zusters zullen nog wel in leven zijn, want ik ben immers de oudste." - "Nu, dan zal ik je morgen iemand meegeven die je de weg wijst," zei de graaf.

De volgende dag liet Pedro een pakpaard met geschenken voor zijn broers en zusters opladen en nam afscheid van zijn vrouw en zijn zoons en kleinkinderen. De knecht van de graaf reed voor hem uit en bracht hem zo bij de rivier waardoor hij destijds bij de achtervolging van de bandiet gereden was.

"Ik zal omkeren," zei de knecht, "want aan de overkant vind je je weg zonder moeite zelf."

En zo was het. Nauwelijks was Pedro aan de andere kant van de rivier of alles kwam hem weer bekend voor. Hij reed de hele dag en kwam 's avonds bij het huis van zijn vader.

"He, hola," riep hij, "wie is nu de heer des huizes?"

Toen kwam zijn vader naar buiten en vroeg: "Vreemdeling. wat wil je?"

"Ach, vader," zei Pedro, "herken je me niet? Jij bent helemaal niet veranderd." - "Wat klets je daar, oude man?" vroeg de estanciero, "ik heb je nog nooit van mijn leven gezien!" - "Maar vader, ik ben toch je zoon Pedro."

Intussen was ook de moeder met een paar broers en zusters van Pedro naar buiten gekomen. De estanciero zei: "Nu geloof ik dat je gek bent, oude man! Jij met je witte baard wilt mijn zoon zijn? Mijn Pedro reed gisteravond weg om bandieten te verdrijven en als je wat wacht, kun je hem straks zelf zien, want hij moet vanavond weer thuiskomen." Toen steeg Pedro van zijn paard, hij was helemaal verbluft en zei: "Wat, is je zoon gisteren weggereden?" - "Jawel, verduiveld, ben je zo slecht van begrip?" De estanciero dacht dat de oude man last van zonnesteek had, en hij liet hem in huis brengen, waar Pedro direct op zijn plaats ging zitten, de plaats waar hij anders ook altijd zat.

Hij keek de kring rond en zei: "Dat is Juan, dat is Carlos, dat is Dolores, dat is Dorothea, dat is Mariana." - "Heer," zei de estanciero en bekeek de voornaam geklede oude man, "hoe ken je al de namen van mijn kinderen?"

Pedro ging voort de dingen op te sommen die in huis waren en die een vreemdeling niet kon weten. En hij overtuigde langzamerhand zijn ouders en zijn broers en zusters dat hij Pedro was, die de vorige avond was weggereden. En hij vertelde hun hoe hij over de rivier was geraakt en in de stad was terechtgekomen, hoe hij bij de graaf was gaan wonen en met diens dochter was getrouwd. Hij vertelde van zijn zoons en dochters, van zijn kleinkinderen.

Er is lang over dit verhaal gesproken. Maar het is al enige tijd geleden.


                                      * * * EINDE * * *
Bron : "Volkssprookjes en legenden uit Zuid-Amerika," door Felix Karlinger.
           Uitgeverij Elmar B.V., Rijswijk. ISBN: 90-6120-433-X
Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door saagje om 00:08 13 reacties Reageer op dit bericht

Tweeërlei leven (1/2)

Tweeërlei leven (1/2)
- Een sprookje uit Venezuela over een reis door de tijd -
Er leefde eens een estanciero die een aanzienlijke familie bezat. Op een avond toen ze net aan het souper zaten, riep er iemand voor de deur. "Ga naar buiten kijken wat ze willen!" zei de estanciero tegen een van de knechts. "Heer, buiten staat een ruiter die u graag wil spreken," gaf de knecht ten antwoord. Toen stond de heer op en ging naar buiten.

Wie zag hij buiten? In het donker herkende hij een grote man op een vurig paard en met zilver beslagen toom. De ruiter groette de estanciero en zei: "Er loert hier weer een bende struikrovers in de buurt. Sluit alles af! Of nog beter: geef me een flinke man mee! Wij hebben al een groep van betrouwbare mensen verzameld en willen de bende onschadelijk maken." - "Ik dank je voor de waarschuwing," zei de estanciero, "en ik geef jullie graag mijn oudste mee. Dat is de beste ruiter en schutter. Hoe lang zal hij dan wegblijven?" - "Heer, hij zal morgen weer thuiskomen," antwoordde de onbekende ruiter. "Goed, dan hoeft hij niet veel mee te nemen."

De heer liet voor zijn oudste zoon een paard zadelen, Pedro nam zijn geweer, nam vluchtig afscheid van zijn ouders en broers en zusters, sprong op zijn paard en reed met de onbekende weg.

Het was al middernacht toen ze een tamelijk grote groep ruiters ontmoetten en met hen de achtervolging van de bende inzetten. De onbekende ruiter die Pedro had afgehaald, bleek een bekwaam aanvoerder, hij liet de bandieten omsingelen en overvallen. De meeste rovers werden doodgeschoten of gevangengenomen; slechts één lukte het te ontvluchten. Pedro sprong op zijn paard en achtervolgde hem.

Hij reed en reed, het werd al licht, maar Pedro had de bandiet nog steeds niet bereikt. Die waadde door een grote rivier en was opeens verdwenen.

Pedro was achter de rover door de rivier gekomen en bevond zich nu in een streek die hij niet kende. Hij zag in de verte een huis en reed erheen. Toen hij daar aankwam, zag hij, dat het huis een herberg was en daar de nachtrit vermoeiend was geweest, besloot hij daar uit te rusten.

Hij riep de waard naar buiten en vroeg om een kamer, die hem ook bereidwillig werd toegewezen. Dan sliep hij en toen hij wakker werd, was het al weer avond. Hij wilde de waard naar de terugweg vragen, maar hij kon zich heel moeilijk met hem onderhouden, want de man sprak zo'n vreemde taal dat Pedro slechts enkele woorden verstond. Hij geloofde echter dat de waard hem wilde aanraden naar de stad te rijden. En dus bleef hij nog een nacht en reed de volgende dag naar de stad die niet erg ver lag. In de stad vroeg hij verschillende mensen de weg naar zijn geboorteplaats, maar niemand kende die. Vermoeid steeg hij van zijn paard en wist niet wat hij moest doen, tot er een ruiter kwam. Pedro had de onbekende aanvoerder in het donker weliswaar niet herkend, maar hij herkende het paard.

"Ach, daar ben je weer!" riep Pedro uit. "Ik ben bij de achtervolging van de bandiet verdwaald en kan de terugweg niet meer vinden. En nu voel ik me niet erg prettig want niemand van de goede mensen hier kent mijn geboorteland." - "Maar dat doet er toch niet toe," zei de onbekende, "je bent nu eenmaal hier, en ik ben blij dat je als gast in mijn huis komt. Later zal ik je wel de weg naar huis laten wijzen. Ik ben je dank verschuldigd voor je hulp en ik hoop dat je het naar je zin hebt bij ons."


                               * * * wordt vervolgd * * *
Bron : "Volkssprookjes en legenden uit Zuid-Amerika," door Felix Karlinger.
           Uitgeverij Elmar B.V., Rijswijk. ISBN: 90-6120-433-X
Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door saagje om 00:09 8 reacties Reageer op dit bericht

De luiaard en de regen

De luiaard en de regen
- Een dierenverhaal van de Indianen uit Panama -
"Ai, de luiaard is zo handig, dat hij zich met de wind kan voeden," zeggen de Indianen als ze hem in de takken van de embauba-boom zien hangen. Maar iedereen die de luiaard kent, weet dat de oorzaak van zijn ongewoon gedrag ligt in zijn strijd met de regen.

Vele dieren houden niet van regen. Als de eerste druppels vallen, zijn bijna allen er op uit, zo vlug mogelijk een schuilplaats te vinden. Het gordeldier graaft zich in, de vos kruipt in zijn hol, de vogels gaan naar hun nesten... Ook de luiaard hield niet van regen maar ondanks dat bleef hij, zelfs toen de dikste druppels uit de hemel vielen, breeduit op zijn plekje.

De regen ergerde zich daarover. "Ik zal je wel eens leren," zei hij toen de luiaard weer als een blok in elkaar gedoken zat, toen de regen met bakken uit de hemel viel.

De hele nacht regende het pijpenstelen. De machtige regen hield maar niet op en lachte in zijn vuistje, toen de luiaard een vreselijke verkoudheid kreeg. Maar pas toen hij al half in het water zat, stond hij langzaam op en keek uit naar een betere plaats.

"Ik heb ook nog honger," zei hij, "als ik me dan tussen de droge bladeren van de embauba-boom verstop, kan ik tegelijkertijd van de bladeren eten."

Langzaam, zoals het zijn aard was, kroop hij in de embauba-boom. "Je denkt zeker dat ik me hier voor je verstop, maar dan vergis je je. Ik wil alleen een paar van deze heerlijke bladeren eten," riep de luiaard naar de regen.

Hij lachte luidkeels, maar dat had hij juist niet moeten doen. De regen werd namelijk heel boos. "Wacht maar," riep hij, "geen blad zal je krijgen!" En hij liet het nu hozen van de regen. De luiaard trok geen enkel blaadje meer af want zelfs op zijn rug was hij tot op zijn huid nat.

Denken jullie dat hij naar beneden zou klimmen en een andere schuilplaats zoeken? Nee hoor, hij bleef in de takken van de embauba-boom hangen, hoewel zijn maag knorde van de honger. Hij wachtte op de wind, die dan ook eindelijk kwam en de regenwolken verdreef.

Sinds die tijd hangt de luiaard meestal in de takken van de embauba-boom uit te kijken naar de wind. En sinds die tijd zeggen vele indianen: "Ai, de luiaard is zo handig dat hij zich met wind kan voeden..."


                                      * * * EINDE * * *
Bron : "Sprookjes van de Indio's. Mythen, sprookjes en legenden van de Indianen uit Midden- en Zuid-Amerika"
           door Vladimir Hulpach, vertaald door Anke Eggink.
           Uitgeverij Ankh-Hermes, Deventer, 1979. ISBN: 90-202-0044-5
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:08 13 reacties Reageer op dit bericht

Meer van 'VOLKSVERHALEN'

↑ Terug naar de berichten