Naar de inhoud

'VOLKSVERHALEN'

akke.beakke.be
Problemen
Er zijn nogal wat problemen met het lezen van de teksten, daarom volgende tip :
Met de muis links klikken en over de tekst schuiven.
De tekst verschijnt duidelijk leesbaar.

Archief

De Zwarte Christus van Wyck

De Zwarte Christus van Wyck
- Een legende over het notenhouten kruisbeeld van de Sint-Martinuskerk -
Lang geleden, omstreeks 1300, verliet een ridder uit Riempst, dat ligt tussen Maastricht en Tongeren, zijn gezin en zijn vrienden om een reis naar het Heilig Land te maken. Bij zijnvertrekvroeg zijn jongste dochtertje Anna hem om een cadeau mee te brengen.

Eenmaal in het Heilig Land herinnerde de ridder zich zijn belofte en terwijl hij zijn hersens afpijnigde over een mooi cadeau, vond hij bij het graf van Jezus een noot die hij in zijn zak deed.

Thuisgekomen had hij voor iedereen cadeaus, maar niet voor de kleine Anna. Zijn vrouw stelde voor haar dan maar iets te geven dat niet uit het Heilig Land kwam. Zelfs dat vergat de ridder. Maar opeens herinnerde hij zich de noot en gaf hem aan Anna, die er erg blij mee was. Zij plantte hem in de tuin voor het kasteel en zag na enige tijd dat er een spruitje met drie takjes te voorschijn kwam. Zij was daar erg blij over, helemaal toen het spruitje een grote boom werd, die zijn drie takken ver uitspreidde.

Jaren gingen voorbij. Tot op een dag een geweldig onweer over de streek losbarstte. Met andere bomen werd ook de notenboom van Anna getroffen. Toen zij zag hoe haar boom erbij stond, werd ze erg treurig. Maar toen zij beter keek, zag ze midden in de gespleten stam een prachtig beeld van de gekruisigde Jezus staan. Nu pas begreep zij wat voor cadeau haar vader voor haar had meegebracht.

De wonderbare gebeurtenis in Riempst werd spoedig algemeen bekend. Geestelijken uit naburige steden trokken met duizenden mensen naar het dorp om zich van de waarheid te overtuigen.

De kleine Anna, die inmiddels groot was geworden, nam afscheid van de wereld en ging het klooster van de Witte Vrouwen van Maastricht in. Haar wonderbaarlijk kruisbeeld nam ze mee. Dit nu werd al heel gauw beroemd in de hele wereld en pelgrims uit alle landen kwamen de Christus van de Noot of het Zwarte Christusbeeld vereren. Velen vonden hierdoor genezing van hun kwalen.

Op 1 september 1796 sloten de Fransen het klooster van de Witte Vrouwen. Gelukkig vonden alle zusters een onderkomen bij familie. Een van de zusters, wier familie in de Wijkerbrugstraat woonde, nam het wonderbare beeld mee en hield het daar verborgen.

Napoleon I, die in september 1803 in Maastricht was, wist alles over het beeld en had bevolen het naar Parijs te brengen. Wat gebeurde? Men maakte van het beeld een replica en stuurde dat naar Frankrijk. Vanwege het Concordaat en de vestiging van het Franse keizerrijk mocht kort daarna de katholieke eredienst weer worden uitgeoefend. Weliswaar kon nu het kruisbeeld voor verering worden vrijgegeven, maar men wist niet goed waar het beeld te plaatsen. Alle parochies en kloosters wilden het dolgraag hebben, zo graag, dat de één het de ander misgunde.

Om dit op te lossen besloot men het beeld op een wagen te zetten, bespannen met vier ossen, en de dieren hun vrije gang te laten gaan. Aldus gebeurde. Eenmaal in beweging staken ze met z'n vieren de Maasbrug over en reden de kar door het noordelijk gedeelte van de Rechtstraat tot voor de Sint-Martinuskerk. Daar bleven de ossen staan, zij waren met geen stok meer vooruit of achteruit te krijgen. Dit was het zekerste bewijs dat het beeld deze kerk uitkoos als verblijfplaats.

Er is nog een verhaal te vertellen over dit wonderbare kruisbeeld. Toen het in de kerk van het klooster van de Witte Vrouwen in Maastricht stond, had een Hongaars edelman, gedreven door een godvruchtige begeerte, zijn hand door het traliewerk gestoken. Hij had een stukje van de hiel van Jezus afgesneden om dit relikwie ter nagedachtenis mee te nemen naar Hongarije. Maar toen hij zijn vingers door de tralies stak, verstijfde heel zijn hand en bleef aan het traliewerk vastzitten. In zijn angst bekende hij schuld en deed de belofte elke zeven jaar ter bedevaart terug te keren. Ook beloofde hij deze verplichting aan zijn erfgenamen op te leggen. Pas toen werd hij bevrijd.

De Hongaarse edelman hield zijn belofte en gaf de kerk een gouden miskelk. Met deze gift herstelde hij zijn eer, want hij wist natuurlijk wel dat hij iets erg oneerbiedigs had gedaan.

                                      * * * EINDE * * *
Bron : "Volksverhalen uit Limburg" samengesteld en bewerkt door Josien Stehouwer.
           Kempen Uitgevers B.V., Liempde, 2002. ISBN: 90-6657-301-5
Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door saagje om 00:00 12 reacties Reageer op dit bericht

De vos op de koningstroon

De vos op de koningstroon
Een Tibetaanse fabel over een vos die zich voordoet als koning der dieren
Een gulzige vos sloop op een keer stilletjes naar een dorp om een jonge eend te stelen. Op weg daarheen verzeilde hij per ongeluk in een ververij en viel in een emmer met verf. Dodelijk geschrokken kwam hij er met inspanning van al zijn krachten weer uit en nam overhaast de vlucht.

Toen hij nu zo door de velden rende, glinsterde zijn zojuist geverfde huid in de zonneschijn als een kostbaar brokaten gewaad. In het bos aangekomen herkende niemand hem meer; zelfs de vossen hielden hem voor een voorname gast van buiten het bos en vroegen hem waar hij vandaan kwam en wie hij was.

De vos wilde van deze gelegenheid gebruik maken en zei met een verdraaide stem: "Ik kom zojuist van Sakka, de God der Hemelen, ik ben de koning van alle viervoeters."

Vol eerbied bogen de vossen voor hem. Geen enkel dier in het uitgestrekte gebied had nog ooit zo'n prachtig gekleurd vel gezien, en daarom erkenden ze de vreemdeling als koning der viervoeters en daarmee tegelijkertijd als hun heerser.

Het nieuws had zich als een lopend vuurtje verspreid. Van heinde en verre kwamen de dieren aangelopen om hun koning te huldigen.

De heerser van alle viervoeters sloeg zijn troon op op de rug van de olifant, die hem nu overal heen droeg. Zo bezichtigde hij zijn rijk. Bij deze uitgebreide reizen werd hij omgeven door een schare sterke leeuwen als lijfwachten die hem beschermden. Alle dieren moesten hem hun schattingen betalen. En zo vielen de koning de fijnste en zachtste brokken van de jachtbuit ten deel. Hij voerde vele van deze nieuwe maatregelen in, die er echter alle op gericht waren zijn macht en aanzien te vergroten. Zoals alle vossen had ook de 'Koning der viervoeters' een uitgesproken gevoel voor familierelaties, en daarom wilde hij ook nog eens zijn moeder weerzien. Gaarne zou hij zijn geluk met haar gedeeld hebben.

De heerser riep vanaf de rug van de olifant een vos bij zich waarvan hij wist dat hij een goed geheugen had en snel kon lopen. "Loop hard," zei de heerser, "loop hard naar mijn moeder in het dal met de vele eenden en zeg haar: 'Lieve moeder, je zoon is koning der viervoeters geworden, deel dit geluk met mij en kom mee!' Daarna breng je haar direct bij mij. Jij bent verantwoordelijk voor haar veiligheid!"

De vos ging als bode op stap en vond na een paar dagen de moedervos in het dal, waarin zo veel eenden waren. "Mijn zoon koning?" zei ze. "Hmm, gedraagt hij zich goed of is hij verwaand en heerszuchtig?" De bode, die totaal uitgeput was van het lange lopen, gaf ten antwoord: "Ja, als ik eerlijk moet zijn, hij is inderdaad tamelijk heerszuchtig en verwaand. Hij zit altijd op een olifant en Iaat zich bewaken door leeuwen en tijgers. Hij handelt als een echte despoot en zijn onderdanen hebben vaak van zijn slechte humeur te lijden. Vooral voor ons vossen is het lang geen pretje. We moeten de smerigste karweitjes opknappen. Hij is wel een voornaam heer, maar hij is erg grillig en vaak niet om uit te staan."

De moeder van de vos was over deze mededeling helemaal niet te spreken. "Dat is bedroevend," zei de oude vossenmoeder, "breng hem maar de boodschap over dat ik hem niet zal bezoeken; eerst zal hij zich beter moeten gaan gedragen!"

De bode kwam bij het hof van de koning terug zonder zijn opdracht vervuld te hebben. Hij ging echter niet naar de koning, maar naar de onderdanen aan diens hof, zwaaide gewichtig en opgewonden met zijn staart en sprak: "Kom allemaal luisteren! We zitten met een bedrieger opgescheept. De koning der viervoeters is net zo'n vos als wij; hij is afkomstig uit het dal met de vele eenden. Ik heb met zijn moeder gesproken en die ziet er precies zo uit als wij en is een heel gewone, eenvoudige vos."

De dieren werden rood van schaamte en woede omdat ze bij de neus genomen waren. Een van de wachthebbenden kwam tenslotte op een goed idee en zei: "We moeten de zaak onderzoeken. Iedere vos begint te janken als hij andere vossen hoort janken. Alle vossen aan het hof moeten daarom na een geheim teken van de olifant beginnen te janken. Als onze koning nu een gewone vos is, zal hij zonder erbij na te denken met het gejank instemmen."

Zo gezegd, zo gedaan. De dieren kwamen overeen dat de olifant die middag bij het uitrijden met zijn slurf zou trompetteren. Op dit teken zouden alle vossen in koor gaan janken. Alle dienaren aan het hof en de wachten, alle koks en andere bedienden wachtten met spanning op het teken. Toen trompetterde de olifant en alle vossen begonnen om 't hardst te janken. De koning, die trots en verwaand op de rug van de olifant zat, jankte plotseling uit alle macht mee.

Toen begonnen de dieren te schreeuwen en door elkaar te krijsen: "Bedrieger, zwendelaar! Het is een vos! Weg met hem! Pak hem in zijn kraag!"

De olifant gaf nog eenmaal een trompetsignaal en donderde: "Ellendige booswicht! Hoe kom je erbij om op mijn rug door het land te reizen? Hola hoep!" En bij die laatste uitroep wipte de olifant wat in de hoogte en wierp de vos met een grote boog op de grond, zodat de koning der viervoeters in de sloot langs de weg terechtkwam. De dieren lachten zich slap en moesten hun buik vasthouden.


                                      * * * EINDE * * *
Bron : "Chinese volkssprookjes"
           uitgegeven door Elmar, Rijswijk, 1990. ISBN: 90-6120-8343
Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door saagje om 00:37 7 reacties Reageer op dit bericht

De kokospalm

De kokospalm
- volkssprookje -
Soms is het moeilijker te leven dan te sterven. Toen de vader van Rahim en Rahman stierf, liet hij alleen maar schulden achter. Zijn zoons verkochten alles, maar ondanks dat konden ze maar een klein gedeelte van wat hun vader de mensen schuldig was, afbetalen. De broers hadden daar veel verdriet van. Ze wilden niet, dat hun vaders naam te schande werd gemaakt.

Op een dag besloten de broers: "We kunnen het beste de wijde wereld in trekken. Als we geluk hebben kunnen we rijk worden en betalen we alle schulden af. En als we geen geluk hebben, dan hoeven we niet te luisteren naar wat de mensen over vader vertellen."

En zo gingen Rahim en Rahman de wijde wereld in. De eerste nacht moesten ze in een diep> bos doorbrengen. Ze gingen onder een hoge boom liggen en hadden allebei dezelfde droom. In hun droom verscheen een grijsaard met een witte baard die tegen hen zei:

"Als jullie de goede naam van je vader wilt redden, moet één van jullie zijn leven opofferen. Als een van jullie de ander zijn hoofd afslaat en dat hoofd in de grond stopt, zal daar een boom met zeldzame vruchten uit groeien. Met de oogst daarvan kunnen jullie de schuld van je vader aflossen." De volgende morgen maakte Rahim zijn broer wakker, gaf hem zijn zwaard en zei:

"Rahman, ik droomde vannacht, dat je mijn hoofd moet afslaan en in de aarde stoppen. Dan kunnen we de schuld van vader aflossen."

Maar Rahman wilde daar niets van horen. Hij trok zijn zwaard en gaf het aan Rahim: "En ik heb gedroomd, dat jij mijn hoofd er af moet slaan."

Lange tijd overlegden de broers, wie z'n leven zou opofferen. Tenslotte zei Rahim tegen Rahman:

"Ik ben de oudste, ik mag het zeggen. Jij bent jonger en moet me gehoorzamen. Jouw lot is niet makkelijker dan het mijne. Soms is het moeilijker te leven dan te sterven. Daarom moet je me gehoorzamen en doen wat er gedaan moet worden." En zo gebeurde er wat Rahim zei. Rahman sloeg met één slag het hoofd van zijn broer af en stopte het in de vruchtbare grond.

Een jaar lang huilde Rahman om Rahim; een heel jaar wachtte hij af, wat er uit het hoofd zou groeien. Na een jaar stond er een grote boom en weer een jaar later droeg de boom grote vruchten. Ze waren zo rond als een hoofd en zo hard als een noot. Rahman plukte een mand vol, wierp de mand over zijn schouder en bracht de vruchten naar de veiling. De mensen op de veiling kwamen allemaal kijken. "Zeg jongen, wat zijn dat voor vruchten? Zulk fruit hebben we nog nooit gezien."

Toen men een vrucht openmaakte liep er zoete melk uit, en toen de vrucht helemaal openbrak vonden ze er zoet vruchtvlees in.

Ook de mensen aan wie zijn vader nog geld schuldig was, kwamen kijken en ze zeiden:

"Verkoop ons honderd van deze noten en we geven je daarvoor honderd gouden dukaten, dan heb je meteen de schulden van je vader betaald."

Zo betaalden de broers de schulden van hun vader, zo redden ze zijn goede naam en bewezen ze de mensen op de hele wereld een goede dienst. Sinds die tijd groeit de boom overal. Vanaf die tijd eten de mensen kokos van de kokospalm.


                                      * * * EINDE * * *
Bron : "De betoverde tuin" door Marie Mrstikova. Nederlandse vertaling van Els Nuijen.
           Uitgeversmaatschappij Holland, Haarlem, 1978. ISBN: 90-251-0297-2
Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door saagje om 05:37 7 reacties Reageer op dit bericht

Wonderdokter

Wonderdokter
- toverboek -
Xavier bezat een toverboek waarin alle namen stonden van de mensen voor wie hij bad.
's Nachts kon de man niet slapen, omdat de duivel hem niet met rust wilde laten.

Daarop sprak zijn tante:
"Ga naar de kerk, dan heeft de duivel je niet langer in zijn macht.

Xavier schilderde een lantaren aan de ene kant in het rood en aan de andere kant in het wit.
Met die lantaren ging de man voortaan iedere zondag om zes uur naar de mis.

Wanneer er iemand ziek was, zei Xavier altijd:
"Ik zal voor u bidden".

Sinds Xavier de zweer van een man had genezen met zijn gebed, groeide hij uit tot een wonderdokter.


regio : Diepenbeek                                                               verzamelaar - W.Achten -
Bron : Vlaamse Volksverhalenbank
                                                 © Seminarie voor Volkskunde K.U.Leuven
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 18:26 2 reacties Reageer op dit bericht

De maagd van de Lorelei

De maagd van de Lorelei
- Een Duitse legende van de zingende sirene langs de Rijn -
Stroomafwaarts van Kaub aan de Rijn, aan de voet van de hoog oprijzende rotsmassa van de Lorelei, hadden in oude tijden de waternimfen hun koninkrijk. In het ruisende water stonden glinsterende paleizen, omgeven door groene weiden en statige wouden.

Naarmate er meer en meer mensen op de rivieroever kwamen wonen en de rivier drukker bevaren werd door vrachtboten en grote schepen, verlieten de waternimfen droevig hun plek. Slechts een van hen bleef achter, want zij kon geen afscheid nemen van haar geliefde rivier. Vaak zat zij boven op de rots, haar gouden haren kammend in het maanlicht, terwijl zij met haar betoverende stem wonderschone melodieën zong, die iedereen die ze hoorde beheksten.

Menige schipper die naar haar zoete gezang luisterde kon de drang niet weerstaan naar de maagd op te kijken, en raakte dan zo in de ban van haar schoonheid dat hij de gevaren die zijn boot bedreigden niet bemerkte. En zo gebeurde het vaak dat boot en schipper gegrepen werden door de verraderlijke maalstroom, en verzwolgen werden in diens diepten.

Gedurende de middeleeuwen, toen de trotse kastelen langs de Rijn weerklonken van wapengekletter, zang en vrolijk gelach, besloot een jonge ridder - de zoon van graaf Palatinus - de steile rots te beklimmen en de mooie nimf van dichtbij te bezien.

Hij voer de Rijn af in een kleine boot, slechts vergezeld door zijn schildknaap. Toen hij de voet van de rots naderde, zag hij de maagd op de top zitten, in de laatste stralen van de avondzon. Het geluid van haar stem behekste hem zo volledig dat hij alles vergat, en de machtige rivier smeet zijn lichte schip tegen de scherpe rotsen, waar het zonk, en de ridder ging mee ten onder. De schildknaap, die kans zag zichzelf te redden, bracht de graaf het droevige nieuws.

Vol verdriet en woede gaf de graaf Palatinus zijn dienaren opdracht de maagd gevangen te nemen, en haar vanaf haar hoge rots in de rivier te smijten. Terwijl de mannen haar naderden maakte zij een parelketting van haar hals los en wierp deze in de Rijn, zingende:

Vader die in het water huist,
red mij van die mannen, zij zijn niet pluis!
Stuur de witte paarden naar mij nader,
opdat ik rijden mag op wind en water!
Terstond rezen twee golven op uit de rivier, als grote, glanzende paarden. Ze klommen tot bovenaan de rots en namen de nimf met zich mee in het water, waar zij voor eeuwig verdween.

                                      * * * EINDE * * *
Bron : "Heksenstreken. Betoverende verhalen uit de hele wereld" door Shahrukh Husain.
           Uitgeverij BZZTôH, 's-Gravenhage, 1994. ISBN: 90-5501-056-1
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:00 2 reacties Reageer op dit bericht

Waarom de klaproos zo rood is als bloed

Waarom de klaproos zo rood is als bloed
- sprookje -
Er was eens een arme weduwe die niets anders bezat dan -"-"een oude hut en een zoontje. Het was een jongen naar wie je met plezier keek; zijn ogen waren net sterren, hij had wangetjes als rozen en zijn haar leek wel van goud. Zijn moeder had alleen maar plezier van hem, want hij hielp haar waar hij kon.

Hoewel ze allebei zo hard mogelijk werkten, heerste er in het huisje toch vaak honger, vooral toen de arme weduwe ziek werd.

"Hoe moet dat nou met ons, jongen, we zullen van honger sterven," klaagde ze en ze wist niet wat ze moest doen. Toen de nood op zijn hoogst was dacht ze plotseling aan haar bruidsdoek in de sierkast. Ze had hem van haar moeder gekregen, de doek was helemaal geborduurd. Voor zo'n doek moest men vroeger goud betalen.

"Hier heb je mijn bruidsdoek, jongen. Neem hem mee en ga naar je oom in het naburige dorp. Hij is rijk en zal je daar zeker een zak meel en een stuk kaas voor geven, anders verhongeren we."

De brave jongen vouwde de doek op, stopte hem in zijn tas en ging zonder aarzelen op weg.

De weg was niet makkelijk, hij voerde hem door een diep bos en over een barre vlakte. Tenslotte moest hij over een hoge berg die bezaaid was met stenen en rotsen. Zijn moeder was bezorgd. Ze was bang dat hij ergens in het bos zou verdwalen, of dat de wilde dieren hem zouden verscheuren. Maar de jongen had zijn moeder gerustgesteld:

"Voor de zon achter het bos verdwijnt, ben ik weer terug en wordt alles goed." Maar toen de zon achter het bos verdwenen was, was de jongen nog niet thuis. Zijn moeder ging de deur uit, sloeg vlug een doek om haar schouders en liep haar zoontje tegemoet. Ze was bang, dat haar jongen iets overkomen was en die angst gaf haar kracht. Hoewel ze nauwelijks adem kon halen liep ze door en riep ze steeds: "Zoon, zoontje, waar ben je?"

Ze rende door het bos, over de woeste vlakte en over de hoge berg. Ze lette er niet op, dat ze nauwelijks meer kon lopen.

Ze merkte niet dat haar voeten onder het bloed zaten van de doornen en de stenen. Ze rende steeds verder en riep: "Zoon, zoontje, waar ben je?"

Helemaal boven op de top van de berg hoorde ze plotseling uit de verte een zachte stem: "Moeder, moedertje, hier ben ik!"

Onderweg was de jongen uitgegleden op een steen en hij was de helling afgerold in een ravijn, waar hij zonder hulp niet uit kon komen.

Zijn moeder vond hem, nam hem in haar armen, kuste hem liefdevol en langzaam gingen ze op weg naar huis. Maar toen ze over de barre vlakte liepen keken ze verbaasd op. Waar vroeger de doornstruiken groeiden, bloeiden nu overal prachtige rode bloemen. Ze waren gegroeid uit het bloed van de voeten van de moeder.

Zo is de klaproos op de wereld gekomen. Vanaf die tijd groeien ze overal, waar men kijkt. Maar de meeste staan om het huisje, waar de arme weduwe met haar zoontje woonde. Sinds de tijd dat ze daar bloeiden verdwenen als door een wonder de ellende en de armoe in het huisje.

                                      * * * EINDE * * *
Bron : "De betoverde tuin" door Marie Mrstikova.
           Nederlandse vertaling van Els Nuijen.
           Uitgeversmaatschappij Holland, Haarlem, 1978. ISBN: 90-251-0297-2
Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door saagje om 00:16 7 reacties Reageer op dit bericht

Kasteel Batestein en de Grote Geus

Kasteel Batestein en de Grote Geus
- historisch verhaal -
Van kasteel Batestein, aan de rand van de binnenstad van Vianen, bestaan nu nog maar een paar resten. Niets herinnert er meer aan dat op dit kasteel rond 1565 wereldgeschiedenis werd geschreven. Het was de plek waar de edelen uit Nederland samenkwamen om te bespreken hoe ze iets konden doen tegen de keiharde maatregelen van de Spaanse bezetter, en dan vooral de kerkelijke inquisitie.

Kasteel Batestein was het domein van Hendrik van Brederode, de leider van het Verbond der Edelen dat - heel voorzichtig, heel strategisch - in actie kwam tegen de Spanjaarden. Op het kasteel werd het eerste concept geschreven van het beroemde Smeekschrift der Edelen.

Eind maart 1565 vertrokken de edelen naar Brussel, waar zij hun smeekschrift aan de landvoogdes Margaretha van Parma wilden aanbieden. Als laatsten verscheen, op 5 april 1565 's middags tussen twaalf en een, ook Hendrik van Brederode - hij trotseerde eventuele preventieve acties van het Spaans gezag. Hij vormde de staart van een lange stoet van wel 400 edelen. Van Brederode voerde het woord. Hij legde er de nadruk op dat de edelen geen oproer kraaiden, en dat hun geschrift ook niet tegen het Spaanse gezag was gericht: ze wilden slechts verzachting van maatregelen tegen de aanhangers van de nieuwe godsdienst, het protestantisme, en opschorting van de inquisitie. Het optreden van de edelen was waardig en hun smeekschrift uitgesproken beheerst.

Margaretha zegde Hendrik van Brederode toe dat zij de boodschap aan Madrid zou overbrengen en kondigde alvast enige matiging af in de maatregelen tegen ketters. Hendrik bood na afloop van de geweldloze demonstratie zijn honderden vrienden een feestmaal aan. Daar sprak hij ze toe en hij vermeldde dat Graaf de Barlaymont, een van Margaretha's naaste adviseurs, haar bij de aanbieding had toegesfluisterd: "Ce ne sont que des gueux." (Het is maar een stelletje bedelaars). Hendrik stelde voor dat de protestbeweging vanaf dat moment "Geuzen" als erenaam zou gaan gebruiken. Dat voorstel werd met een luid "Vive les Gueux!" beantwoord.

Maar het smeekschrift had weinig effect. De Spaanse koning Filips II had geen enkel mededogen met de ketters in Holland. Ook nieuwe smeekschriften hielpen niet. Het gevolg was hooguit dat Hendrik van Brederode steeds meer als de vijand van Spanje werd gezien.

Margaretha van Parma, die in Vianen een spion had zitten, werd op de hoogte gehouden van alle subversieve activiteiten daar, zoals het feit dat in Vianen "livres mauvais" werden gedrukt: slechte boeken, boeken dus waarin de nieuwe godsdienst werd aangeprezen. Vanaf 1563 werden namelijk - met goedkeuring van Hendrik van Brederode - boeken en pamfletten gedrukt die elders verboden waren. Als vrijheer van Vianen trok Hendrik van Brederode zich niets aan van de censuurregels die door koning Filips II werden uitgevaardigd.

In Vianen heerste ook vrijheid van godsdienst. Van de Beeldenstorm, die inmiddels vanuit de zuidelijke contreien over de Nederlanden raasde, moest Hendrik weinig hebben. Dat de heiligenbeelden uit de kerken werden weggehaald, kon hij billijken, dat ze werden kapotgeslagen, vond hij te ver gaan.

Het vreedzame verzet van de edelen werd langzaam grimmiger en gewelddadiger. Kasteel Batestein werd een van de haarden van de gewapende actie. Vianen begon versterkingen rond de stad te bouwen. Dat Hendrik kanonnen had gekregen van Willen van Oranje viel bij de Spanjaarden niet in goede aarde. Van Brederode vond dat onzin, hij liet hen weten dat hij zijn kleine stadje slecht wilde verdedigen tegen "geboefte, rovers en snaphanen."

Maar wanneer koning van Spanje Filips II de hertog Alva naar de Nederlanden stuurt om de oproer de kop in te drukken wordt Vianen ingenomen. Van Brederode was al weg om Amsterdam te verdedigen en Hendriks bezittingen vervallen aan de Spaanse koning. Grote delen van de muren om de stad worden geslecht, de poorten onklaar gemaakt, passages door de grachten gelegd; Vianen wordt een ontmantelde vesting en zou dat altijd blijven.

                                      * * * EINDE * * *
Bron : "De Brug. Een theatrale reis door de geschiedenis van Vianen en Vreeswijk in acht episoden en twaalf            gedichten"
           uitgegeven ter gelegenheid van locatieproject 'De Brug', gespeeld op 5, 6 en 7 juli 2007 in Vianen en            Vreeswijk. Uitg. J. Olivierse, Vianen, 2007.
Hoe vind je dit bericht? 2 stemmen
Geschreven door saagje om 00:00 6 reacties Reageer op dit bericht

Hoe Zebra aan zijn strepen komt

Hoe Zebra aan zijn strepen komt
- Een Afrikaanse fabel over een onverstoorbare grazende zebra -
Lang geleden, toen de wereld nog helemaal nieuw was, waren de dieren ook nog nieuw. Ze hadden geen hoorns en geen mooie vachten. Ze hadden niets om zich in te verstoppen en niets om mee op te scheppen. Van alle dieren was Zebra de enige die het wel best vond. "Waarom zouden we hoorns en een vacht moeten hebben?" zei ze. "Wat doet het ertoe hoe we eruitzien? We hebben toch genoeg lekker vers gras te eten?"

Maar ondanks al dat gras bleven de andere dieren naar een vacht en hoorns verlangen. En ze bleven geloven dat ze die nog wel een keer zouden krijgen.

Op zekere dag was het zover. De zon kwam op boven de heuvels. De nevel trok weg over het meer. Net als op elke andere morgen kwamen de dieren water drinken. Ze keken omhoog en plotseling wisten ze het. Vandaag zou het gebeuren. Bij de grot aan de overkant van de vlakte. Als de zon halverwege zijn hoogste punt stond. En het zou zijn: wie het eerst komt, het eerst maalt. Opgewonden gingen ze in de rij staan. Ze hielden de zon goed in de gaten en wachtten tot het tijd was om op weg te gaan. Zebra was de enige die er niet bij stond. Ze had het veel te druk met eten.

"Hé, Zebra! Ga jij niet mee?" riep Sabel, de antilope.

"Nog één hapje," zei Zebra.

"Maar we gaan zó weg," riep Koedoe, een neef van Sabel. "Trouwens, kijk eens naar de zon. We gaan nu meteen."

"Nog één hapje," zei Zebra. De andere dieren renden weg over de vlakte. "En nog een hapje... nog ééntje... het gras is ook zo lekker vers en zacht..." zei ze toen Olifant al bij de grot was; Sabel kwam na Olifant en Koedoe kwam achter Sabel.

"Eentje nog. En nog een," toen de andere dieren in een rij achter Koedoe gingen staan. Ze keken met grote ogen naar de prachtigste hoorns en de schitterendste vachten. "En nog een," toen Olifant de mooiste vacht in de wacht sleepte met de ongelooflijk lange, ongelooflijk sterke neus die erbij hoorde. "En nog een," toen Sabel een zijdeachtige vacht uitkoos, met een prachtige, warme zandkleur. Ze koos ook een paar lange hoorns om mee te kunnen vechten. "En nog een," toen Koedoe een grijze vacht aantrok met een paar elegante strepen en dolgelukkig was met zijn kurkentrekkergewei. "En nog een, en nog een, en nog een," toen de andere dieren wildenthousiast hun keus maakten en de vlakte op stoven om zich uit te leven en op te scheppen...

"O nee toch!" zei Olifant. "Ben je nu nog steeds aan het eten? Wil jij geen vacht en hoorns?"

"Wat?" zei Zebra en ze stopte even met eten. Nu was het háár beurt om grote ogen op te zetten. Wat zagen de dieren die terugkwamen er fantastisch uit in hun mooie nieuwe kleren! "Eh, nee, ik ben uitgegeten. Ik was net van plan om te gaan," zei ze vlug. Ze zag zichzelf ook al zo mooi aangekleed. Net zo'n neus als Olifant, net zo'n vacht als Sabel en hoorns zoals Koedoe. Zo snel ze kon draafde Zebra naar de grot aan de overkant van de vlakte. Maar daar wachtte haar een enorme teleurstelling! De hoorns waren op. Er was nog maar één ongelijk paar, en dat werd net vol trots door de bijziende Rino, de neushoorn, opgezet. En vachten waren er ook niet meer, zo te zien. En toen zag Zebra hem! De laatste vacht, de lelijkste vacht, een drukke, opzichtige vacht. Hij had vreselijk opvallende zwarte en witte strepen. Niemand had die vacht willen hebben; hij lag verloren op de platgetrapte aarde.

"Wat zullen ze me uitlachen als ik daarin terugkom," zei Zebra. "En nog zonder hoorns ook." De tranen sprongen in haar ogen. Maar plotseling viel haar iets op aan de vacht. Eigenlijk was druk en opzichtig zo erg nog niet. Eigenlijk was druk en opzichtig wel leuk. Haastig pakte ze de vacht op, schudde hem uit en paste hem aan. En ze wist meteen dat ze hem nooit meer zou uittrekken.

"Deze is voor mij gemaakt!" riep ze. "Hij past precies! Wie wil er nou zo'n saaie vacht die iedereen heeft! Of van die grote onhandige en ingewikkelde hoorns!" Ze was weer helemaal gelukkig en draafde over de vlakte terug naar het meer. Maar toen ze daar aankwam, kwamen de andere dieren bijna niet meer bij van het lachen.

"Daar hebben we de Hoornloze!" lachten en spotten ze. "Ha die Hoornloze! Ze had het zo druk met eten dat ze die drukke, opzichtige vacht, die niemand wilde, wel moest nemen!" Maar Zebra hoorde het niet. Want het kon Zebra eigenlijk niets schelen. Ze had namelijk al ontdekt waarom ze deze vacht plotseling zo graag had willen hebben. Dat kwam door de ENORME mond met de ENORME elastieken lippen!

"Het kan niet beter," zei ze vol aandacht voor een grote pol sappig groen gras, "voor iemand zoals ik die alleen maar denkt aan nog een hap... en nog een... en nog een... en nog een... en nog een... en..."

                                      * * * EINDE * * *
Bron : "Wie is het slimst? Dierenverhalen uit Afrika" door H. Oram.
           uitgegeven door Lemniscaat, Rotterdam, 1997.
Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door saagje om 00:00 4 reacties Reageer op dit bericht

Het gevonden geld

Het gevonden geld
- Een grappig verhaal over het bewaren van een geheim -
Dicht bij Kampen, in een klein dorpje, woonden een man en een vrouw met een boel kinderen, die hun kost verdienden met vissen, weven en wild strikken.

Eens, op een avond, toen de man uitging om nog even naar zijn zalmfuik en zijn vosseval te kijken, vond hij op de weg een grote zak met geld. In plaats van naar de zalmfuik en naar de vosseval te kijken, ging hij gauw naar huis terug om zijn Griet eens met de zak vol geld te verrassen. Toen hij evenwel dicht bij huis was, bedacht hij zich en zei tegen zichzelf: als ik dat aan mijn vrouw vertel, dan is er een grote kans dat morgen iedereen het weet.

Hij ging daarom op zijn schreden terug, zette de zak met geld achter een dikke boom en ging naar de vosseval en de fuik: in de val zat een vos en in de fuik een zalm. Hij maakte ze allebei dood en stopte de vos in de fuik en de zalm in de val, en daarna ging hij naar zijn Griet, die druk zat te weven.

"Och Griet," riep hij, "ga toch eens gauw met mij mee. 't Is zo donker, ik was al helemaal verdwaald." Griet bedacht zich niet lang en ging met Piet mee. Onderweg kwamen ze langs het gemeentehuis, waar nog laat licht brandde omdat ze aan het schoonmaken waren.

"Wel nog aan toe," zei Griet, "er is nog licht in het raadhuis en dat zo laat op de avond." - "Ja," zei Piet, "'t is nu net de nacht dat de veldwachter met de duivel afrekent."

"Och Piet, is dat waar?"

"Zeker," antwoordde Piet, "weet je dan nog niet dat de veldwachter eenmaal in het jaar met de duivel afrekent." - "Nee, dat wist ik niet," zei Griet.

Eindelijk kwamen ze bij de fuik en daar vonden ze een vos en in de vosseval een dikke zalm. Toen gingen ze weer naar huis toe, maar onderweg zei Piet: "Het regent zo, Griet, we gaan hier even onder die boom schuilen." En toen ze daar gingen zitten, vond Griet de grote zak met geld.

"Nu Griet," zei Piet, "nu maar gauw naar huis, zodat geen mens het gewaarwordt en denk erom dat je tegen niemand iets zegt van het geld dat je hebt gevonden."

"Nee, waarachtig niet," zei Griet.

Het duurde echter niet lang of Griet moest het toch eens even aan haar buurvrouw Trijntje vertellen; die zou het toch aan niemand verder vertellen. Ja maar, pas op: Trijntje vertelde het aan Marietje, en Marietje aan Jannetje en toen wist het hele dorp gauw dat Piet en Griet geld hadden gevonden. Het duurde dan ook niet lang of Piet en Griet moesten op het raadhuis komen om het geld terug te geven.

"Wij hebben geen geld gevonden," zei Piet.

"Maar," zei de burgemeester, "je vrouw zegt het toch."

"Ja mijnheer de burgemeester," zei Piet, "mijn vrouw zegt zo veel; die heeft ze soms niet alle vijf bij elkaar."

"Wel drommels nog aan toe, wil je mij voor gek uitmaken?" riep Griet. "Ik weet nog heel goed wanneer het gebeurd is. 't Was in de nacht dat de veldwachter met de duivel afrekende en dat we in de fuik een vos vingen en in de vosseval een zalm."

"Nou mijnheer de burgemeester, wat zeg je me daarvan?" vroeg Piet.

"Ik hoor het al," zei de burgemeester, "ga maar naar huis."

                                      * * * EINDE * * *
Bron : "Volkssprookjes uit Nederland en Vlaanderen"
           door J.R.W. Sinninghe. Den Haag, 1978.
Hoe vind je dit bericht? 2 stemmen
Geschreven door saagje om 00:00 11 reacties Reageer op dit bericht

De legende van de baobab

De legende van de baobab
- Een Afrikaanse legende over de herkomst van de baobabboom -
Eén van de bij toeristen meest tot de verbeelding sprekende boomsoorten in Oost-Afrika is de Baobab (swahili: mbuju). De boom heeft een keiharde, gladde stam die vaak aan de bovenkant plotseling versmalt, waardoor hij de vorm heeft van een fles. Maar het meest opvallende van de boom is zijn grillege netwerk van kale takken. Met een beetje fantasie lijkt het erop of een Baobab ondersteboven in de grond is geplant, iets wat inspiratiebron was voor de volgende lokale legende:

"Er was eens een hele belangrijke koning met slechts één slechte eigenschap; hij was bijzonder ijdel. Hij vond zichzelf veruit het mooiste wezen in het land en duldde niet dat een van zijn onderdanen er ook maar het kleinste vraagtekentje bij zette. Zijn volk keek wel uit, want de koning was een sterk en machtig man die niet bekend stond om zijn tolerantie.

Toch was er één wezen in het rijk van de koning die zo mogelijk nog ijdeler was en bovendien het lef had om er hardop voor uit te komen: een reusachtige Baobabboom.

Het was een imposante verschijning met een dikke stam en een weelderige kroon van groene bladeren. De koning ontstak in woede toen hij de Baobab hoorde vertellen dat hij veel mooier was. Als straf rukte hij de boom uit de grond en zette hem op zijn kop weer terug. Uit solidariteit met hun soortgenoot deden alle andere Baobabs in het land hetzelfde waardoor het sinds die tijd lijkt of de Baobab met zijn wortelstelsel in de lucht steekt."

                                      * * * EINDE * * *
Bron : http://www.boombastik.nl/ en http://home.wanadoo.nl/kampie.
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:00 9 reacties Reageer op dit bericht

Meer van 'VOLKSVERHALEN'

↑ Terug naar de berichten