Naar de inhoud

Terugblikken

akke.beakke.be

Archief

Fikje



Fikje

Fikje, luister even!
Straks, bij Tante Door,
Niet met vuile pootjes
Binnen komen, hoor!

Niet om lekkers vragen -
Dat is niet beleefd...
Wachten, moet je, Fikje,
Tot men jou wat geeft.

Ook niet snuff'len, hoor je,
Netjes, voor den haard
Blijven liggen, Fikje;
Kalm zijn en bedaard!

Heb je 't goed begrepen?
Heb je 't goed verstaan!
Ja? - Dan mag het hondje
Mee naar Tante gaan.

Achter in het stille klooster



Achter in het stille klooster

Zachtjes klinkt het avondklokje,
Alles keert ter ruste neer,
Vogelen zingen treurige liederen,
't Zonlicht daalt in 't westen neer.

Achter in het stille klooster
Zusters in hun zwarte dracht,
Zij verplegen daar de lijders
Die gewond zijn aangebracht.

Beide deuren staan wijd open
En een zuster treedt daarin
Met een jong'ling in haar armen
Die nooit weer ten strijde ging.

Beide benen afgeschoten
En daarbij een rechterhand,
Want hij had zo trouw gestreden
Voor zijn eer en vaderland.

Aan de deur van 't stille klooster
Klopt een droeve moeder aan:
Ligt mijn zoon hier zwaargewond soms,
'k Zou zo gaarne tot hem gaan.

Arme moeder, sprak de zuster,
Uwe zoon, hij leeft niet meer,
Al zijn lijden is geleden,
Stierf voor vaderland en eer.

Bij het ziekbed aangekomen
Nam zij 't witte doodskleed af,
En in tranen stort zij neder:
Delf voor hem en mij een graf!

Op het kerkhof ligt begraven
Ene moeder en haar zoon,
En nu strijden zij voor eeuwig,
Ja voor eeuwig voor Gods troon.

Hansje de nagelbijter



Hansje, de nagelbijter

Hansje, zeg, wat doe jij daar?
Nagelsbijten? foei! wat naar!
Schaam je toch, doe dat niet weer,
Of ik stuur je eens op een keer
Naar den schoorsteenveger, hoor!
Want die weet wel raad er voor!
Die besmeert ze dik met roet,
Groene zeep en bitter goed,
En dan zegt hij: 'jongeheer,
Bijt nou maar je nagels weer.'
En meteen stopt hij ze dan
In je mond, zoo hard hij kan.

Pietje Puk



Pietje Puk

Zeg, ken je Pietje Puk?
Hij heeft het altijd druk.

Op maandag doet hij de was.
Op dinsdag maait hij het gras.

Op woensdag poetst hij zijn schoenen.
Op donderdag moet hij zijn straatje boenen.

Vrijdags gaat hij in het bad.
's Zaterdags gaat hij naar de stad.

En als alle boodschappen zijn gedaan
trekt Pietje Puk zijn zondagse kleren aan.

De Waldhoorn



De Waldhoorn

Langs berg en dal
Klinkt hoorngeschal,
Met vollen, zuiv'ren toon,
Met vollen, zuiv'ren toon,
En forsch en stout
Weerklinkt door 't woud
Die galm zoo schoon, zoo schoon.
Die galm zoo schoon, zoo schoon.

't Geeft schooner kleur
En frisscher geur
Aan alles, wat m'omringt,
Aan alles, wat m'omringt,
En 't beekje spat
Zijn paarlend nat,
Alsof het een liedje zingt.
Alsof het een liedje zingt.

Genot en rust
en levenslust
Daalt bij die melodij,
Daalt bij die melodij,
Verdriet en smart
Wijkt uit het hart,
En vlucht en vlucht van mij.
En vlucht en vlucht van mij.

Klokke Roeland



Klokke Roeland

Boven Gent rijst, eenzaam en grijst,
Het Oud Belfort, zinbeeld van het verleden;
Somber en groots, steeds stom en doods
Treurt de oude Reus op het Gent van heden;
Maar soms hij rilt, en eensklaps gilt
Zijn bronzen stemme door de stede:
"Tril in uw graf, tril Gentse helden,
Gij, Jan Hyoens, gij, Artevelden:
Mijn naam is Roeland, ik kleppe brand
En luide storm in Vlaanderland !"

Een bont verschiet schept het bronzen lied,
Prachtig weertoverd mij voor de ogen,
Mijn ziel erkent het oude Gent,
Het volk komt gewapend toegevlogen.
Het land is in nood: "Vrijheid of dood !"
De gilden komen aangetogen.
Ik zie Jan Hyoens, ik zie de Artevelden;
En stormend roept Roeland de helden:
"Mijn naam is Roeland, ik kleppe brand
En luide storm in Vlaanderland !"

O heldentolk, o reuzenvolk,
O pracht en macht van vroeger dagen !
O bronzen lied, ik weet uw bedied
En ik versta het verwijtend klagen;
Doch wees getroost: Zie, het oosten bloost
En Vlaanderens zonne gaat aan het dagen.
"Vlaanderen die leeu !" Tril, oude toren,
En paar uw lied met onze koren,
Zing: "ik ben Roeland, ik kleppe brand,
Luide triomf in Vlaanderland !"

Klein Toosje



Klein Toosje

Aan de groene waterkant
Staat klein Toosje
Al een poosje
Met wat kruimpjes in haar hand
En met veel gesnater
Komen door het water
Al de eendjes heel parmant
Van de overkant

Maar een kleine stoute hond
Ging aan 't grommen
En aan 't brommen
Sprong maar blaffend in het rond
En met veel gesnater
Vluchten door het water
Alle eendjes naar het land
Aan de overkant

Maar een vriendelijke heer
Bond stout Moortje
Aan een koordje
En de eendjes kwamen weer
Zie met veel gesnater
Komen door het water
Alle eendjes één voor één
Naar klein Toosje heen.

A is een Aapje



A is een aapje

A is een aapje, dat eet uit zijn poot.
B is de bakker, die bakt voor ons brood.
C is Charlotte, die drinkt chocolaad.
D is een dame, die drentelt op straat.
E is een ezel, die gaat naar het land.
F is een fruitvrouw, met fruit in haar mand.
G is een geitje, en Gijs staat er bij.
H is een held, met een houwer op zij.
I is de inktpot, waar Isaac uit schreef.
J is een jasje, dat kreeg ik van neef.
K is een koopman, die koffie verzond.
L is een landman, die leeuw'riken vond.
M is de molen, die maalt door de wind.
N is een nestje, dat Nicolaas vindt.
O is een otter, die zwemt in het meer.
P is een papje, dat pikt aan een peer.
Q is Quirinus, die zuurtjes uitdeelt.
R is een rover, die appelen steelt.
S is het scheepje, waar Steven mee speelt.
T is de trommel, die Tante mij schonk.
U is een uiltje, dat zit op een tronk.
V is een visser, met vis in zijn schuit.
W is de wagen, daar rij ik mee uit.
X is een letter, zeg ken je die wel?
IJ is een ijsbeer, die wit is van vel.
Z is een zeeman, die zegt u vaarwel.

Rijen op een paardje



Rijen, rijen op een paardje

Rijen, rijen op een paardje
met vier poten en een staartje
met twee oren op zijn kop
rijen, rijen, hop, hop, hop

Rijen, rijen op een paardje
rijen, rijen met een vaartje
rijen, rijen waar naar toe?
het allereerst naar Grotemoe

Rijen, rijen op een paardje
grootmoe heeft nog wel een taartje
paardje, paardje rij wat aan
laat ons gauw naar opoe gaan

Twee voerlui



Twee voerlui

Een karretje op de zandweg reed
De maan scheen helder, de weg was breed
Het paardje liep met lusten
'k Wed, dat het zelf zijn weg wel vind
De voerman lei te rusten.
Ik wens je wel thuis,mijn vrind, mijn vrind
Ik wens je wel thuis mijn vrind, mijn vrind.

Een karretje reed langs berg en dal
De nacht was donker, de weg is smal
Het paard liep als met vleugels
De sneeuwjacht zweept zijn ogen blind
De voerman houdt de teugels.
Ik wens je wel thuis mijn vrind, mijn vrind
Ik wens je wel thuis mijn vrind, mijn vrind.

Een karretje keert behouden weer
Het ander heeft geen voerman meer
Waar kan hij zijn gebleven
'k Wed, dat je'm op de zandweg vindt
Of mogelijk wel daarneven
Hij komt niet meer thuis die vrind, die vrind
Hij komt niet meer thuis die vrind, die vrind.

Meer van Terugblikken

↑ Terug naar de berichten