Naar de inhoud

Terugblikken

akke.beakke.be

In den regen



In den regen

Onder Moeders paraplu
Liepen eens twee kindjes,
Hanneke en Janneke,
Dat waren dikke vrindjes.
En de klompjes gingen klik, klak, klik,
En de regen deed van tik,tak,tik,
Op Moeders paraplu.
En de klompjes gingen klik, klak, klik,
En de regen deed van tik,tak,tik,
Op Moeders paraplu.
Op Moeders paraplu.

Toen kwam Jan-de-Wind er bij,
Die joeg eerst heel zoetjes,
Toen al hard en harder maar,
De regen in hun snoetjes.
En Jan-de-Wind, die rukte en trok,
En op en neder ging de stok,
Van Moeders paraplu.
En Jan-de-Wind, die rukte en trok,
En op en neder ging de stok,
Van Moeders paraplu.
Van Moeders paraplu.

Maar Hanneke en Janneke,
Dat waren flinke klantjes,
Die hielden stijf de paraplu,
In allebei hun handjes.
En ze lachten blij van hi, ha, hi,
En ze riepen: Jan, jij krijgt hem ni,
't Is Moeders paraplu.
En ze lachten blij van hi, ha, hi,
En ze riepen: Jan, jij krijgt hem ni,
't Is Moeders paraplu.
't Is Moeders paraplu.

Honderd schaapjes



Honderd schaapjes

Eenentwintig, tweeëntwintig...
Willemijntje kan niet slapen.
Daarom telt ze honderd schapen.

Drieëndertig, vierendertig...
Wil je weten hoe het kòmt?
Mammie heeft op haar gebròmd!

Vijfenveertig, zesenveertig...
Willemijn is blijven mokken.
Ze is boos naar bed getrokken.

Vijfenvijftig, achtenvijftig...
Daar is ze de tel al kwijt!
Willemijntje heeft zo'n spijt.

Vierenzestig, vijfenzestig...
"Mammie, mammie, kòm eens even.
Ik...wou...u...een...zoentje...geven...."

Nù kan Willemijntje slapen.
Welterusten zegt de klok.
Alle schaapjes zijn in 't hok.

Snoepwinkel



Snoepwinkel

Een dappere vent
in zijn vuistje een cent
komt naar voren en blijft grinnekend zwijgen.
Tot de koopvrouw geleerd,
zijn fortuin inspecteerd
en verteld wat hij daarvoor kan krijgen.

't Is een reep zwarte drop
koek met suiker erop,
een kleurbal, een zuurbal, een wafel,
een zoethouten stok
en een kleurige brok
't ligt alles bijeen op de tafel.

Als de kapitalist
zich wat dikwijls vergist
en de koek met de suiker verkruimelt.
Zegt de juffrouw verwoed
dat hij 't kostlijke goed
met zijn smerige vingers beduimelt.

De kleuter verbaast
dat de juffrouw zo raast
smoest stiekum wat met zijn kornuiten.
De keus wordt bepaald
en de kleurbal betaald
en dan slenteren ze schooierend naar buiten.

In de donkere straat
waar het groepje nu gaat
wordt hevig gewikt en gewogen.
Dan zuigen ze om beurt
tot de bal is verkleurd
en de droom en illusie vervlogen.

Zeg moeder waar is Jan



Zeg moeder, waar is Jan?

Zeg moeder, waar is Jan?
Daar ginder, daar ginder.
Zeg moeder, waar is Jan?
Daar ginder komt hij an.

Waar is hij dan geweest?
Bij tante, bij tante.
Waar is hij dan geweest?
Bij tante op het feest.

Wat heeft hij daar gehad?
Een koekje, een koekje!
Wat heeft hij daar gehad?
Een koekje met een gat!

Wat kreeg hij daar nog na?
een kopje, een kopje
Wat kreeg hij daar nog na?
Een kopje chocola!

Wie waren daar nog meer?
Twee dames, twee dames
Wie waren daar nog meer?
Twee dames en een heer!

Theevisite



Theevisite

Er zitten vier kleine jufjes,
Gezellige, wijze nufjes
Te keuv'len bij de thee;
Wat smaken die colombijntjes,
Die flikjes en koekjes fijntjes,
Zij eten elk voor twee.

Ze wiegen haar liefste popje,
Bij 't drinken van 't lekker kopje,
Op 't schootje heen en weer;
Want mocht er soms Toos gaan huilen,
Marietje of Lijs gaan pruilen,
Dan slapen zij niet weer.

"Mevrouwtje, U nog een kopje?
Een flikje, een lekker mopje?"
Zo gaat het al maar door.
En eer de mevrouwtjes 't weten,
Is 't trommeltje leeg gegeten
Maar kom, het was er voor.

Op een grote paddestoel



Op een grote paddestoel

Op een grote paddestoel,
Rood met witte stippen,
Zat kabouter Spillebeen,
Heen en weer te wippen.
Krak, zei toen de paddestoel,
Met een diepe zucht,
Allebei de beentjes,
Hoepla in de lucht!

Maar kabouter Spillebeen
Ging toch door met wippen.
Op die grote paddestoel,
Rood met witte stippen.
Daar kwam Vader Langbaard aan
En die zei toen luid:
"Moet dat stoeltje ook kapot?
Spillebeen, schei uit!"

Nieuwe klompjes



Nieuwe klompjes

Mijn Kees-oom is een timmerman,
Daar is geen knapper op de werf;
Hij maakt in huis en op het erf
Al wat-je zien of denken kan;
Zijn hand is ruw, en grof zijn stem,
Maar 'k ben daarom niet bang voor hem.

Hij kneep me lestmaal in mijn oor
En zei: 'Nu, als ge vlijtig leert,
Uw Vader en uw Moeder eert,
Dan krijgt ge er wat op Kerstijd voor!'
En tintelde ook mijn oor er van,
Toch keek ik Kees-oom vriendlijk ân.

En denk 'reis wat hij heeft gebragt?....
Een nieuw paar klompjes, puik en net,
Met zilvren neusjes afgezet,
Gevoerd met witte schapenvacht....
En binnen in daar lag een brief,
Waar op stond: 'Voor mijn Neefje-lief!'

En Moeder zei me, met een' lach:
Nu ziet ge maar, mijn beste maat!
Hoe of het zoete kindren gaat;
'k Hoop, dat je nu zoo blijven mag!
En 'k gaf mijn Moeder-lief een' zoen
En zei: dat ik mijn best zou doen!

J.P. Heije

Paddestoelen



Paddestoelen

Dag paddestoelen mannetjes,
Mevrouwtjes en meneertjes!
Wat sta je grappig in het rond;
Ik wed, je komt pas uit de grond
In vers gestreken kleertjes!

Maar als ik straks naar huis toe ga,
Dan krijg je vlugge voetjes;
Dan dans je in het rond, dan dans je maar,
dan knik je lachend naar mekaar
en schudt je rooie hoedjes!

Op de grote stille heide



Op de grote stille heide

Op de grote stille heide
Dwaalt de herder eenzaam rond,
Wijl de witgewolde kudde
Trouw bewaakt wordt door de hond,
En, al dwalend ginds en her,
Denkt de herder:"Och, hoe ver,
Hoe ver is mijn heide!
Hoe ver is mijn heide, mijn heide!"

Op de grote stille heide
Bloeien bloempjes lief en teer,
Pralend in de zonnestralen,
Als een bloemhof heinde en veer,
En tevreen met karig loon,
Roept de herder:"O, hoe schoon,
Hoe schoon is mijn heide,
Hoe schoon is mijn heide, mijn heide!"

Op de grote stille heide
Rust het al bij maneschijn,
Als de schaapjes en de bloemen
Vredig ingesluimerd zijn,
En, terugziende op zijn pad,
Juicht de herder:"Welk een schat!
Hoe rijk is mijn heide,
Hoe rijk is mijn heide, mijn heide!"

Advocaatje ging op reis



Advocaatje ging op reis

Advocaatje ging op reis, tiereliereliere.
Advocaatje ging op reis, tierelierelom.

Met zijn hoedje op zijn arm, tiereliereliere.
Met zijn hoedje op zijn arm, tierelierelom.

Bij een herberg bleef hij staan, tiereliereliere.
Bij een herberg bleef hij staan, tierelierelom.

Stokvis kreeg hij bij 't ontbijt, tiereliereliere.
Stokvis kreeg hij bij 't ontbijt, tierelierelom.

't Graatje schoot hem in zijn keel, tiereliereliere.
't Graatje schoot hem in zijn keel, tierelierelom.

Dokter werd er bij gehaald, tiereliereliere.
Dokter werd er bij gehaald, tierelierelom.

Maar de dokter was te laat, tiereliereliere.
Maar de dokter was te laat, tierelierelom.

Zo ging 't advocaatje dood, tiereliereliere.
Zo ging 't advocaatje dood, tierelierelom.

't Gras dat groeit nu op zijn buik, tiereliereliere.
't Gras dat groeit nu op zijn buik, tierelierelom.

Zing nog eenmaal tot besluit, tiereliereliere.
Zing nog eenmaal tot besluit, tierelierelom.

Luilekkerland



Luilekkerland

Kom, wie wil er met ons trekken
Naar het zoet Luilekkerland?
Dáar is 't land der lekkerbekken,
Waarnaar menig watertandt.
Kijk, die daar eens heen mocht komen,
Kan goedkoop recht vroolijk zijn:
Melk en honing vloeit in stroomen,
Uit de rotsen tapt men wijn.

0, wat daar niet valt te kluiven!
Daar is kost voor ieders mond;
Eenden, ganzen, kippen, duiven
Vliegen er gebraden rond;
Rolpens, worst, in dikke plakken,
Hebt ge zoo voor 't grijpen maar;
Lekk're visch, gestoofd, gebakken,
Staat voor iedereen er klaar.

Chinaasappelen en oranjes
Groeien er aan heg en struik;
Vijgen, druiven en kastanjes
Zijn voor iedereens gebruik.
Och, je hoeft je niet te bukken,
Appels, van het stuk een pond,
Vallen, eer je ze kunt plukken,
Je zoo, plof! maar in den mond.

Pannekoeken, zwart van krenten,
Zijn de steenen van de straat;
Flensjes, taartjes, appelpenten
Vindt ge, waar ge gaat of staat;
Ulevellen, chocolaadjes
Reegnen zoo maar op je neer;
0, zóó'n leven, 'k zeg je, maatjes!
Vindt je nergens, nergens meer.

Ja, 't is daar een heerlijk leven,
Net een leven naar me keus;
Maar, wilt ge u er heen begeven,
Vriendjes, stoot dan niet je neus;
Want, zooals ik meen te weten,
Moet vóor 't land een brijberg staan,
En daar eerst door henen te eten,
Zal niet zoo heel maklijk gaan.

Kleppermars



Kleppermars

Hoor je wel mijn kleppers gaan?
'k Heb 't toch geleerd,
'k Kreeg 't bijna niet gedaan,
Al maar geprobeerd;
Klepperde, klepperde klep klep klep,
Klepperde, klepperde klep klep klep,
'k Ben zo blij dat ik, 'k ben zo blij dat ik,
'k Ben zo blij, dat ik ze he-eb.
Klepperde, klepperde klep klep klep,
Klepperde, klepperde klep klep klep,
'k Ben zo blij dat ik, 'k ben zo blij dat ik,
'k Ben zo blij, dat ik ze heb.

Moeder vindt het toch zo'n kruis
't Maakt zoveel kabaal;
Al dat leven hier in huis,
't Is heus een schandaal.
Klepperde, klepperde klep klep klep,
Klepperde, klepperde klep klep klep,
'k Ben zo blij dat ik, 'k ben zo blij dat ik,
'k Ben zo blij, dat ik ze he-eb.
Klepperde, klepperde klep klep klep,
Klepperde, klepperde klep klep klep,
'k Ben zo blij dat ik, 'k ben zo blij dat ik,
'k Ben zo blij, dat ik ze heb.

Daarom ga ik maar op straat
Met mijn vriendje Piet,
Heerlijk, klepp'ren op de maat,
Geen heeft dan verdriet.
Klepperde, klepperde klep klep klep,
Klepperde, klepperde klep klep klep,
'k Ben zo blij dat ik, 'k ben zo blij dat ik,
'k Ben zo blij, dat ik ze he-eb.
Klepperde, klepperde klep klep klep,
Klepperde, klepperde klep klep klep,
'k Ben zo blij dat ik, 'k ben zo blij dat ik,
'k Ben zo blij, dat ik ze heb.

Regendropje



Regendropje

Regendropje hoor eens wat
Was de takjes en het blad
Was de takjes van de bomen
Dat er spoedig kersjes komen
Lekkere kersjes fris en rond
Die me smelten in de mond

Regendropje hoor eens wat
Maak mijn kopje ook maar nat
'k Wed dat moeder straks zal zeggen
Als ze mij in bed wil leggen
En ik spring haar op de schoot
O wat is dat kind al groot

Klein vogelijn



Klein vogelijn

Klein vogelijn op groene tak
wat zingt g'een rustig lied
wij hebben in ons hele boek
zo'n vrolijk wijsje niet
o zeg, o zeg ons aardig beest
wie toch uw meester is geweest.

Zo zuiver zingt gij en zo hoog
zo keurig in de maat
en 't hart, dat popelt ons van vreugd
wanneer uw keeltje gaat
o zeg, o zeg ons aardig beest
wie toch uw schepper is geweest.

Voorzeker, 't is de goede God
die 't u heeft toevertrouwd
opdat gij aan der blinden oor
zijn goedheid melden zoudt
o ja wij weten aardig beest
dat God uw meester is geweest.

Honger



Honger

Honger is de beste saus!
Draven, slaven, zwoegen, zweten
Geeft de rechte trek tot eten;
Wie gewerkt heeft flink en goed.
Smaken rauwe bonen zoet.

Honger is de beste saus!
Had je taarten en pasteien,
Had je ´s werelds lekkernijen,
Och wat hielp het u, mijn schat!
Als ge toch geen honger hadt.

Honger is de beste saus!
Loopt het somtijds op een schraaltje,
Denk - wat baat het beste maaltje
Aan een luie lekkerbek.........
Grote schotels, kleine trek!

Fikje



Fikje

Fikje, luister even!
Straks, bij Tante Door,
Niet met vuile pootjes
Binnen komen, hoor!

Niet om lekkers vragen -
Dat is niet beleefd...
Wachten, moet je, Fikje,
Tot men jou wat geeft.

Ook niet snuff'len, hoor je,
Netjes, voor den haard
Blijven liggen, Fikje;
Kalm zijn en bedaard!

Heb je 't goed begrepen?
Heb je 't goed verstaan!
Ja? - Dan mag het hondje
Mee naar Tante gaan.

Achter in het stille klooster



Achter in het stille klooster

Zachtjes klinkt het avondklokje,
Alles keert ter ruste neer,
Vogelen zingen treurige liederen,
't Zonlicht daalt in 't westen neer.

Achter in het stille klooster
Zusters in hun zwarte dracht,
Zij verplegen daar de lijders
Die gewond zijn aangebracht.

Beide deuren staan wijd open
En een zuster treedt daarin
Met een jong'ling in haar armen
Die nooit weer ten strijde ging.

Beide benen afgeschoten
En daarbij een rechterhand,
Want hij had zo trouw gestreden
Voor zijn eer en vaderland.

Aan de deur van 't stille klooster
Klopt een droeve moeder aan:
Ligt mijn zoon hier zwaargewond soms,
'k Zou zo gaarne tot hem gaan.

Arme moeder, sprak de zuster,
Uwe zoon, hij leeft niet meer,
Al zijn lijden is geleden,
Stierf voor vaderland en eer.

Bij het ziekbed aangekomen
Nam zij 't witte doodskleed af,
En in tranen stort zij neder:
Delf voor hem en mij een graf!

Op het kerkhof ligt begraven
Ene moeder en haar zoon,
En nu strijden zij voor eeuwig,
Ja voor eeuwig voor Gods troon.

Hansje de nagelbijter



Hansje, de nagelbijter

Hansje, zeg, wat doe jij daar?
Nagelsbijten? foei! wat naar!
Schaam je toch, doe dat niet weer,
Of ik stuur je eens op een keer
Naar den schoorsteenveger, hoor!
Want die weet wel raad er voor!
Die besmeert ze dik met roet,
Groene zeep en bitter goed,
En dan zegt hij: 'jongeheer,
Bijt nou maar je nagels weer.'
En meteen stopt hij ze dan
In je mond, zoo hard hij kan.

Pietje Puk



Pietje Puk

Zeg, ken je Pietje Puk?
Hij heeft het altijd druk.

Op maandag doet hij de was.
Op dinsdag maait hij het gras.

Op woensdag poetst hij zijn schoenen.
Op donderdag moet hij zijn straatje boenen.

Vrijdags gaat hij in het bad.
's Zaterdags gaat hij naar de stad.

En als alle boodschappen zijn gedaan
trekt Pietje Puk zijn zondagse kleren aan.

Meer van Terugblikken

↑ Terug naar de berichten