Naar de inhoud

Terugblikken

akke.beakke.be

Paddestoelen



Paddestoelen

Dag paddestoelen mannetjes,
Mevrouwtjes en meneertjes!
Wat sta je grappig in het rond;
Ik wed, je komt pas uit de grond
In vers gestreken kleertjes!

Maar als ik straks naar huis toe ga,
Dan krijg je vlugge voetjes;
Dan dans je in het rond, dan dans je maar,
dan knik je lachend naar mekaar
en schudt je rooie hoedjes!

Op de grote stille heide



Op de grote stille heide

Op de grote stille heide
Dwaalt de herder eenzaam rond,
Wijl de witgewolde kudde
Trouw bewaakt wordt door de hond,
En, al dwalend ginds en her,
Denkt de herder:"Och, hoe ver,
Hoe ver is mijn heide!
Hoe ver is mijn heide, mijn heide!"

Op de grote stille heide
Bloeien bloempjes lief en teer,
Pralend in de zonnestralen,
Als een bloemhof heinde en veer,
En tevreen met karig loon,
Roept de herder:"O, hoe schoon,
Hoe schoon is mijn heide,
Hoe schoon is mijn heide, mijn heide!"

Op de grote stille heide
Rust het al bij maneschijn,
Als de schaapjes en de bloemen
Vredig ingesluimerd zijn,
En, terugziende op zijn pad,
Juicht de herder:"Welk een schat!
Hoe rijk is mijn heide,
Hoe rijk is mijn heide, mijn heide!"

Advocaatje ging op reis



Advocaatje ging op reis

Advocaatje ging op reis, tiereliereliere.
Advocaatje ging op reis, tierelierelom.

Met zijn hoedje op zijn arm, tiereliereliere.
Met zijn hoedje op zijn arm, tierelierelom.

Bij een herberg bleef hij staan, tiereliereliere.
Bij een herberg bleef hij staan, tierelierelom.

Stokvis kreeg hij bij 't ontbijt, tiereliereliere.
Stokvis kreeg hij bij 't ontbijt, tierelierelom.

't Graatje schoot hem in zijn keel, tiereliereliere.
't Graatje schoot hem in zijn keel, tierelierelom.

Dokter werd er bij gehaald, tiereliereliere.
Dokter werd er bij gehaald, tierelierelom.

Maar de dokter was te laat, tiereliereliere.
Maar de dokter was te laat, tierelierelom.

Zo ging 't advocaatje dood, tiereliereliere.
Zo ging 't advocaatje dood, tierelierelom.

't Gras dat groeit nu op zijn buik, tiereliereliere.
't Gras dat groeit nu op zijn buik, tierelierelom.

Zing nog eenmaal tot besluit, tiereliereliere.
Zing nog eenmaal tot besluit, tierelierelom.

Luilekkerland



Luilekkerland

Kom, wie wil er met ons trekken
Naar het zoet Luilekkerland?
Dáar is 't land der lekkerbekken,
Waarnaar menig watertandt.
Kijk, die daar eens heen mocht komen,
Kan goedkoop recht vroolijk zijn:
Melk en honing vloeit in stroomen,
Uit de rotsen tapt men wijn.

0, wat daar niet valt te kluiven!
Daar is kost voor ieders mond;
Eenden, ganzen, kippen, duiven
Vliegen er gebraden rond;
Rolpens, worst, in dikke plakken,
Hebt ge zoo voor 't grijpen maar;
Lekk're visch, gestoofd, gebakken,
Staat voor iedereen er klaar.

Chinaasappelen en oranjes
Groeien er aan heg en struik;
Vijgen, druiven en kastanjes
Zijn voor iedereens gebruik.
Och, je hoeft je niet te bukken,
Appels, van het stuk een pond,
Vallen, eer je ze kunt plukken,
Je zoo, plof! maar in den mond.

Pannekoeken, zwart van krenten,
Zijn de steenen van de straat;
Flensjes, taartjes, appelpenten
Vindt ge, waar ge gaat of staat;
Ulevellen, chocolaadjes
Reegnen zoo maar op je neer;
0, zóó'n leven, 'k zeg je, maatjes!
Vindt je nergens, nergens meer.

Ja, 't is daar een heerlijk leven,
Net een leven naar me keus;
Maar, wilt ge u er heen begeven,
Vriendjes, stoot dan niet je neus;
Want, zooals ik meen te weten,
Moet vóor 't land een brijberg staan,
En daar eerst door henen te eten,
Zal niet zoo heel maklijk gaan.

Kleppermars



Kleppermars

Hoor je wel mijn kleppers gaan?
'k Heb 't toch geleerd,
'k Kreeg 't bijna niet gedaan,
Al maar geprobeerd;
Klepperde, klepperde klep klep klep,
Klepperde, klepperde klep klep klep,
'k Ben zo blij dat ik, 'k ben zo blij dat ik,
'k Ben zo blij, dat ik ze he-eb.
Klepperde, klepperde klep klep klep,
Klepperde, klepperde klep klep klep,
'k Ben zo blij dat ik, 'k ben zo blij dat ik,
'k Ben zo blij, dat ik ze heb.

Moeder vindt het toch zo'n kruis
't Maakt zoveel kabaal;
Al dat leven hier in huis,
't Is heus een schandaal.
Klepperde, klepperde klep klep klep,
Klepperde, klepperde klep klep klep,
'k Ben zo blij dat ik, 'k ben zo blij dat ik,
'k Ben zo blij, dat ik ze he-eb.
Klepperde, klepperde klep klep klep,
Klepperde, klepperde klep klep klep,
'k Ben zo blij dat ik, 'k ben zo blij dat ik,
'k Ben zo blij, dat ik ze heb.

Daarom ga ik maar op straat
Met mijn vriendje Piet,
Heerlijk, klepp'ren op de maat,
Geen heeft dan verdriet.
Klepperde, klepperde klep klep klep,
Klepperde, klepperde klep klep klep,
'k Ben zo blij dat ik, 'k ben zo blij dat ik,
'k Ben zo blij, dat ik ze he-eb.
Klepperde, klepperde klep klep klep,
Klepperde, klepperde klep klep klep,
'k Ben zo blij dat ik, 'k ben zo blij dat ik,
'k Ben zo blij, dat ik ze heb.

Regendropje



Regendropje

Regendropje hoor eens wat
Was de takjes en het blad
Was de takjes van de bomen
Dat er spoedig kersjes komen
Lekkere kersjes fris en rond
Die me smelten in de mond

Regendropje hoor eens wat
Maak mijn kopje ook maar nat
'k Wed dat moeder straks zal zeggen
Als ze mij in bed wil leggen
En ik spring haar op de schoot
O wat is dat kind al groot

Klein vogelijn



Klein vogelijn

Klein vogelijn op groene tak
wat zingt g'een rustig lied
wij hebben in ons hele boek
zo'n vrolijk wijsje niet
o zeg, o zeg ons aardig beest
wie toch uw meester is geweest.

Zo zuiver zingt gij en zo hoog
zo keurig in de maat
en 't hart, dat popelt ons van vreugd
wanneer uw keeltje gaat
o zeg, o zeg ons aardig beest
wie toch uw schepper is geweest.

Voorzeker, 't is de goede God
die 't u heeft toevertrouwd
opdat gij aan der blinden oor
zijn goedheid melden zoudt
o ja wij weten aardig beest
dat God uw meester is geweest.

Honger



Honger

Honger is de beste saus!
Draven, slaven, zwoegen, zweten
Geeft de rechte trek tot eten;
Wie gewerkt heeft flink en goed.
Smaken rauwe bonen zoet.

Honger is de beste saus!
Had je taarten en pasteien,
Had je ´s werelds lekkernijen,
Och wat hielp het u, mijn schat!
Als ge toch geen honger hadt.

Honger is de beste saus!
Loopt het somtijds op een schraaltje,
Denk - wat baat het beste maaltje
Aan een luie lekkerbek.........
Grote schotels, kleine trek!

Fikje



Fikje

Fikje, luister even!
Straks, bij Tante Door,
Niet met vuile pootjes
Binnen komen, hoor!

Niet om lekkers vragen -
Dat is niet beleefd...
Wachten, moet je, Fikje,
Tot men jou wat geeft.

Ook niet snuff'len, hoor je,
Netjes, voor den haard
Blijven liggen, Fikje;
Kalm zijn en bedaard!

Heb je 't goed begrepen?
Heb je 't goed verstaan!
Ja? - Dan mag het hondje
Mee naar Tante gaan.

Achter in het stille klooster



Achter in het stille klooster

Zachtjes klinkt het avondklokje,
Alles keert ter ruste neer,
Vogelen zingen treurige liederen,
't Zonlicht daalt in 't westen neer.

Achter in het stille klooster
Zusters in hun zwarte dracht,
Zij verplegen daar de lijders
Die gewond zijn aangebracht.

Beide deuren staan wijd open
En een zuster treedt daarin
Met een jong'ling in haar armen
Die nooit weer ten strijde ging.

Beide benen afgeschoten
En daarbij een rechterhand,
Want hij had zo trouw gestreden
Voor zijn eer en vaderland.

Aan de deur van 't stille klooster
Klopt een droeve moeder aan:
Ligt mijn zoon hier zwaargewond soms,
'k Zou zo gaarne tot hem gaan.

Arme moeder, sprak de zuster,
Uwe zoon, hij leeft niet meer,
Al zijn lijden is geleden,
Stierf voor vaderland en eer.

Bij het ziekbed aangekomen
Nam zij 't witte doodskleed af,
En in tranen stort zij neder:
Delf voor hem en mij een graf!

Op het kerkhof ligt begraven
Ene moeder en haar zoon,
En nu strijden zij voor eeuwig,
Ja voor eeuwig voor Gods troon.

Hansje de nagelbijter



Hansje, de nagelbijter

Hansje, zeg, wat doe jij daar?
Nagelsbijten? foei! wat naar!
Schaam je toch, doe dat niet weer,
Of ik stuur je eens op een keer
Naar den schoorsteenveger, hoor!
Want die weet wel raad er voor!
Die besmeert ze dik met roet,
Groene zeep en bitter goed,
En dan zegt hij: 'jongeheer,
Bijt nou maar je nagels weer.'
En meteen stopt hij ze dan
In je mond, zoo hard hij kan.

Pietje Puk



Pietje Puk

Zeg, ken je Pietje Puk?
Hij heeft het altijd druk.

Op maandag doet hij de was.
Op dinsdag maait hij het gras.

Op woensdag poetst hij zijn schoenen.
Op donderdag moet hij zijn straatje boenen.

Vrijdags gaat hij in het bad.
's Zaterdags gaat hij naar de stad.

En als alle boodschappen zijn gedaan
trekt Pietje Puk zijn zondagse kleren aan.

De Waldhoorn



De Waldhoorn

Langs berg en dal
Klinkt hoorngeschal,
Met vollen, zuiv'ren toon,
Met vollen, zuiv'ren toon,
En forsch en stout
Weerklinkt door 't woud
Die galm zoo schoon, zoo schoon.
Die galm zoo schoon, zoo schoon.

't Geeft schooner kleur
En frisscher geur
Aan alles, wat m'omringt,
Aan alles, wat m'omringt,
En 't beekje spat
Zijn paarlend nat,
Alsof het een liedje zingt.
Alsof het een liedje zingt.

Genot en rust
en levenslust
Daalt bij die melodij,
Daalt bij die melodij,
Verdriet en smart
Wijkt uit het hart,
En vlucht en vlucht van mij.
En vlucht en vlucht van mij.

Klokke Roeland



Klokke Roeland

Boven Gent rijst, eenzaam en grijst,
Het Oud Belfort, zinbeeld van het verleden;
Somber en groots, steeds stom en doods
Treurt de oude Reus op het Gent van heden;
Maar soms hij rilt, en eensklaps gilt
Zijn bronzen stemme door de stede:
"Tril in uw graf, tril Gentse helden,
Gij, Jan Hyoens, gij, Artevelden:
Mijn naam is Roeland, ik kleppe brand
En luide storm in Vlaanderland !"

Een bont verschiet schept het bronzen lied,
Prachtig weertoverd mij voor de ogen,
Mijn ziel erkent het oude Gent,
Het volk komt gewapend toegevlogen.
Het land is in nood: "Vrijheid of dood !"
De gilden komen aangetogen.
Ik zie Jan Hyoens, ik zie de Artevelden;
En stormend roept Roeland de helden:
"Mijn naam is Roeland, ik kleppe brand
En luide storm in Vlaanderland !"

O heldentolk, o reuzenvolk,
O pracht en macht van vroeger dagen !
O bronzen lied, ik weet uw bedied
En ik versta het verwijtend klagen;
Doch wees getroost: Zie, het oosten bloost
En Vlaanderens zonne gaat aan het dagen.
"Vlaanderen die leeu !" Tril, oude toren,
En paar uw lied met onze koren,
Zing: "ik ben Roeland, ik kleppe brand,
Luide triomf in Vlaanderland !"

Klein Toosje



Klein Toosje

Aan de groene waterkant
Staat klein Toosje
Al een poosje
Met wat kruimpjes in haar hand
En met veel gesnater
Komen door het water
Al de eendjes heel parmant
Van de overkant

Maar een kleine stoute hond
Ging aan 't grommen
En aan 't brommen
Sprong maar blaffend in het rond
En met veel gesnater
Vluchten door het water
Alle eendjes naar het land
Aan de overkant

Maar een vriendelijke heer
Bond stout Moortje
Aan een koordje
En de eendjes kwamen weer
Zie met veel gesnater
Komen door het water
Alle eendjes één voor één
Naar klein Toosje heen.

A is een Aapje



A is een aapje

A is een aapje, dat eet uit zijn poot.
B is de bakker, die bakt voor ons brood.
C is Charlotte, die drinkt chocolaad.
D is een dame, die drentelt op straat.
E is een ezel, die gaat naar het land.
F is een fruitvrouw, met fruit in haar mand.
G is een geitje, en Gijs staat er bij.
H is een held, met een houwer op zij.
I is de inktpot, waar Isaac uit schreef.
J is een jasje, dat kreeg ik van neef.
K is een koopman, die koffie verzond.
L is een landman, die leeuw'riken vond.
M is de molen, die maalt door de wind.
N is een nestje, dat Nicolaas vindt.
O is een otter, die zwemt in het meer.
P is een papje, dat pikt aan een peer.
Q is Quirinus, die zuurtjes uitdeelt.
R is een rover, die appelen steelt.
S is het scheepje, waar Steven mee speelt.
T is de trommel, die Tante mij schonk.
U is een uiltje, dat zit op een tronk.
V is een visser, met vis in zijn schuit.
W is de wagen, daar rij ik mee uit.
X is een letter, zeg ken je die wel?
IJ is een ijsbeer, die wit is van vel.
Z is een zeeman, die zegt u vaarwel.

Rijen op een paardje



Rijen, rijen op een paardje

Rijen, rijen op een paardje
met vier poten en een staartje
met twee oren op zijn kop
rijen, rijen, hop, hop, hop

Rijen, rijen op een paardje
rijen, rijen met een vaartje
rijen, rijen waar naar toe?
het allereerst naar Grotemoe

Rijen, rijen op een paardje
grootmoe heeft nog wel een taartje
paardje, paardje rij wat aan
laat ons gauw naar opoe gaan

Twee voerlui



Twee voerlui

Een karretje op de zandweg reed
De maan scheen helder, de weg was breed
Het paardje liep met lusten
'k Wed, dat het zelf zijn weg wel vind
De voerman lei te rusten.
Ik wens je wel thuis,mijn vrind, mijn vrind
Ik wens je wel thuis mijn vrind, mijn vrind.

Een karretje reed langs berg en dal
De nacht was donker, de weg is smal
Het paard liep als met vleugels
De sneeuwjacht zweept zijn ogen blind
De voerman houdt de teugels.
Ik wens je wel thuis mijn vrind, mijn vrind
Ik wens je wel thuis mijn vrind, mijn vrind.

Een karretje keert behouden weer
Het ander heeft geen voerman meer
Waar kan hij zijn gebleven
'k Wed, dat je'm op de zandweg vindt
Of mogelijk wel daarneven
Hij komt niet meer thuis die vrind, die vrind
Hij komt niet meer thuis die vrind, die vrind.

Naar zee



Naar zee

Ferme jongens,stoere knapen
Foei!Hoe suffend sta je daar!
Zijt ge dan niet welgeschapen?
Zijt ge niet van zessen klaar?
Schaam je jongens,en ga mee
Naar de zee,naar de zee!

Dat's een leven van plezieren
Dat's een leven van stavast
Zo de wereld rond te zwieren
In het topje van de mast
Thuis zijn op ied're ree
Kom,ga mee naar de zee!

Laat ze pruilen,laat ze druilen
Laat ze schuilen aan 't strand
Loop Jan Salie op zijn muilen
Jan Courage kiest het want
Holla bootsman alles ree?
Wij gaan mee naar de zee!

Meer van Terugblikken

↑ Terug naar de berichten