over woordarmoede
ze liggen hier als bruine bonen op de grond
ik voel me dan ook zo bloedarmoedig zwak
er is geen woord, geen tong meer in mijn mond
over woordarmoede
het podium
een aardigheidje
de zwarte dood
watersnood
-
er klonk water in het land, van het klotsen
tussen rotsen tot het storten
in een zwaaikom
van een langgestrekt kanaal, waar
normaal gezien de traagheid heerst
en met het openen van de sluizen
hemelwaarts, zijn die trage dagen
weergekeerd, de aarde afgegraven
en de bergen helemaal onteerd
tot zelfs de kelders van de huizen
ze liepen aan de grond en alles
begon te schuiven en te kraken
de muren zwierven dakloos rond
het puin bedekt altijd verbeten
wat voordien nog bruikbaar was
en de straten raken wel vergeten
er is geen dorp meer aan het water
we kunnen geen kant meer op
---
de dagen breken
Ontwikkeling tot een gedicht (een breinstorm)Hoe kom ik tot een gedicht?
‘De dag breekt aan, de nacht valt’ Het zijn gewone zinnen en
toch zit er een bijzonder aspect aan het samenspel van de
woorden. Want hoe kan een dag ‘breken’ of een nacht ‘vallen’,
het zijn louter tijdsbegrippen waar een bepaalde actie wordt
toegewezen. Op dezelfde manier kan je spelen met de
ochtenden, de middag, de avonden.
De ochtend scheurt zich los van de nacht
en laat de zon het bloeden.
Hier is nog een bijkomend aspect, de ochtend brengt iets te weeg,
hij breekt niet alleen. En ochtendrood voorspelt regen. Maar dat
laatste schrijf ik dus zeker niet, dat mag je veronderstellen.
Al te vaak wordt een zonsopgang tot in het detail beschreven, en
eigenaardig genoeg hoe meer men het beschrijft, des te
oppervlakkiger is het resultaat. Het beeld dat je uiteindelijk
verkrijgt wordt overbelicht.
De dag verraadt de morgen
en heeft haar hoogste punt bereikt
slechts de schaduwen leveren nog slag
tussen de nauwe straten,
waar het licht om versterking vraagt.
En dan, wat doe je met zoiets? Het is soms moeilijk om een
dergelijke omschrijving te koppelen aan iets anders. Tenzij je zou
voortgaan met de strijd en het bloed beschrijft. Een openingszin
moet immers openen, ontsluiten noem ik het. En niet te vergeten,
de zon laat ik achterwege, dat is te evident, anders heb ik weer
zinnen nodig om die verdomde zon te beschrijven en raakt mijn
verbeelding weeral overbelicht.
De straten vol kraters,
de stukgeschoten huizen,
ze lijken op elkaar ze stuiten,
elke doorgang werd versperd.
Dit is nog maar eens een beschrijving, haaks gemonteerd op de
vorige zin van ‘de dag verraadt’, een afglijden naar iets sinisters.
Het zoekobjectief werd verplaatst van de lucht naar de grond,
maar ik heb nog geen bloed gezien, dat hoeft immers niet, want
alles is bedekt met stof.
Geen mens,
een bloedloos wezen heb ik er toen gezien.
Het stof heeft zo deemoedig alle sporen uitgewist.
Dit is een krimpen in zichzelf, een innerlijke blik zonder oordeel
(want dat past niet, men was er immers niet bij, men is nog steeds
niet betrokken).
Een stem beschrijft nauwkeurig
het tellen van de doden,
terwijl een oog de haat vertoont,
de vuisten en een afgeschermd verdriet.
En zo zoomen we uit, nemen we terug afstand van het gebeuren,
we zijn en blijven immers toeschouwer, we kunnen wel verontwaardiging
tonen, maar dat is aan de lezer.
En tenslotte staan we terug aan het begin, de allereerste zin, die eigenlijk
beter hier staat, omdat het een besluit is!
Het gedicht,dat ik zo uitgesponnen heb, zou dus als volgt kunnen klinken:
En zoals normaal is, heb ik er nog wat wijzigingen aangebracht,
zo blijf ik soms nog uren bezig.
ochtendstilte
droge waterlanden
het koekoeksjong
in zwarte grond
waar is het vuur gebleven
de oorsprong is de zee
zieleroerselen
hij was ooit mens
de bronzen klokken, ze galmen*
men neme een stenen betoog
woorden met scherpe hoeken
een hamer en een aambeeld
een stem als een bronzen
dikbuikige klok die zelfs
de breedste toren laat steunen
het stoerste houtwerk kraken
de galmgaten trillen
en de duiven vluchten
klapwiekend weg
zo hard dat de mensen
van het plein ontwaken
---
dichtoefeningen
antwerps gedicht
De tijden veranderen altijd
Een ballade