Orpheus en Eurydicè (4)
|
Orpheus en Eurydicè (4) Behalve Orpheus en Odysseus daalden ook Theseus, Pirithoüs en Heracles tijdens hun leven in de onderwereld af maar of hun reis aldaar voorafging aan die van Orpheus, moet misschien wel in het ongewisse blijven daar hun leven zich afspeelt in een verleden dat zich in feite in zekere zin bevindt buiten de tijd zoals alle niet-mythologische figuren die beleven. Er wordt gezegd dat de avonturen van de mythologische figuren zich afspelen of zich afgespeeld hebben in wat men het mythologisch tijdperk noemt en wat anders kan men zich daaromtrent herinneren dan de verhalen die daarover de ronde doen en die elkaar soms tegenspreken omdat er vaak meer versies zijn waarover de vertellers alle eensgezindheid moeten missen? Het mythologisch tijdperk is met alle andere era's slechts semi-compatibel. Het heeft met het 'echte' verleden het feit gemeen dat het er niet is maar het verschilt daarmee in het even sterke feit dat het 'echte' verleden er niet meer is of er geweest is. Dat is het mythologisch tijdperk tot op zekere hoogte eveneens, in die zin dat een volgorde der gebeurtenissen daarin onafwendbaar blijft: Odysseus heeft zijn moeder overleefd en Theseus de Minotaurus die hij immers doodde maar het lijkt er heel sterk op dat het weefsel van verhalen niet dens genoeg is om helemaal uit te kunnen maken in welke volgorde de Helleense helden dan hun daden pleegden. Bepaalde mythen hebben betrekking op historische gebeurtenissen en zo gaat de joodse mythe van de zondeval uiteraard vooraf aan de geboorte van Jezus Christus, gesteld dat dit laatste een historisch feit zou zijn, maar verder lijken alle 'feiten' waarover de bewuste verhalen handelen, veroordeeld om tot in de eeuwigheid te blijven zweven. Dat er een essentieel verschil is tussen het 'niet zijn' en het 'niet meer zijn', lijkt aannemelijk maar anderzijds maken sommigen zich sterk dat, als de dood het definitieve einde van het leven is, het er ten langen leste helemaal niet toe doet of men echt bestaan heeft van zodra men er niet meer is en als men dat aanneemt, is in dat opzicht inderdaad elk verschil zoek tussen 'niet zijn' en 'niet meer zijn' van zodra abstractie wordt gemaakt van wie zich het verleden nog wél kunnen herinneren. Voor degenen die het zich niét kunnen herinneren, om wat voor reden ook, zijn er alleen verhalen en of die ook waar gebeurd zijn of dus waar zijn, kan door hen niet worden uitgemaakt. Spreken over zijn herinneringen met betrekking tot feiten is iets anders dan het zich herinneren van verhalen en wat dat kan betekenen met betrekking tot het mythologisch tijdperk, is niet zo heel direct te zien en zeker niet voor wie over de bewuste verhalen slechts heel gedeeltelijk hebben gehoord. De specifieke welwillendheid van wie over het mythologisch tijdperk spreken, impliceert een zekere bereidheid om aan te nemen dat er uiteindelijk geen vaste grens bestaat die de fictie scheidt van de realiteit; met andere woorden beamen wie de mythologie genegen zijn, de waarheidswaarde van zekere geschiedenissen waarvan iedereen weet dat zij niet plaatsvonden in 'onze' tijd. De zaak is heel wat ingewikkelder dan in deze schamele zinnen voorgesteld maar het gaat er om aan te tonen of tenminste aan te geven dat er goede redenen bestaan om ook aan mythen een werkelijkheidswaarde toe te kennen, zoals trouwens aan vele belangrijke zaken die zich bevinden in gebieden die geen uitstaans hebben met de tijd zonder meer en dikwijls ook niet met de ruimte. De wereld waarin de mythen bestaan, is pas incompatibel met de 'onze' op voorwaarde dat wij weten wat wij zeggen als wij over 'onze' wereld spreken want het daaraan inherente thuisgevoel is vals en dat beseft men meestal pas waar ons de in “Ein Deutsches Requiem” van Johannes Brahms opgenomen verzen uit de Heilig Schrift te binnen schieten: “Wir haben hier keine bleibende Statt”, met andere woorden waar men geconfronteerd wordt met de eindigheid van het leven, met de dood. En het is uitgerekend die meestal zo keurig verdrongen onzekerheid en onwetendheid die zo belangrijk is in het licht van het alsnog opperen van een mogelijkheid om van de ene wereld naar de andere te reizen of, om tot de kern van de zaak te komen, om zichzelf ervan te overtuigen - en hier wordt uiteraard Orpheus geviseerd - dat er misschien een mogelijkheid bestaat om wie als dood geboekstaafd staan, alsnog te gaan terughalen in de Hades. Zoals het mythologische tijdperk er een is dat zich bevindt tussen zijn en niet-zijn en dat er in geslaagd is om alvast het statuut van niet-zijn van zich af te schudden, zo ook moet er een gebied zijn dat zich bevindt tussen het leven en de dood, een gebied waar een wereld die niet langer bestaat, wedijvert met een wereld die nooit heeft bestaan, maar het zijn beide werelden waarvan wordt aangenomen dat ze bestaan hebben. De twijfel en de onzekerheid die hier opdoemen zijn uiteraard heel kostbaar in de ogen van Orpheus die immers met zijn wanhoop vecht en die het onmenselijke dragen moet terwijl wij willen aannemen dat hij een mens was, of is. |




