Welkom

Welkom
Buiten in de biezen
Buiten in de biezen
Buiten in de biezen
Daar lei een hondje dood.
Zijn staartje was bevroren,
Zijn billetjes waren bloot.
Toen kwam Lijsje Lonken
Die zei: dat beest is dronken!
Toen kwam Lijsje Lollepot
Die zei: dat beest is half zot!
Toen kwam Jan de slager
Die zei: dat beestje is mager.
Toen kwam Thijs de timmerman
Die lapte er weer een staartje an.
Toen liep dat hondje henen,
Met 't staartje tussen de benen.
Hopsa heisasa
Hopsa heisasa
Hopsa, heisasa,
't Is in de maand van Mei, ja, ja.
Rooie neuzen zijn verdwenen,
Dooie vingers, prikkelteenen,
Al dat kil en koud verdriet
Heb je in de Meimaand niet.
Hopsa, heisasa
't Is in de maand van Mei.
Hopsa, heisasa
't Is in de maand van Mei, ja, ja,
Weg met dikke winterjassen,
Weg met mutsen, wollen dassen,
Moortje heeft zijn werk gedaan
Moortje kan naar zolder gaan.
Hopsa, heisasa
't Is in de maand van Mei.
Hopsa, heisasa
't Is in de maand van Mei, ja, ja,
Jongens kom, we gaan aan 't stappen.
Om wat frissche lucht te happen,
Alles staat in lentetooi,
O, wat is die Mei toch mooi.
Hopsa, heisasa
't Is in de maand van Mei.
Alles blij
Alles blij
Alles blij, maakt de mei
En het hart zo fris en vrij
Groot en klein roept hoe fijn
Is de zonneschijn.
Iedereen is verheugd en blij
Met de bloemen in de wei
Alles lacht, wat een pracht
Heeft de mei gebracht.
Alles blij, maakt de mei
Want de winter is voorbij
Alles blij, maakt de mei
Winter is voorbij.
Vogels bouwen nu hun nest
En de zon die doet z'n best
Alles blij, maakt de mei
De winter is voorbij.
Zeven kikkertjes
Van zeven kikkertjes
Daar zaten zeven kikkertjes
Al in een boerensloot.
De sloot was toegevroren,
Ze waren hallef dood.
Ze kwekten niet, ze kwaakten niet
Van honger en verdriet.
De jongste, die een wijsneus was,
Zei tot zijn kameraads:
Die malle nachtegalen,
Wat hebben zij een praats.
Was eerst het ijs maar in de dooi,
Wij zongen net zo mooi!
De milde lieve lente kwam,
Zij kwaakten d'oude wijs.
Als zij dat zingen noemen,
Wens ik ze weer in't ijs!
Ik geef die kikkers allemaal,
voor ene nachtegaal.
Over de woeste baren
Over de woeste baren
Over de woeste baren
Ver van overzee
Daar kwam een schip gevaren
Schatten bracht het mee
Van binnen was het zilver
Van buiten was het goud
De zeilen zijn van zeildoek
De masten zijn van hout
Vierentwintig muizen,
Die werkten o zo vlug
De kapitein, die dikzak
Stond boven op de brug
Het was een leuk verhaaltje
Maar och, het was niet waar
Een jongetje in z'n bedje
Die droomde alles maar
Ons landje
Ons landje
Er is een schamel, schamel landje
Van water, gras en veen.
Een landje met een randje
Van grint en mergelsteen.
Maar op dat need'rig plekjen
Bloeit hooge schoonheidszin,
Geen huisjen, ja geen hekjen,
Of schoonheid schuilt er in.
Er is een schamel, schamel landje
Van regen, wind en mist,
Waarvan haast ieder zandje
Uit zee is opgevischt.
Maar is dat landje ook arrem,
Toch bloeit de liefde er schoon,
En klopt het hart er warrem
Voor vaderland en troon.
Met luchten grijs en grauw
Maar hier en daar een bandje
Van vreugdenrijker blauw.
Maar is dat landje ook poover,
Toch bloeit er moed en trouw.
En driemaal wee den roover,
Die 't landje stelen wou.
Hollandsch liedje
Hollandsch liedje
Holland ze zeggen; je grond is zoo dras
Maar malsch zijn je weiden en puik is je gras
En vet zijn je glanzende koeien.
Frisch waait de wind door je wuivende riet;
Groen zijn je dorpjes in 't neev'lig verschiet.
Rijk staan je gaarden te bloeien.
Blank is je water en geurig je hooi
Holland, mijn holland ik vind je zoo mooi!
Holland, mijn Holland, ik vind je zoo mooi!
Holland ze zeggen; je bent maar zoo klein
Maar wijd is je zee en je lucht is zoo rein
En breed zijn je krachtige stroomen.
Goud is je graan op je zand en je klei.
Purper het kleed van je golvende hei,
Stoer zijn je ruischende boomen.
Holland, ik min je om je heerlijken tooi
Holland, mijn Holland ik vind je zoo mooi!
Holland, mijn Holland, ik vind je zoo mooi!
Sledevaart
Sledevaart
Rinkel tinkel, rinkel tinkel,
Door de witte winterlaan,
Onder dikbesneeuwde bomen
Glijdt de arreslede aan.
Rinkel tinkel, rinkel tinkel,
Zingt het fijntjes door de lucht,
Enkel tinkeltonen klinken,
Anders is er geen gerucht.
Nader schuift de ranke slede,
Sneeuw stuift voor de hoeven op.
En het dravend paard schudt heftig
Met zijn roodbepluimde kop.
Mollig ploffen paardepoten,
Bellen rink'len onder 't gaan;
Rinkel tinkel, rinkel tinkel,
Door de witte winterlaan.
De vogels in de winter
De vogels in de winter.
Als de winter is gekomen
En op 't veld, op dak en bomen
't Blinkend witte sneeuwdek ligt -
Kijk, dat is een mooi gezicht.
En de kinderen verblijen
Zich, dat ze braaf kunnen glijen,
Ballen gooien, sleetjerijen
En eens vallen tussenbeiën;
Maar de vogels - ja, zo waar,
Voor die is de winter naar.
Mag de kou hen al niet deren,
Zitten ze in hun dichte veren
Warm, als wij in onze kleren,
Toch - die hongerige maag
Is voor hen een erge plaag,
En zien zij de schoorsteen roken,
Als de meid het vuur gaat stoken,
Om de middagpot te koken,
De arme stumperds treuzlen niet,
Maar ze komen daadlijk kijken,
Of niet bij de goede rijken
Ook voor hen en hunsgelijken
Een klein kruimeltje overschiet.
En lang niet hebben zij gewacht,
Of daar komt buiten deur lief Antje,
Die al zo vaak hun eten bracht,
Met broertje en zus; en uit haar mandje
Strooit zij op de bevrozen grond
Met haar kleine handje
Broodkruimels en wat boekweit rond.
O, o, wat nu de vogels blij zijn!
Wat allen met een wip er bij zijn!
Ze wroeten en pikken,
Ze happen en slikken,
En danken voor het gul onthaal
De lieve kindren duizendmaal.
~J.J.A. Goeverneur~