Naar de inhoud

'VOLKSVERHALEN'

akke.beakke.be
Problemen
Er zijn nogal wat problemen met het lezen van de teksten, daarom volgende tip :
Met de muis links klikken en over de tekst schuiven.
De tekst verschijnt duidelijk leesbaar.

Archief

De heks van Oostbroek

De heks van Oostbroek
- Een heksenverhaal -
Er leefde in het vlek Oostbroek, niet ver van Utrecht, een weduwe, bij wie een knecht inwoonde tot het verrichten van werkzaamheden, zoals de omstandigheden dat meebrachten. Daar hij reeds meermalen, nieuwsgierig zoals knechten plegen te zijn, door het tralievenster had opgemerkt, dat zijn meesteres in het holst van de nacht, zodra het dienstpersoneel ter ruste was gegaan, geregeld naar een bepaalde plaats toe ging en met uitgestrekte handen een balk van de aan de stal grenzende hooizolder vastgreep, besloot hij, benieuwd wat dit toch wel betekenen kon, ook zelf, buiten medeweten van zijn meesteres, hetzelfde te doen en de kans te wagen.

Toen derhalve zijn meesteres als altijd naar die gewone plek was toegegaan en, zoals bleek, verdwenen was, volgde hij ook, bekeek de plek, en greep naar het voorbeeld van de weduwe de hooizolder vast. Terstond daarop werd hij in de lucht gevoerd en naar de stad Wijk bij Duurstede gebracht in een verborgen en onderaardse spelonk, waar hij een samenkomst van heksen vond, die onder elkaar over hun boze plannen beraadslaagden. Zijn meesteres, die evenals haar gezelschap verbaasd was over de onverwachte verschijning van haar knecht, vroeg hem door welke list en op welke wijze hij hier in een oogwenk was aangeland. Hij antwoordde juist zoals de zaak zich had toegedragen. Zij wilde daarop tegen hem gaan uitvaren, doch werd door de anderen gekalmeerd, die de knecht vriendschappelijk opnamen, onder beding dat hij het diepste stilzwijgen zou bewaren omtrent hetgeen hij te zien en te horen zou krijgen. Aan welk gebod natuurlijk volgaarne werd voldaan.

Toen de tijd van uiteengaan gekomen was, stelde zij voor de indringer te doden, maar de anderen waren zachtmoediger en wisten haar te bewegen hem op haar schouders naar huis te brengen, zoals ook geschiedde. Sneller dan de wind vlogen zij door de lucht. Toen zij een flink eind op weg waren, ontwaarden zij een diep moeras, met riet overdekt. De boze heks, die de jongeling niet vertrouwde, gooide hem eensklaps van haar schouders, in de vaste mening, dat hij zijn nek wel zou breken of verdrinken. Maar God, die barmhartig is, maakte dat hij in het dichtste deel van het riet viel, zodat hij niet omkwam.

De ongelukkige, die vreselijk kermde, werd, zodra de dag aanbrak, met gebroken dijbenen door de voorbijgangers gevonden, en was toen genoodzaakt zijn wedervaren te vertellen. Toen het gerucht hiervan de Utrechtse schout Johan van Culemborch ter ore kwam, liet hij de heks ten spoedigste gevangen nemen en in de ketens leggen. Zij legde een volledige bekentenis af, in de hoop op een zachter vonnis, maar zij werd met algemene stemmen tot de brandstapel veroordeeld.


                                      * * * EINDE * * *
Bron : "Volksverhalen uit Utrecht en het Gooi" samengesteld door Willem de Blécourt.
           Uitgeverij Het Spectrum, Utrecht/Antwerpen, 1979. ISBN: 90-274-7083-9
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:00 6 reacties Reageer op dit bericht

De ezel en de os

De ezel en de os
- Een Egyptische fabel over zich onttrekken aan zware arbeid -
Een ezel en een os deelden eens een stal. De ezel had een gemakkelijk leven omdat zijn meester alleen zo nu en dan naar de markt reed terwijl de os iedere dag werd meegenomen om op het veld te werken. Op een nacht toen de twee dieren hun avondmaal gebruikten, klaagde de os over zijn zware leven.

"Misschien kun jij me helpen, broer ezel," zei de os. "Wat kan ik doen om mijn meester over te halen om vriendelijker voor me te zijn, en me niet zo hard te laten werken?"

De ezel dacht hier over na en antwoordde toen: "Ik stel voor dat je morgenvroeg net doet alsof je ziek bent en weigert het hooi te eten dat hij voor je neer legt. Als de meester ziet dat je het eten hebt laten liggen zal hij je in de stal laten. Je zal dan niet naar de velden hoeven om de ploeg voor hem te trekken. Je kunt dan van de rust genieten."

De os nam de raad van de ezel aan en deed net alsof hij ziek was. De man die zag dat de os niets had gegeten en ziek leek nam toen de ezel in plaats van de os mee.

Hij spande de ezel voor de ploeg en liet hem werken van de vroege ochtend tot de late avond. De ezel die niet gewend was aan dit zware werk, was geheel uitgeput aan het eind van de dag. Hij had grote spijt van het advies dat hij aan de os had gegeven.

Toen de ezel die avond terug keerde naar de stal, vroeg de os hoe het hem was vergaan. "Ik had een hele fijn dag," loog de ezel. "Het lopen in de velden is me goed bevallen. Ik geloof echter wel dat ik je moet vertellen wat ik onze meester hoorde zeggen."

"En dat is?" vroeg de os.

"Welnu," zei de ezel, "ik hoorde hem met zijn vrouw praten, en hij zei tegen haar dat als de os ziek bleef ze hem zouden moeten slachten voor zijn vlees."

De os werd helemaal wit toen hij deze woorden hoorde.

"Ik denk daarom," voegde de ezel eraan toe, "dat het 't beste is als je weer al je hooi op zou eten voor het geval dat onze meester denkt dat je niet in staat bent om te werken."

De os was het daarmee eens en op deze manier was het voor de ezel mogelijk om zich te behoeden voor nog meer ploegwerk.


                                      * * * EINDE * * *
Bron : "Waarschijnlijk een bewerking van een 1001-nacht verhaal"
Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door saagje om 00:00 10 reacties Reageer op dit bericht

De zuurkool van Bommen Berend

De zuurkool van Bommen Berend
- Een Groninger sage over Haren, Grote Griet en een kanonskogel -
Het was een grote fout van Bernhard von Galen - de Duitse bisschop van Münster - die dacht dat het gebied van Groningen en omstreken nog steeds aan hem toebehoorde. Maar het was ondertussen het gebied van de Groningers zelf. Maar dat was voor Bommen Berend - want zo werd hij ook wel genoemd - geen bezwaar om toch naar het noorden op te trekken.

Hij begon in Coevorden en van Coevorden werd gezegd: "Dat is een moeilijk te nemen vesting." Nou, Bommen Berend had er geen enkel probleem mee. Hij had duizenden kogels, twintigponders schoot hij af. Hij had binnen de kortste keren Coevorden ingenomen en kon hij doorstoten naar Boertange. Maar daar hadden ze 200.000 kogels voor hem klaarliggen. En hij probeerde te onderhandelen maar er viel niet te onderhandelen met de bevelhebber daar.

In Groningen had Carl von Rabenhaupt - de commandant die aangesteld was om Groningen te verdedigen - er voor gezorgd dat op de Grote Markt een enorm kanon werd opgesteld: de Grote Griet. Daar is nog een café naar genoemd en je kunt het nog bezoeken. En hij had het laten richten op het zuiden want daar zou Bommen Berend vandaan komen. En inderdaad. Hij maakte een omtrekkende beweging en Boertange kwam hij ook niet in. Hij had Coevorden wel en alles wat daartussen lag, maar hij wilde Groningen hebben.

En daar stond hij in Deursen, vlakbij Assen. Daar sloeg hij zijn kampement op en langzaam trokken ze met hun geschut richting het noorden, richting Groningen en kwamen aan in Haren. Haren was een scheet voor ze! Dat was zo ingenomen. Er werd geroofd, gemoord, geplunderd en binnen de kortste keren lag Haren aan zijn voeten, maar dat was niet zijn doel. De grote stad die daar lonkte wilde hij hebben.

En als eerste vorderde hij de kerk. Daar zou hij gaan zitten en vanuit die plek zou hij het geschut leiden. En dat deed hij ook. En hij deed zijn naam werkelijk eer aan. Hij schoot de ene kogel na de andere op Groningen af, maar af en toe kwamen er een paar aardige terug. Want Grote Griet, dat was bekend, daar kon je ontzettend zuiver mee richten.

Maar de overmacht van Bommen Berend zou de stad wel snel aan zijn voeten leggen. Maar dat viel tegen. Hij was vijf dagen bezig met schieten, hij was zes dagen bezig. Geen enkel teken van overgave kwam er vanuit de grote stad. Ja, het enige dat kwam, dat waren die enorme twintigponders, die overal op en doorheen knalden. De ravage was groot. De berichten waren niet best. En het lukte hem niet. Na acht dagen nog steeds niet. En hij begon toch langzamerhand wanhopig te worden en te twijfelen: "Zou het lukken?"

Maar hij had het best naar zijn zin, want hij had Haren zo'n beetje leeggeplunderd en hij had ontdekt dat je daar de heerlijkste zuurkool met spek kon eten en dat wilde hij iedere dag hebben. De beste kok van Haren moest hem iedere dag een groot bord zuurkool met spek leveren. Dat at hij dan met smaak op en dan keek hij af en toe door het venster naar Groningen en dan kwam er weer zo eentje aan... uit de Grote Griet.

En het was op een dag, 27 augustus 1672, dat hij zijn bord op tafel had gezet en verbeten naar de grote stad keek die maar niet wilde vallen. En hij draaide zich om naar zijn bord met zuurkool... en dat is zijn geluk geweest, mensen! Want doordat hij zich omdraaide, hoorde hij slechts even een zoevend geluid achter hem. Maar als hij had gekeken, dan had hij die twintigponder op het venster af zien komen. Had hij gezien dat ie over de tafel vloog, zijn bord met zuurkool meenam en er aan de andere kant de toren weer uitvloog. En met een enorme dreun kwam de twintigponder zeven voet diep de grond in, de vette Groningse klei. En op dat moment wist hij gewoon: "Het heeft geen enkele zin om daar nog tijd en geld aan te besteden. Mijn manschappen willen weg, ze worden helemaal ziek van die enorme twintigponders die op hun terecht komen." Er waren zoveel gesneuvelden! En hij besloot zich terug te trekken en zijn verlies te nemen. En zo bleef Groningen dus bespaard voor de inname van Bommen Berend. Bernhard von Galen, die met de staart tussen zijn benen weer kon vertrekken.

En de Groningers die vierden feest en dat doen ze vanaf die tijd ieder jaar op 28 augustus. Dan vieren ze het feest van Bommen Berend. En als ze zeggen: "We hebben vanavond oorlog," dan betekent het dat er zuurkool met spek wordt gegeten, want daar zijn ze dol op.

En ze hebben natuurlijk een liedje gemaakt, de Groningers:

"Grote Griet ben ik gehieten, Om wijd en weer kon ik wel schieten, Ik kreeg een kogel in mijn mond, Ik schoot hem door de Haarder toren, En toen nog zeven voet in de grond."
Zo is het gegaan en dat zingen de Groningers op 28 augustus.

                                      * * * EINDE * * *
Bron : Verteld door Nico Herwig voor het project "Nederlandse gemeenten en hun sagen".
Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door saagje om 00:00 15 reacties Reageer op dit bericht

Fruithandelaar

Fruithandelaar
- tovenaars -
Toen een fruithandelaar 's nachts terugkwam van de markt in Sint-Truiden, barstte er plots een zwaar onweer los.

De man ging schuilen achter een huis.
Nadat het onweer een kwartier later was overgewaaid, wilde de man verder gaan.

Dat lukte echter niet, want de man kon geen voet meer verzetten.
Van één uur tot drie uur 's nachts leek het alsof de man aan de grond was genageld.
Daarna kon hij weer verder.

Door het luiden van de Angelus, zijn al die spoken verdwenen.


regio : Kotem                                                         verzamelaar - P.Knabben -
Bron : Vlaamse Volksverhalenbank
                                                © Seminarie voor Volkskunde K.U.Leuven
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 21:04 1 reactie Reageer op dit bericht

Waarom de varkens wroeten

Waarom de varkens wroeten
- Een sage over varkens -
Er waren eens een oude en een jonge vrouw. En de jonge vrouw zei op een keer tegen de oude vrouw, dat ze zo graag een keer pannenkoeken wilde eten.

"Nou," zei de oude vrouw, "als je een mooi stuivertje vindt, dan zullen we ze eten."

Toen ging de jonge vrouw het hele huis aanvegen en ze vond een stuivertje. Hierop maakte de oude vrouw beslag voor de pannenkoeken, en de jonge vrouw ging ze bakken. Maar toen de pannenkoek aan de ene kant gaar was, wist ze niet wat ze moest doen.

Haar moeder zei toen: "Je moet 'm omgooien."

Maar toen ze dat deed, kwam hij op de rand van de pan terecht, en brak in tweeën. De ene helft viel in de aspot. De andere helft vloog door de schoorsteen de wijde, wijde wereld in.

Daar kwam de pannenkoek een oude man tegen.

Die zei: "Pannenkoekje, wat ruik je lekker. Mag ik eens een hapje van je nemen?"

"Nee," zei de pannenkoek, "ik ben al aan een oude en een jonge vrouw ontsnapt, en dan zou ik me door jou laten opeten? Nee."

En weg vloog de pannenkoek.

Toen kwam 'ie een meisje en een jongen tegen die naar school gingen.

Die vroegen ook: "Pannenkoek, mogen wij eens van je happen?"

"Nee," zei de pannenkoek: "Ik ben net aan een oude vrouw en een jonge vrouw en een oude man ontsnapt, en zou ik me dan door zo'n paar kinderen laten opeten?"

En weg vloog de pannenkoek weer.

Toen werd de pannenkoek van al dat rondvliegen erg moe. Hij zag een varken op het land liggen, en hij is op zijn kop bij zijn oor gaan zitten. Maar ook het varken vroeg of hij eens een hapje van hem mocht nemen.

"Nee," zei de pannenkoek: "Ik ben al aan een oude vrouw en een jonge vrouw en een oude man en twee kinderen ontsnapt, en moet ik me dan door jou laten opeten?"

Maar het oude varken zei: "Kom wat dichter bij m'n oor zitten, want ik ben een beetje doof."

En toen de pannenkoek dit wilde doen, schudde het varken zo met z'n kop, dat de pannenkoek eraf viel en in de modder zonk. Toen gingen alle varkens aan het wroeten om de pannenkoek te zoeken, maar ze vonden hem niet.

Daarom wroeten nog steeds alle varkens in de grond.


                                      * * * EINDE * * *
Bron : Collectie Boekenoogen; Volksverhalenbank CBOEK057.
           In januari 1894 toegezonden door S.C. Timmers-Groothuijs uit Drente.
           Het verhaal is vertaald uit het Drents. AT 2025, The Fleeing Pancake & SINUR 65A,
           Warum das Schwein immer sucht.
Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door saagje om 00:00 10 reacties Reageer op dit bericht

Liu Chen en Ruan Zhao

Liu Chen en Ruan Zhao
- De verdwaalde reizigers -
In het vijfde jaar van de regeringsperiode Yongping onder de regering van Keizer Ming van de Han-dynastie (62 n. Chr.) trokken Liu Chen en Ruan Zhao uit het district Shan samen het Tiantai-gebergte in om geneeskrachtige kruiden te zoeken, maar ze raakten verdwaald en slaagden er niet in de weg terug te vinden. Na dertien dagen was hun voedselvoorraad geheel uitgeput en dreigden ze van de honger te sterven. Toen zagen ze in de verte op een berg een perzikboom vol vruchten, maar door de steile rotsen en diepe ravijnen ontbrak een pad om daarheen te klimmen. Door zich op te trekken aan de ranken van klimplanten slaagden ze er echter toch in de top te bereiken. Zodra ze beiden een paar perziken hadden gegeten, was hun honger gestild en voelden ze zich verzadigd. Ze daalden de berg weer af en toen ze met een kom wat water uit de beek schepten om zich te wassen en de mond te spoelen, zagen ze uit de flank van de berg een paar koolraapbladeren naar buiten drijven die heel vers waren. En daarna kwam er op de stroom een beker naar buiten met rijst met sesamzaad. Liu en Ruan zeiden daarop tot elkaar: "We moeten hier hemelsbreed heel dicht bij de bewoonde wereld zijn!" Meteen doken ze samen in het water en na een paar mijlen stroomopwaarts gezwommen te hebben waren ze erin geslaagd door de berg heen te steken en kwamen ze uit op een brede kreek.

Aan de oever daarvan stonden twee meisjes die wonderbaarlijk schoon van uiterlijk waren. Zodra ze de beide mannen met de beker bij zich de grot uit zagen komen, riepen ze vrolijk: "Liu en Ruan hebben de beker gevonden die we zoeven hebben laten wegdrijven!" Chen en Zhao kenden hen helemaal niet, maar omdat de twee meisjes hen bij hun naam aanspraken zag het ernaar uit alsof ze elkaar al eens eerder hadden ontmoet. De twee meisjes begroetten hen allerhartelijkst en vroegen: "Waar zijn jullie zo lang gebleven?" Daarop nodigden zij hen uit met hen mee te gaan naar hun huis. Hun huis was met pannen gedekt en in de kamer stond zowel tegen de zuidmuur als tegen de oostmuur een groot bed, dat voorzien was van een klamboe van rode zijde - met belletjes aan de hoeken van de klamboes, goud en zilver door elkaar. Voor elk bed stonden tien dienstmeisjes, die te horen kregen: "Liu en Ruan zijn door berg en dal getrokken. Ook al hebben ze de roze vruchten gevonden, toch zijn ze nog uitgeput, dus maak snel wat te eten!" Wat ze voorgezet kregen was sesamzaad-rijst, gedroogd vlees van wilde geiten en buffelvlees. Alles was even heerlijk. Na het maal werd wijn geschonken. Er kwam een hele groep meisjes die allemaal een paar perziken meebrachten en lachend zeiden: "Gefeliciteerd met de komst van jullie bruidegom!" Liu en Ruan waren zowel van vreugde als van vrees vervuld. Toen de avond viel werd elk een bed gewezen voor de nacht. Tussen de klamboes voegden de twee meisjes zich bij hen, hun stemmen klonken klaar en lieflijk zodat je al je zorgen vergat.

Na tien dagen vroegen Liu en Ruan naar huis te mogen terugkeren. De meisjes zeiden: "Dat u hier gekomen bent is door het lot bepaald - waarom willen jullie dan nog terugkeren?" Vervolgens bleven ze er een half jaar. De weersgesteldheid en de plantengroei waren altijd die van de lente. Toen de honderd vogels kwinkeleerden werd het hun eens zo droef te moede en ze smeekten naar huis te mogen gaan. De meisjes zeiden: "Wat kunnen wij er aan doen als het lot zo moet zijn?" Daarop nodigden ze de meisjes uit die ook destijds waren gekomen, zo'n dertig of veertig in totaal, en met zijn allen maakten ze muziek en vierden ze feest. Samen deden ze Liu en Ruan uitgeleide en wezen ze hun de weg terug.

Toen ze te voorschijn kwamen, bleken hun vrienden en verwanten onvindbaar, de stad met al zijn huizen was van aanblik veranderd en er was niemand die hen nog kende. Na zoeken en vragen vonden ze afstammelingen in de zevende generatie, die uit verhalen wisten dat hun verre voorouders de bergen waren ingetrokken en daar reddeloos waren verdwaald. In het achtste jaar van de regeringsperiode Taiyuan van de Jin-dynastie (383 n. Chr.) waren Liu en Ruan opeens weer verdwenen, niemand weet waarheen!


                                      * * * EINDE * * *
Bron : "Volksverhalen uit kleurrijk Nederland. Reizen. Verhalen over avontuurlijke reizen uit de Chinese,
           Joodse, Nederlandse, Indiase, Turkse, Surinaamse, Marokkaanse en Indonesische verteltraditie"
           verschenen bij Uitgeverij Lemniscaat, Rotterdam, 1991.
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:00 12 reacties Reageer op dit bericht

De lelie en de alsem

De lelie en de alsem
- Een Chinees sprookje over het ontstaan van kamille -
In het rode keizerrijk woonde de rode keizer en omdat hij een keizer was had hij een keizerin tot vrouw. Al vele jaren hadden ze een goed leven. Aan hun geluk ontbrak nog één ding, ze hadden geen kinderen. En ze zouden er ook nooit een gehad hebben, als er op een dag niet twee grijsaards bij de paleispoort gestopt waren.

De eerste vroeg: "Weet je wel, wie er in dit paleis woont?"

En de tweede grijsaard antwoordde: "Ik weet het, broeder, hier woont de keizer met zijn keizerin en ze hebben geen kinderen."

"Maar ze zouden best een kind kunnen hebben," zei de eerste grijsaard. "Als de keizerin 's morgens vroeg de dauw van de lelie en de alsem zou afhalen en daar een glas van op zou drinken, dan zou ze een beeldschone dochter op de wereld brengen en eindelijk volmaakt gelukkig zijn."

"Ja, maar het geluk zou van korte duur zijn," sprak de tweede grijsaard. "Want wie uit een bloem ontstaat, zal ook weer tot bloem terugkeren. Als haar tijd gekomen is, zal het dochtertje weer in een bloem veranderen."

"En daarom is het beter als niemand daar iets van weet en niemand het de keizerin vertelt," sprak de eerste grijsaard. "Ze zou er veel verdriet van hebben."

"Je hebt gelijk, broeder," knikte de tweede grijsaard en ze vervolgden hun weg.

De grijsaards dachten dat niemand het gehoord had. Maar bij de poort zat een oude bedelaarster die niet lang aarzelde. Ze ging naar het paleis om aan de keizerin te vertellen, wat ze gehoord had. "Als u een glas dauw van de lelie en de alsem opdrinkt, zult u een beeldschoon dochtertje krijgen."

Maar van wat het prinsesje in het leven te wachten stond, zei de oude vrouw geen woord. De keizerin overlaadde de oude bedelaarster met goud en gaf haar de opdracht om haar de volgende morgen de dauw van de lelie en de alsem te brengen. Na negen maanden bracht de keizerin een beeldschone dochter ter wereld. En omdat ze door de dauw van de lelie en de alsem geboren was, was het prinsesje zo blank als een lelie en roken haar haren naar alsem. Zo'n schoonheid had niemand ooit gezien. Ze werd elke dag mooier, maar het prinsesje werd er niet hoogmoedig door, integendeel, hoe ouder ze werd, des te meer ontweek ze de mensen; ze was veel liever in de tuin. Daar voelde ze zich op haar gemak, ze liep tussen de bloemen door en praatte met hen en de bloemen gaven haar antwoord.

Zo gingen er jaren voorbij en de keizer en de keizerin gingen op zoek naar een bruidegom voor de prinses. Dat was niet eenvoudig. Bewonderaars waren er genoeg. Ze kwamen uit alle landen, daar haar schoonheid over de hele wereld bekend was.

Maar de prinses wilde van geen trouwen weten. Iedere bewonderaar ontving ze vriendelijk, praatte gezellig met hem, maar zodra hij over een huwelijk begon zei de prinses: "Ik kan niet met je trouwen, prins, je zou niet gelukkig met me worden." En ze zei het altijd zo treurig en geloofwaardig dat iedereen het geloofde.

Het aantal bewonderaars werd minder en al gauw kwam er niet één meer. De prinses werd weer vrolijk, maar de keizer en de keizerin waren er erg verdrietig over. "Wat moet er van je worden, als wij sterven en jij alleen blijft, zonder man?"

Maar op een dag verscheen er toch weer een nieuwe bewonderaar. Hij was de zoon van een koning uit een ver land. Ook hij had van de mooie prinses gehoord en kwam zijn geluk beproeven.

De lieve prinses ontving hem als alle anderen, praatte vrolijk met hem, maar toen de prins over een huwelijk begon werd ze meteen treurig en zei: "Nee prins, ik kan niet met je trouwen. Met mij zul je niet gelukkig worden!"

En ze zei het zo oprecht, dat ieder ander het geloofd zou hebben. Maar deze prins wilde daar niets van horen: "Waarom zou ik met jou niet gelukkig worden?"

En de prinses antwoordde: "Omdat de lelie in de tuin tegen me zei: 'Als jij je bruidsjapon aantrekt, dan is je tijd gekomen.' En de alsem zei: 'Als men jou de huwelijkskrans op het hoofd zet, zul je bij ons terugkeren.'"

Maar de goede prins lachte: "Dat geloof ik niet, lieve prinses."

En toen boog de prinses haar hoofd en zei: "Als je het niet gelooft, trouw me dan, maar beklaag je later niet. Er zal gebeuren, wat moet gebeuren!"

En zo begon men tot grote vreugde van de oude keizer en de oude keizerin met de voorbereidingen van het huwelijk. De naaisters naaiden haar bruidsjapon, de tuinmannen vlochten haar huwelijkskrans. Heersers uit alle landen waren gekomen om het huwelijk bij te wonen. En toen alle gasten er waren en de bruidsjapon en de krans klaar waren, werd de bruid mooi gemaakt voor haar huwelijk.

Toen men haar de bruidsjapon aantrok werd de prinses bleek en begon ze te huilen. Toen men haar de huwelijkskrans op het hoofd zette, sloot ze haar ogen, alsof de dood haar aanraakte. En toen de prins haar omhelsde en kuste hield hij een gewone veldbloem in zijn armen. De prins huilde om zijn verloren geluk, in plaats van de mooie prinses had hij nu een witte geurende bloem.

Deze bloem groeit nu overal. De mensen noemen haar 'kamille'. Maar het is een prinses met een witte huwelijkskrans op haar gouden hoofd.


                                      * * * EINDE * * *
Bron : "De betoverde tuin" door Marie Mrstikova.
           Nederlandse vertaling van Els Nuijen.
           Uitgeversmaatschappij Holland, Haarlem, 1978. ISBN: 90-251-0297-2
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:00 4 reacties Reageer op dit bericht

Bezeten

Bezeten
- duivels -
Een meisje uit Harelbeke was door de duivel bezeten.

Het meisje moest zoveel sneetjes vlees eten als dat er duivels waren die haar in hun macht hadden.

De pastoor was niet in staat om het meisje van de duivels te bevrijden.
De eerste onderpastoor kon dat ook niet omdat hij nog te werelds was.

De tweede onderpastoor verjoeg de duivels terwijl hij de mis deed.
Dat kostte de onderpastoor zoveel moeite dat de zweetdruppels van zijn gezicht rolden.

Het meisje dat op dat ogenblik in de kerk was, werd tot driemaal toe tot tegen het plafond van de kerk gegooid.

De onderpastoor zei:
"Breng haar terug vanwaar ze gekomen is".
De geestelijke is daarna gestorven.


regio : Marke                                                               verzamelaar - M.Sagaert -
Bron : Vlaamse Volksverhalenbank
                                              © Seminarie voor Volkskunde K.U.Leuven
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 22:36 Reageer op dit bericht

De witte slang van Sidi Moussa

De witte slang van Sidi Moussa
- Een wonderlijk verhaal over een oude moslim en zijn bedevaart naar Mekka -
De oude Mabroek woonde met zijn vrouw en kinderen in een eenvoudig huisje midden in een oase in de woestijn. Hij was, zoals men zei, een van de steunpilaren van de broederschap der G'nawa, waarvan de meeste volgelingen in de Sahara zwart zijn.

Mabroek was een heel gelovig man. Elke morgen deed hij als eerste in alle vroegte de deuren van de moskee open en begroette hij de nieuwe dag met het gebed van de dageraad, de 'fedjor'.

Sinds jaar en dag was hij het ook die vooraan liep bij de pelgrimstocht naar de koepel van Sidi Moussa, de heilige wiens graftombe een kilometer of veertig van de oase verwijderd lag. Daartussen lagen de duinen met het fijne stuifzand waar je diep in wegzakte, wat het lopen nog moeilijker maakte. Deze pelgrimstocht was ook nog zo bijzonder omdat het feest van deze heilige midden in de heetste periode van het jaar viel. De mensen gingen om die reden al drie dagen van tevoren op pad om deze loodzware tocht te kunnen volbrengen. Ze namen dan genoeg eten en drinken voor de hele reis mee, want de zandheuvels strekten zich eindeloos uit en onderweg was nergens enig teken van leven te bekennen.

Maar dat jaar voelde Mabroek de last van de jaren en van het werk op zijn schouders drukken. Hij begon erg tegen het idee op te zien weer drie dagen lang de afmattende voettocht te moeten maken. Het werd hoog tijd dat de jongere generatie het eens van hem overnam. Hij had zijn tijd gehad. Er moest eens wat jong bloed stromen door de dragers van de traditie.

Mabroek sprak zijn medebroeders in het geloof toe toen die hem kwamen vragen om weer, zoals altijd, de processie te leiden. En de groep getrouwen van Sidi Moussa vertrok met vaandels en tamboerijnspelers, maar zonder Mabroek.

De eerste dag van de bedevaart volgde Mabroek hen in gedachten en in gebed. En 's nachts ging hij lekker slapen in zijn eigen bed naast de kookpot, waarin een heerlijke chorbasoep pruttelde die zijn vrouw had klaargemaakt.

De tweede dag vertoefde Mabroek nog altijd in gedachten bij zijn gelovige medebroeders, maar hij voelde zich een beetje triest, dat hij door zijn hoge leeftijd niet samen met hen kon lopen en hun vreugde meebeleven.

Ook de derde dag ging voorbij. Bij het vallen van de avond had zijn vrouw een overheerlijke couscous bereid. Zoals gewoonlijk had zij de grote kookpot met groenten op de grond gezet en daarnaast de ronde, houten schaal met de hoge berg couscous en boter.

De kinderen gingen op hun matjes rond de geurige maaltijd zitten en Mabroek nam zijn plaats in de familiekring in. Hij sprak: 'Bismillah!' (In naam van de Heer) en wilde juist zijn hand uitsteken naar de hete couscous toen er plotseling uit het niets een witte slang te voorschijn kwam, die zich rond de schaal kronkelde en zijn kop optilde vlak voor het gezicht van Mabroek. Mabroek sprong overeind, groette zijn familie en met alleen maar zijn wandelstok ging hij op zijn oude, kromme benen, ondanks de drie dagen achterstand, op weg naar Sidi Moussa.

De kinderen die de slang als een ketting rondom de schaal hadden gezien, waren stomverbaasd dat het dier als bij toverslag weer verdwenen was.

Mabroek heeft zelf nooit begrepen op welke manier hij de volgende ochtend bij zonsopgang als eerste aankwam bij de graftombe van de heilige. Hij had nergens een vliegend tapijt gezien, en ook had hij zich niet gedragen gevoeld door vleugels. Maar hij vond zichzelf terug voor de deur van het koepelgraf, de kobba, zoals altijd, omdat Sidi Moessa van hem hield en Allah het hem had toegestaan.


                                      * * * EINDE * * *
Bron : "Volksverhalen uit kleurrijk Nederland. Draken en andere vreemde wezens. Verhalen uit de Chinese,
           Joodse, Nederlandse, Indiase, Turkse, Surinaamse, Marokkaanse en Indonesische verteltraditie"
           Uitgeverij Lemniscaat, Rotterdam, 1991.
Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door saagje om 00:00 8 reacties Reageer op dit bericht

De echo van Muiderberg

De echo van Muiderberg
- toverboek -
O, Echo, wonder van deez' dreven
Reeds eeuwen hield gij krachtig stand
Wat ook verging, gij zijt gebleven
Nog roemt men u in ieder land.

Wat reeks geslachten                     zijn verdwenen
Wien gij bewondering                     hebt gebaard
Wat drommen stonden om           u henen
Wier 't raadsel nooit werd opgeklaard.
In Muiderberg woonde een tovenaar. Hij zag er gedrochtelijk uit. Een gele, tanige huid, vol met rimpels, waar de knoken doorheen staken. Zijn haar was ongekamd en zijn kin had nog nooit een schaar gezien. Zijn ogen lagen diep en doordringend tussen de vooruitstekende jukbeenderen. Hij heette Timon. De enkeling die zijn raad kwam vragen, had altijd moeite hem te vinden, want Timon woonde in een eik, bovenop een heuvel, en was gewoon zijn bezoekers pas na zonsondergang, en liever nog te middernacht, te woord te staan.

Hij had het water, de lucht, en de aarde doorvorst, en een leger van geesten, duivels en spoken stond tot zijn beschikking. In een overmoedige bui had hij wel                 eens beweerd, dat hij de zon kon laten stilstaan, de                       maan kon doen verdwijnen, de sterren aan                   de hemel dooreen kon husselen, het water van de zee kon vermeerderen en verminderen, en de winden naar believen kon doen waaien. Meestal beperkte hij zich ertoe zijn geesten in het holst van de nacht naar het kerkhof te sturen, om daar van de doden te weten te komen, waar er nog verborgen schatten lagen, of waar dingen lagen die jaren geleden waren zoekgeraakt.

Wanneer iemand hem vond, was dat doorgaans om iets van de toekomst te weten te komen. Timon raadpleegde dan zijn toverboeken en riep de driekoppige maangodin Hekate aan. Het antwoord was vaker dubbelzinnig dan ronduit, wat alleen maar extra bijdroeg aan de geheimzinnigheid.

Niemand wist hoe oud hij was, of hoe lang hij al in zijn eik woonde. Toen hij oud begon                 te worden, werd hij hoe langer hoe onvindbaarder en               schepte hij er enkel nog plezier in de mensen te plagen.

Twee knechten kregen op een keer hevige ruzie, omdat de een dacht, dat de ander hem napraatte. Het zou uit de hand gelopen zijn, als niet iemand hen had verteld, dat Timon een van zijn streken uithaalde. Nog later werd hij wat rustiger en riep hij alleen nog maar iemands laatste woorden na, als er tenminste luid gesproken werd, anders kon hij het niet verstaan. Om zijn boom legden ze een park aan, dat ze Hofrust noemden.

Dat park werd erg beroemd, want men zei, dat daar een echo was. Timon de tovenaar was iedereen al lang vergeten.

                                      * * * EINDE * * *
Bron : "Volksverhalen uit Utrecht en het Gooi" samengesteld door Willem de Blécourt.
           Uitgeverij Het Spectrum, Utrecht/Antwerpen, 1979. ISBN: 90-274-7083-9
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:00 12 reacties Reageer op dit bericht

Meer van 'VOLKSVERHALEN'

↑ Terug naar de berichten