weer wat woorden
hoe je iemand je verontschuldigingen aanbiedt, je kijkt beteuterd
en je haalt de schouders op, met dat eeuwige sorrie en daarmee
is de zaak afgedaan, te weinig woorden dus en veel minder dan
tevoren.
weer wat woorden
nachtgedichtzij houdt dus van een bladerzacht bed
het mocht gevuld met stro of droog gras
de bomen verbeelden we daarbij en de
vogels als ze zich maar afzijdig houden
en het licht dat hoeven we niet zo fel
alleen haar ogen, die mogen het blauw
vertonen en ze is zo mooi in maanlicht
geel, dat laat de bleke huid zo glanzen
zo heeft ze kleurige liefde beschreven
rood als karmozijn waren haar lippen
daarom, geloof ik haar
bronwaterklanken
-
een bron wildwater sprong er
te voorschijn in een bosrijk en
houterig woud had het eerst
gevonden en het ingekaderd
met wortels en alle keien
in het roestrood uitgediept
en beschilderd zelfs de randen
het woord opwellen, wond hier
zijn betekenis en klonk weldadig
er klaterden nog woorden waar
ik in bewondering voor haperde
spring en oorsprong en zo helder
rode oker op zelfs mijn handen
het water liep over, de rand en
een hart boog voorover 't water
---
als in een roes
grafschrift
-
ik beitel wanhoop in een gravensteen
en maak het letterscherp dus tastbaar
misschien een laagje goud om de zon
wat te verdagen, want het marmer is
zo zwart en altijd ongenaakbaar hard
hier rust een ouder wezenlijk gedicht
het vroeg slechts een waardering en
was zoveel vager dan wat hier licht
---
een dichtoefening
over woordarmoede
het podium
een aardigheidje
de zwarte dood
watersnood
-
er klonk water in het land, van het klotsen
tussen rotsen tot het storten
in een zwaaikom
van een langgestrekt kanaal, waar
normaal gezien de traagheid heerst
en met het openen van de sluizen
hemelwaarts, zijn die trage dagen
weergekeerd, de aarde afgegraven
en de bergen helemaal onteerd
tot zelfs de kelders van de huizen
ze liepen aan de grond en alles
begon te schuiven en te kraken
de muren zwierven dakloos rond
het puin bedekt altijd verbeten
wat voordien nog bruikbaar was
en de straten raken wel vergeten
er is geen dorp meer aan het water
we kunnen geen kant meer op
---
de dagen breken
Ontwikkeling tot een gedicht (een breinstorm)Hoe kom ik tot een gedicht?
‘De dag breekt aan, de nacht valt’ Het zijn gewone zinnen en
toch zit er een bijzonder aspect aan het samenspel van de
woorden. Want hoe kan een dag ‘breken’ of een nacht ‘vallen’,
het zijn louter tijdsbegrippen waar een bepaalde actie wordt
toegewezen. Op dezelfde manier kan je spelen met de
ochtenden, de middag, de avonden.
De ochtend scheurt zich los van de nacht
en laat de zon het bloeden.
Hier is nog een bijkomend aspect, de ochtend brengt iets te weeg,
hij breekt niet alleen. En ochtendrood voorspelt regen. Maar dat
laatste schrijf ik dus zeker niet, dat mag je veronderstellen.
Al te vaak wordt een zonsopgang tot in het detail beschreven, en
eigenaardig genoeg hoe meer men het beschrijft, des te
oppervlakkiger is het resultaat. Het beeld dat je uiteindelijk
verkrijgt wordt overbelicht.
De dag verraadt de morgen
en heeft haar hoogste punt bereikt
slechts de schaduwen leveren nog slag
tussen de nauwe straten,
waar het licht om versterking vraagt.
En dan, wat doe je met zoiets? Het is soms moeilijk om een
dergelijke omschrijving te koppelen aan iets anders. Tenzij je zou
voortgaan met de strijd en het bloed beschrijft. Een openingszin
moet immers openen, ontsluiten noem ik het. En niet te vergeten,
de zon laat ik achterwege, dat is te evident, anders heb ik weer
zinnen nodig om die verdomde zon te beschrijven en raakt mijn
verbeelding weeral overbelicht.
De straten vol kraters,
de stukgeschoten huizen,
ze lijken op elkaar ze stuiten,
elke doorgang werd versperd.
Dit is nog maar eens een beschrijving, haaks gemonteerd op de
vorige zin van ‘de dag verraadt’, een afglijden naar iets sinisters.
Het zoekobjectief werd verplaatst van de lucht naar de grond,
maar ik heb nog geen bloed gezien, dat hoeft immers niet, want
alles is bedekt met stof.
Geen mens,
een bloedloos wezen heb ik er toen gezien.
Het stof heeft zo deemoedig alle sporen uitgewist.
Dit is een krimpen in zichzelf, een innerlijke blik zonder oordeel
(want dat past niet, men was er immers niet bij, men is nog steeds
niet betrokken).
Een stem beschrijft nauwkeurig
het tellen van de doden,
terwijl een oog de haat vertoont,
de vuisten en een afgeschermd verdriet.
En zo zoomen we uit, nemen we terug afstand van het gebeuren,
we zijn en blijven immers toeschouwer, we kunnen wel verontwaardiging
tonen, maar dat is aan de lezer.
En tenslotte staan we terug aan het begin, de allereerste zin, die eigenlijk
beter hier staat, omdat het een besluit is!
Het gedicht,dat ik zo uitgesponnen heb, zou dus als volgt kunnen klinken:
En zoals normaal is, heb ik er nog wat wijzigingen aangebracht,
zo blijf ik soms nog uren bezig.
ochtendstilte
droge waterlanden
het koekoeksjong
in zwarte grond
waar is het vuur gebleven
de oorsprong is de zee
zieleroerselen