Naar de inhoud

Terugblikken

seniorennet.beseniorennet.be

De kleinste



De kleinste

In 't groene dal, in 't stille dal
Waar kleine bloempjes groeien
Daar ruist een blanke waterval
En druppels spatten overal
Om ieder bloempje te besproeien
Om ieder bloempje te besproeien
Ook het kleinste

En boven op de heuveltop
Waar hoge bomen groeien
Daar zweept de stormvlaag fel en bits
Daar treft de rose bliksemflits
En splijt,bij 't daav'rend onweer loeien
En splijt,bij 't daav'rend onweer loeien
De grootste

Omhoog, omlaag, op berg en dal
Ben 'k in de hand des Heerens!
Toch kies ik, als ik kiezen zal
Mijn stille plek, mijn waterval
Toch blijf ik steeds, naar mijn begeren
Toch blijf ik steeds, naar mijn begeren
De kleinste

Een huisje



Een huisje

Ik ken een aardig huisje,
't Is niet van steen of hout.
Het heeft geen deur of venster,
En toch is 't net gebouwd.

Dat aardig, snoeprig huisje
Is één vertrek maar rijk,
Slaapkamer is 't en keuken,
Ja, alles tegelijk.

Eenvoudig is 't van binnen,
Geen spiegel aan den wand,
Geen tafel en geen stoelen,
Geen bed of ledikant.

En die er woont in 't huisje,
Krijgt niemand ooit te gast,
Omdat zijn kleine woning
Voor één persoon maar past.

"O, wil ons eens vertellen,
Waar toch dat huisje staat."
Ja, 't vreemdst is, dat dit huisje
Meest heen en weder gaat.

Want de eig'naar en bewoner
Is daarmeê zoo tevreê:
Op wandeling en reizen
Altijd sleept hij het meê.

Meer wil ik nu niet zeggen,
Nu raadt gij 't met gemak.
Dat aardig, snoeprig huisje
Is 't huisje van een ....

Een middagslaapje



Een middagslaapje

Wie rusten wil in 't groene woud
Wie rusten wil met lusten
Hij kieze een plekje dicht in 't hout
En vlije zich tot rusten
Een peluwtje van mollig mos
Een kussentje van varen
En een gordijn van bláren
Geeft zoete middagslaap in 't bos

De hemel van het ledikant
Blinkt prachtig blauw door 't lover
De heesters sling'ren om de rand
De bloesem hangt er over
Het koeltje fluistert met de vliet
De dart'le vlinders spelen
De nachtegalen kwelen...
Is 't niet een lieflijk wiegelied?

En 't best is, dat het groene woud
Met koelte en rust u lavend
Van u geen zilver vraagt of goud
Al slaapt gij tot de avond
't Vraagt enkel: Zijt ge mat of moé...
De slaapsteé is voor allen:
En is ze u goed bevallen
Dan krijg gij 't avondgoud nog toe!

J.P. Heije

Buiten



Buiten

In Koelucht en in Zalk
daar is het heerlijk wonen,
daar hangen aan een balk
de zakjes bruine bonen
en vlak ernaast, aan een soort rek,
de droge worsten en het spek.
Men zegt op ied're boerderij:
'Kom, neem een stoel en schik eens bij!'
En, vòòr je bent gezeten,
dampt reeds je bord met eten.
De boer gaat voor in het gebed;
de pet wordt afgenomen;
hij zegt, wordt die weer opgezet:
'Wel mag het je bekomen!'
In Zalk of Koelucht zou ik graag
wel altijd willen wonen,
want niets is zo goed voor de maag
als spek en bruine bonen.

Kaap'ren varen



Al die willen te kaap'ren varen

Al die willen te kaap'ren varen
Moeten mannen met baarden zijn
Jan, Piet, Joris en Corneel
Die hebben baarden, die hebben baarden
Jan, Piet, Joris en Corneel
Die hebben baarden, zij varen mee

Al die ranzige tweebak lusten
Moeten mannen met baarden zijn
Jan, Piet, Joris en Corneel
Die hebben baarden, die hebben baarden
Jan, Piet, Joris en Corneel
Die hebben baarden, zij varen mee

Al die deftige pijpkens smoren
Moeten mannen met baarden zijn
Jan, Piet, Joris en Corneel
Die hebben baarden, die hebben baarden
Jan, Piet, Joris en Corneel
Die hebben baarden, zij varen mee

Al die met ons de walrus killen
Moeten mannen met baarden zijn
Jan, Piet, Joris en Corneel
Die hebben baarden, die hebben baarden
Jan, Piet, Joris en Corneel
Die hebben baarden, zij varen mee

Al die dood en de duivel niet duchten
Moeten mannen met baarden zijn
Jan, Piet, Joris en Corneel
Die hebben baarden, die hebben baarden
Jan, Piet, Joris en Corneel
Die hebben baarden, zij varen mee

Goeden nacht



Goeden nacht

De bloempjes gingen slapen
zij waren geurens moe
zij knikten met hun kopjes
mij een welterusten toe
zacht ritselt gindse lindeboom
en lispt als in de droom
goeden nacht, goeden nacht
mijn kindje goeden nacht

De vogels zongen vrolijk
door 't zonnetje gekust
nu vouwen zijn hun vleugels
begeven zich ter rust
alleen het krekeltje in het veld
zijn zoet geheim verteld,
goeden nacht, goeden nacht
mijn kindje goeden nacht

De zandman is gekomen
gluurt door de schemering
of ergens soms een kindje
nog niet ter ruste ging!
en ziet hij zulk een stoute klant
hij strooit in d'oogjes zand
goeden nacht, goeden nacht
mijn kindje goeden nacht.

Bedtijd



Bedtijd

't Is tijd om te gaan slapen,
Komt kind'ren staakt uw spel,
Neen, neen, niet tegen spart'len
't Is tijd, dat weet je wel.

En als je dan in bed ligt
Dan komt Klaas Vaak met zand,
Dat strooit hij in de oogjes
Hij strooit met volle hand.

Het bloempje sluit haar kelkjes,
't Is moe van al de pret,
Zie zoo nu nog een nachtzoen
En één twee drie, naar bed.

De groenteboer



De groenteboer

Daar komt Jaap de groenboer aan
met zijn ezelwagen
voor de huisdeur blijft hij staan
en ik hoor hem vragen
Juffrouw koopt U wat van mij?
erwten, bonen, selderij
kijk eens in mijn manden
alles ligt voorhanden.

Juffrouw zie mijn waar eens na
zeg, wat moet er wezen?
wort'len, bloemkool, uien, sla..
alles uitgelezen
twee bos wort'len, dat is goed
fris van kleur en suikerzoet
Juffrouw, o wat zullen
straks Uw kind'ren smullen!

Zie die mooie peulen daar
wilt u die niet kopen?
blijft de kar zo vol en zwaar
dan wil Grauw niet lopen
Jaapje, neen! vandaag niet meer
morgen kom ik wel eens weer
'k zal het niet vergeten
Juffrouw, smaak'lijk eten!

Zeg kwezelken



Zeg kwezelken

Zeg kwezelken wilde gij dansen?
Ik zal u geven een ei.
Wel neen ik, zei dat kwezelken,
Van dansen ben ik vrij.
'k En kan niet dansen,
'k En mag niet dansen,
Dansen is onze regel niet,
Begijntjes en kwezelkes dansen niet.

Zeg kwezelken wilde gij dansen?
Ik zal u geven een koe.
Wel neen ik, zei dat kwezelken,
Van dansen wordt ik te moe.
'k En kan niet dansen,
'k En mag niet dansen,
Dansen is onze regel niet,
Begijntjes en kwezelkes dansen niet.

Zeg kwezelken wilde gij dansen?
Ik zal u geven een paard
Wel neen ik, zei dat kwezelken,
't En is mij 't dansen niet waard.
'k En kan niet dansen,
'k En mag niet dansen,
Dansen is onze regel niet,
Begijntjes en kwezelkes dansen niet.

Zeg kwezelken wilde gij dansen?
Ik zal u geven een man.
Wel ja ik, zei dat kwezelken,
'k Zal al doen wat ik kan.
Ik kan wel dansen,
Ik mag wel dansen,
Dansen is onze regel wel,
Begijntjes en kwezelkes dansen wel.

Word wakker



Word wakker

Word wakker, 't zonnetje is al op.
De bloemen kijken uit hun knop.
De vlugge leeuwerik zingt allang,
de zwaluw tjilpt haar morgenzang.
Word wakker, word wakker, word wakker
Word wakker, word wakker, word wakker.

Het duifje strijkt zijn veertjes glad,
En trippelt vrolijk over 't pad.
De haan kraait voor de tweede keer
't is buiten alles in de weer.
Word wakker, word wakker, word wakker
Word wakker, word wakker, word wakker.

Vlindertje



Vlindertje, wat ben je keurig

Vlindertje, wat ben je keurig,
met je vlerkjes blauw en rood.
Nee, ik zal je heus niet vangen,
want dan ga je immers dood!
Vlieg maar rond, naar alle kanten
in de mooie zonneschijn.
Ik zou, als ik in je plaats was,
óók niet graag gevangen zijn!

Zie je wel die mooie bloempjes?
En wat zeg je van hun kleur?
En gebruik eens goed je neusje:
ruik je wel die lekk're geur?
Jij mag blij zijn, jij moet vrij zijn,
zoek de mooiste bloempjes maar:
Vlindertjes en mooie bloempjes
horen immers bij elkaar?

De bokkewagen



De bokkewagen

In een eigen koets te rijden,
Ei, dat lijkt een groot pleizier;
Zie dat maar eens aan die beiden
Op ons lieve prentje hier.

Als een prins en een prinsesje
Zitten ze daar zij aan zij
In hun kostelijk kalesje
Met nog wel een knechtje erbij.

Ja, ja, wie dat kleine paartje
Zoo ziet toeren door de stad,
Wou haast, dat hij 't volgend jaartje
Ook zoo'n equipage had.

Maar toch, honderdduizend kindren
Gaan maar simpeltjes te voet,
En zou hun dat wel wat hindren,
Of bekomt hun 't minder goed?

Het orgeltje



Het orgeltje

Twee kinderen zouden naar school gaan
ze waren zo vrolijk en blij
in de verte hoorden ze een orgeltje
daar moesten ze eventjes bij
en 't orgeltje speelde van holie,ha,hij
en de kinderen dansten er bij.

En het orgeltje bleef maar staan draaien
en de kinderen dansten maar door
maar plots, daar klonken twee slagen
en die slagen drongen in 't oor
en ze holden wegen met een angstig gezicht
maar de deur van de school was al dicht.

Wat moesten ze nu toch beginnen
wat hadden ze nu toch gedaan
was het orgeltje maar niet gekomen
dan hadden ze hier niet gestaan
en het orgeltje speelde van holie, ha, hij
en de kinderen huilden er bij !

Avondklokje



Avondklokje

Daar klingelt een klokje
met zilveren klank
het nodigt ons vrien'lijk tot
rust en tot dank
en roept tot ons allen;
de taak is volbracht
Goedenacht,goedenacht

De zonne ging onder,
bleek is haar glas
De maan leidt de reizen der
sterren ten dans
en dart'lend blonken zín water
hun pracht
Goedenacht, goedenacht

Een zuchtje ruist fluist'rend in
't ruisende riet
de kever zoemt gonzend om 't
bloembed een lied
de nachtegaal slaakt aan de
woudzoom zijn klacht
Goedenacht,goedenacht

Schijnt vriend'lijke sterren en
tintelt naar lust
slaap vogels en bloemen ook wij
gaan ter rust
Nacht armen en droeven en
kranken, rust zacht
Goedenacht, goedenacht

Maantje tuurt



Maantje tuurt

Maantje tuurt, maantje gluurt
al door de venster-ruiten
weet je wat hij zeggen wil
't is in de kamer zo stil, zo stil
zijn de kinderen al naar bed
of lopen ze nu nog buiten

Lieve maan, kijk eens aan
ze liggen al lang in de veren
mooi, zegt maantje en lacht en lacht
'k wens jullie alleen een goede nacht
morgen heb je weer nieuwe pret
dan kun je weer spelen en leren.

Mijn Nederland



Waar de blanke top der duinen

Waar de blanke top der duinen
schittert in de zonnegloed
en de noordzee vriendelijk bruisend
neerlands smalle kust begroet
juich ik aan het vlakke strand
'k heb u lief, mijn Nederland.

Waar het lachend groen der heuvels
't eind der stille heide omzoomt
waar langs rijk geladen velden
Rijn of Maas of Schelde stroomt
klinkt mijn lied op oude trant
'k heb u lief, mijn Nederland.

Waar de blanke deugd der vaad'ren
nog een gastvrij plaatsje vindt
en de vrede in huis en harten
vorst en volk tezamen bindt
juich ik, 't zij op veld of strand
'k heb u lief, mijn Nederland.

Waar onze ouders werken, zwoegen
en ons leiden tot de deugd
waar wij door hun trouwe zorgen
wijsheid garen in de jeugd
daar klinkt 't lied van elke kant
'k heb u lief, mijn Nederland.

Blijf gezegend, Land der vaad'ren
make u eendracht sterk en groot
blijve 't volk aan wet en koning
houw en trouw in nood en dood
doe zo ieder 't woord gestand
'k heb u lief, mijn Nederland.

Koen



Koen

Koen, maak je me schoen?
ja, juffouw, ik zal 't dadelijk doen
Koen, maak je 'm sterk?
ja, juffrouw, dat is mijn dagelijks werk.

Koen, is mijn schoen al klaar?
ja, juffrouw, betaalt U maar
Koen, ik heb geen geld ontvangen.
nu, dan blijft uw schoen daar hangen
want op klanten zonder geld
ben ik niet gesteld.

dag, Koen
dag, juffrouw zonder schoen.

Maneschijn



Maneschijn

Die klare, heldre maneschijn,
Wat houdt hij trouw de wacht!
Ik kruip maar achter mijn gordijn
En slaap den heelen nacht.

Kijk vrij door 't venster met uw licht,
Gij allerliefste maan!
Ik knijp maar bei mijn oogjes dicht
En laat je buiten staan.

Als morgen vroeg de zon opgaat,
Spring ik weer voor den dag;
En wensch dan, beste kameraad!
Dat je ook eens slapen mag.

J.P. Heije

Kiespijn



Kiespijn

Kleine Jantje heeft zo'n kiespijn
kleine Jantje heeft verdriet
ach, hij kan niet eens meer lachen
en hij eet óók bijna niet.

O, 't is maar een heel klein gaatje
in de zere kies van Jan
hoe is 't moog'lijk, zou je vragen,
dat hem dit zó plagen kan.

Maar straks gaat ons Jantje even
naar de tandarts met zijn moe
en die maakt dat nare gaatje
wel weer keurig netjes toe.

En als Jantje dan weer thuis is
wel, dan huilt hij héél niet meer
want dan is de kiespijn over
en... hij lacht als vroeger weer.

De bakker



De bakker

Bakker, bakker, bolleman,
Bak een broodje, als je kan;
Bak een broodje, lekker rond,
Voor mijn broertje's kleine mond.

Bakker, bakker, bolleman
Stook je vuurtje nog wat an!
Stook je vuurtje met wat hout,
Want je deeg dat is nog koud.

Haal je brood en je beschuit
Nu maar gauw den oven uit.
"Dank je baas! Nu met mijn vracht
Naar mijn broertje, die lang al wacht."

Meer van Terugblikken

↑ Terug naar de berichten