Naar de inhoud

Terugblikken

akke.beakke.be

Honger



Honger

Honger is de beste saus!
Draven, slaven, zwoegen, zweten
Geeft de rechte trek tot eten;
Wie gewerkt heeft flink en goed.
Smaken rauwe bonen zoet.

Honger is de beste saus!
Had je taarten en pasteien,
Had je ´s werelds lekkernijen,
Och wat hielp het u, mijn schat!
Als ge toch geen honger hadt.

Honger is de beste saus!
Loopt het somtijds op een schraaltje,
Denk - wat baat het beste maaltje
Aan een luie lekkerbek.........
Grote schotels, kleine trek!

Fikje



Fikje

Fikje, luister even!
Straks, bij Tante Door,
Niet met vuile pootjes
Binnen komen, hoor!

Niet om lekkers vragen -
Dat is niet beleefd...
Wachten, moet je, Fikje,
Tot men jou wat geeft.

Ook niet snuff'len, hoor je,
Netjes, voor den haard
Blijven liggen, Fikje;
Kalm zijn en bedaard!

Heb je 't goed begrepen?
Heb je 't goed verstaan!
Ja? - Dan mag het hondje
Mee naar Tante gaan.

Achter in het stille klooster



Achter in het stille klooster

Zachtjes klinkt het avondklokje,
Alles keert ter ruste neer,
Vogelen zingen treurige liederen,
't Zonlicht daalt in 't westen neer.

Achter in het stille klooster
Zusters in hun zwarte dracht,
Zij verplegen daar de lijders
Die gewond zijn aangebracht.

Beide deuren staan wijd open
En een zuster treedt daarin
Met een jong'ling in haar armen
Die nooit weer ten strijde ging.

Beide benen afgeschoten
En daarbij een rechterhand,
Want hij had zo trouw gestreden
Voor zijn eer en vaderland.

Aan de deur van 't stille klooster
Klopt een droeve moeder aan:
Ligt mijn zoon hier zwaargewond soms,
'k Zou zo gaarne tot hem gaan.

Arme moeder, sprak de zuster,
Uwe zoon, hij leeft niet meer,
Al zijn lijden is geleden,
Stierf voor vaderland en eer.

Bij het ziekbed aangekomen
Nam zij 't witte doodskleed af,
En in tranen stort zij neder:
Delf voor hem en mij een graf!

Op het kerkhof ligt begraven
Ene moeder en haar zoon,
En nu strijden zij voor eeuwig,
Ja voor eeuwig voor Gods troon.

Hansje de nagelbijter



Hansje, de nagelbijter

Hansje, zeg, wat doe jij daar?
Nagelsbijten? foei! wat naar!
Schaam je toch, doe dat niet weer,
Of ik stuur je eens op een keer
Naar den schoorsteenveger, hoor!
Want die weet wel raad er voor!
Die besmeert ze dik met roet,
Groene zeep en bitter goed,
En dan zegt hij: 'jongeheer,
Bijt nou maar je nagels weer.'
En meteen stopt hij ze dan
In je mond, zoo hard hij kan.

Pietje Puk



Pietje Puk

Zeg, ken je Pietje Puk?
Hij heeft het altijd druk.

Op maandag doet hij de was.
Op dinsdag maait hij het gras.

Op woensdag poetst hij zijn schoenen.
Op donderdag moet hij zijn straatje boenen.

Vrijdags gaat hij in het bad.
's Zaterdags gaat hij naar de stad.

En als alle boodschappen zijn gedaan
trekt Pietje Puk zijn zondagse kleren aan.

De Waldhoorn



De Waldhoorn

Langs berg en dal
Klinkt hoorngeschal,
Met vollen, zuiv'ren toon,
Met vollen, zuiv'ren toon,
En forsch en stout
Weerklinkt door 't woud
Die galm zoo schoon, zoo schoon.
Die galm zoo schoon, zoo schoon.

't Geeft schooner kleur
En frisscher geur
Aan alles, wat m'omringt,
Aan alles, wat m'omringt,
En 't beekje spat
Zijn paarlend nat,
Alsof het een liedje zingt.
Alsof het een liedje zingt.

Genot en rust
en levenslust
Daalt bij die melodij,
Daalt bij die melodij,
Verdriet en smart
Wijkt uit het hart,
En vlucht en vlucht van mij.
En vlucht en vlucht van mij.

Klokke Roeland



Klokke Roeland

Boven Gent rijst, eenzaam en grijst,
Het Oud Belfort, zinbeeld van het verleden;
Somber en groots, steeds stom en doods
Treurt de oude Reus op het Gent van heden;
Maar soms hij rilt, en eensklaps gilt
Zijn bronzen stemme door de stede:
"Tril in uw graf, tril Gentse helden,
Gij, Jan Hyoens, gij, Artevelden:
Mijn naam is Roeland, ik kleppe brand
En luide storm in Vlaanderland !"

Een bont verschiet schept het bronzen lied,
Prachtig weertoverd mij voor de ogen,
Mijn ziel erkent het oude Gent,
Het volk komt gewapend toegevlogen.
Het land is in nood: "Vrijheid of dood !"
De gilden komen aangetogen.
Ik zie Jan Hyoens, ik zie de Artevelden;
En stormend roept Roeland de helden:
"Mijn naam is Roeland, ik kleppe brand
En luide storm in Vlaanderland !"

O heldentolk, o reuzenvolk,
O pracht en macht van vroeger dagen !
O bronzen lied, ik weet uw bedied
En ik versta het verwijtend klagen;
Doch wees getroost: Zie, het oosten bloost
En Vlaanderens zonne gaat aan het dagen.
"Vlaanderen die leeu !" Tril, oude toren,
En paar uw lied met onze koren,
Zing: "ik ben Roeland, ik kleppe brand,
Luide triomf in Vlaanderland !"

Klein Toosje



Klein Toosje

Aan de groene waterkant
Staat klein Toosje
Al een poosje
Met wat kruimpjes in haar hand
En met veel gesnater
Komen door het water
Al de eendjes heel parmant
Van de overkant

Maar een kleine stoute hond
Ging aan 't grommen
En aan 't brommen
Sprong maar blaffend in het rond
En met veel gesnater
Vluchten door het water
Alle eendjes naar het land
Aan de overkant

Maar een vriendelijke heer
Bond stout Moortje
Aan een koordje
En de eendjes kwamen weer
Zie met veel gesnater
Komen door het water
Alle eendjes één voor één
Naar klein Toosje heen.

A is een Aapje



A is een aapje

A is een aapje, dat eet uit zijn poot.
B is de bakker, die bakt voor ons brood.
C is Charlotte, die drinkt chocolaad.
D is een dame, die drentelt op straat.
E is een ezel, die gaat naar het land.
F is een fruitvrouw, met fruit in haar mand.
G is een geitje, en Gijs staat er bij.
H is een held, met een houwer op zij.
I is de inktpot, waar Isaac uit schreef.
J is een jasje, dat kreeg ik van neef.
K is een koopman, die koffie verzond.
L is een landman, die leeuw'riken vond.
M is de molen, die maalt door de wind.
N is een nestje, dat Nicolaas vindt.
O is een otter, die zwemt in het meer.
P is een papje, dat pikt aan een peer.
Q is Quirinus, die zuurtjes uitdeelt.
R is een rover, die appelen steelt.
S is het scheepje, waar Steven mee speelt.
T is de trommel, die Tante mij schonk.
U is een uiltje, dat zit op een tronk.
V is een visser, met vis in zijn schuit.
W is de wagen, daar rij ik mee uit.
X is een letter, zeg ken je die wel?
IJ is een ijsbeer, die wit is van vel.
Z is een zeeman, die zegt u vaarwel.

Rijen op een paardje



Rijen, rijen op een paardje

Rijen, rijen op een paardje
met vier poten en een staartje
met twee oren op zijn kop
rijen, rijen, hop, hop, hop

Rijen, rijen op een paardje
rijen, rijen met een vaartje
rijen, rijen waar naar toe?
het allereerst naar Grotemoe

Rijen, rijen op een paardje
grootmoe heeft nog wel een taartje
paardje, paardje rij wat aan
laat ons gauw naar opoe gaan

Twee voerlui



Twee voerlui

Een karretje op de zandweg reed
De maan scheen helder, de weg was breed
Het paardje liep met lusten
'k Wed, dat het zelf zijn weg wel vind
De voerman lei te rusten.
Ik wens je wel thuis,mijn vrind, mijn vrind
Ik wens je wel thuis mijn vrind, mijn vrind.

Een karretje reed langs berg en dal
De nacht was donker, de weg is smal
Het paard liep als met vleugels
De sneeuwjacht zweept zijn ogen blind
De voerman houdt de teugels.
Ik wens je wel thuis mijn vrind, mijn vrind
Ik wens je wel thuis mijn vrind, mijn vrind.

Een karretje keert behouden weer
Het ander heeft geen voerman meer
Waar kan hij zijn gebleven
'k Wed, dat je'm op de zandweg vindt
Of mogelijk wel daarneven
Hij komt niet meer thuis die vrind, die vrind
Hij komt niet meer thuis die vrind, die vrind.

Naar zee



Naar zee

Ferme jongens,stoere knapen
Foei!Hoe suffend sta je daar!
Zijt ge dan niet welgeschapen?
Zijt ge niet van zessen klaar?
Schaam je jongens,en ga mee
Naar de zee,naar de zee!

Dat's een leven van plezieren
Dat's een leven van stavast
Zo de wereld rond te zwieren
In het topje van de mast
Thuis zijn op ied're ree
Kom,ga mee naar de zee!

Laat ze pruilen,laat ze druilen
Laat ze schuilen aan 't strand
Loop Jan Salie op zijn muilen
Jan Courage kiest het want
Holla bootsman alles ree?
Wij gaan mee naar de zee!

Wandelliedje



Wandelliedje

De paden op, de lanen in
vooruit met flinke pas
met stralend oog en blijde zin
en goedgevulde tas
de zonne lacht ons vrolijk toe
ons groet der voog'len zang
en wij we worden vast niet moe
al wand'len w' uren lang
tratatata bom bom tratatata bom, bom
al wand'len w' uren lang.

Marcheren is gezond voor 't bloed
verruimd wordt d' enge borst
't versterkt de spier van been en voet
't wekt eetlust op en dorst
daarom vooruit en in de maat
zo netjes als 't maar kan
nu 't eensgezind en ord'lijk gaat
heeft elk plezier ervan
tratatata bom bom tratatata bom, bom
heeft elk plezier ervan.

Winkel van Sinkel



Versje

De winkel van Sinkel

In de winkel van Sinkel is alles te koop
Daar kan men krijgen, mandjes met vijgen
doosjes pommade, flesjes orangeade,
hoeden en petten en damescorsetten
drop om te snoepen en pillen om te poepen.

Gedichtje

Winkel van Sinkel

Al worden we ouder in zorg en verdriet,
De liedjes van moeder vergeten we niet.
Ze zong, als ze breide of hechtte een knoop:
In den winkel van Sinkel is alles te koop!

Receptje



Receptje

Ik ken een goed receptje
dat altijd helpt gewis
zeg Riekje wil je weten
wat dat voor drankje is
't geheim zal ik je schrijven
dus lees het nu maar goed
twee druppeltjes van vriendelijkheid
en twee van goede moed.

Neem een kop vol opgeruimdheid
en een glaasje met wat zoet
daags twee lepels zelfbeheersing
niet te veel, dat is niet goed
vind je dan in dit receptje
je liefste wens nog niet vervuld
neem dan voor het allerlaatste
nog een pleister van geduld.

Jantje zag eens...



Jantje zag eens pruimen hangen

Jantje zag eens pruimen hangen
o, als eieren zoo groot
't scheen dat Jantje wou gaan plukken
schoon zijn vader 't hem verbood
hier is, zei hij, noch mijn vader
noch de tuinman die het ziet
aan een boom, zoo vol geladen
mist men vijf, zes pruimen niet
maar ik wil gehoorzaam wezen
en niet plukken, ik loop heen
zou ik om een handvol pruimen
ongehoorzaam wezen? Neen!

Voort ging Jantje naar zijn vader
die hem stil beluisterd had
kwam hem in 't loopen tegen
vooraan op het middenpad
kom mijn Jantje, zei de vader
kom mijn kleine hartedief
nu zal ik pruimen plukken
nu heeft vader Jantje lief
daarop ging vader aan het schudden
Jantje raapte schielijks op
Jantje kreeg zijn hoed vol pruimen
en liep heen op een galop

Marietje



Marietje

Marietje wast in moeders teil
de kleertjes van haar poppen
de jurk met roosjes van Annet
het zomergoed van Lien en Jet
en Linda's jurk met noppen.

Marietje wast en wrijft en spoelt
voorzichtig, zonder wringen
dan hangt ze hoog aan moeders lijn
in zomerwind en zonneschijn
de natte poppedingen.

De poppen zitten stil en zoet
te wachten op hun kleren
ze weten wel : is alles klaar
dan gaan ze heerlijk met elkaar
met moes mee uit logeren.

De mooiste bloemen



De mooiste bloemen

Midden op het grote plein
staat het stalletje van Katrijn:
Mooie blommen! Mooie blommen!
Mensen, hierheen moet je kommen!

'k Heb margrieten, mooie anjers,
'k Heb violen... zulke kanjers!
Rode rozen, korenbloemen,
veel te veel om op te noemen,
lelietjes van twintig centen,
prachtig mooi. Je ruikt de lente!

Daar komt kleine Pieter aan.
Bij het stalletje blijft hij staan.
Wel, m'n jongen, zegt Katrijn,
Wat zal 't wezen, wat zal 't zijn?

Irissen met lange stelen,
wil je paarse, wil je gele?
Zestig centen maar, de tien!
Wil je roosjes dan, misschien?
Ook niet deze? Of van deze?
Maar wat moet het dán toch wezen,
moet je ze voor moeder halen?
Neem dan lelietjes-van-dalen!

Nee, zegt Pieter, nee, het was
voor de juffrouw van de klas!
Weet je ze verjaart vandaag
en nu geef ik haar zo graag
bloemetjes met gele hartjes,
maar ik heb alleen twee kwartjes...

Lieve jongen, zegt Katrijn,
dan krijg jij van mij jasmijn!
't Allermooiste wat er bij is.
En of Pietertje ook blij is!
Kijk, daar gaat hij met zijn petje
en zijn prachtige boeketje,
straks zegt Pieter heel geleerd:
Juf, nog wel gefie-sie-teerd.

Klop klop klop



Klop klop klop

Hakkeplak, ik schrik ervan
o, wat heb je 't druk
kindje lief, wat is er dan
is je schoentje stuk?
klop, klop, klop.

Kijk maar even naar m'n zool
't is niet om te doen
neen, zo kan je niet naar school
trek maar uit je schoen
klop, klop, klop.

't Hamertje gaat op en neer
boven op de zool
hier heb jij je schoentje weer
en nu gauw naar school
klop, klop, klop.

Wassend maantje



Wassend maantje

Als de zon is weggezonken,
En het avonddonker daalt,
Dan verrijst het wassend maantje,
Dat als zilv´ren sikkel praalt.
Vriend´lijk glanst het op de weide,
Op het loof van struik en boom,
En het neemt ook ras een kijkje
In de spiegelheld´re stroom

´t Ziet de paarse zwanebloemen
Statig rijzen uit het nat,
En de blanke waterlelies
Schomm´len op haar cirkelblad,
En het maantje groet de bloemen,
Die daar bloeien op de stroom,
En zij strookt ze met haar stralen,
Tot zij domm´len in de droom.

Meer van Terugblikken

↑ Terug naar de berichten