Naar de inhoud

'VOLKSVERHALEN'

akke.beakke.be
Problemen
Er zijn nogal wat problemen met het lezen van de teksten, daarom volgende tip :
Met de muis links klikken en over de tekst schuiven.
De tekst verschijnt duidelijk leesbaar.

Categorie: sprookjes

De waternimf

De waternimf
- Een Duits sprookje over een nimf die op de bodem van een bron woont -
Een broertje en zusje speelden eens bij een bron, en terwijl ze zo speelden, plompten ze er allebei in. Beneden was een waternimf, en die zei: "Nou heb ik jullie, nou kun je mooi voor me werken," en ze sleurde hen mee. Het meisje gaf ze verward, lelijk vlas te spinnen, en ze moest water scheppen in een hol vat, en de jongen moest een boom kappen met een stompe bijl, en ze kregen niets te eten dan keiharde meelballen.

Toen werden de kinderen tenslotte zo ongeduldig, dat ze wachtten tot op een zondag de nimf naar de kerk was en toen liepen ze weg. De kerk was uit en nu zag de nimf dat de vogels gevlogen waren en ze zetten hen na met grote sprongen. De kinderen zagen haar al uit de verte, en het meisje gooide een borstel achter zich, en dat werd een grote borstelberg, met duizenden en nog eens duizenden stekels, waar de nimf met grote woede overheen moest klimmen, maar eindelijk kwam ze toch aan de andere kant.

Toen de kinderen dat zagen, gooide de jongen een kam achter zich, dat werd een grote kamberg met duizendmaal duizend tanden, maar de nimf wist er zich aan vast te houden en kwam er tenslotte toch overheen.

Eindelijk gooide het meisje een spiegel naar achteren, en die werd een spiegelberg, zo glad, zo glad, dat ze er onmogelijk over kon. Toen dacht ze: "Ik zal gauw naar huis gaan en mijn bijl halen en de spiegelberg in stukken hakken." Maar terwijl ze terug kwam en de spiegelberg in stukken hakte, waren de kinderen al lang ver weg, en de waternimf moest haar toevlucht weer tot de bron zoeken.


                                      * * * EINDE * * *
Bron : "De sprookjes van Grimm; volledige uitgave" vertaald door M.M. de Vries-Vogel.
           Unieboek BV - Van Holkema & Warendorf, Weesp, 1984.
           Oorspronkelijke titel: Die Wassernixe
           Engelse tekst: The Water Nixie
Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door saagje om 22:56 7 reacties Reageer op dit bericht

Zo kwamen de vruchten op de wereld

Zo kwamen de vruchten op de wereld
- Een Zuid-Amerikaans sprookje over een tapir en een toverboom -
Toen de aarde nog niet zo lang bestond, waren er geen vruchten. De mensen wisten niet wat een banaan was en kenden geen ananas, cassave of aardappelen. De mensen hadden honger en ook de dieren hadden niets te eten, alleen de tapir zag er goed doorvoed uit. Iedere morgen ging hij ergens heen en iedere avond kwam hij met een volle maag terug. Al gauw hadden mensen en dieren dit in de gaten en ze zeiden:

"De tapir heeft zeker een plekje gevonden, waar genoeg te eten is. We zullen hem volgen. Het beste kan er een muis achter hem aanlopen, die is klein en slim. Dat zal de tapir niet merken."

De volgende dag ging de muis stilletjes de tapir achterna. Ze achtervolgde hem tot midden in het oerwoud. Daar was een heuvel en op die heuvel stond een grote boom. Het was een toverboom. Aan zijn takken hingen allerlei soorten vruchten. Bananen, ananas, cassave en aardappelen, maïs, suikerriet en meloenen, kortom: alles, wat mensen en dieren tegenwoordig graag eten.

De tapir ging onder de boom staan en verzamelde alles wat er naar beneden viel. Hij at, tot hij zijn buik vol had. Toen ging hij liggen en viel in slaap.

Hij had niet gemerkt dat de muis hem was gevolgd en hij hoorde ook niet dat de muis begon te eten. De muis at, tot haar buikje kogelrond was. Toen ze helemaal vol zat haastte ze zich naar de andere dieren en de mensen om te vertellen, waar de tapir naar toe was gegaan om zich vol te eten. Als bewijs had ze een maïskorreltje meegenomen. De mensen en dieren waren dolblij. De volgende dag gingen ze allemaal met het muisje mee. Ze moesten een heel eind lopen, tot de muis midden in het oerwoud bij een hoge boom stilstond. De boom stond boven op een heuvel en aan zijn takken hingen alle soorten vruchten. En wat rijp geworden was, viel naar beneden. De mensen en dieren aten tot ze niet meer konden. Toen probeerden ze in de boom te klimmen. Ze wilden er allemaal een tak afbreken om die in hun eigen dorp te planten. Maar de boom was te hoog, te dik en te glad. De mensen en dieren konden er niet in klimmen en ze zeiden: "We moeten de boom omhakken."

Tien dagen lang probeerden ze de boom te vellen, maar hij bleef overeind staan. Twintig dagen hanteerden de mensen en dieren de bijl, maar de boom bewoog niet één keer. Er waren dertig dagen voor nodig om de boom eindelijk om te krijgen. Toen kon een ieder nemen, wat hij wilde. De één nam bananen, de ander ananas, een derde de cassave, de vierde aardappelen en weer een ander nam suikerriet en meloenen. En ze namen ieder hun deel mee naar hun eigen dorp. Daar plantten ze het in vruchtbare aarde. En zo zijn de vruchten op de wereld gekomen.


                                      * * * EINDE * * *
Bron : "De betoverde tuin" door Marie Mrstikova.
           Nederlandse vertaling van Els Nuijen.
           Uitgeversmaatschappij Holland, Haarlem, 1978. ISBN: 90-251-0297-2
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:00 2 reacties Reageer op dit bericht

De verboden toren

De verboden toren
- Een Italiaans cultuursprookje over het geheim van de zon -
In een land ver van hier, ligt een diep dal. In dat dal hangt altijd een dichte mist. De mensen die er wonen hebben nog nooit de stralende zon gezien. Ook naar de maan en de sterren kunnen ze nooit kijken. Geen mens is ooit de berg opgeklommen. Niemand heeft ooit gezien wat er aan de andere kant is. De oude grote mensen zeggen tegen de jonge grote mensen: "Ons dal is het mooiste van de hele wereld. Ons dal is de hele wereld."

De jonge grote mensen zeggen tegen hun kinderen: "Alles wat we nodig hebben, is in ons dal te vinden. En het is de mooiste plek die er bestaat."

De kinderen geloven dat. Als ze zelf groot zijn, vertellen ze het door aan hun kinderen.

Zo gaan er jaren en eeuwen voorbij.

In het dal ligt een nevelstad, die Bruma heet. Buiten de stad wonen een jongen en zijn opa in een huisje. Altijd als er mensen langs dat huisje komen, wijzen ze ernaar. Dan zeggen ze: "Daar wonen Stefan en zijn opa, de Grapjas."

Opa beweert namelijk dat er achter de bergen een andere wereld is, vol zonlicht en kleuren. Je bent gek als je zoiets denkt, zeggen de mensen. Daarom hebben ze Stefan en zijn opa uit de stad verjaagd. Maar Stefan weet zeker dat zijn opa de waarheid vertelt.

Hij zou graag laten zien dat de oude man gelijk heeft. Op een dag zegt opa: "Luister Stefan. Ik ben te oud om de berg te beklimmen. Misschien zul jij dat later ooit eens doen. Dan zul je de weg naar het licht vinden. Nu kun je dat nog niet. Je moet wachten tot je groot en sterk bent. Dan kan niemand je tegenhouden."

's Nachts ligt Stefan wakker. Hij denkt: Ik wou dat opa het zonlicht een keer kon zien voor hij sterft. En hij besluit om in het geheim op pad te gaan. Het is erg donker, maar Stefan loopt dapper door. Hij hoort de ruisende rivier die zegt: "Ga niet, je verdoet je tijd!" Een uil krast: "Ga niet, buiten dit dal bestaat er niets moois." De wolven huilen: "Ga niet verder, want dan zul je sterven."

Stefan is bang. Toch loopt hij verder en verder, tot de ochtend aanbreekt.

De mist in het dal is nu erg dicht. Stefan staat op de top van een berg. Voor het eerst van zijn leven ziet hij hoe de zon opkomt. Aan de bleke hemel schijnen nog wat sterren. Stefan ziet de wolken in het dal hangen. Alleen de torens van het stadhuis steken er bovenuit.

Stefan rent naar de stad terug. Hij praat daar met de Raad van Oude Mensen. "Ik heb een wereld vol kleuren gezien," zegt hij.

"Aan de andere kant van de berg is die wereld." - "Dat kan niet," zeggen de Oude Mensen. "Onze stad is het enige dat bestaat. Wie ben jij trouwens?" Iemand zegt: "Het is Stefan. Hij is gek aan het worden, net als zijn opa." En iedereen lacht.

Stefan wordt erg boos. "Maar ik heb het gezien!" zegt hij. "Iedereen kan het zelf zien. De torens van het stadhuis steken boven de mist uit. Ga maar mee naar de torens." - "Het is verboden een toren in te gaan!" schreeuwen de Oude Mensen. "Het is gevaarlijk. Niemand heeft dat ooit gedaan en zo moet het blijven." - "Nee! Het moet veranderen!" zegt Stefan. Meteen rent hij een steile torentrap op. De Oude Mensen gaan hem achterna. "Halt! Niet verder, of we roepen de wachters!"

Stefan schrikt daarvan. Vlug klimt hij verder. De Oude Mensen komen schreeuwend achter hem aan. Er is zelfs een wachter bij. Maar Stefan is al bijna boven. "Kom terug, of we gooien je in de kerker!" Stefan ziet dat ze hem niet kunnen inhalen en hij klimt verder. De een na de ander klimt de toren in. En iedereen die boven komt, roept: "Ah! Oh! Het is waar! Stefan en zijn opa hebben gelijk."

Stefan laat de mensen alleen en gaat naar zijn opa. Hij vertelt hem alles.

Daarna gaat hij slapen, want hij is moe van zijn reis. Opa dekt hem toe. Blij en trots kijkt hij naar zijn kleinzoon.

Dit alles is lang geleden gebeurd. Er is sindsdien veel tijd voorbij gegaan. Heel wat mensen uit het dal zijn op reis gegaan. Zo leerden ze de zon kennen. Maar er kwamen ook mensen van buiten naar het dal. Zij wilden die bijzondere nevelstad ook wel eens zien.

Boven op de berg is de plek waar de mist en het licht elkaar kussen. Daar staat het huisje waar Stefan en zijn opa wonen. Altijd als er mensen langs dat huisje lopen, wijzen ze ernaar. Dan zeggen ze: "Daar wonen Stefan en zijn opa, de Wijze!"


                                      * * * EINDE * * *
Bron : La torre proibita?
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 09:07 4 reacties Reageer op dit bericht

De boze kabouter

De boze kabouter
- Een Spaans sprookje over een gemene kabouter en een heldin -
Er was eens een student. Hij hield van een mooi meisje, maar haar ouders verboden haar om met hem om te gaan, omdat hij zo arm was. Toen besloot het meisje het huis van haar ouders te verlaten en zij sprak met haar vriend af, dat hij haar 's nachts zou komen halen om samen met haar te vluchten. Dan zou ze met hem trouwen in een kleine kapel boven op de berg.

Op de afgesproken tijd ging het meisje naar het balkon en zij zag buiten in de duisternis een jongeman aankomen, die een paard aan de teugels hield. Ze dacht dat het haar geliefde was en ze zei: "Kom eens dichterbij en pak mijn koffer aan."

De jongeman nam zwijgend de koffer aan en het meisje liet zich langs een touw naar beneden glijden, steeg op het paard en reed samen met de jongeling weg. Het verwonderde haar wel, dat haar vriend geen woord tegen haar zei. Toen het licht werd, zag ze dat de jongeman haar vriend helemaal niet was, maar een onbekende jongen. Hij was toevallig voorbijgekomen toen zij op het balkon stond. Toen zei ze tegen hem: "Breng mij in godsnaam niet verder, laat mij maar hier!" De jongen hield stil en het meisje steeg van het paard en ging op haar koffer zitten en de onbekende jongen reed verder.

Spoedig daarna kwamen er herders langs. "Wat een wondermooi meisje! Zo mooi als jonkvrouw Maria!" zeiden ze, en zij namen haar met zich mee.

In het dorp waar de herders woonden, leefden een man en een vrouw, die geen kinderen hadden. Zij namen het meisje bij zich in huis en zorgden goed voor haar. Zij zeiden dat zij niet eens hoefde te werken. Maar zij stond erop om samen met de herderinnen uit de buurt de schapen te hoeden en liet zich daar niet vanaf brengen. Zo bracht zij de dagen bij de schaapskudde door.

Toch beviel het haar niet in het dorp, want alle mensen leefden in grote angst om wat er zich op het nabijgelegen paleis afspeelde. Iedere dag werd er namelijk iemand uit het volk door het lot aangewezen, die dan 's nachts bij de zieke prinses in de kamer moest gaan slapen. Maar nooit was iemand levend uit het koninklijk paleis vandaan gekomen. Op een dag viel het lot op de familie bij wie het meisje woonde, en toen zij dat vernam zei zij: "Ik wil niet dat er iemand uit dit huis in de kamer van de prinses gaat slapen. Ik zal er zelf naar toe gaan." En zij ging naar het paleis.

Toen de koning haar zag, zei hij: "Ik kan niet toestaan, dat zo'n mooi meisje zal sterven! Degene die door het lot was aangewezen, moet in de kamer van de prinses gaan slapen." Het meisje smeekte er echter zo dringend om, dat de koning tenslotte toegaf.

's Avonds ging zij in de kamer van de zieke prinses op een bed liggen. Hoewel ze al spoedig heel moe werd, lukte het haar toch om wakker te blijven. Kort na middernacht kwam er een kabouter de kamer binnen en stak een naald in het hoofd van de prinses, achter haar oor. De prinses begon te jammeren: "O wee, ze verschroeien me; o wee, ze verbranden me!"

Toen zweeg zij een ogenblik en daarna zei zij tegen de kabouter: "Ik smeek je in godsnaam om het meisje dat daar ligt niet te doden."

"Er blijft me niets anders over dan haar te doden," zei het boze wezen.

"In godsnaam, dood haar niet, want zij is zo mooi!"

De boze kabouter keek naar het meisje, dat deed alsof zij sliep, en hij zei: "Ja, zij is inderdaad heel mooi. Daarom zal ik haar pas doden als het dag wordt!" Daarop verliet hij de kamer.

Het meisje was nog steeds wakker gebleven en stond nu op en liep stilletjes achter de kabouter aan. Hij ging een andere kamer binnen en begon te schrijven. Steeds las hij wat hij had opgeschreven en gooide het velletje papier daarna in een ketel die boven het vuur hing. En iedere keer als hij het papiertje in de ketel wierp, sloegen er blauwe vlammen omhoog, en dan riep de arme prinses: "O wee, ze verschroeien me! O wee, ze verbranden me!" Tenslotte hield de dwerg op met schrijven en sliep in.

Toen pakte het meisje de ketel en goot de inhoud over hem heen, zodat hij verbrandde. Daarna ging ze naar de prinses, trok de naald uit haar hoofd en meteen was de prinses helemaal gezond. De volgende morgen kwamen de dienaren van de koning om het dode lichaam van het jonge meisje te halen. Tot hun verbazing zagen zij, dat zij leefde.

Het duurde niet lang, of iedereen in het hele koninkrijk wist, dat het meisje de boze kabouter had gedood, en dat de prinses weer gezond was geworden.

Intussen had de student in het hele land naar het meisje gezocht. Nu kwam hem het bericht ter ore dat zijn meisje de prinses had gered. Spoorslags reed hij naar haar toe en na een paar dagen trouwden zij met elkaar. Op de dag van de bruiloft schonk de koning het meisje vele rijkdommen en hij bewees haar grote eer. En samen met haar man leefde zij haar leven lang heel gelukkig.


                                      * * * EINDE * * *
Bron : "Kaboutersprookjes"
           vert. en samenstelling Els Boekelaar en Ineke Verschuren;
           ill. Frantisek Chochola.
           Uitgeverij Christofoor, Zeist, 1985, p. 48-50.
Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door saagje om 00:00 14 reacties Reageer op dit bericht

De oude vrouw in het bos

De oude vrouw in het bos
- Een sprookje van Grimm over een in een boom betoverde prins -
Er was eens een arm dienstmeisje, dat met haar meester en meesteres door een groot bos reisde, en toen ze daar middenin was, kwamen er opeens rovers uit het struikgewas te voorschijn, en ze vermoordden iedereen die ze tegenkwamen. Allen kwamen erbij om, behalve het meisje, zij was in haar angst uit de wagen gesprongen en had zich achter een boom verborgen.

Toen de rovers met hun buit weg waren, kwam ze op de plaats waar het gebeurd was en zag het ongeluk. Ze begon bitter te schreien en zei: "Wat zal ik arme nu beginnen, ik weet niet hoe ik uit het bos kom, er woont geen levende ziel in, ik zal zeker van honger omkomen."

Ze liep heen en weer, zocht een uitweg, maar kon niets vinden.

Het werd avond, ze ging onder een boom zitten, vroeg God om hulp, wilde daar blijven zitten en niet weggaan, wat er ook gebeurde. Maar toen zij daar een poos gezeten had, kwam er een wit duifje aangevlogen, met een klein, gouden sleuteltje in zijn snavel. Hij legde haar het sleuteltje in de hand en zei: "Zie je daar in de verte die grote boom? Daar hangt een klein slotje aan, dat kun je met het sleuteltje opendoen, daar zul je eten genoeg vinden en je hoeft geen honger meer te lijden."

Toen ging ze naar de boom, ze deed het slot open en ze vond er melk in een schoteltje en wittebrood erbij om erin te brokkelen, zodat ze lekker kon eten. Toen ze genoeg had, zei ze: "Nu is het de tijd waarop de kippen thuis op stok gaan, ik ben zo moe, kon ik maar in mijn bed gaan liggen."

Het duifje kwam dan ook weer aangevlogen, bracht een tweede gouden sleuteltje in z'n snavel en zei: "Doe de boom, die daar staat, maar open, dan zul je een bed vinden." Zij maakte ook dit slot open en vond een mooi, wit bedje: ze bad God, dat hij voor haar die nacht zou zorgen, ze ging liggen en sliep in.

De volgende morgen kwam het duifje voor de derde keer, bracht weer een sleuteltje en sprak: "Maak nu die boom daar eens open, daar zul je kleren vinden." En toen ze het slot openmaakte, vond ze daar kleren met goud en edelstenen, zo heerlijk als geen koningskind er had. Zo leefde ze daar een poos, het duifje kwam elke dag en zorgde voor alles, wat ze nodig had, en 't was een rustig, goed leven.

Eens echter kwam het duifje en zei: "Wil je iets doen om mij een plezier te doen?"

"Graag," zei 't meisje.

Het duifje zei: "Ik zal je naar een klein huisje brengen. Ga daar in, middenin, bij de haard, zit een oude vrouw; ze zal, 'goedendag' zeggen. Maar geef haar vooral geen antwoord, al begint ze nog zo vaak. Ga de kamer door aan haar rechterhand. Daar is een deur. Maak die open. Dan kom je in een kamer, waar een hoop ringen in allerlei soorten op een tafel liggen. Daar zijn prachtige bij, met fonkelende stenen. Maar laat ze liggen! Zoek er een heel eenvoudige uit; die is er ook wel bij, en breng die dan bij me, zo gauw als je kunt."

Het meisje ging naar het huisje toe en ging de deur door. Ze zag er een oud mens zitten, dat grote ogen opzette en zei: "Goedendag, kindlief." Ze gaf haar geen antwoord en ging naar de deur toe. "Waarnaar toe?" riep ze en pakte haar bij haar rok en wilde haar vasthouden. "Het is mijn huis, daar mag niemand binnenkomen, als ik het niet hebben wil." Maar het meisje zweeg, maakte zich uit haar greep los en ging meteen de kamer in. Daar lag nu op tafel een massa ringen, ze glinsterden en schitterden haar in de ogen; ze wierp ze door elkaar en zocht de eenvoudige, maar ze kon hem niet vinden.

Terwijl ze zo aan het zoeken was, zag ze het oude mens rondsluipen en een vogelkooi ter hand nemen waar ze mee weg wilde. Ze ging nu op haar toe, nam haar de kooi uit de hand, en toen ze hem ophief en erin keek, zat er een vogel in, die een eenvoudige ring in zijn snavel had. Ze nam die ring en liep er heel blij mee naar huis en dacht dat het witte duifje dadelijk komen zou om de ring te halen: maar het kwam niet.

Ze leunde tegen de boom om op het duifje te wachten, maar terwijl ze daar stond, leek het of de boom zacht was, en buigzaam, en de takken zonken neer. En opeens bogen zich de takken om haar heen, en dat waren twee armen, en toen ze omkeek, was de boom een man geworden, die haar omvatte, haar kuste en zei: "Jij bent het, die me verlost hebt en uit de macht van het oude mens bevrijd. Ze is een boze heks. Ze had me betoverd in een boom, maar een paar uur lang was ik iedere dag een duif, en zolang ze de ring bezat, kon ik mijn mensengedaante niet meer terugkrijgen."

Nu waren ook zijn bedienden en zijn paarden van de toverij verlost; ze had hen ook in bomen veranderd. Ze stonden nu naast hem. En zij reden weg naar zijn rijk, want hij was een prins; en ze trouwden en leefden gelukkig met elkaar.


                                      * * * EINDE * * *
Bron : "De sprookjes van Grimm; volledige uitgave" vertaald door M.M. de Vries-Vogel.
           Unieboek BV - Van Holkema & Warendorf, Weesp, 1984.
           Oorspronkelijke titel: Die Alte im Wald
           Engelse tekst: The Old Woman in the Woods
Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door saagje om 00:00 12 reacties Reageer op dit bericht

De lelie en de alsem

De lelie en de alsem
- Een Chinees sprookje over het ontstaan van kamille -
In het rode keizerrijk woonde de rode keizer en omdat hij een keizer was had hij een keizerin tot vrouw. Al vele jaren hadden ze een goed leven. Aan hun geluk ontbrak nog één ding, ze hadden geen kinderen. En ze zouden er ook nooit een gehad hebben, als er op een dag niet twee grijsaards bij de paleispoort gestopt waren.

De eerste vroeg: "Weet je wel, wie er in dit paleis woont?"

En de tweede grijsaard antwoordde: "Ik weet het, broeder, hier woont de keizer met zijn keizerin en ze hebben geen kinderen."

"Maar ze zouden best een kind kunnen hebben," zei de eerste grijsaard. "Als de keizerin 's morgens vroeg de dauw van de lelie en de alsem zou afhalen en daar een glas van op zou drinken, dan zou ze een beeldschone dochter op de wereld brengen en eindelijk volmaakt gelukkig zijn."

"Ja, maar het geluk zou van korte duur zijn," sprak de tweede grijsaard. "Want wie uit een bloem ontstaat, zal ook weer tot bloem terugkeren. Als haar tijd gekomen is, zal het dochtertje weer in een bloem veranderen."

"En daarom is het beter als niemand daar iets van weet en niemand het de keizerin vertelt," sprak de eerste grijsaard. "Ze zou er veel verdriet van hebben."

"Je hebt gelijk, broeder," knikte de tweede grijsaard en ze vervolgden hun weg.

De grijsaards dachten dat niemand het gehoord had. Maar bij de poort zat een oude bedelaarster die niet lang aarzelde. Ze ging naar het paleis om aan de keizerin te vertellen, wat ze gehoord had. "Als u een glas dauw van de lelie en de alsem opdrinkt, zult u een beeldschoon dochtertje krijgen."

Maar van wat het prinsesje in het leven te wachten stond, zei de oude vrouw geen woord. De keizerin overlaadde de oude bedelaarster met goud en gaf haar de opdracht om haar de volgende morgen de dauw van de lelie en de alsem te brengen. Na negen maanden bracht de keizerin een beeldschone dochter ter wereld. En omdat ze door de dauw van de lelie en de alsem geboren was, was het prinsesje zo blank als een lelie en roken haar haren naar alsem. Zo'n schoonheid had niemand ooit gezien. Ze werd elke dag mooier, maar het prinsesje werd er niet hoogmoedig door, integendeel, hoe ouder ze werd, des te meer ontweek ze de mensen; ze was veel liever in de tuin. Daar voelde ze zich op haar gemak, ze liep tussen de bloemen door en praatte met hen en de bloemen gaven haar antwoord.

Zo gingen er jaren voorbij en de keizer en de keizerin gingen op zoek naar een bruidegom voor de prinses. Dat was niet eenvoudig. Bewonderaars waren er genoeg. Ze kwamen uit alle landen, daar haar schoonheid over de hele wereld bekend was.

Maar de prinses wilde van geen trouwen weten. Iedere bewonderaar ontving ze vriendelijk, praatte gezellig met hem, maar zodra hij over een huwelijk begon zei de prinses: "Ik kan niet met je trouwen, prins, je zou niet gelukkig met me worden." En ze zei het altijd zo treurig en geloofwaardig dat iedereen het geloofde.

Het aantal bewonderaars werd minder en al gauw kwam er niet één meer. De prinses werd weer vrolijk, maar de keizer en de keizerin waren er erg verdrietig over. "Wat moet er van je worden, als wij sterven en jij alleen blijft, zonder man?"

Maar op een dag verscheen er toch weer een nieuwe bewonderaar. Hij was de zoon van een koning uit een ver land. Ook hij had van de mooie prinses gehoord en kwam zijn geluk beproeven.

De lieve prinses ontving hem als alle anderen, praatte vrolijk met hem, maar toen de prins over een huwelijk begon werd ze meteen treurig en zei: "Nee prins, ik kan niet met je trouwen. Met mij zul je niet gelukkig worden!"

En ze zei het zo oprecht, dat ieder ander het geloofd zou hebben. Maar deze prins wilde daar niets van horen: "Waarom zou ik met jou niet gelukkig worden?"

En de prinses antwoordde: "Omdat de lelie in de tuin tegen me zei: 'Als jij je bruidsjapon aantrekt, dan is je tijd gekomen.' En de alsem zei: 'Als men jou de huwelijkskrans op het hoofd zet, zul je bij ons terugkeren.'"

Maar de goede prins lachte: "Dat geloof ik niet, lieve prinses."

En toen boog de prinses haar hoofd en zei: "Als je het niet gelooft, trouw me dan, maar beklaag je later niet. Er zal gebeuren, wat moet gebeuren!"

En zo begon men tot grote vreugde van de oude keizer en de oude keizerin met de voorbereidingen van het huwelijk. De naaisters naaiden haar bruidsjapon, de tuinmannen vlochten haar huwelijkskrans. Heersers uit alle landen waren gekomen om het huwelijk bij te wonen. En toen alle gasten er waren en de bruidsjapon en de krans klaar waren, werd de bruid mooi gemaakt voor haar huwelijk.

Toen men haar de bruidsjapon aantrok werd de prinses bleek en begon ze te huilen. Toen men haar de huwelijkskrans op het hoofd zette, sloot ze haar ogen, alsof de dood haar aanraakte. En toen de prins haar omhelsde en kuste hield hij een gewone veldbloem in zijn armen. De prins huilde om zijn verloren geluk, in plaats van de mooie prinses had hij nu een witte geurende bloem.

Deze bloem groeit nu overal. De mensen noemen haar 'kamille'. Maar het is een prinses met een witte huwelijkskrans op haar gouden hoofd.


                                      * * * EINDE * * *
Bron : "De betoverde tuin" door Marie Mrstikova.
           Nederlandse vertaling van Els Nuijen.
           Uitgeversmaatschappij Holland, Haarlem, 1978. ISBN: 90-251-0297-2
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:00 4 reacties Reageer op dit bericht

Alexander en de kikkerprins

Alexander de kikkerprins
- Een grappig sprookje vanuit het perspectief van een kikkerkoning -
Het was een mooie dag in juni. Mensen wandelden door het park en in de grote vijver zaten de kikkers tevreden op de leliebladeren. Helemaal aan de rand van de vijver zaten drie kikkervrienden op een groot lelieblad. Ze hadden elkaar net rond de hele vijver achterna gezeten en zaten nu loom mugjes te vangen.

Na een tijdje en veertien mugjes raakte de jongste kikker, Ido, afgeleid. Hij stootte zijn buurman aan. "Hendrik, die kikker daar hè?" Ido wees op een hele oude en gerimpelde kikker met een ongelukkig gezicht. "Wat is er met hem aan de hand?"

Hendrik keek hem aan en begon te grijnzen. "Ken je het verhaal van Alexander niet? Louis, vertel Ido het verhaal van Alexander de kikkerprins eens!"

De derde kikker opende loom zijn ogen. "Het verhaal van Alexander de kikkerprins? Goed, goed..." Hij gaapte luidruchtig. "Nou luister goed.

Toen Alexander net zijn vissenstaart verloren had, kwam er eens een mensenvrouw met een heleboel mensenkinderen bij de vijver. De mensenvrouw vertelde het verhaal van een kikker die door de kus van een prinses in een prins veranderde. Walgelijk natuurlijk, wie wil er nou een prins zijn. Maar goed, een van die mensenkoters vraagt aan die vrouw of die kikker (en hij wees hierbij naar Alexander) ook een prins was. Dat rare mens zegt dan: "Ik denk het wel. Maar dan moet er wel een echte prinses komen om hem te zoenen."

De woorden hadden haar mond nog niet verlaten of het sloeg Alexander al in zijn bol. Hij wist zeker dat hij een prins was, die vrouw had het immers gezegd.

Nu moest hij alleen nog een prinses vinden die hem tot prins zou kussen. Elke dag ging hij op de loer liggen, hij het bankje, wachtend op zijn prinses.

Er kwamen heel wat mensen langs. Dikke, dunne, jonge en oude mensen. Maar geen prinses. Alexander wilde de moed al opgeven toen er een verliefd koppel op het bankje kwam zitten. Ze zoenden (dat is zo'n smerige mensengewoonte, Ido) en... tja... frunnikten wat (dat, Ido, is nog veel ranziger) en ineens zegt die jongen: "Oh, mijn prinses!"

Alexander door het dolle natuurlijk, hier was zijn prinses! Zij moest hem kussen, dan zou hij in een prins veranderen en zouden ze samen gelukkig worden op het kasteel. Die jongen, die zou kunnen helpen met schoonmaken of zo. Ze zouden wel iets bedenken om hem kwijt te raken.

Maar goed. Dat eerste gedeelte, het kus gedeelte zeg maar, was lastig. Alexander was vlak voor het vrijende paar gaan zitten. Maar ze zagen hem niet. Dus klom hij op het hek dat rond de vijver stond. Het meisje zag hem en kirde: "Ach wat een lief kikkertje!" Maar hem kussen deed ze niet... Nee, in plaats daarvan kuste ze die puisterige puber! Bah!

Alexander vond dat het tijd werd voor harde maatregelen. Ze moest en zou hem kussen, hij was immers al lang genoeg kikker geweest. Hij spande zijn achterpoten en met en enorme sprong.... belande hij in het bloesje van het meisje."

Hendrik hield het op dit punt niet meer en rolde van het lelieblad van het lachen. Louis keek hem geïrriteerd aan en schraapte toen zijn keel. "Goed, Alexander zat daar dus. Tussen die twee... dingen... Speciaal bij mensenvrouwen. Eh... van die..."

"Borsten," hielp Hendrik hem.

"Daar zat hij dus. En die griet gillen: "Haal hem eruit!". Dus die jongen grijpt Alexander en gooit hem richting de vijver. In plaats van in het water, knalt Alexander tegen een boom, valt naar beneden en ik heb gehoord dat hij daar drie dagen buiten westen heeft gelegen.

Goed, toen Alexander bij kwam had hij een enorme buil en liefdesverdriet. Hij was ook boos op die jongen. Immers, als hij hem niet uit dat bloesje had gehaald, had het meisje hem wel gekust.

En sinds die dag zit hij daar. Doet niets anders dan wachten tot het meisje terugkomt om hem te kussen." Ido keek Louis met grote ogen aan. "Hoe lang zit hij daar al?" vroeg hij. "Sinds vorige week vrijdag," antwoordde Louis hem.

Hendrik sprong in het water. "Kom!" riep hij. "Laten we kikkervisjes pesten!" Louis sprong achter hem aan. Ido wierp nog een blik op Alexander de kikkerprins en sprong toen in het water. Hij was maar wat blij dat hij zeker wist dat hij een kikker was, en geen prins.


                                      * * * EINDE * * *
Bron : "stichting beleven"
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:00 5 reacties Reageer op dit bericht

Hoe de verhuizing toch nog doorging

Hoe de verhuizing toch nog doorging
- Een Noord-Siberisch dierensprookje over Bruintje de Beer -
Op een dag besloten de beren uit Berenland te vertrekken en in het Paddestoelenland te gaan wonen. Zo gezegd, zo gedaan. De grote beren liepen voorop, de kleintjes huppelden achter hen aan: berenouders en berenkinderen.

Ze zwierven al maar door. Kwamen ze bij een beek, dan waadden ze er door, kwamen ze bij een rivier, dan zwommen ze er over, kwamen ze bij een berg, dan klommen ze er over heen.

Het kleinste beertje liep helemaal achteraan. Het was moe en kon zijn ene pootje maar nauwelijks voorbij het andere krijgen.

Hij jammerde zachtjes, maar zijn moeder hoorde hem niet. Hij begon harder te jammeren, maar de moeder bleef niet staan. Zij liep vooraan en keek recht voor zich uit. Bruintje probeerde haar in te halen, maar hij kon niet zo hard lopen. Zijn pootjes deden pijn.

Opeens ontdekte het beertje rijpe bramen. Hij bleef staan en begon te smikkelen. Hij snoepte en snoepte van de zoete vruchten tot hij niet meer kon. Hij richtte zijn kopje op en keek in het rond. In geen velden of wegen was een beer te zien. Ze waren allang achter de hoge berg verdwenen.

Nu werd Bruintje bang, zo helemaal alleen in de toendra. Hij ging op de achterpootjes zitten en huilde hartverscheurend. Ergens gaf een dier antwoord met een angstaanjagend: "Jak, jak!" Bruintje schrok en rende weg. Hij liep en liep, stootte zijn pootje aan een steen, haalde zijn vel open aan het struikgewas. Daar viel hij ook nog van een helling naar beneden, middenin de beek. Drijfnat klauterde hij moeizaam op de wal.

Het begon al donker te worden. Bruintje kroop tussen de struiken en sliep in. Toen hij de volgende morgen wakker werd, zat er een vreemd dier naast hem. Het had lange oren, een kort staartje en een snuffelneusje. Bruintje vond het een grappig dier.

"Wie ben je?" vroeg hij.

"Ik ben een haas. En hoe ben jij hier zo terechtgekomen?"

"De grote beren zijn doorgelopen. Ik kon ze niet bijhouden en nu hebben ze mij achtergelaten."

De haas vond het zielig voor het beertje en nam hem mee naar zijn hol. En voortaan leefden ze samen, werden dikke vrienden en waren altijd bij elkaar. De haas knabbelde op blaadjes, het beertje snoepte bessen. De haas klopte het stof uit de vacht van Bruintje en de beer kamde het haar van de haas met zijn scherpe klauwtjes. Ze hadden het best samen - beter kon het niet.

Op een keer ging de haas naar de rivier om te drinken. Daar zag hij op de oever een berenmoeder staan, die met haar poot vissen aan het vangen was in het ondiepe water.

De haas wilde het hazenpad kiezen, maar dacht: "Wat heb ik van haar te vrezen. Weglopen kan ik altijd nog!"

En hij riep de berenmoeder toe: "Hé, domme berin, alle beren zijn allang uit deze buurt vertrokken. Wat doe je hier?"

"Ik zoek mijn kleine zoontje. Ik ben hem kwijtgeraakt toen wij naar het Paddestoelenland verhuisd zijn. Alle berenkinderen zijn er, alleen mijn zoontje niet. Hij is vast verdwaald."

"Dat moet mijn vriendje wel zijn. Kom, ik zal je naar hem toebrengen. Als u hem herkent, dan is hij van u, herkent u hem niet, dan kan hij bij mij blijven."

Bij het hazenhol aangekomen, zag Bruintje zijn moeder direct. Blij liep hij haar tegemoet. De moeder was dolgelukkig. Ze likte haar zoontje van zijn kop tot zijn voetzolen. "Ach mijn lief zoontje, wat ben ik blij, dat ik je weer teruggevonden heb! Kom maar gauw mee!"

En Bruintje ging mee. Na een klein stukje lopen, keerde het beertje zich om. Hij zag, dat de haas op zijn achterpoten voor het hol zat en jammerlijk huilde. Nu begon Bruintje ook te snikken: "Laten we teruggaan! Ik wil niet verhuizen!" Maar zijn moeder zei: "Kom nu maar kind. Het is daar heel mooi en er zijn erg veel paddestoelen. Je zult zien, datje het er heerlijk vindt!"

De berin bracht haar zoontje door het woud naar het hol. Hij huilde aan een stuk door. Het beviel hem helemaal niet. Zijn moeder gaf hem te eten, maar hij at niets. De moeder deed spelletjes met hem, maar hij bleef huilen. "Ik vind het hier niet leuk! In het woud is het donker, in de toendra licht. De paddestoelen hier zijn bitter en de bessen daar zijn zoet. Ik wil terug naar de toendra!"

Nu werd de berin erg bedroefd. "Goed," sprak zij, "we blijven hier één nacht en morgen gaan we terug naar de toendra."

Ze gingen slapen. Bruintje deed niets dan woelen en snikte nog in zijn slaap. Heel vroeg was hij wakker en hoorde - hup, hup - iemand voorbijspringen en toen om het hol heen. Bruintje holde naar buiten en daar zag hij zijn kleine vriendje, de haas! Ze gingen heerlijk spelen: verstoppertje, hardloopwedstrijden en ga zo maar door.

Nu werd de berin wakker en zij ging aan het pakken voor de terugreis. "Wat ben jij nu aan het doen, mamma?" vroeg Bruintje. "Waar wil je heen?"

"Hoe kun je me dat nu vragen? We gaan naar de toendra terug. Dat wil je toch? Je vindt het hier toch niet leuk?"

"Nu vind ik het wel leuk hier," zei het beertje. "Het is hier mooi en er zijn paddestoelen. Ik wil hier niet meer weg!"

En dus bleven ze in het woud, de berin, haar kleine zoontje en zijn vriend, de haas.


                                      * * * EINDE * * *
Bron : "De veer van de kraanvogel. Sprookjes uit het hoge noorden van Rusland en Siberië"
           voor kinderen naverteld door N. Gesse en S. Sadunaiskaja.
           Omniboek, Den Haag, 1978. ISBN: 90-620-70-52-3
Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door saagje om 00:00 8 reacties Reageer op dit bericht

De spaghettischotel

De spaghettischotel
- Een Italiaans dierensprookje over een wolf, drie ganzen en spaghetti -
Een wolf maakte eens jacht op drie vette ganzen. Elk van hen had een hutje gebouwd om zich in te verschuilen. Het eerste was van stro, het tweede van hooi en het derde van steen. Het was voor de wolf een peulenschil om de eerste twee hutjes te vernielen. Toen hij de twee ganzen had verslonden, ging hij achter de derde aan.

Hij kwam bij het stenen huisje en klopte. "Zuster gans, laat me binnen. Ik wil je een bezoek brengen."

"Ik peins er niet over."

"Dan trap ik de deur in."

"Je doet je best maar!"

De wolf trapte tegen de deur, maar die zat stevig op slot. Toen klom hij op het dak om van boven af het huisje binnen te dringen, maar helaas, ook dat lukte niet.

Plotseling kreeg hij een nieuw idee. "Zuster gans, laten we morgenmiddag samen spaghetti koken. Ik zal boter en kaas meebrengen, als jij voor het meel zorgt."

Dit voorstel beviel de gans wel. De volgende ochtend stond ze heel vroeg op en haalde het meel. Enige tijd later kwam de wolf er al aan.

"Ik heb boter en kaas bij me. Maak nu de deur open!"

"Veel koks bederven de brij," antwoordde de gans vanuit het huis. "Geef me alles maar aan door het raam. Als het eten klaar is, zal ik je wel roepen." En zo moest de wolf met een knorrende maag buiten blijven ronddraaien.

Ondertussen zette de gans een grote pan water op het vuur. Al snel hield de wolf het niet meer uit. "Wanneer ben je nu eindelijk eens klaar? Ik rammel van de honger."

"Zet je bek maar tegen het afvoergat," riep de gans. "Ik zal er een paar spaghettislierten doorgooien, dan kun je proeven of ze al zacht zijn."

De wolf legde zijn muil tegen het gat. De slimme gans goot er echter met een zwaai de hele pan kokend water doorheen, zodat alles in zijn bek terechtkwam. Het gloeiend hete vocht verbrandde zijn ingewanden en hij viel ter plekke dood neer.

Toen pakte de gans een schaar en knipte zijn buik open. Daar glipten haar beide zusjes in levende lijve naar buiten. De wolf had hen in zijn gulzigheid zonder te kauwen opgeslokt.

De drie ganzen aten met smaak de verse spaghettischotel op en leefden voortaan ongestoord in het huisje.


                                      * * * EINDE * * *
Bron : "Venetiaanse sprookjes" verzameld door Herbert Boltz.
           Uitgeverij Elmar, Rijswijk. ISBN: 90-389-0855-5
Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door saagje om 00:00 8 reacties Reageer op dit bericht

Het geluk kan in een stukje hout liggen

Het geluk kan in een stukje hout liggen
- cultuursprookje -
Nu ga ik een verhaaltje over het geluk vertellen. Het geluk kennen we allemaal. Sommigen zien het jaar in, jaar uit, anderen alleen in sommige jaren, of maar één dag. Er zijn zelfs mensen die het maar één keer in hun leven zien, maar het tegenkomen doen we allemaal.

Ik hoef natuurlijk niet te vertellen, want dat weet iedereen, dat Onze-Lieve-Heer de kleine kindertjes stuurt en ze in hun moeders schoot legt - of dat nou in een rijk kasteel of in een behaaglijke kamer is, of op een open veld waar de koude wind blaast. Maar niet iedereen weet, terwijl het toch vaststaat, dat Onze-Lieve-Heer als Hij een kindje brengt, ook een geschenk van het geluk meebrengt. Maar dat legt Hij er niet open en bloot naast.

Dat legt Hij ergens in de wereld waar je het minst op het idee komt om het te zoeken. Toch wordt het altijd gevonden en dat is ook het prettige er van. Het kan wel in een appel zijn gestopt. Dat was het geval voor een geleerd man die Newton heette. De appel viel van de boom en zo vond hij zijn geluk. Ken je dat verhaal niet, vraag dan iemand die het kent, het je te vertellen. Ik heb een ander verhaal te vertellen en dat is een verhaal over een peer.

Er was eens een arme man, die in armoede was geboren en in armoede was opgegroeid, en met die achtergrond was hij getrouwd. Hij was trouwens bankwerker van beroep en hij maakte vooral paraplustokken en parapluringen, maar hij had nauwelijks genoeg om van te leven. "Ik vind het geluk nooit," zei hij.

Dit is een waar gebeurd verhaal en ik kan je het land en de plaats noemen waar die man woonde, maar dat doet er niet toe. Er groeiden zure, rode bessen als een kostbare versiering voor zijn huis en in zijn tuin, waar ook een perenboom in stond. Er groeide niet één peer aan en toch zat het geluk in die perenboom, in de onzichtbare peren aan die boom.

Op een nacht stormde het echt vreselijk. In de krant stond dat de grote diligence door de storm van de weg werd getild en als een vod weer neergegooid. Dus hoeft het je niet te verbazen dat er een grote tak van de perenboom afbrak. De tak werd in de werkplaats gelegd en de man maakte er voor de grap een grote peer van, en toen nog een grote, daarop een kleinere en toen een paar hele kleintjes. "De boom moest toch één keer peren krijgen," zei de man, en hij gaf ze aan zijn kinderen om er mee te spelen.

Aan de levensbehoeften in een nat land mag een paraplu niet ontbreken. Het hele huis bezat er maar één, voor gemeenschappelijk gebruik. Als de wind te hard blies, dan klapte de paraplu binnenste buiten. Hij brak zelfs een paar keer, maar de man maakte hem meteen weer in orde. Maar het vervelende was dat het knopje dat de paraplu bij elkaar moest houden als hij dichtgeklapt was, er veel te vaak af sprong of dat de ring die eromheen werd geschoven, stuk ging.

Op een dag brak het knopje af. De man zocht het op de grond, maar vond daar een van de allerkleinste peertjes die hij had gemaakt en die de kinderen hadden gekregen om mee te spelen. "Dat knopje is niet te vinden," zei de man, "maar dit dingetje kan ook wel dienen." Toen boorde hij er een gaatje in, trok daar een lusje door en het kleine peertje paste precies in de gebroken ring. Eigenlijk was het de beste sluiting die de paraplu ooit had gehad.

Toen de man het volgend jaar paraplustokken naar de hoofdstad moest sturen, waar hij dat soort dingen leverde, stuurde hij ook een paar van zijn zelfgemaakte houten peertjes met een halve ring eraan, met het verzoek ze eens te proberen. En zo kwamen ze in Amerika terecht. Daar merkten ze al gauw dat het kleine peertje veel beter hield dan andere knopjes, dus toen verlangden ze van de koopman dat alle volgende paraplu's een klein peertje als sluiting kregen.

Nou, toen kwam er werk aan de winkel! Duizenden peren! Houten peren aan alle paraplu's. De man moest aan de slag. Hij stond maar aan zijn draaibank. De hele perenboom ging op aan kleine peertjes. Dat leverde een aardig centje op, of liever een bom duiten.

"In die perenboom zat mijn geluk!" zei de man. Hij kreeg een grote werkplaats met knechts en leerlingen. Hij had altijd een goed humeur en zei: "Het geluk kan in een stukje hout liggen!" Dat zeg ik, die dit verhaal vertel, ook.

Er bestaat een gezegde: "Neem een wit stokje in je mond, dan ben je onzichtbaar," maar dat moet dan wel uit het juiste hout zijn gesneden, dat ons door Onze-Lieve-Heer als geluksgeschenk wordt gegeven. Dat heb ik gekregen en ik kan net als die man ergens klinkende munt uit slaan, blinkend goud, het allermooiste goud, dat je uit kinderogen tegemoet straalt, dat je uit de kindermond hoort en ook van vader en moeder. Zij lezen mijn verhalen en ik sta midden in de kamer bij hen, maar onzichtbaar, want ik heb dat witte stokje in mijn mond. En wanneer ik dan het gevoel heb dat ze blij zijn met wat ik ze te vertellen heb, dan zeg ik ook: "Het geluk kan in een stukje hout liggen."


                                      * * * EINDE * * *
Bron : "Hans Christian Andersen - Sprookjes en verhalen"
           opnieuw uit het Deens vertaald door Dr. Annelies van Hees.
           Uitgeverij Lemniscaat, Rotterdam, 1997.
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door saagje om 00:00 7 reacties Reageer op dit bericht

Meer van 'VOLKSVERHALEN'

↑ Terug naar de berichten