Naar de inhoud

Terugblikken

seniorennet.beseniorennet.be

Hopsa heisasa



Hopsa heisasa

Hopsa, heisasa,
't Is in de maand van Mei, ja, ja.
Rooie neuzen zijn verdwenen,
Dooie vingers, prikkelteenen,
Al dat kil en koud verdriet
Heb je in de Meimaand niet.
Hopsa, heisasa
't Is in de maand van Mei.

Hopsa, heisasa
't Is in de maand van Mei, ja, ja,
Weg met dikke winterjassen,
Weg met mutsen, wollen dassen,
Moortje heeft zijn werk gedaan
Moortje kan naar zolder gaan.
Hopsa, heisasa
't Is in de maand van Mei.

Hopsa, heisasa
't Is in de maand van Mei, ja, ja,
Jongens kom, we gaan aan 't stappen.
Om wat frissche lucht te happen,
Alles staat in lentetooi,
O, wat is die Mei toch mooi.
Hopsa, heisasa
't Is in de maand van Mei.

Alles blij



Alles blij

Alles blij, maakt de mei
En het hart zo fris en vrij
Groot en klein roept hoe fijn
Is de zonneschijn.

Iedereen is verheugd en blij
Met de bloemen in de wei
Alles lacht, wat een pracht
Heeft de mei gebracht.

Alles blij, maakt de mei
Want de winter is voorbij
Alles blij, maakt de mei
Winter is voorbij.

Vogels bouwen nu hun nest
En de zon die doet z'n best
Alles blij, maakt de mei
De winter is voorbij.

Zeven kikkertjes



Van zeven kikkertjes

Daar zaten zeven kikkertjes
Al in een boerensloot.
De sloot was toegevroren,
Ze waren hallef dood.
Ze kwekten niet, ze kwaakten niet
Van honger en verdriet.

De jongste, die een wijsneus was,
Zei tot zijn kameraads:
Die malle nachtegalen,
Wat hebben zij een praats.
Was eerst het ijs maar in de dooi,
Wij zongen net zo mooi!

De milde lieve lente kwam,
Zij kwaakten d'oude wijs.
Als zij dat zingen noemen,
Wens ik ze weer in't ijs!
Ik geef die kikkers allemaal,
voor ene nachtegaal.

Over de woeste baren



Over de woeste baren

Over de woeste baren
Ver van overzee
Daar kwam een schip gevaren
Schatten bracht het mee
Van binnen was het zilver
Van buiten was het goud
De zeilen zijn van zeildoek
De masten zijn van hout

Vierentwintig muizen,
Die werkten o zo vlug
De kapitein, die dikzak
Stond boven op de brug
Het was een leuk verhaaltje
Maar och, het was niet waar
Een jongetje in z'n bedje
Die droomde alles maar

Ons landje



Ons landje

Er is een schamel, schamel landje
Van water, gras en veen.
Een landje met een randje
Van grint en mergelsteen.
Maar op dat need'rig plekjen
Bloeit hooge schoonheidszin,
Geen huisjen, ja geen hekjen,
Of schoonheid schuilt er in.

Er is een schamel, schamel landje
Van regen, wind en mist,
Waarvan haast ieder zandje
Uit zee is opgevischt.
Maar is dat landje ook arrem,
Toch bloeit de liefde er schoon,
En klopt het hart er warrem
Voor vaderland en troon.

Met luchten grijs en grauw
Maar hier en daar een bandje
Van vreugdenrijker blauw.
Maar is dat landje ook poover,
Toch bloeit er moed en trouw.
En driemaal wee den roover,
Die 't landje stelen wou.

Hollandsch liedje



Hollandsch liedje

Holland ze zeggen; je grond is zoo dras
Maar malsch zijn je weiden en puik is je gras
En vet zijn je glanzende koeien.
Frisch waait de wind door je wuivende riet;
Groen zijn je dorpjes in 't neev'lig verschiet.
Rijk staan je gaarden te bloeien.
Blank is je water en geurig je hooi
Holland, mijn holland ik vind je zoo mooi!
Holland, mijn Holland, ik vind je zoo mooi!

Holland ze zeggen; je bent maar zoo klein
Maar wijd is je zee en je lucht is zoo rein
En breed zijn je krachtige stroomen.
Goud is je graan op je zand en je klei.
Purper het kleed van je golvende hei,
Stoer zijn je ruischende boomen.
Holland, ik min je om je heerlijken tooi
Holland, mijn Holland ik vind je zoo mooi!
Holland, mijn Holland, ik vind je zoo mooi!

Sledevaart



Sledevaart

Rinkel tinkel, rinkel tinkel,
Door de witte winterlaan,
Onder dikbesneeuwde bomen
Glijdt de arreslede aan.

Rinkel tinkel, rinkel tinkel,
Zingt het fijntjes door de lucht,
Enkel tinkeltonen klinken,
Anders is er geen gerucht.

Nader schuift de ranke slede,
Sneeuw stuift voor de hoeven op.
En het dravend paard schudt heftig
Met zijn roodbepluimde kop.

Mollig ploffen paardepoten,
Bellen rink'len onder 't gaan;
Rinkel tinkel, rinkel tinkel,
Door de witte winterlaan.

De vogels in de winter



De vogels in de winter.

Als de winter is gekomen
En op 't veld, op dak en bomen
't Blinkend witte sneeuwdek ligt -
Kijk, dat is een mooi gezicht.
En de kinderen verblijen
Zich, dat ze braaf kunnen glijen,
Ballen gooien, sleetjerijen
En eens vallen tussenbeiën;
Maar de vogels - ja, zo waar,
Voor die is de winter naar.

Mag de kou hen al niet deren,
Zitten ze in hun dichte veren
Warm, als wij in onze kleren,
Toch - die hongerige maag
Is voor hen een erge plaag,
En zien zij de schoorsteen roken,
Als de meid het vuur gaat stoken,
Om de middagpot te koken,
De arme stumperds treuzlen niet,
Maar ze komen daadlijk kijken,
Of niet bij de goede rijken
Ook voor hen en hunsgelijken
Een klein kruimeltje overschiet.

En lang niet hebben zij gewacht,
Of daar komt buiten deur lief Antje,
Die al zo vaak hun eten bracht,
Met broertje en zus; en uit haar mandje
Strooit zij op de bevrozen grond
Met haar kleine handje
Broodkruimels en wat boekweit rond.

O, o, wat nu de vogels blij zijn!
Wat allen met een wip er bij zijn!
Ze wroeten en pikken,
Ze happen en slikken,
En danken voor het gul onthaal
De lieve kindren duizendmaal.

~J.J.A. Goeverneur~

Oude jaar



Oude jaar

Oude jaar! o, laat ons rusten,
Omzien eer wij verder gaan;
't Nieuwe jaar word' niet begonnen
Eer we hebben stilgestaan.
Eer we in ernst ons zelven vroegen:
Deed ik waarlijk, wat ik kon?
Ben ik wijzer, beter, vromer,
Dan toen 't jaar zijn loop begon?

God gaf ons Zijn zon en regen,
Gaf ons vreugde, gaf ons smart;
Maakten wij genot en lijden
Tot een zegen voor ons hart?
Oude jaar! de jaren vlieden,
En zij keerden nimmer weer:
Ieder jaar dan vind' ons verder,
Vind' ons beter, meer en meer!

Oud moedertje



Oud moedertje

Oud moedertje strompelt naar buiten
en sprokkelt wat spaandertjes hout
de wind blaast zo vinnig uit 't oosten
het is in haar hutje zo koud
de wind blaast zo vinnig uit 't oosten
het is in haar hutje zo koud

De buurjongens zijn aan het spelen
Koen, Willem, Johannes en Piet
ze rijden elkaar in de sleden
en weten van kou noch verdriet
ze rijden elkaar in de sleden
en weten van kou noch verdriet

Daar zien z'in de verte het oudje
kom vlug op een drafje er heen
dan helpen wij buurvrouw een handje
zij is zo gebrekkig ter been
dan helpen wij buurvrouw een handje
zij is zo gebrekkig ter been

Gezegd en gedaan en zij zoeken
en sjouwen en draven maar aan
en brengen een mutsaert tezamen
die het oudje niet wegdragen kan
en brengen een mutsaert tezamen
die het oudje niet wegdragen kan

Het dragen alleen dat behoeft niet
de slede staat immers al klaar
kom jongens nou ieder een handje
voor één is dat vrachtje te zwaar
kom jongens nou ieder een handje
voor één is dat vrachtje te zwaar

Daar gaan ze al trekkend en schuivend
't oude vrouwtje volgt al hijgend de stoet
bij 't hutje klinkt vriendelijk "Dank je"
o jongens wat was je toch goed
bij 't hutje klinkt vriendelijk "Dank je"
o jongens wat was je toch goed

Ze mompelen wat aan en gaan verder
"Wat dom van ons jongens", zegt Koen
"Ze had op het hout kunnen zitten
Wij hadden dat best kunnen doen"
"Ze had op het hout kunnen zitten
Wij hadden dat best kunnen doen"

De winter begint



De winter begint

De tak die schudt haar blaadjes af
Het egeltje gaat slapen
De eekhoorn rent maar in het rond
Om nootjes op te rapen

De ganzen vliegen samen weg
De vlinders zijn verdwenen
Een dikke grijze pissebed
Kruipt weg onder de stenen

De mieren lopen naar hun hoop
En blijven lekker binnen
De eerste sneeuwvlok dwarrelt neer
De winter kan beginnen

Limburg



Limburg, mijn vaderland

Waar in 't bronsgroen eikenhout
't Nachtegaaltje zingt;
Over 't malsche korenveld
't Lied des leeuwriks klinkt;
Waar de hoorn des herders schalt
Langs der beekjes boord:
Daar is mijn Vaderland,
Limburgs dierbaar oord!
Daar is mijn Vaderland,
Limburgs dierbaar oord!

Waar de breede stroom der Maas
Statig zeewaarts vloeit;
Weeld'rig, sappig veldgewas
Kost'lijk groeit en bloeit;
Bloemengaard en beemd en bosch
Overheerlijk gloort:
Daar is mijn Vaderland,
Limburgs dierbaar oord!
Daar is mijn Vaderland,
Limburgs dierbaar oord!

Waar der Vaad'ren schoone taal
Klinkt met held're kracht;
Waar men kloek en flink van aard
Vreemde praal veracht;
Eigen zeden, eigen schoon
't Hart des volks bekoort:
Daar is mijn Vaderland,
Limburgs dierbaar oord!
Daar is mijn Vaderland,
Limburgs dierbaar oord!

Waar aan 't oud Oranjehuis
't Volk blijft hou en trouw,
Met ons roemrijk Nederland
Eén in vreugd en rouw;
Trouw aan plicht en trouw aan God
Heerscht van Zuid tot Noord:
Daar is mijn Vaderland,
Limburgs dierbaar oord!
Daar is mijn Vaderland,
Limburgs dierbaar oord!

Klompertje



Klompertje

Klompertje en zijn wijfje
Die gingen vroeg opstaan,
Om met hun boter en eiertjes
Al naar de markt te gaan.

Ze waren halverwege,
Halverwege den dijk,
Toen braken al de eiertjes
En 't botertje viel in 't slijk.

Het speet 'r niet om d'r eiertjes,
Maar om d'r mooien doek,
Dien ze gister pas gemaakt had
Van Klompertje's beste broek.

Leugenliedje



Leugenliedje

Toen 'k lest in Lombardije kwam,
Hoor eens, wat ik daar vernam:
't Koetje zat bij 't vuur en spon,
't Kalfje lag in de wieg en zong,
't Katje karnde boter,
't Hondje waschte de schotels,
De zwarte muis, die veegde 't huis,
De zwaluw droeg de mot er uit
Op zijn vergulde vleugeltjes;
Zijn dat geen dikke leugentjes?

Meer van Terugblikken

↑ Terug naar de berichten