Morgana
MORGANA
01
Ze leken zo hevig op elkaar dat iedereen dacht dat het tweelingbroers waren. ‘Eeneiig’, voegden DNA-kenners en vingerafdrukspecialisten er nog aan toe. Hun vrouwelijke en mannelijke verwekker waren daar gaandeweg een beetje wanhopig over, want was de zin van het kopen van een vers kind als dat toch als die tweede druppel water op zijn voorganger leek? Dan was er toch beter in één moeite een heuse tweeling van gekomen, hupsakee, iedereen gelijk, geen onderscheid, de baarmoeder als fokkerij van spiegelbeelden, vooruit, hier heb je ze, de klonen. Rupert en Evert Van Otterghem hadden niet alleen een gelijkaardig gezicht, maar ze droegen ook op identieke wijze hun haren (een mix van kastanje- en zadelbruin) in een knot boven-achter op hun hoofd, zoals de trendy haarmode het een tijdlang voorschreef, vooral onder succesvolle atleten. Bovendien rijmden hun voornamen eigenlijk een beetje, op een doffe lettergreep afgesloten met een krachtige r gevolgd door een bescheiden doch niet te verwaarlozen t. Dat was natuurlijk de schuld van de ouders. De broers scheelden echter dertien maanden. Van eeneiigheid of tweelingschap was er dus helemaal geen sprake. Evenmin waren ze succesvolle atleten. Tafelvoetbal telde niet. Hun beider dot bruin haar achter op hun kop was er de oorzaak van dat ze bij iedereen uit hun kennissen- en vriendenkring een tijdlang bekend stonden als Rupert.dot.com en Evert.dot.com. Natuurlijk zat hun echte achternaam er ook voor iets tussen. Je heette niet ongestraft Van Otterghem. (Een enkele keer werden ze zelfs door een geïnspireerde grapjas gezamenlijk benoemd als de broers.otmail.com – de voltallige vergadering plooide dubbel van het lachen). Die vlotte knot hielden ze respectievelijk drie en vier jaar vol, tot ze twintigers waren. Daarna gingen hun koppen ieder zijns weegs: Evert slaagde er in de familiale kaalheid wat uit te stellen, kleurde zijn haren helemaal zadelbruin en liet die ook de vrije loop. Bij zijn oudere broer Rupert scheen de maan al vlugger door de bomen en hij roetsjte noodgedwongen alle schedelbeharing onbarmhartig af. Plotseling geleken de beide Van Otterghems minder op elkaar. Hun gezichten divergeerden meer en meer. Toch bleef dat dot.com nog geruime tijd een deel van hun popunaam: vlot gezegd ‘Ruperdotcom’ en ‘Everdotcom’, want die laatste t werd op z’n diefjes niet meer uitgesproken en opgeslorpt door de d.
Zo bleef Morgana Van Otterghem een aantal jaren van haar jonge leven buiten schot – in de schaduw van haar net iets oudere broers. Je kon de dans ontspringen, buiten schot blijven, in de schaduw leven of behandeld worden als een dood voorwerp slash lucht. Geen van alle bekoorde Morgana: het betrof net die jaren waar een jonge meid als zij alle aandacht wou opeisen en wereldberoemd wilde worden. De dot.commers met hun gekke antennes op hun kop vormden hierbij stoorzenders. Als het al eens interessant begon te bliksemen in haar richting, werden de flitsen omgaand afgeleid dot.uncom. Morgana pareerde echter: van zodra ze voldoende zakgeld kreeg en vakantiejobs kon doen, schoolde ze zich om tot garçonne met een charleston make-up en een kort roaring twenties kapsel met magenta en ravenzwarte dotten. De hele wereld keek even ademloos opzij toen ze aldus in het kielzog van haar broers voor het eerst op een feestje verscheen. Want ook de borsten en de benen waren er inmiddels, vlugger dan bol.com ze aan huis kon bestellen.
02
In het drukste verbindingsstraatje tussen de twee grote winkeladers van de stad nam ik in de wintervakantie een terraskoffie bij Cafeo, een mekka van mokka’s, recht tegenover schoenwinkel Her&Him. Het terras reikte tot midden het straatje, zodat amper vier meter overschoot voor de parade van wandelaars en kooplustigen in beide richtingen. In mijn verwarmde hoekje deed ik aan mensenkijken, gecamoufleerd door mijn smartphone, een zakformaat Moleskin opschrijfboekje en een Ikea potloodje waar ik af en toe zogenaamd zoet mee was.
De oogst:
- een vrouw met kind kwam vragen of ze de kaart op mijn tafeltje mocht raadplegen in verband met wafels;
- een oude bekende die ik al vijf jaar niet meer had gezien, vertelde in de tijdspanne van vijfenveertig seconden dat hij acht maanden in een coma gelegen had en dat hij weer volledig had moeten leren schrijven en spreken – het ravijn had uitnodigend gegaapt, maar (‘en dat zul jij wel begrijpen’) hart en hersenen hadden hem aan deze kant van het leven gehouden;
- een met elkaar getrouwd koppel dat ik ooit hielp verhuizen groette me uitbundig – ze liepen ieder onder een gezellige hoed;
- een synchroonzwemster met haar vriend herkende me nog nipt vooraleer ze mijn hoekje om was – ze boog weer even (verrassend soepel en elegant) achterover om een stralende blik op mijn koffie te werpen;
- een meisje nam na lange observatie een foto van een paar schoenen in de etalage van Her&Him;
- driehonderd mensen die ik niet kende (of alleen maar ooit had gezien) stapten of slenterden voorbij;
- drie ervan doken Cafeo binnen – het was koud en we zaten amper met z’n drieën op het terras, dat nochtans verwarmd was;
- het was lang wachten op de eerste hond: een spuuglelijk vuilwit krulharen mormel op kromme poten dat op enkelhoogte van zijn bazin mee dribbelde;
- er passeerde een meisje met een knot boven-achter op haar hoofd – jawel;
- … maar geen Evert, Rupert of Morgana Van Otterghem te zien…
Het alarm van een winkel verderop begon te gillen en wist van geen ophouden. Iedereen stokte even in zijn bezigheden of kwam naar buiten. Winkelhulpjes verschenen in portieken en maakten van de gelegenheid gebruik om een sigaret op te steken. Ook Morgana Van Otterghem. Ik zat godgenageld al meer dan een halfuur op het terras en had niet eens gezien dat ze in Her&Him aan het werk was, als eindejaarshulpje. Het mensenkijken (en dat camoufleren) had me volledig in beslag genomen. Fata morgana? Well hell no, tickle my tits till Friday als het niet waar is, nee: Morgana in the flesh!
Het geluk was aan mijn zijde.
‘Hei, Morgana!’ wenkte ik.
‘O!’ mimede ze verrast, waardoor ze nog meer op een verschijning uit de jaren twintig van de vorige eeuw geleek. Dat schrille gesnerp was inmiddels herleid tot enkele uithalen met intervallen van twintig seconden. Het ding was de geest aan het geven of was op zijn temmer gestoten. De straattaferelen herstelden zich. Morgana keek even om naar Her&Him, haalde haar schouders op, stak vlug een sigaret in de knalrode O onder haar opgeknipte bobkapsel en legde de vier meter die ons scheidde slalommend tussen het koppelkoopjesvolk af. Ze gaf me een nicotinezoen, die ik half uit mijn stoel oprijzend beantwoordde met een cafeïnekus.
‘Geen tijd voor een koffie wellicht?’ vroeg ik, knikkend naar de schoenwinkel.
‘Zelfs niet om je schoenen te poetsen,’ lachte ze.
‘De sirene loeide toen je naar buiten kwam.’
(Hier kreeg ik het gevoel dat ik een ace had geslagen met een kalende tennisbal).
‘Ha ha.’
‘Druk met de dagen?’
‘Meer kijkers dan kopers.’
‘Beetje crisis hé.’
‘Ffffffffffffwwwwwww… Wauw, het is behoorlijk warm hier.’
Met een langgerekte zucht blies Morgana een sliert rook de lucht in.
‘Hoe gaat het met het broederpaar?’
We bevonden ons ergens in het tweede jaar van de broederlijke dotloosheid.
‘Evert loopt stage als brouwingenieur en Rupert volgt momenteel een opleiding als barista op de Syntra-campus. Hij werkt ook in Café-O-Lé.’
‘Wauw, twee vloeibare beroepen. En jij, Morgana?’
Het alarmdinges gaf een laatste gilletje.
03
De mogelijkheden (om.mijn.verhaal.spannend.te.maken).
03.1
‘Ikea?’ wees ze vragend.
Ik knikte en stak even totaal overbodig mijn designpotloodje in de lucht.
‘Er komt er binnenkort één hier in de streek; ik heb gesolliciteerd.’
‘Een Ikea?’
‘Ja.’
‘Dat scheelt weer enkele files. Goed nieuws voor de streek. Lekkere Zweedse balletjes.’
‘Mooie werkplunjes ook. Ik ga volgende maandag op gesprek.’
‘Wat zul je er moeten doen?’
Ondertussen monsterde ik een nanoseconde lang Morgana’s outfit, hopend dat ze dat ene miljardste tijdspartikeltje even beneveld was door de nicotine – ze zag er ook deze winter weer zo appetijtelijk uit (skuus voor het woord, maar de Zweedse balletjes stuiterden nog door mijn hoofd) … Waar was ik gebleven…
‘… ineenzetten van showrooms in de zaak zelf, slaapkamers, keukens, weet je wel…’
‘O… met van die leuke winkelhaakschroevendraaiertjes.’
‘Ja.’
‘En zo’n gereedschapsgordel om je… om je heen.’
‘Je zag me al in het restaurant hé? Of aan de kassa?’
‘Maar nee. Ja. Nee. Waarom?’
‘Nou, de ex-dot.commers zitten in de liquide sector van de horeca; hun zus kiest voor het vast voedsel of de droge voeding.’
‘Ha ha!’
‘Zit je te schrijven misschien? Wat schrijf je met dat onnozel Ikea-potloodje? In dat minuscule boekje?’
‘De aanzet tot een verhaal over Morgana Van Otterghem.’
‘Ja, zal wel. Te veel eer, hoor. En lukt dat een beetje?’
‘Het alarmsignaal hielp me.’
‘Ik snap het. Maar nu rep ik me weer naar binnen. Op mijn stoute schoenen.’
‘Dat schrijf ik op!’
‘Doe dat!’
03.2
‘Oei, ze wenkt me. Ik moet weer naar binnen. Da-ag.’
Morgana knipte haar peuk weg met eenzelfde sierlijke boog als toen ze ooit in haar roze wiegje projectielbraakster was (memories!) en verliet de eilanderige warmte om weer haastig Her&Him in te duiken. Zodoende bleef ik het antwoord schuldig. Of ik kon van de veronderstelling uit gaan dat ze van deze vakantieklus inmiddels haar beroep had gemaakt. Er werden winkelmeiden bij de vleet gevraagd; het betaalde slecht en het waren ‘lange uren’. Schoenen – de halve wereld liep erop of erin. Ik oogde Morgana na en zag haar tussen de rekken en de paskuipjes één worden met de wereld van schoenlepels, hakken, zolen, schoensmeer. Ze boog voorwaar voor een klant en ging even later door de knieën. Op de Lijst Der Buigende Beroepen, aangevoerd door Voetenwasser, stond Schoenenverkoper (verdwenen variant: Schoenpoetser) op de tweede plaats. Pedicure bekleedde de derde plaats. Andere Beroepen Met Een Boogje situeerden zich hoofdzakelijk in Japan (geisha, kogelviskok, bloesemtheeschenker, kamikazepiloot, harakiribeoefenaar, seppukuspecialist). Ik schreef dit allemaal in mijn mollenvelboekje op, want ik was in de waan dat dit materiaal kon betekenen voor een roman (of minstens een verhaal) over Morgana Van Otterghem en haar beide dot.commers. Maar ik mocht niet te breed of te weids gaan. Geen nevenverhalen. Wel de mogelijkheden.
Zie: daar keerde de synchroonzwemster op haar stappen terug. Ik ontcijferde plotseling haar spiegelbeeld tussen de cursief gekalligrafeerde openingsuren op het raam van Cafeo. Zo’n tien minuten geleden was ze – met zichzelf synchroon – doorheen mijn beeld gestapt. Ze liep gearmd met Rupert Van Otterghem. Zag ik nu, me naar de straatwerkelijkheid wendend. Rewind. Fast backward.
‘Derde keer… ‘ begon het in mij op te wellen, maar gelukkig kon ik bijtijds dat idiote cliché aborteren. Dit zou geen ace zijn, maar een simpele out.
‘Rupert’,’ stelde ik in plaats daarvan vast, ‘Rupert’, want ik had hem bij de eerste passage daarnet niet herkend omdat ik me uitsluitend op Birgit – de synchroonzwemster – had gefocust. De aangesproken Rupert wuifde op dat ogenblik net naar zijn zus in Her&Him, en nu weer, zodat hij even niet reageerde op mijn dubbele constatering van zijn naam.
‘Koffie hé,’ wees Birgit meesmuilend, alsof al het andere dat voor mijn neus had kunnen staan uiterst verdachte en gevaarlijke doch sympathieke producten betrof die ik helaas niet meer durfde of kon of mocht nuttigen. Ze had er misschien graag aan toegevoegd: ‘Namiddagwatje’. Of ‘koffienerd’.
‘Hm,’ bracht ik voort. ‘I rest my case.’
In gedachten dompelde ik Birgit diep onder water.
Rupert – dotloos, pijnlijk gemillimeterd, één van de miljoenen klonen die aldus de laatste decennia Europa bevolkten – schonk nu ook zijn aandacht even aan mij, zijn waternimf een halve meter nader tot mijn tafeltje sleurend. Ik was hem echter voor: ‘Je lijkt gegroeid sedert je knotje eh… is afgeknot.’
‘Ah ja?’
Hij was even van zijn melk. De geliefden keken elkaar aan en lasten een kort proestmoment in – iets tussen henzelf.
‘Hoelang is het geleden?’ opperde Rupert.
‘Ik hoor dat je ook in de koffie zit?’ informeerde ik.
Birgit giechelde. Hij knikte niet ontkennend.
‘Morgana zeker…?‘ knikte hij vragend naar de overkant.
Ik knikte ook: ‘Ze kwam daarnet even… Zou ze daar… Werkt ze hier… ‘
‘Rupert!’ klonk het plotseling. ‘Rupert!’
Een kerel als een kathedraal waadde door het mensenzeetje met krachtige armslagen hun richting uit.
‘Danny! Verdomme, Danny!’ stootte Rupert uit.
Het verloofde paar scheidde van mij als een hond van zijn drol, terwijl Birgit zich nog vlug omdraaide en met een spijtmondje haar schouders ophaalde. Mijn verhaal over Morgana Van Otterghem stokte even.
03.3
Morgana Van Otterghem was plotseling weer naar haar werkzaamheden in Her&Him verdwenen. Zodoende had ik geen antwoord op mijn vraag gekregen. Het laatste opstootje van het alarmsignaal had de mensenstroom nog even doen opkijken en stremmen, hun neuzen in de lucht. Ik trommelde wat Led Zeppelin op mijn opschrijfboekje. Gebarend tussen de schuine openingsuren van Cafeo door bestelde ik een tweede koffie – het tearoommeisje bij de kassa had me vrijwel onmiddellijk perfect begrepen, want ze weerspiegelde bevestigend en knikkend mijn act met geheven pink. Heerlijk kind. Een ogenschijnlijk baasloze stadshond kwam voorbij, het voetenwerk van tegenliggers meesterlijk als een Messi dribbelend. Ik opende mijn opschrijfboekje weer en staarde een tijdlang naar een vers blanco bladspiegeltje – even ontwennen van de drukte en de kleuren en de bewegingen van de stroom voorbijgangers die de smalle straat een winterse opstoot van vital flux en reflux gaven. Weer opkijkend kreeg ik een panorama op een zonnebankbruin reepje buik: Pinkje bracht me de biskoffie. Met uitzondering van dat strookje blote hemel was de rest van haar adembenemende lichaam zo ingepakt dat gedachten aan choreografie of op z’n minst dans niet veraf waren. Een barmeid met een missie, misschien. Dit lijf was pijnlijk perfect uitgelijnd, afgetraind, opgeloefd.
‘Voila, alstu.’
‘Dank je.’
Onbereikbaar.
Ons spiegeltoneelstukje van daarnet moest volstaan.
Maar ze verdween niet onmiddellijk weer naar binnen. Ze begon verdorie te wuiven… naar Morgana. Het buikreepje kon blijkbaar best tegen een winterprikje. Hoewel hier onder het baldakijn een subtropisch microklimaat heerste. Ik volgde de pantomimische communicatie als een toeschouwer bij een tennismatch. Vanuit Her&Him leek een ace aan te komen, want Pinkje koos even voor een lichte spreidstand. Nu ging ze op de tippen van haar tenen staan en dirigeerde ze over de voorbij deinende hoofden heen met beide handen haar weerwerk naar de voetenschoenenwinkel toe. Daardoor werd de blote buikstrook nog wat breder. Door de drukte kon ik slechts af en toe een glimp van tegenpartij Morgana opvangen. Ik zag haar nee schudden – haar armen werden even als een marionet opgetild. Weer passeerde een dikke gulp slenteraars. Pinkje hupte nu warempel met een gek sprongetje nog even de lucht in voor een besluitend backhandje, waarna ze haar roze truitje weer over haar navelstrook trok en naar binnen ging. Einde mime, pantomime en choreografie.
Pinkje?
Ik hoopte dat ze minstens Esmeralda heette. Of Geraldine. Toch enkele lettergrepen lang. In verband met mijn verhaal over Morgana Van Otterghem. Die moest haar gelijken kennen. Ik sloeg mijn boekje nog eens open en schreef op: Naam? Onmiddellijk daarna vulde ik Pinkje in. Maar natuurlijk: de pink, het truitje! Nou nog even knorren, Pinkje. Alstu?
Mijn koffie was inmiddels lauw geworden. Het werd drukker in het verbindingsstraatje. Als ieder mens op de wereld inderdaad minstens zes dubbelgangers had, dacht ik, – de mensheid kon niet immer voort nieuwe modellen produceren – dan moest het er toch inzitten dat iemand hier zijn vleselijke gelijke trof? Eeneiige meerlingen uitgesloten? Dubbele waakzaamheid was geboden.
03.4
Vijftien minuten nadat Morgana verdwenen was, doemde Evert voor mij op. Hij schoof de andere stoel aan mijn tafeltje achteruit en plompte er zich onmiddellijk op neer, een klis zadelbruin haar naar achteren zwierend. Gespeeld verbaasd mijn kopje monsterend zei hij: ‘Koffie?’
Ik bekende knikkend.
‘Uitgerekend jij hier, Evert,’ wedervoer ik. ‘Wist je dat je zus… ‘
‘Schoenen,’ onderbrak hij ongeduldig, even naar de overkant wijzend. ‘Ja.’
‘Drink je wat?’ vroeg ik. ‘Gerstenat?’
‘Je kunt het rijmen niet laten hé, dichter.’
Evert klopte even op mijn notitieboekje met een sigaret.
‘Sigaret?’
‘Nee, meestal rook ik niet.’
‘Eh… ook een koffie, waarom niet. Kom je hier vaak? Pff… het is hier… heet.’
‘Bah, het is misschien de derde keer. En wat heet heet hé, ha ha. Ik wenk Pinkje even. Ze is vlug van begrip.’
‘Wie?’
‘Pinkje. Het roze tearoommeisje hier.’
Ik maakte het kopje slash pinkgebaartje.
‘Roze?’
‘Ze draagt een roze truitje. Althans: voor een stuk.’
‘Pinkje?’ herhaalde Evert ernstig. ‘Noem je haar Pinkje? Je meent het!’
‘Ik beeld mijn bestelling uit en zij bootst die perfect na – kijk maar.’
Ik rees half uit mijn stoel en wuifde zolang tot ik andermaal haar aandacht kreeg. Daarna volgden mijn geheven linkerwijsvinger en mijn kopjesgebaar annex gestrekte rechterpink. Ze knikte.
‘Zie je wel: we pinken perfect.’
‘Hoe weet ze dat het koffie moet zijn en geen thee?’
‘Het voorgaande was ook koffie. Slim van haar hé? Voor een barmeid… ’
‘Zeg… Wat zei je daar… Een roze truitje… voor een stuk?‘
‘Laten we zeggen dat Pinkje een roze strookje blootgeeft. Een buikreepje. Altijd aardig voor de klant.’
Evert stak eindelijk die sigaret op.
‘Weet zij dat je haar Pinkje noemt?’
‘Nee.’
‘O, ja: je komt hier niet zo vaak hé. De derde keer hé.’
‘Ongeveer.’
Evert strekte zijn rug en nek in een poging om Morgana te ontwaren. Omdat dit geen resultaat opleverde, gluurde hij, achteroverleunend met stoel en al, binnen in Cafeo.
‘Is het lieve kind al in actie geschoten of staat ze weer te tateren?’ informeerde ik.
Met een harde bons kwam Evert weer op zijn vier poten terecht.
‘Weer aan het schrijven?’ vroeg hij snauwerig, mijn vraag negerend. Hij knikte naar mijn notitieboekje. Ik greep naar mijn boekje en bladerde tot ik vond wat ik zocht.
‘Kijk!’
Ik hield het ding opengevouwen voor zijn neus.
‘Naam? Pinkje,’ articuleerde Evert hardop.
‘Goed zo: kopje – blote buikje – staartje, ha ha.’
Evert graaide met een vlugge klauwbeweging het boekje uit mijn hand, scheurde er het blaadje uit en maakte er een prop van.
‘Héla! Wat… ‘
Toen verscheen Pinkje.
‘Je thee, schatje.’ Ze pootte een glas thee voor hem neer, boog zich naar hem toe en gaf hem een langgerekte zoen die aan duidelijkheid niks te wensen overliet. Haar blonde extensions klaterden hierbij als een waterval tot in zijn kruis. Terwijl zijn gezicht even onzichtbaar voor mij werd, zag ik hoe hij met zijn linkerhand de prop met een fikse knikkerstoot weg katapulteerde tussen de voeten van de voorbijgangers. Een blindganger.
Wat doet men als men geconfronteerd wordt met een filmkus vlak in zijn vizier? Na een korte combinatie van gruwelen, huiveren en kokhalzen kijkt men weg. Ik had extra redenen om dat te doen. Mijn notitieboekje lag omgekeerd open gespreid en verkracht boven de asbak. Er kwam rook van onder uit, want Evert had zich daarnet even van zijn sigaret ontdaan om tot actie over te gaan. Ik redde wat er nog te redden viel. Walgend van mezelf en van hun smakkende liefde wendde ik daarna mijn hoofd naar rechts. Tussen de parade door zag ik ze. Morgana stond onbeweeglijk als een paspop in de etalage van de vrouwenhakken. Toen ze aanstalten maakte om te gaan hurken, belette een lillend peloton van volslank mensenvlees me verder zicht op de zaken, in hun slepende vaart dat Pinkje-propje meesleurend en vertrappend onder hun reusachtige zolen.
‘Ze heet Geraldine,’ zei Evert, nadat hij van haar lichaam bevrijd was en ze weer naar binnen was gegaan. Een dodelijke mededeling.
‘Mooie naam.’
Ik peilde even het gehalte aan boosheid in zijn ogen.
‘Te lang voor dat korte potloodje en dat kleine boekje.’
Hij boog zich voorover, slurpte balorig de oppervlaktespanning van zijn thee weg, stond net zo bruusk op als hij neergeploft was en verdween.
03.5
Een eind verderop, vlak voor de prachtige ouderwetse lederwinkel De Haen, maakte een Eenmansleger des Onheils zich klaar om middels enige versterkende apparatuur en gitaar de winterse vrolijkheid in het straatje te upgraden en gelijk wat inkomen te scoren. De busker was gehuld in een broek met een rode en een zwarte pijp. Tevens torste hij groot haar, dat hij achter op zijn hoofd verzamelde in een gigantische dot. Voorwaar: dit was de dot der dotten. Ik bekleedde toevallig de perfecte zitplaats om hem aan het werk te zien. Het orgelpunt van zijn voorbereidingen betrof een blikken koekendoos die hij open wrikte en op de grond deponeerde. Toen konden de evergreens beginnen. Dylan, The Beatles. Zijn optreden veroorzaakte nu uitstulpingen in de gestage stroom slenteraars. Soms obstructies. De trage vaart der volken stremde wat meer, gelokt door muziek. Het straatje kon deze verse aanslibbing nog net slikken.
Ik greep naar mijn boekje en mijn potloodje en schreef op:
Serenade voor Morgana
Stoute schoenen trok ik aan,
om tot bij Morgana te gaan.
De straatmuzikant gaf ‘m van jetje. Pas wanneer een eerste gulle hand iets in zijn blikken doos gooide, begonnen twee, drie anderen ook hun zakken af te tasten.
Plotseling weerklonk een krakende donderklap.
Het reepje lucht dat nog net boven de paraplu’s en de baldakijnen in het smalle straatje zichtbaar was, zag muisgrijs. Daarnet was dat nog vaag blauw geweest, als wintermelk.
‘Het einde der tijden is nabij,’ mompelde ik. ‘Een straatmuzikant, een donderslag bij heldere hemel in het holst van de winter: aanschouw de tekenen.’
Er ontstonden nu grotere hiaten in de stoet van voorbijgangers. De onverwachte donderklap had bressen geslagen. Daardoor kreeg ik een betere inkijk in Her&Him.
Schoenen gaapten me aan. Schoenen geeuwden uit verveling. Schoenen schaterlachten. Schoenen schreeuwden. Handschoenen ontbraken.
‘Waarom ook geen handschoenen?’ vroeg ik me af. ‘Gaan handschoenen dan liever samen met handtassen?’
Ik was al langer belust op bleekbruine fijne leren handschoenen waarmee ik met een elegant gebaar het stuur van mijn Lamborghini zou bedienen. Niet dus van die groteske ondingen die de kou moesten bestrijden, maar van die dure velletjes die de hitte (nou: palmzweet) beletten en als een tweede huid om je tengels gegoten zaten.
Ik checkte mijn smartphone, nam een laatste slokje koude koffie, betaalde binnen bij Rozemieke mijn rekening en ging dan in de portiek van Her&Him preventief schuilen voor die nakende onweersbui, terwijl ik zijdelings de herenetalage monsterde. Misschien verkochten ze handschoenen een eindje verderop bij lederwaren De Haen. Ik gluurde even die richting uit; de busker had al zijn biezen gepakt. Ik monsterde het zwerk. Er volgde echter geen tweede klap, er klonk alleen vaag gerommel, terwijl wat fletse flitsen zonder veel kabaal vergeefs het muizengrijs probeerden te doorklieven. Loos alarm. Het werk van een zondagsschilder op zaterdag.
Toen tikte iemand me op de schouder. Ik draaide me om. Het was Morgana Van Otterghem.
‘Wat zat je daarnet te schrijven?’ vroeg ze, met een knik naar de overkant.
‘Shit,’ zei ik, snel mijn zakken aftastend. ‘Mijn boekje ligt nog… ‘
Ik keek naar het tafeltje in de hoek. Daar lag alleen nog de driedubbel gevouwen kaart met de prijslijst, een asbak erbovenop tegen de stadsbries die nu door het straatje woei.
‘Verdorie… ‘
Het begon nu toch harder te waaien. Een stel identieke reclamewimpels op de hoek van het straatje maakte plotseling flappende geluiden.
‘Iets belangrijks? In geheimschrift? Codetaal? Een tekening? Van mij? Een gedicht? Over mij?’
‘Hoe weet je… Dat zou… Eh… ‘
‘Had ik het niet gedacht!’
‘Maar… ‘
‘Ik wist het!’
‘Eh… ‘
‘Ik zag het wel!’
‘Het is niet… ‘
Ze trok me bij mijn arm de schoenwinkel in toen de totaal onverwachte plensbui losbarstte. Hevig gedruis, geroffel en geplets veegden het straatje schoon.
04
En nu de waarheid. En niets anders dan de waarheid.
Als licht onder een hoek op een scheidingsvlak van twee optisch verschillende materialen valt, zal een deel van het licht op het oppervlak weerkaatsen, waarbij de verhoudingen worden gegeven door de Fresnelvergelijkingen. Is de invalshoek (de hoek tussen de normale en de invallende lichtstraal) kleiner dan de grenshoek, dan gaat een deel van het licht door het vlak heen. Hierbij treedt breking op, de hoek van inval θi is niet gelijk aan de hoek van uittreding θu. Deze laatste kan nooit groter zijn dan 90° en daarom is er ook een maximum invalshoek, de grenshoek g, waarin n i en n u de respectieve brekingsindices zijn. Is de invalshoek groter dan treedt er totale reflectie op. De brekingsindex van lucht met temperatuur (°C) en druk (Pa) is duidelijk in een formule, waarin de brekingsindex van lucht van 15 °C en 1013,25 Pa met 0,045 % CO2 is.
Dat kan veel fictie en fantasie verklaren.
Het was zo’n middelgroot formaat Moleskine boekje (Quality Control nummer G00797S) dat Bruce Chatwin en Ernest Hemingway ook hadden gebruikt. Samen met het Ikea potloodje vormde dit mijn shabby chique schrijfset. De eerste twee stukken uit mijn verhaal over Morgana Van Otterghem prijkten op de beginbladen, met veel doorhalingen en gereconstrueerde zinnen. Toen ik van mijn koffie opkeek, zag ik een stuk van een winterse regenboog boven het straatje. Waarschijnlijk dacht iedereen in de stad nu dat die geluk betekende. Ik schudde de rommel uit mijn hoofd, nam een laatste slokje sherry en stak over naar Shoe-Shine in verband met de dringende aankoop van een nieuw paar schoenen.
JORIS DENOO

