Naar de inhoud

Terugblikken

seniorennet.beseniorennet.be

Winter



Winter

Prettig glijden,
Sleetje rijden
Op de gladde baan,
Schaatsen onder,
Kijk, wat wonder:
Vliegends kom ik er aan!
Gauw geloopen,
Schaatsen koopen,
Heerlijk ijs is dat!
Komt maar allen,
Maar niet vallen,
Heusch, de baan is glad!
Dank je, winter, beste vent,
Dat je ons zooveel pretjes zendt!

Oud moedertje



Oud moedertje

Oud moedertje strompelt naar buiten
en sprokkelt wat spaandertjes hout
de wind blaast zo vinnig uit 't oosten
het is in haar hutje zo koud
de wind blaast zo vinnig uit 't oosten
het is in haar hutje zo koud

De buurjongens zijn aan het spelen
Koen, Willem, Johannes en Piet
ze rijden elkaar in de sleden
en weten van kou noch verdriet
ze rijden elkaar in de sleden
en weten van kou noch verdriet

Daar zien z'in de verte het oudje
kom vlug op een drafje er heen
dan helpen wij buurvrouw een handje
zij is zo gebrekkig ter been
dan helpen wij buurvrouw een handje
zij is zo gebrekkig ter been

Gezegd en gedaan en zij zoeken
en sjouwen en draven maar aan
en brengen een mutsaert tezamen
die het oudje niet wegdragen kan
en brengen een mutsaert tezamen
die het oudje niet wegdragen kan

Het dragen alleen dat behoeft niet
de slede staat immers al klaar
kom jongens nou ieder een handje
voor één is dat vrachtje te zwaar
kom jongens nou ieder een handje
voor één is dat vrachtje te zwaar

Daar gaan ze al trekkend en schuivend
't oude vrouwtje volgt al hijgend de stoet
bij 't hutje klinkt vriendelijk "Dank je"
o jongens wat was je toch goed
bij 't hutje klinkt vriendelijk "Dank je"
o jongens wat was je toch goed

Ze mompelen wat aan en gaan verder
"Wat dom van ons jongens", zegt Koen
"Ze had op het hout kunnen zitten
Wij hadden dat best kunnen doen"
"Ze had op het hout kunnen zitten
Wij hadden dat best kunnen doen"

De winter begint



De winter begint

De tak die schudt haar blaadjes af
Het egeltje gaat slapen
De eekhoorn rent maar in het rond
Om nootjes op te rapen

De ganzen vliegen samen weg
De vlinders zijn verdwenen
Een dikke grijze pissebed
Kruipt weg onder de stenen

De mieren lopen naar hun hoop
En blijven lekker binnen
De eerste sneeuwvlok dwarrelt neer
De winter kan beginnen

Limburg



Limburg, mijn vaderland

Waar in 't bronsgroen eikenhout
't Nachtegaaltje zingt;
Over 't malsche korenveld
't Lied des leeuwriks klinkt;
Waar de hoorn des herders schalt
Langs der beekjes boord:
Daar is mijn Vaderland,
Limburgs dierbaar oord!
Daar is mijn Vaderland,
Limburgs dierbaar oord!

Waar de breede stroom der Maas
Statig zeewaarts vloeit;
Weeld'rig, sappig veldgewas
Kost'lijk groeit en bloeit;
Bloemengaard en beemd en bosch
Overheerlijk gloort:
Daar is mijn Vaderland,
Limburgs dierbaar oord!
Daar is mijn Vaderland,
Limburgs dierbaar oord!

Waar der Vaad'ren schoone taal
Klinkt met held're kracht;
Waar men kloek en flink van aard
Vreemde praal veracht;
Eigen zeden, eigen schoon
't Hart des volks bekoort:
Daar is mijn Vaderland,
Limburgs dierbaar oord!
Daar is mijn Vaderland,
Limburgs dierbaar oord!

Waar aan 't oud Oranjehuis
't Volk blijft hou en trouw,
Met ons roemrijk Nederland
Eén in vreugd en rouw;
Trouw aan plicht en trouw aan God
Heerscht van Zuid tot Noord:
Daar is mijn Vaderland,
Limburgs dierbaar oord!
Daar is mijn Vaderland,
Limburgs dierbaar oord!

Klompertje



Klompertje

Klompertje en zijn wijfje
Die gingen vroeg opstaan,
Om met hun boter en eiertjes
Al naar de markt te gaan.

Ze waren halverwege,
Halverwege den dijk,
Toen braken al de eiertjes
En 't botertje viel in 't slijk.

Het speet 'r niet om d'r eiertjes,
Maar om d'r mooien doek,
Dien ze gister pas gemaakt had
Van Klompertje's beste broek.

Leugenliedje



Leugenliedje

Toen 'k lest in Lombardije kwam,
Hoor eens, wat ik daar vernam:
't Koetje zat bij 't vuur en spon,
't Kalfje lag in de wieg en zong,
't Katje karnde boter,
't Hondje waschte de schotels,
De zwarte muis, die veegde 't huis,
De zwaluw droeg de mot er uit
Op zijn vergulde vleugeltjes;
Zijn dat geen dikke leugentjes?

Jantjes broekie



Jantjes broekie

Er was eens een haveloos ventje
Die vroeg aan z'n moeder een broek
Maar moeder verdiende geen centje
En vader was wekenlang zoek.
Ach moedertje, geef me geen standje
Er zit in me broekie een scheur!
De jongens op school roepen "Jantje,
Jouw bille die zien we d'r deur".

De moeder werd ziek van de zorgen
Lag stil en bedrukt in een hoek
Geen mens die haar centen wou borgen
En Jantje vroeg toch om z'n broek.
Toen heeft ze haar rok uitgetrokken
De enigste die ze bezat
En ze maakte van stukken en brokken
Een broek voor haar enigste schat.

Nou konden ze Jantje niet plagen
Nou waren zijn billen niet bloot
Maar voor die zijn broekie kon dragen
Ging moeder van narigheid dood.
Ze stierf van het sjouwen en slaven
Vervloekt en verwenst door haar man
Toen Jantje haar mee ging begraven
Toen had ie z'n broekie pas an.

De belhamel



De belhamel

Ied're avond trok bij buurman,
een kwajongen aan de bel.
Buurman werd daar o zoo boos om,
maar hij dacht:"ik krijg hem wel".
's Avonds ging hij op de loer staan,
eind'lijk wist hij wie het deed.
Toen sprak buurman bij zichzelve:
"morgen hebben wij den deugniet beet".

Toen de jongen d'and're avond,
weer de bel te pakken had.
Gooide buurman uit het venster,
knaapjelief met water nat!
Druipend van het koude water,
is hij op de loop gegaan.
En hij heeft het na dien avond,
nooit bij buurman meer gedaan.

In den regen



In den regen

Onder Moeders paraplu
Liepen eens twee kindjes,
Hanneke en Janneke,
Dat waren dikke vrindjes.
En de klompjes gingen klik, klak, klik,
En de regen deed van tik,tak,tik,
Op Moeders paraplu.
En de klompjes gingen klik, klak, klik,
En de regen deed van tik,tak,tik,
Op Moeders paraplu.
Op Moeders paraplu.

Toen kwam Jan-de-Wind er bij,
Die joeg eerst heel zoetjes,
Toen al hard en harder maar,
De regen in hun snoetjes.
En Jan-de-Wind, die rukte en trok,
En op en neder ging de stok,
Van Moeders paraplu.
En Jan-de-Wind, die rukte en trok,
En op en neder ging de stok,
Van Moeders paraplu.
Van Moeders paraplu.

Maar Hanneke en Janneke,
Dat waren flinke klantjes,
Die hielden stijf de paraplu,
In allebei hun handjes.
En ze lachten blij van hi, ha, hi,
En ze riepen: Jan, jij krijgt hem ni,
't Is Moeders paraplu.
En ze lachten blij van hi, ha, hi,
En ze riepen: Jan, jij krijgt hem ni,
't Is Moeders paraplu.
't Is Moeders paraplu.

Honderd schaapjes



Honderd schaapjes

Eenentwintig, tweeëntwintig...
Willemijntje kan niet slapen.
Daarom telt ze honderd schapen.

Drieëndertig, vierendertig...
Wil je weten hoe het kòmt?
Mammie heeft op haar gebròmd!

Vijfenveertig, zesenveertig...
Willemijn is blijven mokken.
Ze is boos naar bed getrokken.

Vijfenvijftig, achtenvijftig...
Daar is ze de tel al kwijt!
Willemijntje heeft zo'n spijt.

Vierenzestig, vijfenzestig...
"Mammie, mammie, kòm eens even.
Ik...wou...u...een...zoentje...geven...."

Nù kan Willemijntje slapen.
Welterusten zegt de klok.
Alle schaapjes zijn in 't hok.

Snoepwinkel



Snoepwinkel

Een dappere vent
in zijn vuistje een cent
komt naar voren en blijft grinnekend zwijgen.
Tot de koopvrouw geleerd,
zijn fortuin inspecteerd
en verteld wat hij daarvoor kan krijgen.

't Is een reep zwarte drop
koek met suiker erop,
een kleurbal, een zuurbal, een wafel,
een zoethouten stok
en een kleurige brok
't ligt alles bijeen op de tafel.

Als de kapitalist
zich wat dikwijls vergist
en de koek met de suiker verkruimelt.
Zegt de juffrouw verwoed
dat hij 't kostlijke goed
met zijn smerige vingers beduimelt.

De kleuter verbaast
dat de juffrouw zo raast
smoest stiekum wat met zijn kornuiten.
De keus wordt bepaald
en de kleurbal betaald
en dan slenteren ze schooierend naar buiten.

In de donkere straat
waar het groepje nu gaat
wordt hevig gewikt en gewogen.
Dan zuigen ze om beurt
tot de bal is verkleurd
en de droom en illusie vervlogen.

Zeg moeder waar is Jan



Zeg moeder, waar is Jan?

Zeg moeder, waar is Jan?
Daar ginder, daar ginder.
Zeg moeder, waar is Jan?
Daar ginder komt hij an.

Waar is hij dan geweest?
Bij tante, bij tante.
Waar is hij dan geweest?
Bij tante op het feest.

Wat heeft hij daar gehad?
Een koekje, een koekje!
Wat heeft hij daar gehad?
Een koekje met een gat!

Wat kreeg hij daar nog na?
een kopje, een kopje
Wat kreeg hij daar nog na?
Een kopje chocola!

Wie waren daar nog meer?
Twee dames, twee dames
Wie waren daar nog meer?
Twee dames en een heer!

Theevisite



Theevisite

Er zitten vier kleine jufjes,
Gezellige, wijze nufjes
Te keuv'len bij de thee;
Wat smaken die colombijntjes,
Die flikjes en koekjes fijntjes,
Zij eten elk voor twee.

Ze wiegen haar liefste popje,
Bij 't drinken van 't lekker kopje,
Op 't schootje heen en weer;
Want mocht er soms Toos gaan huilen,
Marietje of Lijs gaan pruilen,
Dan slapen zij niet weer.

"Mevrouwtje, U nog een kopje?
Een flikje, een lekker mopje?"
Zo gaat het al maar door.
En eer de mevrouwtjes 't weten,
Is 't trommeltje leeg gegeten
Maar kom, het was er voor.

Op een grote paddestoel



Op een grote paddestoel

Op een grote paddestoel,
Rood met witte stippen,
Zat kabouter Spillebeen,
Heen en weer te wippen.
Krak, zei toen de paddestoel,
Met een diepe zucht,
Allebei de beentjes,
Hoepla in de lucht!

Maar kabouter Spillebeen
Ging toch door met wippen.
Op die grote paddestoel,
Rood met witte stippen.
Daar kwam Vader Langbaard aan
En die zei toen luid:
"Moet dat stoeltje ook kapot?
Spillebeen, schei uit!"

Nieuwe klompjes



Nieuwe klompjes

Mijn Kees-oom is een timmerman,
Daar is geen knapper op de werf;
Hij maakt in huis en op het erf
Al wat-je zien of denken kan;
Zijn hand is ruw, en grof zijn stem,
Maar 'k ben daarom niet bang voor hem.

Hij kneep me lestmaal in mijn oor
En zei: 'Nu, als ge vlijtig leert,
Uw Vader en uw Moeder eert,
Dan krijgt ge er wat op Kerstijd voor!'
En tintelde ook mijn oor er van,
Toch keek ik Kees-oom vriendlijk ân.

En denk 'reis wat hij heeft gebragt?....
Een nieuw paar klompjes, puik en net,
Met zilvren neusjes afgezet,
Gevoerd met witte schapenvacht....
En binnen in daar lag een brief,
Waar op stond: 'Voor mijn Neefje-lief!'

En Moeder zei me, met een' lach:
Nu ziet ge maar, mijn beste maat!
Hoe of het zoete kindren gaat;
'k Hoop, dat je nu zoo blijven mag!
En 'k gaf mijn Moeder-lief een' zoen
En zei: dat ik mijn best zou doen!

J.P. Heije

Paddestoelen



Paddestoelen

Dag paddestoelen mannetjes,
Mevrouwtjes en meneertjes!
Wat sta je grappig in het rond;
Ik wed, je komt pas uit de grond
In vers gestreken kleertjes!

Maar als ik straks naar huis toe ga,
Dan krijg je vlugge voetjes;
Dan dans je in het rond, dan dans je maar,
dan knik je lachend naar mekaar
en schudt je rooie hoedjes!

Meer van Terugblikken

↑ Terug naar de berichten