Naar de inhoud

'VOLKSVERHALEN'

akke.beakke.be
Problemen
Er zijn nogal wat problemen met het lezen van de teksten, daarom volgende tip :
Met de muis links klikken en over de tekst schuiven.
De tekst verschijnt duidelijk leesbaar.

Archief

De steen van het haantje(5/5)

De steen van het haantje(5/5)
- Een Napolitaans sprookje over een steen die al je wensen vervuld -
Na een lange reis bereikten zij Castel Rampino en lieten daar Mineco Aniello wachten onder wat bomen aan de oever van een rivier, die als een bloedzuiger het zweet van de werklieden opzoog en het in zee stortte. De beide muizen vonden het huis van de tovenaars en zagen, dat Jennarone nooit de ring van zijn vinger nam en daarom stelden zij zich voor, de overwinning te behalen door list.

En toen de nacht het gelaat van de hemel met inkt besmeerd had, als een middeltje tegen de brandwonden door de zon veroorzaakt, en Jennarone te slapen lag, begon Rudolo te knagen aan de vinger, waaraan die de ring droeg. En die nam de ring af, toen hij pijn voelde en legde hem op een tafeltje aan het voeteneinde van zijn bed. Toen Saltarello dit zag, nam hij het voorwerp in zijn bek en na een stuk of wat sprongen kwamen ze weer bij Mineco Aniello, die met grotere vreugde dan welke iemand ondervindt, die op het punt staat opgehangen te worden, wanneer hij het bericht van gratie ontvangt, dadelijk de tovenaars in twee ezels veranderde. Op een van beiden legde hij zijn mantel en klom er op als een piekfijne graaf en op de andere laadde hij spek en kaas.

Zo gaf hij de sporen naar Pertusocupo toe, waar hij het geschenk aan de koning en zijn raadslieden aanbood en hen bedankte voor al het goede, dat hij door hun toedoen ontvangen had. En de hemel bad hij, dat nooit een val hen in de weg zou staan, geen kat hen kwaad zou doen, geen arsenicum voor hen oorzaak van verdriet zou worden.

Weer uit dat land vertrokken en in Grottanera aangekomen - schoner dan voorheen - werd hij met de grootste hartelijkheid ter wereld door de koning en de prinses ontvangen. Hij liet de beide ezels van een berg gooien en bleef daarna nog lang met zijn vrouw van het leven genieten. En de ring nam hij nooit van zijn vinger, om zich niet weer ellende op de hals te halen; want de ondervinding had hem wijs gemaakt.


                                      * * * EINDE * * *
Bron : "Italiaansche volkssprookjes" bewerkt naar de Pentamerone van G. Basile door Rien Valkhoff.
           Uitgeversmaatschappij W. de Haan N.V., Utrecht, 1948.
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:00 1 reactie Reageer op dit bericht

De steen van het haantje(4/5)

De steen van het haantje(4/5)
- Een Napolitaans sprookje over een steen die al je wensen vervuld -
Zo ging hij wanhopig aan het sjouwen, met een pij aan, met stevige laarzen aan zijn voeten, een zak met een riem dwars over zijn schouders en een stok in de hand, en zijn dochter liet hij verkleumd achter. En zo ver liep hij, tot hij aan het rijk Pertusocupo kwam, dat bewoond wordt door muizen. Daar nog maar net aangekomen werd hij voor een spion gehouden, die door de katten gestuurd was, en men leidde hem dadelijk voor Rosicone, de koning, die hem vroeg, wie hij was, waar hij vandaan kwam en met welk doel hij deze streken bezocht.

Mineco Aniello bood voor alles de koning een stuk spek als belasting aan en vertelde hem stuk voor stuk al zijn ongelukken en hij eindigde met te zeggen, dat hij zijn ellendig leven wilde opteren tot hij bericht had over die verdoemde zielen, die hem beroofd hadden van zo'n kostbare edelsteen en hem tegelijk de bloem van de jeugd, de bron van zijn rijkdom en de steun van zijn eer afgenomen hadden.

Bij dit verhaal voelde Rosicone aan zijn hart knagen van erbarmen en in verlangen, de arme man enige troost te geven, riep hij de oudste muizen in raadsvergadering bijeen en vroeg hun mening over Mineco Aniello's ongeluk en beval hun, zich te beijveren om enig bericht over de valse kooplui te krijgen.

Onder de raadslieden bevonden zich toevallig Rudolo en Salterello, muizen die ondervinding hadden van wereldse zaken, die ongeveer zes jaar in een pleisterplaats langs de hoofdweg gewoond hadden, en deze zeiden: "Houd goede moed, kameraad, want alles zal beter aflopen dan jij denkt. Nu moet je dan weten, dat toen wij op een dag in een kamer van die herberg 'De Heren' waren, waar de meest geachte mensen ter wereld logeren en er op vrolijke wijze hun geld verteren, dat daar toen twee uit Castel Rampino afstapten, die na een flink maal en na diep in het glaasje gekeken te hebben praatten over een poets, welke zij een zekere oude man uit Grottanera gebakken hadden. Zij hadden hem een steen met grote toverkracht ontfutseld, welke die (dat zei een van hen, die Jennarone heette) nooit van zijn vinger zou nemen uit vrees, hem te verliezen; maar zijn dochter was de schuld, dat hij hem toch kwijt raakte!"

Toen Mineco Aniello dit hoorde, zei hij tegen de twee muizen, dat als zij er voor voelden, hem naar de verblijfplaats van die schelmen te begeleiden en te zorgen, dat hij de ring terug kreeg, hij hun een flinke voorraad kaas en pekelvlees zou schenken, om daar dan van te smullen samen met hun heer Koning. De twee wreven zich in de pootjes en boden zich aan, zee en bergen te verzetten, en na toestemming aan de Kroon van Muizenrijk gevraagd te hebben vertrokken zij met hem.


                               * * * wordt vervolgd * * *
Bron : "Italiaansche volkssprookjes" bewerkt naar de Pentamerone van G. Basile door Rien Valkhoff.
           Uitgeversmaatschappij W. de Haan N.V., Utrecht, 1948.
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:08 7 reacties Reageer op dit bericht

De steen van het haantje(3/5)

De steen van het haantje(3/5)
- Een Napolitaans sprookje over een steen die al je wensen vervuld -
Toen de tovenaars zich teruggetrokken hadden en de vader thuis kwam, zei zij zoveel lieve dingen tegen hem en was zo aanminnig, dat zij hem er toe kreeg, goed te vinden, haar de ring te lenen; zij wendde voor, zich door een melancholieke bui terneergedrukt te voelen en op deze manier te willen proberen, wat op te monteren.

En de volgende dag, op het uur, waarop de opperstraatveger van de zon de vuilnis van de duisternis overal op de pleinen van de hemel liet wegvegen, verschenen de tovenaars, die onmiddellijk toen zij de ring in handen hadden zich zo duivels snel uit de voeten maakten, dat men er geen spoortje meer van zag; en de ongelukkige Pentella voelde een steek in het hart, waar zij bijna aan dood ging.

De tovenaars haastten zich in een bos, waar de takken voor het ene gedeelte een stokdans uitvoerden en voor het andere een spelletje boompje verwisselen deden; en op die plek hielden zij halt en zeiden tegen de ring, ongedaan te maken dat de oude Mineco Aniello verjongd was. Op dit ogenblik bevond deze zich juist voor de koning en plotseling kreeg men te zien, hoe zijn haren verward raakten en grijs werden en zijn voorhoofd rimpels kreeg; zijn wenkbrauwen werden borstelig, zijn gezicht kwam vol groeven, de tanden vielen hem uit de mond, zijn baard verwilderde, er kwam een bult op zijn rug, zijn benen begonnen te bibberen en bovenal zag men zijn prachtige kleren in lompen vol scheuren veranderen.

Toen de koning deze lelijke bedelaar in gesprek met hem naast zich zag zitten, liet hij hem dadelijk met scheldwoorden en stokken wegjagen; en die ging, toen hij zich zo pardoes op straat gegooid zag, huilend naar zijn dochter en vroeg haar de ring terug, om de ramp te kunnen herstellen. Maar hier hoorde hij van de kool, hem door de kooplui gestoofd en het scheelde niet veel of hij stortte zich uit het raam, duizend maal de flater van zijn dochter vervloekend, die hem door een stomme pop tot een arme drommel gemaakt had, en er voor iets van lappen toe gekomen was, malle dingen te doen. En hij nam zich heilig voor, zo lang rond te trekken over de aarde, zoals het slechte geld doet, tot hij enig nieuws over die kooplui had.


                               * * * wordt vervolgd * * *
Bron : "Italiaansche volkssprookjes" bewerkt naar de Pentamerone van G. Basile door Rien Valkhoff.
           Uitgeversmaatschappij W. de Haan N.V., Utrecht, 1948.
Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door saagje om 00:08 10 reacties Reageer op dit bericht

De steen van het haantje(2/5)

De steen van het haantje(2/5)
- Een Napolitaans sprookje over een steen die al je wensen vervuld -
Nauwelijks had hij deze woorden gesproken, of zijn bloed begon sneller te vloeien, zijn zenuwstelsel werd sterker, hij kwam vaster op zijn benen te staan en kreeg een frissere kleur, zijn ogen werden helderder en zijn zilveren haren van goud. Zijn mond, die een geplunderd dorp leek, kwam vol tanden; zijn baard, die als plaats diende voor een privé jachtterrein, veranderde in een keurig zaailand; om kort te gaan: hij werd een mooie jongeman.

Daarna ging hij wensen: "Ik zou graag een prachtig paleis willen hebben en familie worden van de koning."

En daar verrijst me een paleis van ongelofelijke schoonheid, met wondermooie standbeelden, verbluffende colonnades en schilderingen om versteld van te staan. Overal blonk het zilver je tegemoet; als je liep trad je het goud met voeten; juwelen waren er in overvloed; het krioelde van bedienden, paarden en koetsen bij massa's. Kortom, zo geweldig was de glans van rijkdom, die hij ten toon spreidde, dat de koning er de blikken heen wendde en graag zijn dochter, genaamd Natalizia, aan Mineco Aniello tot vrouw gaf.

De tovenaars, die dit grote geluk zagen en er de oorsprong van kenden, vatten het plan op, het Mineco Aniello weer afhandig te maken. Zij fabriceerden daarom een pop, die spelen en dansen kon met behulp van gewichten, en als kooplui verkleed gingen zij naar Pentella, zijn dochter, onder voorwendsel, deze pop aan haar te willen verkopen.

Toen het meisje dat mooie ding zag, vroeg zij: "Voor hoeveel geeft gij ze?" en zij antwoordden, dat er geen prijs bestond, die zij zou kunnen betalen, maar dat ze haar eigendom zou worden, als zij hun een klein pleziertje wilde doen, namelijk te laten zien, hoe de ring gevat was, die haar vader bezat, om deze dan als voorbeeld te nemen en er een andere, precies gelijkend, van na te maken; dan zouden zij haar de pop zonder enige betaling cadeau doen. Pentella, die het spreekwoord: 'goedkoop is duurkoop' niet kende aanvaardde dadelijk dit voorstel en zei, dat zij de volgende morgen moesten terugkomen, dan zou zij de ring van haar vader lenen.


                               * * * wordt vervolgd * * *
Bron : "Italiaansche volkssprookjes" bewerkt naar de Pentamerone van G. Basile door Rien Valkhoff.
           Uitgeversmaatschappij W. de Haan N.V., Utrecht, 1948.
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:29 9 reacties Reageer op dit bericht

De steen van het haantje(1/5)

De steen van het haantje(1/5)
- Een Napolitaans sprookje over een steen die al je wensen vervuld -
Er woonde eens in de stad Grottanera een zekere Mineco Aniello, die zo'n pechvogel was, dat al zijn bezit, onroerend zowel als roerend, bestond uit een krielhaantje, dat hij zorgvuldig opgefokt had. Maar toen hij op een morgen zo'n vreselijke honger had, dat een wolf er door uit het bos gejaagd zou worden, besloot hij, het te gelde te maken en bracht het naar de markt.

Daar werd hij het eens met twee lepe tovenaars en nadat hij het haantje voor een schijntje aan hen gelaten had, vroegen die twee hem, het naar hun huis te brengen, dan zouden zij hem betalen.

Zo gingen de twee magiërs op stap met Mineco Aniello achter zich aan en deze hoorde, hoe zij in dieventaal met elkaar spraken. De een zei: "Wie had ons ooit voorspeld, hè Jennarone, dat wij zo'n fijne ontmoeting zouden doen! Dit haantje zal ons ongetwijfeld geluk brengen door de steen, die het in zijn kop heeft: wij zullen die steen gauw in een ring zetten, om alles te krijgen wat wij maar willen vragen!" En Jennarone antwoordde: "Hou je toet, Jacovuccio, want ik ben rijk en kan het nog niet geloven. En ik verlang er naar, dat haantje een kopje kleiner te maken, om dan een trap te geven aan mijn armoede en me in de deftigheid te steken, want in deze wereld is deugd zonder geld geen snars waard: en iedereen beoordeelt je naar de wijze waarop je gekleed gaat!"

Toen Mineco Aniello, die veel landen bereisd en brood uit vele ovens gegeten had, dit boeventaaltje hoorde, keerde hij zich in een smal steegje om en smeerde hem, regelrecht naar huis toe. Waar hij het haantje de nek omdraaide, het de kop open maakte en de steen vond, die hij dadelijk in een koperen ring liet zetten.

En om de toverkracht te onderzoeken, sprak hij: "Ik zou erg graag een jongeling van achttien jaar worden."


                               * * * wordt vervolgd * * *
Bron : "Italiaansche volkssprookjes" bewerkt naar de Pentamerone van G. Basile door Rien Valkhoff.
           Uitgeversmaatschappij W. de Haan N.V., Utrecht, 1948.
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:00 8 reacties Reageer op dit bericht

Fabel van de ezel, de stier en de koopman(2/2)

Fabel van de ezel, de stier en de koopman (2/2)
- Een verhaal uit 1001-nacht over de kennis van de taal der dieren -
Dit alles geschiedde, en hun meester hoorde hun woorden. Toen de dag aanbrak, begaf de koopman zich met zijn vrouw naar het verblijf van de stieren en koeien, en beiden gingen er zitten. Vervolgens kwam de drijver en nam de stier en vertrok. Bij het zien van zijn meester begon de stier te zwaaien met zijn staart, luidruchtige winden te laten en waanzinnig te hollen naar alle kanten. Hierdoor schoot de koopman in zulk een lach, dat hij ondersteboven viel op zijn achterste.

Daarop zei zijn vrouw: "Waarom lach je zo?" Hij antwoordde haar: "Om iets wat ik gezien en gehoord heb, en wat ik niet kan mededelen zonder te sterven."

Zij zei hem: "Het is volstrekt noodzakelijk dat je het mij vertelt, en dat je mij de reden van je lachen zegt, zelfs al zou je daarom moeten sterven!" Hij zei haar: "Ik kan het je niet mededelen uit vrees voor de dood." Zij zei hem: "Maar dan lach je alleen om mij!"

Daarna hield zij niet op met kijven en hem hardnekkig met woorden te kwellen, zodat hij zich tenslotte in grote verlegenheid bevond. Daarom liet hij zijn kinderen bij zich komen en liet hij de kadi roepen en zijn getuigen. Vervolgens wilde hij zijn testament maken, alvorens het geheim aan zijn vrouw prijs te geven en te sterven.

Want hij hield van zijn vrouw met een ontzaglijke liefde, aangezien zij de dochter was van zijn oom van vaderszijde en de moeder van zijn kinderen, en hij reeds honderdtwintig jaren van zijn leven met haar geleefd had. Bovendien liet hij alle bloedverwanten van zijn vrouw halen, alsmede de bewoners van de buurt, en hij vertelde hun allen zijn geschiedenis en dat hij op hetzelfde ogenblik, dat hij zijn geheim ging mededelen, zou sterven. Toen zeiden alle lieden die daar waren, tegen zijn vrouw: "Bij Allah over u! Laat deze kwestie rusten, uit vrees dat uw man sterft, de vader van uw kinderen!"

Maar zij antwoordde hun: "Ik zal hem geen vrede gunnen, voordat hij mij zijn geheim gezegd heeft, zelfs al moet hij er aan sterven."

Daarop hielden ze op met haar toe te spreken. En de koopman stond op in hun midden en begaf zich naast de stal, in de tuin, om daar eerst zijn wassingen te doen en vervolgens terug te komen om zijn geheim te vertellen en te sterven.

Welnu, hij bezat een fikse haan, in staat om vijftig kippen naar genoegen te bedienen, en hij bezat ook een hond. En hij hoorde hoe de hond de haan riep en hem uitschold en hem zei: "Schaam je je niet vrolijk te zijn, terwijl onze meester gaat sterven?"

Toen zei de haan tegen de hond: "Hoe dat zo?"

Daarop herhaalde de hond de geschiedenis, en de haan antwoordde hem: "Bij Allah! Onze meester heeft niet al te veel verstand. Ik voor mij heb vijftig vrouwen en weet mij er uit te redden door de ene te bevredigen en op de andere te mopperen. En hij die maar één enkele vrouw heeft, vindt niet eens het goede middel en de manier waarop hij haar moet aanpakken! Nou, dat is eenvoudig genoeg. Hij behoeft maar een paar flinke moerbeitwijgen voor haar af te snijden, plotseling haar eigen vertrek binnen te stappen en haar af te ranselen, totdat zij sterft of tot inkeer komt. En ze zal niet opnieuw beginnen met hem lastig te vallen over kwesties van welke aard ook." Zo sprak hij.

Nauwelijks had de koopman de woorden gehoord, die de haan met de hond wisselde, of het licht keerde terug in zijn rede en hij besloot zijn vrouw af te ranselen. De koopman trad het eigen vertrek van zijn vrouw binnen, na de moerbeitwijgen voor haar te hebben afgesneden en ze verstopt te hebben. Hij riep haar en zei: "Kom in je eigen kamer, opdat ik je mijn geheim vertel en niemand mij kan zien; en daarna zal ik sterven!"

Daarop ging zij met hem naar binnen, en hij sloot de deur van haar eigen vertrek achter hen, en hij overviel haar met verdubbelde slagen, totdat zij in katzwijm ging vallen. Toen riep zij: "Ik heb berouw! Ik heb berouw!" Hierna begon zij beide handen en beide voeten van haar man te zoenen en zij toonde oprecht berouw. En vervolgens ging zij naar buiten met hem. Alle aanwezigen verheugden zich en ook alle bloedverwanten toonden vreugde. En iedereen was in de gelukkigste toestand en allerfortuinlijkst tot aan hun dood.


                                      * * * EINDE * * *
Bron : "De vertellingen van duizend en een nacht" vertaald door J.C. Mardrus.
            Uitgeverij Manteau, 1975, Antwerpen.
Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door saagje om 16:36 6 reacties Reageer op dit bericht

Fabel van de ezel, de stier en de koopman

Fabel van de ezel, de stier en de koopman (1/2)
- Een verhaal uit 1001-nacht over de kennis van de taal der dieren -
Er was eens een koopman, meester over grote rijkdommen en vee, gehuwd en vader van kinderen. Allah, de Allerhoogste schonk hem ook kennis van de taal der dieren en der vogels. Welnu, de woonplaats van deze koopman was een vruchtbaar land aan de oever van een rivier. In de woning van deze koopman bevonden zich ook een ezel en een stier. Op een keer kwam de stier op de plek waar de ezel thuis hoorde, en vond deze plek geveegd en besproeid; in de krib lag fijngezifte gerst en goed geschud stro; en de ezel lag prettig te rusten. Want wanneer zijn meester hem besteeg, was het alleen voor een kort ritje, dat toevallig nodig was, en de ezel herkreeg spoedig weer zijn rust.

Welnu, die dag hoorde de koopman de stier tegen de ezel zeggen: "Eet met genoegen! En dat het je wel bekome, tot je gezondheid en met goede appetijt! Ik ben wel vermoeid, en jij uitgerust; jij eet goed gezifte gerst en wordt bediend. En als een keertje uit vele je meester je bestijgt, brengt hij je gauw genoeg terug! Wat mij betreft, ik dien slechts voor gesjouw en werk in de molen!"

Toen antwoordde de ezel hem: "Als je buiten komt op het veld, en men je het juk op de nek legt, smijt je dan op de grond en sta niet meer op, zelfs niet als men je slaat. En wanneer je opgestaan bent, ga dan gauw weer voor de tweede keer liggen. En als men je dan naar de stal laat terugkeren, en men je bonen voorzet, eet er volstrekt niet van, net of je ziek bent. Zo moet je je best doen om een dag of twee, drie, niet te eten en niet te drinken. Op die manier zul je uitrusten van de vermoeienis en de last."

De koopman was echter daar en hoorde hun woorden.

Toen nu de veedrijver in de buurt van de stier kwam om hem zijn voer te geven, zag hij hem heel weinig eten; en toen hij hem 's morgens naar het werk meenam, vond hij hem ziek. Daarop zei de koopman tegen de veedrijver: "Neem de ezel en laat hem in plaats van de stier de hele dag lang werken." En de man kwam terug en nam de ezel in plaats van de stier en liet hem heel de dag lang werken.

Toen de ezel op het eind van de dag in de stal terugkeerde, bedankte de stier hem voor zijn welwillendheid en dat hij hem die dag van zijn vermoeienis had laten uitrusten. Maar de ezel antwoordde hem met geen stom woord en had het ergste berouw van de wereld.

De volgende dag kwam de zaaier en nam de ezel en liet hem werken tot het eind van de dag. En de ezel keerde niet terug voordat zijn nek ontveld was en hij uitgeput was van vermoeidheid. En toen de stier hem in die toestand zag, begon hij hem uitbundig te bedanken en hem te overstelpen met lof.

Hierop antwoordde de ezel hem: "Tevoren was ik heel op mijn gemak; ja, niets heeft mij geschaad behalve mijn weldaden." En hij vervolgde: "Niettemin behoor je te weten, dat ik je een goede raad ga geven. Ik heb onze meester horen zeggen: 'Als de stier niet van zijn plaats opstaat, moet ik hem aan de slager geven om hem af te maken, dat hij van zijn huid een lap maakt voor op tafel.' En ik, ik ben benauwd voor je en wens je alle heil toe!"

Op het horen van deze woorden van de ezel, bedankte de stier hem en zei: "Morgen zal ik uit eigen beweging met hen meegaan om mijn baantje te vervullen." Waarop hij begon te eten en al zijn voer verslond en zelfs de trog met zijn tong aflikte.


                               * * * wordt vervolgd * * *
Bron : "De vertellingen van duizend en een nacht" vertaald door J.C. Mardrus.
            Uitgeverij Manteau, 1975, Antwerpen.
Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door saagje om 00:00 9 reacties Reageer op dit bericht

Beowulf(5/5)

Beowulf (5/5)
Een Engelse sage over de strijd van Beowulf met het monster van Heorot
Lang, heel lang zonk hij naar beneden en toen hij eindelijk grond onder zijn voeten voelde, kreeg hij geen tijd meer om rond te kijken. De heks vloog op hem af om hem te verscheuren, maar haar klauwen konden aan Beowulfs harnas geen houvast vinden en langzaam naderde de held het hol, waarbij hij door zonderlinge monsters, die zich van alle kanten op hem stortten, in het nauw werd gedreven.

Nauwelijks was hij over de drempel of hij bleef stokstijf staan: hier was geen water te bekennen en de flakkerende vlammen van een vuurtje verlichtten het hol! Daar zag hij het vormloze vrouwmens dat zich opnieuw op hem wierp. Hij trok zijn zwaard en gaf haar een geweldige slag. Maar ziet - de stalen kling verwondde de heks niet. Integendeel, zij stortte zich op Beowulf, wierp hem neer en trachtte met een dolk een einde aan zijn leven te maken.

Zonder zijn harnas was Beowulf beslist verloren geweest. Maar hij schudde het wijf van zich af, stond op en ontdekte aan de wand een zwaard: nimmer had hij er een gezien dat zo groot en zo zwaar was. Hij pakte het beet met de kracht van dertig mannen en doorstak het hart van de heks, die onmiddellijk dood neer zeeg. Een zonnestraal die door het water de grot binnendrong viel op Grendel. Beowulf huiverde, hoewel het monster niet bewoog: ook in de dood was het nog afschrikwekkend. De held hief het reusachtige zwaard voor de laatste slag. Als bewijs van zijn triomf sloeg hij Grendels kop af en keerde daarmee op de oever van het meer terug.

Hij verheugde er zich al op koning Hrothgar te verrassen, maar toen hij bovenkwam zag hij alleen zijn getrouwe Goten staan. Ze kwamen hem juichend tegemoet, blij dat hij nog leefde. "We hebben urenlang staan wachten," verklaarden ze, "en toen het hele meer een rode tint kreeg, dacht koning Hrothgar dat het door uw bloed gekleurd werd en keerde met zijn mannen naar Heorot terug. Alleen wij hebben de hoop op uw terugkeer niet opgegeven."

Avonturen beginnen, maar eindigen ook. Beowulf werd, nadat hij zijn laatste verwoede strijd in het land der Denen roemrijk had beëindigd, door heimwee overvallen. Al de volgende dag nam hij afscheid van koning Hrothgar, die hem met nog twaalf kostbare geschenken overlaadde en keerde naar zijn vaderland terug.

Zijn dappere daden maakten hem niet alleen tot een held die door barden in alle talen werd bezongen, maar ook, na de dood van zijn oom, tot koning over zijn volk dat hij vijftig vredige jaren met verstand en beleid regeerde.


                                      * * * EINDE * * *
Bron : "Van gouden tijden zingen de harpen: Europese sagen en legenden" door Vladimír Hulpach,
           Emanuel Frynta en Václav Cibula.
           Met illustraties van Miloslav Troup.Nederlandse vertaling door Han de Boer.
           Uitgeversmaatschappij Holland, Haarlem, 1970.
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:12 4 reacties Reageer op dit bericht

Beowulf(4/5)

Beowulf (4/5)
Een Engelse sage over de strijd van Beowulf met het monster van Heorot
Als een lopend vuurtje deed het vreugdevolle nieuws over Beowulfs heldendaad de ronde door het gehele land. En nog voor de zon haar hoogste stand had bereikt, kwamen al over land en zee de machtigen toegestroomd.

Koning Hrothgar, naar de gruwelijke trofee ziend, dankte de held: "Zelfs al zou ik je al mijn bezittingen schenken, dan nog zou ik mijn dankbaarheid niet voldoende tot uitdrukking hebben gebracht. Misschien kan ik je daarmee belonen, dat ik je als mijn eigen zoon zal beschouwen en je een goede vader zal zijn."

"Met Gods hulp hebben wij gezegevierd," antwoordde Beowulf. "Ik had alleen graag gezien dat het monster hier onder mijn handen was bezweken, want wie weet wat de diepte van het meer nog voor ons verbergt."

Daarop begaven allen zich naar de feestzaal waar het al gauw op een bijenkorf leek. De mede vloeide in stromen, er werd veel gelachen en de liederen die de barden ten beste gaven waren de vrolijkste ooit in deze feestzaal ten gehore gebracht. Ook de koningin nam met haar gevolg aan de algehele vreugde deel en koning Hrothgar overlaadde Beowulf nog tijdens het gastmaal met geschenken: een geheel met goud doorstikte banier, een wapenrusting, een schitterend zwaard en acht edele paarden met kostbare zadels. De koningin voegde er een gedreven gouden ring aan toe, een harnas en een halsketting.

En wederom klonken de harpen en de stemmen van de mannen die het verleden lovend bezongen.

Eerst 's avonds laat begonnen de gasten op te breken. Ditmaal echter bleven Beowulf en de zijnen niet in de zaal achter; naar oud gebruik hielden de Denen hier de wacht...

Terwijl op Heorot deze vreugdevolle dag ten einde liep, weergalmde het hol op de bodem van het meer van het geweeklaag van de heks. Want Grendel had daar niet alleen gewoond, maar samen met zijn moeder. Haar had hij dag in dag uit zijn buit gebracht en bij haar had hij zijn laatste adem uitgeblazen. En zoals Grendel het mensengeslacht had gehaat en vervolgd, zo dorstte nu zijn moeder naar wraak. Hoewel ze zich nog nooit uit het water had gewaagd, dreef de toorn haar nu uit haar schuilplaats.

Als een vampier vloog ze op het slot af en drong de feestzaal binnen. De Denen waren direct op de been en gedekt door hun schilden naderden ze stap voor stap deze nieuwe demon. Nu pas werd de heks er zich van bewust dat zij niet zo sterk was als haar zoon. Ze sloeg op de vlucht en daarbij lukte het haar nog iets buit te maken: Grendels arm en één der Denen.

Dat was Hrothgars trouwste raadgever - Aeschere genaamd, en toen de koning de volgende ochtend het bericht over zijn dood vernam, werd het hem weer bang te moede. "Nog eenmaal vraag ik je om hulp," zei hij tot Beowulf. "God geve dat het de laatste maal is. Aeschere's dood is voor mij een zwaar te dragen verlies..."

"Gaarne wil ik u helpen, koning, en daarom zullen wij niet aarzelen, maar onverwijld handelen. Aan die nachtmerrie moet een eind komen!"

Ze braken op. Met koning Hrothgar aan het hoofd volgden ze zonder moeite het duidelijke spoor dat de heks met het door haar meegesleepte lijk van 's konings raadgever had gemaakt. Het spoor voerde over rotsige paden, door bossen en struikgewas naar de klippen boven het meer. Hier eindigde het - op een hoge rotspunt hing Aeschere's huid, een gruwelijke hoon voor de achtervolgers.

Toorn en rouw weerklonken in het geschal der strijdhoorns dat diep in het water doordrong. En tegelijkertijd scheerden er merkwaardige wezens over het wateroppervlak als vluchtende reuzenwormen of slangen. Voor Beowulf was dit het bewijs dat hij de vijand daar zou aantreffen. Zonder verder na te denken sprong hij in het water.


                               * * * wordt vervolgd * * *
Bron : "Van gouden tijden zingen de harpen: Europese sagen en legenden" door Vladimír Hulpach,
           Emanuel Frynta en Václav Cibula.
           Met illustraties van Miloslav Troup.Nederlandse vertaling door Han de Boer.
           Uitgeversmaatschappij Holland, Haarlem, 1970.
Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door saagje om 03:23 2 reacties Reageer op dit bericht

Beowulf(3/5)

Beowulf (3/5)
Een Engelse sage over de strijd van Beowulf met het monster van Heorot
Het was al stil geworden in de zaal; nog eenmaal drukte Hrothgar de hand van Beowulf, daarna namen de Denen afscheid van hun gasten en toen de avondschemer viel, verlieten ze hen om zich in veiligheid te brengen. Beowulf gaf zijn veertien getrouwen bevel te gaan slapen. Zij legden zich neer en waren snel ingesluimerd. Alleen hun aanvoerder, die schild en zwaard had afgelegd, probeerde gespannen met zijn ogen het duister te doorboren...

Hij behoefde niet lang te wachten; rond de slanke torens van de burcht floot het als bij een opkomende storm en direct daarop kondigden krakende balken en afbrokkelende muren aan dat de vijand in aantocht was.

En daar was hij al: afschrikwekkend wanstaltig en slijmerig glad met gloeiende, rollende ogen. Hij dorstte naar bloed en verwachtte helemaal niet dat hij zo'n rijke buit zou vinden.

Onverwijld stortte hij zich op de eerste slaper, doodde hem met een enkele slag van zijn klauw en zette zijn wolfstanden in het lichaam om het bloed te drinken.

Daarna tastte hij met zijn klauwen naar het volgende slachtoffer. Maar wat is dat? In plaats van een aardworm te pakken en te verscheuren, voelt Grendel zelf een ongekend krachtige greep en een plotselinge hevige pijn. Beowulf heeft toegegrepen, Beowulf wiens kracht die van dertig helden evenaart! Tevergeefs probeert het monster zich uit de wurggreep te bevrijden. Het voelt dat zijn laatste uur geslagen is. Het wil vluchten, maar de vijand laat niet los, integendeel, hij breekt het ondier de ledematen. Grendel krimpt ineen van pijn en stort met zo'n slag terneer dat de burcht op zijn grondvesten schudt.

Steeds luider wordt het strijdrumoer. De muren wankelen, het gedreun is in heel Denemarken te horen en vervult de mensen met doodsangst.

De Goten snellen hun aanvoerder te hulp, maar hun zwaarden en lansen kunnen het hart van het ondier niet bereiken.

Beowulf zet de strijd onverminderd voort. Grendel verliest veel bloed en wil zich met een laatste, geweldige ruk losscheuren, maar een ondraaglijke pijn in de schouder doet hem een alles doordringend gebrul uitstoten en zijn schrikwekkende arm valt verlamd op de vloer; het ondier wankelt naar buiten en zoekt stervend zijn weg naar het meer...

Beowulf gaat hem niet achterna. Eerst 's ochtends, toen Hrothgars mannen de zaal binnenstroomden om met eigen ogen de arm van Grendel te zien die hen jarenlang met de dood bedreigd had, volgden ze gezamenlijk het purperen bloedspoor. Grendels doodstrijd zagen ze echter niet. Slechts het bloedkleurige water van het meer bewees dat het monster daarin voor eeuwig begraven lag.


                               * * * wordt vervolgd * * *
Bron : "Van gouden tijden zingen de harpen: Europese sagen en legenden" door Vladimír Hulpach,
           Emanuel Frynta en Václav Cibula.
           Met illustraties van Miloslav Troup.Nederlandse vertaling door Han de Boer.
           Uitgeversmaatschappij Holland, Haarlem, 1970.
Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door saagje om 05:38 7 reacties Reageer op dit bericht

Meer van 'VOLKSVERHALEN'

↑ Terug naar de berichten