Naar de inhoud

Terugblikken

akke.beakke.be

Jantje zag eens...



Jantje zag eens pruimen hangen

Jantje zag eens pruimen hangen
o, als eieren zoo groot
't scheen dat Jantje wou gaan plukken
schoon zijn vader 't hem verbood
hier is, zei hij, noch mijn vader
noch de tuinman die het ziet
aan een boom, zoo vol geladen
mist men vijf, zes pruimen niet
maar ik wil gehoorzaam wezen
en niet plukken, ik loop heen
zou ik om een handvol pruimen
ongehoorzaam wezen? Neen!

Voort ging Jantje naar zijn vader
die hem stil beluisterd had
kwam hem in 't loopen tegen
vooraan op het middenpad
kom mijn Jantje, zei de vader
kom mijn kleine hartedief
nu zal ik pruimen plukken
nu heeft vader Jantje lief
daarop ging vader aan het schudden
Jantje raapte schielijks op
Jantje kreeg zijn hoed vol pruimen
en liep heen op een galop

Marietje



Marietje

Marietje wast in moeders teil
de kleertjes van haar poppen
de jurk met roosjes van Annet
het zomergoed van Lien en Jet
en Linda's jurk met noppen.

Marietje wast en wrijft en spoelt
voorzichtig, zonder wringen
dan hangt ze hoog aan moeders lijn
in zomerwind en zonneschijn
de natte poppedingen.

De poppen zitten stil en zoet
te wachten op hun kleren
ze weten wel : is alles klaar
dan gaan ze heerlijk met elkaar
met moes mee uit logeren.

De mooiste bloemen



De mooiste bloemen

Midden op het grote plein
staat het stalletje van Katrijn:
Mooie blommen! Mooie blommen!
Mensen, hierheen moet je kommen!

'k Heb margrieten, mooie anjers,
'k Heb violen... zulke kanjers!
Rode rozen, korenbloemen,
veel te veel om op te noemen,
lelietjes van twintig centen,
prachtig mooi. Je ruikt de lente!

Daar komt kleine Pieter aan.
Bij het stalletje blijft hij staan.
Wel, m'n jongen, zegt Katrijn,
Wat zal 't wezen, wat zal 't zijn?

Irissen met lange stelen,
wil je paarse, wil je gele?
Zestig centen maar, de tien!
Wil je roosjes dan, misschien?
Ook niet deze? Of van deze?
Maar wat moet het dán toch wezen,
moet je ze voor moeder halen?
Neem dan lelietjes-van-dalen!

Nee, zegt Pieter, nee, het was
voor de juffrouw van de klas!
Weet je ze verjaart vandaag
en nu geef ik haar zo graag
bloemetjes met gele hartjes,
maar ik heb alleen twee kwartjes...

Lieve jongen, zegt Katrijn,
dan krijg jij van mij jasmijn!
't Allermooiste wat er bij is.
En of Pietertje ook blij is!
Kijk, daar gaat hij met zijn petje
en zijn prachtige boeketje,
straks zegt Pieter heel geleerd:
Juf, nog wel gefie-sie-teerd.

Klop klop klop



Klop klop klop

Hakkeplak, ik schrik ervan
o, wat heb je 't druk
kindje lief, wat is er dan
is je schoentje stuk?
klop, klop, klop.

Kijk maar even naar m'n zool
't is niet om te doen
neen, zo kan je niet naar school
trek maar uit je schoen
klop, klop, klop.

't Hamertje gaat op en neer
boven op de zool
hier heb jij je schoentje weer
en nu gauw naar school
klop, klop, klop.

Wassend maantje



Wassend maantje

Als de zon is weggezonken,
En het avonddonker daalt,
Dan verrijst het wassend maantje,
Dat als zilv´ren sikkel praalt.
Vriend´lijk glanst het op de weide,
Op het loof van struik en boom,
En het neemt ook ras een kijkje
In de spiegelheld´re stroom

´t Ziet de paarse zwanebloemen
Statig rijzen uit het nat,
En de blanke waterlelies
Schomm´len op haar cirkelblad,
En het maantje groet de bloemen,
Die daar bloeien op de stroom,
En zij strookt ze met haar stralen,
Tot zij domm´len in de droom.

Op de fiets



Op de fiets

Op de fiets, tingelingeling, op de fiets
ga je heerlijk en 't kost bijna niets.

Hij brengt je beslist zonder duiten
ver weg waar de vogeltjes fluiten.

Op de fiets, tingelingeling, op de fiets
ga je heerlijk en 't kost bijna niets.

Je voelt je gezond en je trapt er op los
op je stalen ros! Tjiedel diedel djom pom!

Jokkebrok



Jokkebrok

Anneliesje heeft gejokt
om een tweede koekje
Anneliesje zit beschaamd
in een donker hoekje.

O, wat tikt die nare klok :
‘jokkebrok, jok-ke-brok!’
Kom, ga spelen in de zon
zei daareven moesje
Zus en Jan zijn in den tuin
heb je iets mijn poesje?

O, wat tikt die klok nu raar :
‘zeg het maar, zeg-het-maar!’

Anneliesje heeft zoo'n spijt
schreit stil in haar hoekje
heel gauw zegt ze aan moeders oor
alles van dat koekje.

Hoor je, hoe de klok nu doet?
‘zóó is 't goed - zóó-is-'t goed!’

Koppig



Koppig

Hannes loopt op klompen
Zimpe zampe zompe
Door de plassen dat het spat
Broek en kousen worden nat
Moeder roept: Hannes laat het hoor
Hannes trapt maar dapper door
Hij laat zich niet lompen

Hanneske zit buiten
Ritte ratte ruite
Op de ruiten krast hij daar
Vader vindt het schriklijk naar
Roept: zeg, Hannes wees wat stil
Denk je dat hij 't laten wil
Hij laat vader fluiten.

Hannes zit te morren
Lirre larre lorre
In de school als meester zegt:
Hannes zit wat beter recht
Kijk naar 't bord, kijk in je boek
Brommig roept hij: wel dat doe 'k
Wat geeft hij om knorren

Hannes zit te brommen
Rimme ramme romme
Op zijn vader op zijn moe
Snauwt zijn broers en zusjes toe
Heeft met niemand ooit geduld
Zeg hem: jij hebt zelf de schuld
Nou daar mot je om komme

Wil je 't eens probeeren
Lirre larre leere
Iets te maken van het kind
't Is verloren moeite vrind
Jongetjes zo vol venijn
Kind'ren die zo koppig zijn
Kun je niet bekeren

Vroeg vogeltje



Vroeg vogeltje

Vogeltje wat zingt gij vroeg
wat zingt gij vroeg
pas ontwaak ik uit mijn dromen
of ik hoor u in de bomen
is de dag niet lang genoeg
is de dag niet lang genoeg?

Knaap, als ik mijn morgenzang
mijn morgenzang, mijn morgenzang
reeds een tijd lang heb gezongen
komt gij uit uw bed gesprongen
schijnt de dag u dan te lang
schijnt de dag u dan te lang?

Avondgebedje



Avondgebedje

ik ga slapen ik ben moe
Sluit mijn beide oogjes toe
Here houd ook deze nacht
Over mij getrouw de wacht

Het boze dat ik heb gedaan
zie dat Here toch niet aan
schoon mijn zonden velen zijn
maak om Jezus wil mij rein.

Zorg voor de arme kindren Heer
en herstel de zieken weer
ja voor alle kindren saam
bid ik U in Jezus naam.

Sta mijn ouders trouw te zij
wees mijn vrienden ook nabij
geef ons allen nieuwe kracht
door de rust van deze nacht.

Doe mij dankbaar en gezond
opstaan in de morgenstond
als ik mijn oogjes open doe
lacht Uw zon mij vriendlijk toe.

Amen

Ons poesje



Ons poesje

Op een keer vloog er een vliegje
nog zo jong en nog zo klein
vrolijk rond bij ons in het tuintje
in de warme zonneschijn.

Maar een spin had daar haar webje
en ons vliegje vloog erin
raakte vast in al die draadjes
wat een pretje voor de spin.

Net was onze spin aan het smullen
of daar kwam een mus daarbij
die zei hap en spin en vliegje
waren binnen allebei.

Plots verscheen ons poesje
in de heg en pakte haar
en zo kwamen al die diertjes
in een buikje bij elkaar.

De kleinste



De kleinste

In 't groene dal, in 't stille dal
Waar kleine bloempjes groeien
Daar ruist een blanke waterval
En druppels spatten overal
Om ieder bloempje te besproeien
Om ieder bloempje te besproeien
Ook het kleinste

En boven op de heuveltop
Waar hoge bomen groeien
Daar zweept de stormvlaag fel en bits
Daar treft de rose bliksemflits
En splijt,bij 't daav'rend onweer loeien
En splijt,bij 't daav'rend onweer loeien
De grootste

Omhoog, omlaag, op berg en dal
Ben 'k in de hand des Heerens!
Toch kies ik, als ik kiezen zal
Mijn stille plek, mijn waterval
Toch blijf ik steeds, naar mijn begeren
Toch blijf ik steeds, naar mijn begeren
De kleinste

Een huisje



Een huisje

Ik ken een aardig huisje,
't Is niet van steen of hout.
Het heeft geen deur of venster,
En toch is 't net gebouwd.

Dat aardig, snoeprig huisje
Is één vertrek maar rijk,
Slaapkamer is 't en keuken,
Ja, alles tegelijk.

Eenvoudig is 't van binnen,
Geen spiegel aan den wand,
Geen tafel en geen stoelen,
Geen bed of ledikant.

En die er woont in 't huisje,
Krijgt niemand ooit te gast,
Omdat zijn kleine woning
Voor één persoon maar past.

"O, wil ons eens vertellen,
Waar toch dat huisje staat."
Ja, 't vreemdst is, dat dit huisje
Meest heen en weder gaat.

Want de eig'naar en bewoner
Is daarmeê zoo tevreê:
Op wandeling en reizen
Altijd sleept hij het meê.

Meer wil ik nu niet zeggen,
Nu raadt gij 't met gemak.
Dat aardig, snoeprig huisje
Is 't huisje van een ....

Een middagslaapje



Een middagslaapje

Wie rusten wil in 't groene woud
Wie rusten wil met lusten
Hij kieze een plekje dicht in 't hout
En vlije zich tot rusten
Een peluwtje van mollig mos
Een kussentje van varen
En een gordijn van bláren
Geeft zoete middagslaap in 't bos

De hemel van het ledikant
Blinkt prachtig blauw door 't lover
De heesters sling'ren om de rand
De bloesem hangt er over
Het koeltje fluistert met de vliet
De dart'le vlinders spelen
De nachtegalen kwelen...
Is 't niet een lieflijk wiegelied?

En 't best is, dat het groene woud
Met koelte en rust u lavend
Van u geen zilver vraagt of goud
Al slaapt gij tot de avond
't Vraagt enkel: Zijt ge mat of moé...
De slaapsteé is voor allen:
En is ze u goed bevallen
Dan krijg gij 't avondgoud nog toe!

J.P. Heije

Buiten



Buiten

In Koelucht en in Zalk
daar is het heerlijk wonen,
daar hangen aan een balk
de zakjes bruine bonen
en vlak ernaast, aan een soort rek,
de droge worsten en het spek.
Men zegt op ied're boerderij:
'Kom, neem een stoel en schik eens bij!'
En, vòòr je bent gezeten,
dampt reeds je bord met eten.
De boer gaat voor in het gebed;
de pet wordt afgenomen;
hij zegt, wordt die weer opgezet:
'Wel mag het je bekomen!'
In Zalk of Koelucht zou ik graag
wel altijd willen wonen,
want niets is zo goed voor de maag
als spek en bruine bonen.

Kaap'ren varen



Al die willen te kaap'ren varen

Al die willen te kaap'ren varen
Moeten mannen met baarden zijn
Jan, Piet, Joris en Corneel
Die hebben baarden, die hebben baarden
Jan, Piet, Joris en Corneel
Die hebben baarden, zij varen mee

Al die ranzige tweebak lusten
Moeten mannen met baarden zijn
Jan, Piet, Joris en Corneel
Die hebben baarden, die hebben baarden
Jan, Piet, Joris en Corneel
Die hebben baarden, zij varen mee

Al die deftige pijpkens smoren
Moeten mannen met baarden zijn
Jan, Piet, Joris en Corneel
Die hebben baarden, die hebben baarden
Jan, Piet, Joris en Corneel
Die hebben baarden, zij varen mee

Al die met ons de walrus killen
Moeten mannen met baarden zijn
Jan, Piet, Joris en Corneel
Die hebben baarden, die hebben baarden
Jan, Piet, Joris en Corneel
Die hebben baarden, zij varen mee

Al die dood en de duivel niet duchten
Moeten mannen met baarden zijn
Jan, Piet, Joris en Corneel
Die hebben baarden, die hebben baarden
Jan, Piet, Joris en Corneel
Die hebben baarden, zij varen mee

Goeden nacht



Goeden nacht

De bloempjes gingen slapen
zij waren geurens moe
zij knikten met hun kopjes
mij een welterusten toe
zacht ritselt gindse lindeboom
en lispt als in de droom
goeden nacht, goeden nacht
mijn kindje goeden nacht

De vogels zongen vrolijk
door 't zonnetje gekust
nu vouwen zijn hun vleugels
begeven zich ter rust
alleen het krekeltje in het veld
zijn zoet geheim verteld,
goeden nacht, goeden nacht
mijn kindje goeden nacht

De zandman is gekomen
gluurt door de schemering
of ergens soms een kindje
nog niet ter ruste ging!
en ziet hij zulk een stoute klant
hij strooit in d'oogjes zand
goeden nacht, goeden nacht
mijn kindje goeden nacht.

Bedtijd



Bedtijd

't Is tijd om te gaan slapen,
Komt kind'ren staakt uw spel,
Neen, neen, niet tegen spart'len
't Is tijd, dat weet je wel.

En als je dan in bed ligt
Dan komt Klaas Vaak met zand,
Dat strooit hij in de oogjes
Hij strooit met volle hand.

Het bloempje sluit haar kelkjes,
't Is moe van al de pret,
Zie zoo nu nog een nachtzoen
En één twee drie, naar bed.

Meer van Terugblikken

↑ Terug naar de berichten