wat stuikt er door het ruisgewas (op haloween)
door d'onderaarde, want die duistergang
heb ik al millenia lief, mijn teerbeminde
jij helleveeg
je betasten is dus een bezigheid die mij wel
bevalt ik vorder langzaam opdat ik mij elke
welving en elke kronkel als een geestigheid
ervaren kan
er is immers nooit een tijd genoeg geweest
dat ik zien kon, mijn ogen schitterden toen
hels blauw en zo glashard, totdat ze eindelijk
versplinterden
ik had toen ook klauwen en geen handen
de vleugels draag ik nog, mijn huid is zo
gespannen, de oren bovenmaats gegroeid
er resten enkele tanden aan de hoeken
van mijn mond
men zegt mij dat ik duivels scherp en
ongenaakbaar ben geschapen
met een helse oogopslag




