Naar de inhoud

VRESELIJKE VERHALEN

JORIS DENOO
seniorennet.beseniorennet.be

MM & de red rum


MICK MAUSER EN DE RED RUM

Een maritieme droommoord

‘Kunnen de bewegingen van een vlinder in Tokio een regenbui boven Central Park in New York veroorzaken?’ vroeg ik me af. Het was mijn eigen gedachte, maar de formulering ervan had ik gepikt van een personage uit de film ‘Jurassic Park’. Die kerel was net als ik een fan van de chaosleer en een liefhebber van onvoorspelbare attractoren. Ik keek naar het ballet van enkele meeuwen die de boot naar Ramsgate volgden. De zon schitterde in mijn taksvrije fles ’12 years old malt whisky’. Ik nam een slok en plantte de fles tussen mijn benen. Hier op de achtersteven was het windvrij. Ik zat tegen een trap geleund. Drie weken vrij kon ik nemen. Het laatste optreden van onze groep MIRACLE BLUE was pas enkele uren achter de rug. Ik had mijn drumstel ingepakt en met het busje richting binnenland meegegeven. Samen met Marc, onze basgitarist, had ik vanochtend vroeg de ferry Oostende-Ramsgate genomen, na nog enkele uren nachtelijk stappen in De Koningin der Badsteden, en vooral: scoren. We hadden stevig gescoord. De andere leden van MIRACLE BLUE gingen ieder apart even uitblazen, met de hunnen: Vlaanderen, Frankrijk, Turkije. Iedereen wou er even uit. Marc en ik zouden enkele dagen in Zuid-Engeland rondtrekken. Van dat Londengedoe moesten we niks hebben. Daarna zagen we wel. Ik wou vooral mijn eigen rekeningen eens maken, alles op een rijtje zetten en beslissingen nemen. Misschien moest MIRACLE BLUE maar beter splitten. Na zes jaar samen ‘on the road’ was het welletjes geweest. Spanningen alom.

‘Hoi’.
Marc kwam poolshoogte nemen, zware wallen onder de ogen.
‘Jip. Je ziet er niet uit, man. Zijn dat jaarringen of lauwerkransen onder je ogen?’
‘Moe?’
‘Bah ja, ook wel’.
‘Ik heb het spul bij me’.
‘Dat van vannacht?’
‘Ja. Kom je? Of betrouw je het niet?’
‘Nee … nee … ‘.
‘Ik zoek effe de toiletten op hé’.
‘Jaja. Ik blijf hier zitten. Voorzichtig hé’.
‘Ik ben op dek 7, als je me zoekt. De bagage staat in de music bar hier vlakbij’.
‘Oké’.
Marc verdween, op dunne zeebenen. Drugs and rock-’n-roll, dat was Marc. Ik zou hem nooit meer terugzien.

Mick Mauser snelde met zijn jongste naar de toiletten op dek 7. Hij rukte enkele deuren open en mikte het hoofdje van de kleine boven de dichtst bijgelegen wc-pot. Net op tijd. Toen hij even later wat papier van de dispenser ontrolde, hoorde hij een doffe bons in het hokje ernaast, gevolgd door een dreun en gekletter van vallende spullen.
‘Wacht even hier’, gebood hij zijn zoontje. ‘Blijf op het wc-deksel zitten. Ben zo terug hoor’.
De deur ernaast was op de knip. Mick liet zich op zijn knieën zakken en loerde onder de spleet. Er lag iemand in een vreemde kronkel op de grond. Mick bonkte op de deur en riep. Geen antwoord. Na drie pogingen gaf hij het op.
‘Gaat het weer een beetje, jongen?’
Jasper knikte.
‘Kom’.
‘Wat was dat?’
‘O, iemand die gevallen is. Kom’.
Hij leverde Jasper bij Trine af, legde vlug de situatie uit en haastte zich dan naar de informationdesk.

Vijf minuten later werd omgeroepen dat de passagiers de toiletten op dek 7 niet meer konden gebruiken. Mick werd door een steward achter de balie van de infodesk gebracht. Hij vertelde er wat hij gehoord en gezien had en liet er zijn coördinaten achter.
‘Als het nodig blijkt te zijn, zullen we nog contact met u nemen. Blijft u lang in Engeland?’
‘Vier dagen’.
‘Oké. Bedankt. Hier hebt u mijn kaartje. Drink er een hartversterker mee aan de bar, ze zijn op de hoogte’.
‘Dank u’.
‘En?’ vroeg Trine. Mick haalde zijn schouders op.
‘Misschien iemand die doodgewoon van zijn stokje gevallen is’.
‘De toiletcompartimenten op dat dek zijn afgesloten. Er moet toch iets aan de hand zijn’.
‘Ik heb mijn naam en telefoonnummer gegeven. Het leverde me nog zo’n flesjeswhisky op’.
Mick toonde het kaartje.
‘Oostende Lines verzorgt zijn klanten hé’, glimlachte Trine. Ze keek naar Jasper en Lise; die lagen alweer slaperig tussen de bagage op de banken gedrapeerd.

Ik sprong op toen ik de omroeper hoorde. Toiletten dek 7? Blue alert! Ik wrong de fles in mijn jaszak en haastte me naar binnen. Music bar. Tax free shop. Panoramische gang. Pictogrammen Ladies en Gents. Daar was een samenscholing van bootpersoneel; ze vormden een scherm tegen kleinschalig ramptoerisme. Nieuwsgierigheid werd weggewuifd.
‘Wat is er gebeurd?’
‘Toiletten op dek 8, meneer’.
‘Niks aan de hand’.
‘Deze hier worden tijdelijk afgesloten. Met onze excuses voor het ongemak’.
‘Maar ik … eh … is hier iets … ‘.
‘Dek 8 meneer, sorry’.
Een en ander flitste razendsnel door mijn hoofd. Ik haastte me terug naar de music bar en zocht Marcs reistas. Ik grabbelde en gooide de inhoud dooreen. Geen probleem. Of toch? Ik probeerde na te denken. God! Ik liet Marc gaan … we deelden een ticket … Daar kon narigheid van komen. Veel narigheid. Verdomd, verdomd. Opvallend veel mensen bewogen zich nu richting sanitair. De music bar liep vrijwel leeg. Weer spoedde ik me naar de plaats des onheils. Of toch ongeveer. Paniek borrelde in mij op. Wat als…?
‘Die man is dood’, hoorde ik zeggen. ‘Hij lag dood in het toilet’.
‘Ze hebben hem daar gevonden’.
Op dat ogenblik werd een dringend bericht omgeroepen. Eventuele medereizigers van Marc VdB uit P. werden verzocht zich onmiddellijk aan de informationdesk op dek 7 te melden. Mijn hart bonkte in mijn keel toen ik dat hoorde. Ik wist meteen hoe laat het was. Al te lang en al te vaak waren we ongestraft gebleven en door de mazen van het net geglipt. Stom, stom, stom!

Toen nam ik een beslissing. Ik ging terug naar de music bar, waar alleen nog een slaperig gezinnetje zat. Ik griste er Marcs en mijn reistas van de zitbank. Op de achtersteven was niemand. De zon flikkerde op het water. Geen wind. Ik nam de fles uit mijn jaszak en nam er drie slokken uit. Daarna gooide ik de fles en de tassen overboord. Vlak daarna sprong ik zonder verder nadenken in het witte schuim. Het was een chaosbeslissing. Er zwierden geen meeuwen meer.

Red Rum had zijn verwoestende werk gedaan en een zoveelste slachtoffer gemaakt. De groep MIRACLE BLUE was nu noodgedwongen gesplit. Basgitarist Marc VdB was aan een overdosis bezweken. Hij stierf in comateuze toestand, op de bootlijn Oostende-Ramsgate. Dagen later spoelde de drummer van de groep levenloos aan, in de omgeving van Margate.

Pas na zijn vakantie in Zuid-Engeland las Mick Mauser in de krant over Red Rum, een zeer pure vorm van heroïne, of nog: ‘Murder’. Red Rum was een ‘populaire’ drug aan het worden; de vraag ernaar was bij de dealers met 300 % gestegen na een drama in de bekende groep SMASHING PUMPKINS. Ook in Europese straten.
‘De lemmingen zijn onder ons’, dacht Mick. Hij grabbelde naar zijn brave pakje taksvrije Marlboro. En hij somde stilletjes op: ‘Lepel, pap, pop, lul, droommoord, koos u de garage dus ook?, Tivoli, I lov’it, A man, a plan, a canal: Panama, Baas, neem een racecar, neem een Saab’.
‘Zit je weer tegen jezelf te praten?’ informeerde Trine.
‘Een afvaart kan ook een uitvaart worden’, antwoordde Mick cryptisch.

JORIS DENOO

Geschreven door Joris Denoo om 09:30 Stuur door

Mick Mauser (MM)

MICK MAUSER 


Mick Mauser is een background detective van zeer menselijk allooi. Soms duikt hij even à la Hitchcock in een verhaal op; soms is hij permanent toeschouwer, ooggetuige of betrokkene. Het apologetische Woord Vooraf ofte Apologie (hier reeds verschenen) door de beroemde maar inmiddels betreurde chief-inspector Morse zet de toonaard van zijn aanpak. In elk verhaal komen we ook iets te weten over detective Mick Mauser zelf en zijn leefgenoten, met mondjesmaat. In toekomstige verhalen zal meer en meer worden prijsgegeven over deze ogenschijnlijk wazige, maar toch erg belangrijke nevenfiguur. Voorlopig blijft hij de enige detective die niet altijd als hoofdpersonage in zijn eigen drama’s rondloopt. Samen met Mick Mauser kan de lezer(es) zittend denkwerk verrichten. Enig talent voor humor is daarbij wenselijk. ‘Een kneepje in de kont van Miss Marple, een snuifje achter de rug van Hercule Poirot, een stiekem lurkje aan de pijp van Maigret en een kopje thee-verkeerd met Sherlock Holmes,’ aldus Mick Mauser zelf over zijn avonturen. What’s up, Watson?

Binnenkort elke maand een verse aflevering.

SJORS DNO

Geschreven door Joris Denoo om 00:00 Stuur door

Morse: apologie

CHIEF-INSPECTOR MORSE: EEN APOLOGIE


Ja, ook bij mij is het allemaal begonnen met een zaadcel en een eisprong. Of was het een zaadsprong en een eicel? Forensisch onderzoek kan hierbij uitsluitsel geven. Giswerk niet. Jaren later moet uit het raam springen nog altijd als nutteloos worden beschouwd, want ik woon gelijkvloers. Ban ook alle gedachten aan stompe voorwerpen. De bekentenis die ik ooit heb gedaan, blijft me nochtans achtervolgen: ik ben een pure hetero. Vele nachten heb ik daardoor slapeloos doorgebracht. Soms laveloos. En de zeldzame nachten tijdens dewelke mijn ogen dan wel even dicht waren, had ik te danken aan verdovende pilletjes tegen enkele aardse allergieën. Zwaartekracht vormde nimmer een probleem, middelpuntvliedende kracht vaak wel. Men koopt bijvoorbeeld, nietwaar, een huis, maar sommige dagen ‘gaan amper open en dicht’ (zoals ze zeggen), zodat we daar soms een appendix aan breien, met name: een nacht. Meer is namelijk in ons. Daar ben ik heidens van overtuigd. Het huis dat men meende gekocht te hebben, is dan tijdelijk spoorloos. Het blijft even in de kou staan, tussen nacht en morgen. Of het zeilt ergens in velden die door sommigen ‘Elyzees’ worden genoemd. Ik heb in de loop der jaren en nachten, net als mezelf, een onnoemlijk aantal klootzakken ontmoet. (Mag ik hierbij uw welwillende aandacht vestigen op het verplichtende werkwoord ‘moeten’ in het eerder onwerkwoordelijke ‘ont-moeten’?). Beklijven deden ze zelden: noch de klootzakken, noch de ontmoetingen. Wat ik daar aan beelden aan overhoud, zijn: ten eerste een onbemand schip op de bodem van alweer een ledig glas en ten tweede een statenloze zeppelin in de zoveelste rookkolom rond mijn hoofd zwevend. Ik mag hierbij een tv-klassieker citeren: ‘To boldly go where no man has gone before’. Waarheen? Ik pas. De afgelopen jaren betrap ik er me op steeds vaker in de verleden tijd te praten of te schrijven als ik het over ondergetekende heb. Een polshorloge draag ik niet meer. De meeste aardbewoners binden de tijd om hun pols vast, maar toch kunnen ze die niet tegenhouden en worden ze onherroepelijk ouder. Dat getuigt van pretentie. Tijd of tijden veranderen immers niet; mensen wel, in één richting. Ze worden immers doodgewoon ouder. Mijn volgende horloge zal me cadeau worden gedaan door mijn werkgever. Ik begin ook verdacht veel van koffie te houden. De enige reis die ik bijvoorbeeld wel nog zie zitten, is die naar het mekka van de mokka. Een teken aan de wand. Maar ik hou ook alsnog genoeg fut over om de wallen onder mijn ogen als lauwerkransen te beschouwen, en niet als jaarringen, zoals bij een boom. Het leven interesseert me zoals ik naar een foto kijk, namelijk: ernaast. Buiten de foto gebeurt het belangrijkste. Het is gezien. Het is niet onopgemerkt gebleven. De focus ligt bezijden het voetbalveld, de brandstapel, het altaar, de hele ingekaderde santenboetiek kortom. Fotografen genoeg, overigens. Kaderbedrijven (en kaderleden, de opgeknoopten van de bovenwereld) ook: wetenschap, godsdienst, wellevendheid, burgerzin, kapitaal. Maar ik maak me niet druk. Ik heb met mezelf, de schrijver van deze apologie, afgesproken elke bruikbare metafoor niet nodeloos uit te laten dijen. Heelalletjes genoeg alreeds, ‘where brave new man boldly went’. Het huwelijk, onder andere. Ik pas. Get in the car, Lewis.

Feiten. Verleden week gebeurde iets waardoor ik mijn geloof in eender welk geloof definitief verloor. Ik hou het kort. Elk jaar noteer ik in mijn dagboek de eerste donderslag van het seizoen (maart, vaak april, soms mei). Deze jaarlijkse gewoonte liet ik ook plaatsvinden in een nieuw boek van me: een van de personages doet dat namelijk ook. (Ik schrijf boeken, verstolen. Soms publiceer ik er een, ietwat onopgemerkt). Terwijl ik de bewuste zin op mijn laptop aan het intikken was, puur fictie dus, kraakte de eerste donderslag van het seizoen, amper 21 maart. Puur feit dus. Fictie holde feit één duimbreed vooruit. Daar keek ik wel even van op. Waren de goden met me aan het sollen? Terstond werd ik een ongelovige. Ik viel mijn geloof in toeval af. Meer niet. Minder evenmin. Maar het was mijn laatste geloof. Gisteren kreeg ik gelijk. Ze waren dus niet met me aan het sollen. Ik reed in mijn auto door een middelgrote Vlaamse provinciestad, waar ik bijna nooit kwam. Ik zou er in het cultureel centrum over mijn boeken spreken. Als verslaafde roker was ik andermaal gestopt met roken. Daar zat ik voortdurend aan te denken. De merknaam ‘Marlboro’ spookte me onophoudelijk door het hoofd. Op een bepaald ogenblik stond ik voor een opgehaalde brug. Het duurde lange minuten. Een binnenvaartschip deed haar ding. Toen ik eindelijk weer vooruit kon, de brug over, merkte ik tot mijn verrassing, bijna ontzetting, dat de eerste straat die ik inreed de ‘Marlboroughstraat’ heette. En dat in de middelgrote zeer Vlaamse provinciestad O. Potvolkoffie! Zulke dingen verontrusten me aanvankelijk. Een minuut later moet ik er om glimlachen. Meer valt er niet te melden: een donderslag, waardoor fictie en feit zich simultaan voltrokken (en neen: het was geen donderdag, ik ben geen kadaveretymoloog), een totaal onverwachte straatnaam als grijnslachend uithangbord voor mijn verslaving. Ik probeer naast de bliksemflits en naast het naambord te kijken, maar ontdek geen glimp van een of andere slimme afgod, de monkel om de mond. Ik moet het zelf maar zien te rooien, ik, het al net zo toevallige resultaat van de bingofusie tussen een zaadcel en een eicel, ik, rookverslaafde hetero, disbeliever in toeval, afvallige. God zit inderdaad in het detail: God zit in een cel.

Maar er moeten boeken worden geschreven. Romaneske boeken. Waarin iets gebeurt. (‘Waarover gaat uw boek?’ Je zou ze vermoorden!) Dit is de blikopener van mijn volgende ‘boek’: ‘Men trof hem aan met zijn ballen in zijn mond en een ijspriem door zijn linkeroor. Die kwam er aan de andere kant van zijn hoofd weer uit. Op zijn borst lag een ongebruikte kogel. Een uur daarvoor had hij pralines gekocht bij Leonidas op de Grote Markt. Dat kon de zaakvoerster – een leesbrilletje tussen de borsten bungelend – met klem bevestigen’. Einde citaat. Het is gezien. Het is niet onopgemerkt gebleven. Men ziet bloed, men proeft chocolade, men hoort een vrouwenstem uit de normale wereld der zoetigheden. Men krijgt het koud: de ijspriem. Kinderen niet toegelaten (KNT): de ballen. Het staat in een boek. Het is gepleegd door iemand. Waar haalt hij het. Misschien, zelfs heel zeker, wordt het nooit wat met dat boek. Men verlangt altijd naar een tweede boek. Tweede poging: ‘‘Het mes! Het mes!’ flitste het door mijn hoofd’. Einde citaat. Allen barsten in lachen uit. Dat is het dus. Deze swiftie is evenmin onopgemerkt gebleven. Er zijn nog duizenden andere soorten van schrijverschap mogelijk. Elk schrijverschap is overbodig en hoogstnoodzakelijk, in het eerste geval voor de mensheid, in het tweede voor de schrijver zelf (v/m/x). Wie dan uiteindelijk publiceert, herleidt andere mensen tot lezer (x/v/m). Die lezer kan een boek, een oeuvre als een belediging voor haar/zijn intelligentie ervaren. Soap-tv is een affront voor de ene en een weldaad voor de andere. (Dit wellicht volgens het minderheids-meerderheidsprincipe). ‘Wordt er ook gevochten in je boeken?’ ‘Gaat het over de oorlog?’ ‘Komt er veel seks in voor?’ Als ik daar ernstig over nadenk en doordenk, moet ik bijna een pleidooi voor crimefictie ofte misdaadliteratuur houden. De menselijke ziel wordt het duidelijkst opgespannen en uitvergroot in detectives, regio ‘hardboiled’. Schoonschrijverij in dienst van de goorheid. In schone letteren de vuile was buitenhangen. Beerputten openen om literaire genoegdoening te veroorzaken. (Ik weet nu zelf niet meer waar deze tekst godgenageld naartoe leidt. Mij naartoe leidt. En u. Ik lijk aan een detective bezig. Of écriture automatique). Welke afgod doet me deze gedachten in deze gelederen parkeren: die van het genot van het schrijven (een afgodin wellicht) of die van het ordenen van een chaos (vermoedelijk ook al een afgodin, afgoden zijn te verward)?

‘Rookverslaving’. Niks van aan. Ik pas. Ik hou het op Double Barrel, American Martini, Claret, J&B. En mijn klassiekers van het gehoor. ‘Middelgrote Vlaamse provinciestad’. Ik pas andermaal. Ik hou het op Oxford. Bijwijlen, with a bit of luck: Italië, Australië. Ik wil het evenmin over boeken of fictie hebben. Wel over de gore werkelijkheid, de vreselijke zelfmoorduren op een regenachtige zondagnamiddag, het hellewaarts uitglijden bij nacht en ontij: stom toeval, misdaad, misdrijf, de mens. Ik moet alle andere medemensen tot verdachten herleiden, van zodra er een misdaad is gepleegd. De hele wereld is schuldig. Zelfs een dametje met breinaalden in het park kan morsetekens uitzenden. Elke misdaad is overbodig en hoogstnoodzakelijk. In beide gevallen voor mezelf en mijn bestaan op aarde, deze blauwe plek in het heelal. Ik bestrijd mijn verloren leven (single, male, old, alcoholic, classic) door het bestrijden van de misdaad (single, female, workaholic). Sorry, dat laatste tussen twee haakjes was een grap die ik niet eens mijn Sancho Panza sergeant Lewis zou toestaan. Ik voel me meer kunstenaar dan detective. Mijn leven zit vol geheimen. Ik kan omgaan met geheimen. Ik herken ze ook. Logica is altijd welkom, maar ik pas. Uit de gensters van conflicten komt meer tevoorschijn dan door het logische bewandelen van de platgelopen paden der geleidelijkheid. (Ik moet dringend eens John Cleese opbellen. Die stelde ooit eens een interessante vraag: ‘Waarom moet er in godsnaam structuur bestaan?’). Een readymade: ‘We hebben een visie ontwikkeld op tijdelijk werk’. Elk glas bier doodt zogezegd een aantal hersencellen. Kinderen worden volwassenen doordat extra hersencellen worden geactiveerd; ze bereiken uiteindelijk een toestand van volledig bewustzijn. Dat is allemaal beangstigend. Daar moet iets aan gedaan worden. De perfect gestructureerde, bekokstoofde misdaad mag niet bestaan. Ik pas. Half werk graag! Tijdelijke bekommernis! Ik eis passie. Ik eis iets waardoor schaakgrootmeesters van de schaakcomputers winnen: passie. Waanzin, desgewenst. Passie dicteert sluipwegen, toeval, creativiteit, geheimen. Twee talenten heb ik: geheugen, passie. Ik ga me te buiten aan klassiekers. De oudste zonde ter wereld is jaloersheid. Zij is de moeder van de misdaad. Ik lees de sterren niet, maar luister naar de verhalen van de slagers en de bakkers. Ik kijk niet naar foto’s, maar ernaast. Ik kan lijken liplezen. De microscoop is sterker dan de heterdaad. Ik wil geen morsige stilist zijn, genre Columbo. (Ik rook niet. En regenjassen worden bij voorkeur door jonge politici gedragen). Hercule Poirot? Een draadpop, van Belgische makelij. Maigret is een personage uit Ed-Woodfilms. (Een Oscar voor het landschap, een Gouden Roos voor de kostuums). Morse? Chief-Inspector Morse met de onmogelijke voornaam? De allerindividueelste expressie van de allerindividueelste emotie. Ik ken mijn klassiekers. Stel: ik mag één keer in mijn leven een onbestrafte misdaad plegen. Wat kies ik? Wat ik ook kies, het zal veel over mezelf vertellen. Ik speel met de volgende gedachten: kleinschalige valsemunterij, een bom onder het Vaticaan, moord op mijn dubbelganger (ijspriem, ballen, diepgevroren schapenbout, et cetera), levenslange chantage op mijn aartsvijand. Omdat ik geen sociaal talent heb, kies ik voor het eerste. Misdrijf? Misdaad? Het is me verdorie niet eens om het slijk der aarde te doen. Mijn tweede gedachte, onmiddellijk na mijn keuze, is – typisch voor mij - : wat als ik plotseling de erfgenaam word van een niet onaardig fortuin? Nee, ik ben duidelijk in de wieg gelegd om in Oxford een leven te leiden, lijden. Mijn superieur moet dan maar een logeman zijn. Mijn handlanger een huisvader-sergeant, twee kinderen, houdende van exotisch eten godgenageld. En mijn fotokopieën zijn bladen met een rouwrand om, een molotovcocktail (stirred, not shaken) heb ik nog nooit gemaakt, hoe een ijspriem er uitziet, weet ik niet en mijn aartsvijand is een vrouw. Kleine criminaliteit dan maar: meewarigheid ten opzichte van mijn loopjongen sergeant Lewis, het tergend-nadrukkelijk formuleren van vragen, platzak een free house binnentrekken en anderen het gelag laten betalen, onverhoeds opstaan en verdwijnen in het aanschijn van een vol glas lager, zonder kloppen in de keuken van housecooking Sally verschijnen en met een afkeurende blik in mijn ogen vragen waar haar meatpie Johny de nacht van vrijdag op zondag was. Van dat alles dus, met mondjesmaat. Ik ben de grootste klootzak die er op deze blauwe planeet rond sjokt. Maar ik woon gelijkvloers. Springen heeft geen zin. Uit het raam staren evenmin: misschien zie ik een oud dametje op een bank, ijverig met breinaalden in de weer, morsesignalen uitwisselend met de vijand.

Zo, nu heb ik alle pionnen uitgezet. Passie! Actie! Een geblokkeerde loper is machtelozer dan een vrijstaande pion. That’s as hard as Chinese arithmetics. (Ik lees de sterren niet, maar luister naar slagers en bakkers). Overal ter wereld zijn er Oxfords. Nergens is de misdaad perfect. Ik vraag een sabbatjaar aan om een aantal van deze buitenlandse Oxfords te bezoeken. Als vooruitgeschoven pion wil ik het monster aan de overkant in de ogen kijken. Ik loop van de mensen weg en zoek landschappen op, desnoods in mijn hoofd. Mijn voorkeur gaat naar Alaska uit, Jutland, Friesland. De bevolkingsdichtheid aldaar klinkt me als muziek in de oren. Sneeuw is inkeer. Wind is zuivering. Ik groet allen zeer hartelijk.

Get. Endeavour.

JORIS DENOO

Geschreven door Joris Denoo om 00:00 Stuur door

Q8

Q8

 

INTRO

De opnames zouden gebeuren in de omgeving van het Vossenplein, de Blaesstraat en de Hoogstraat. En de Marollen natuurlijk. Maar die filmrol was me helemaal niet 'op het lijf' geschreven. Ik diende er asjeblief 30 kilogram voor aan te komen. Dat deed ik, zelfsubsidiërend. Want ik had die rol heel graag gehad. Cheeseburgers. Milkshakes. Viandellen van de frietkeet. De hele gefrituurde mikmak. Mijn adem stonk naar twee zeer warme maaltijden per dag. Toen alles in kannen en kruiken was, overleed de producent. Ik werd bedankt voor de rol en de filmplannen werden in de lade gestopt. Cut en fuck!

Mijn kijkcijfers (zo die al hadden bestaan) hadden dus een noodlanding gemaakt. Ik pakte mijn zwarte doos, maakte mijn rekeningen en ging in een lokaal verdoofde straat wonen in de omgeving van het Zuidstation. Wanneer iemand aanbelde, zei ik: 'Je bent niet welgekomen, je bent gewoon gekomen'. Waarop hij gewoonlijk weer zijns weegs ging, terwijl ik van tussen mijn besmuikte gordijnen naar zijn rug als een vraagteken staarde. Het lag nooit in mijn bedoeling te kwetsen. Ik wou alleen met rust gelaten worden. Ik moest bekomen van een beheptheid met Oscars, pellicule en montagekamers.

In die straat onder lokale verdoving kwam ik andere vrijwillige bannelingen tegen. Ik vermijd met opzet het werkwoord 'ontmoeten', want het verplichtende 'moeten' zit erin. Niets hoefde nog. We vaardigden een embargo uit op leedvermaak omtrent elkaars lot, herinneringen, vrolijkheid, gezelligheid en verdere afspraken. Gestraalde schrijvers, gebuisde zakenmensen, verzwegen dichters, onontdekte acteurs, ouder geworden tv-coryfeetjes. Sommigen hadden een hond. Ik niet. Zo'n hond was de vleesgeworden desillusie op vier poten, in weer en wind voortgetrokken door een loser aan een lijn. Zelfs zonder hond waadde ik niet mijmerend door stadslandschappen en parken, hopend op een renaissance van mijn ziel. Ik had mezelf levend begraven in een olijvenbuurt van Brussel en voelde me daar niet goed en niet slecht bij. Ik voelde niets. Dagen en nachten raasden als sneltreinen voorbij, terwijl elke minuut die de klok vermaalde een slak was die over glasscherven kroop. Mijn grootste daad van bevestiging bestond erin elke week de zeven velletjes van de kalender ineens af te pellen. Op de achterkant stonden debiele moppen die ik elke week trouw als een hond aan een medebanneling bezorgde. Zijn doel in het leven was die te lezen. Op mijn televisiescherm verzamelde zich meer stof dan er as was in de urne van mijn moeder. Ik kon zelfs de moed niet opbrengen even mijn sigarettenrook diep te inhaleren en er een kijkgat in te blazen. Bij zeldzame contacten met de postbode gedroeg ik me als een ongelikte beer.

Een paar keer per week opende ik in café Rhodesië in de Voorlopig Bewindstraat mijn schedel om er mijn hersenen in een bad van alcohol te verzuipen. Daar gaven de bannelingen elkaar lik op stuk door alsmaar verse rondjes te vragen, totdat niemand nog een rooie duit had. Dat was het enige waar geen embargo op rustte. Ondertussen, raar maar waar, stopte ik met roken. Ik kon het niet meer betalen.

Voor de rest valt er verschrikkelijk veel te melden. Maar waar begin ik verdorie?

Ik was ooit een drukbeklante mens van goede wil. Mijn portefeuille puilde uit met de beste bedoelingen. Kinderen kregen aanspraak van mij; vrouwen begrip; ouden van dagen hulp en een luisterend oor. Het geluk glimlachte me gematigd toe. De ruimte waarin ik leefde, werd groter; de tijd ouder. Mensen en voorwerpen kregen hun bestemming en plaats. De zo druk besproken en gevreesde eeuw- en millenniumwisseling had geen noemenswaardig probleem gevormd: een cirkel bleef vicieus, een kat kon niet blaffen, een man hield zich sterk, een vrouw nog sterker, roken kon je afleren. Iedereen zweeg luidruchtig als vermoord. Tabellen, competities, grafieken en statistieken brachten een en ander in kaart. Er waren prijzen te winnen, handen te schudden, glazen te heffen. Kijk: er diende zich godgenageld een filmrol aan! Heb je van je leven! Al even vlug verdween die droom in de nevelen der tijden.

Op de laatste dag van februari, een schrikkeldag, nam ik een besluit.

OUTTRO

Ik heb getwijfeld over waar ik het zou doen.
De Vurige Stede Luik.
Bruisend Brussel. Dat lag echt wel voor de hand. Die locatie!
Ik koos voor de sissende ss’en in Brussel en de ontvlambare x in Bruxelles. Luik/Liège leek me dan toch te tam, te wafelachtig, te stroperig.
Brussel dus. En dan sterven. Vurig sterven op het trottoir, omgeven door dingen die veel ouder dan mijn eigen vege lijf zijn. Ik verdien de hoofdstad.
Mag ik me in de tegenwoordige tijd tot u richten, lezer? Dan raakt u meer betrokken bij de zaak. Nou: de Zaak.

Zelfverbranding. Ik mag er niet aan denken. Met gekruiste armen en benen ga ik demonstratief op het trottoir voor antiekzaak Milantiek neerzitten. Aan de overkant is er een stedelijk administratief gebouw met negen vensters, verdeeld over drie verdiepingen. Reeds zijn mijn kleren doordrenkt met duurbetaalde benzine. Ik wou geen diesel gebruiken. Dat werd me afgeraden door een reiziger in behangpapier. Die verdenkt sommige pomphouders ervan hun diesel met water aan te lengen, om hun prijzen laag te houden en concurrentieel te blijven. Allemaal de schuld van Tweestromenland, Babylonië, Mesopotamië, of hoe heten die oliestaatjes ook alweer, momenteel.
O ja: Q8.

Ik hinder het voetgangersverkeer op het trottoir. Daardoor krijg ik aandacht voor mijn Zaak. Ik krijg ook met agressie te maken.
'Maar ik ben doordrenkt! Ik meen het!' roep ik dan.
'De jaren zestig zijn al lang voorbij!' zegt er een. 'Je lijkt wel op een platenhoes van John Lennon. Of zo’n kale haar-krishna.'
‘Wil je beroemd worden misschien!?’
‘De kinderwagens kunnen hier niet passeren!’
‘Gij houdt geen rekening met rollators, oen!’

Aan de vensters van het belangrijke gebouw waartegenover ik demonstratief en ostentatief neerzit, verschijnen nieuwsgierige gezichten. Ik wuif en wenk. Ze wuiven en wenken terug. Zouden ze beseffen waar ik voor opkom? Waartegen ik protesteer? Hebben ze weet van mijn Zaak? Godverdomme, er zit nog een lap van honderd euro mijn portefeuille. Kijk wat ik doe: ik sleur dat flapje eruit en probeer het de eerste de beste voorbijganger in de handen te stoppen. Dat is nu eens het omgekeerde van bedelen, zie! Bedélen vervangt bédelen. Niemand wil het. Ik ben verdacht. Mijn geld is ook verdacht. Ze hebben te veel televisiegekeken: candid camera, weet je wel. Om de hoek zal dan breed grijnzend zo’n tv-clown opduiken, zo'n Bekende Vlaming die ergens naar wijst: 'Gefopt!'. Je zal maar in de val gelopen zijn voor heel Kijk-Vlaanderen en omstreken. Ontgoocheld kneed ik het honderdflapje tot een prop, kauw er enkele minuten op en slik het dan door. Straks mee de fik in. Ik ben niet de eerste geldverbrander in België. Ik heb een groot voorbeeld uit de vaderlandse politieke geschiedenis.

Nou, hoe zit het? Ik krijg het koud. Maar ik ruik wel lekker. Ben net als mijn moeder: hou van wind en van benzinegeur. We gingen vroeger soms samen snuiven aan de uitlaat van startende wagens, tijdens het winkelen. Een vers opgestoken sigaret kan ook zo godgenageld lekker ruiken. Mm. Ik rook al een poos niet meer. Jammer eigenlijk dat ik ooit stopte, want vandaag stap ik er dus uit. Gezondheid hoeft niet meer. Gezondheid kan alleen nog maar mijn lichaam schaden. De Zaak gaat voor.

'Denk je dat je interessant bent?!'
'Wil je misschien op tv?'
'We hebben al genoeg charlatans en BV's!'
De verwijten vliegen me om de oren. Maar zeker van mijn Zaak kijk ik naar omhoog, naar al die passerende gezichten.
'Ge zit hier lelijk in de weg!'
'Ga ergens anders kakken!'
Ik krijg zelfs even een regelrechte schop van een hufter die ontsproten moet zijn aan een koppel post-mei-68'ers.
'Ge zijt zeker een van die Groenen? Leer ergens anders voor treurwilg!'
'Hahaha!!'

Ik hou stand. Ik zit hier voor mijn Zaak. Straks kom ik op CNN, terwijl de vlammen gretig aan mijn vege lijf likken. Die boeddhistische monniken moeten niet denken dat ze het monopolie op zelfverbranding hebben. Een Westerling als ik heeft ook zijn trots. Ik hoop dat er een BB passeert, een Bekende Brusselaar. Die kan dan mijn verhaal in de media brengen. Er komt misschien nog een boek van.   

'Iemand moet het doen! We zijn veel te laks geworden!' roep ik om de haverklap. ‘Wacht niet tot het te laat is. Denk aan uw kinderen. Bigfoot heeft zijn oerwoud verlaten om ons te waarschuwen. Hou rekening met buitenaardse intelligentie. Staar je niet blind op zonne-eclipsen. Kijk om je heen!'
'Wat raaskal je daar, man?' vraagt een agent. 'Sta op en ga weg.'
'Nee!' antwoord ik.
'Moet ik je weg laten takelen misschien? Je hindert iedereen. Het is vrijdag. Iedereen is aan het shoppen voor het weekend.'
'Onwetenden! En het staat me vrij hier te zitten.'
'Dat is verstoring van de openbare orde.'
'Nee, ik maak gebruik van het zitstakingsrecht.'
'Staken is met z'n velen. En dat moet aangevraagd worden bij de burgemeester.'
'De burgemeester kent mij. Het is voor de Zaak.'
'Welke zaak? Je zit hier verdorie voor een antiekzaak! Besef je dat?'
'Ik... '

De agent grijpt me plotseling bij de arm en probeert me op mijn benen te hijsen. Een meter verder kwak ik weer op mijn zitvlees neer.
'Verdomme, man!'
'Ik heb het recht... '.
'Je ruikt helemaal naar... naar... '.
De agent snuift diep in.
'Wat ben je van plan?'
'Ik wil aandacht voor mijn Zaak.'
‘Je hindert hier de antiekzaak!’
De agent grijpt een uiteinde van mijn sjaal beet en brengt die tot tegen zijn neus. Ruiken eraan doet hij niet eens.
'Maar dat is naft, man! Ben je gek? Je bent een gevaar voor de omgeving! Weet jij wel… !!'
'Ik ben een waarschuwing voor de mensheid. Iemand moet... '.
'In godsnaam, zeg!'
Weer sleurt de wetsdienaar aan mijn mouw. Krak.
'Godverdomme!'
De schare omstanders groeit nu nog vlugger aan.
'Allez, vooruit!'
'Nee!'
'Oké, we zullen eens zien wie hier het laatste woord heeft.'

Purper van woede en trillend op zijn benen baant de agent zich een weg door het volk, op zoek naar versterking. Ook het verkeer op straat stremt nu. Mijn publiek breidt zich zienderogen uit. Eindelijk krijg ik aandacht voor mijn Zaak.

'Wat ben je eigenlijk van plan, man?'
'Komt er nog wat van?'
'Dat zul je wel zien!' roep ik grimmig. 'En wel nù!'

Ik tast mijn jas- en broekzakken af op zoek naar lucifers, een aansteker. Het grote ogenblik is aangebroken. Straks ben ik de Jan Palach van België geworden. Godverongelukt, niks te vinden. Verdomme. Natuurlijk niet: ik rook niet meer. Stom van me. Echt stom. Jammer dat ik stopte. Godverdomme. Zo knullig.

'Ewel?'
‘Komt er nog wat van, Jean D’Arc?’

Ik kijk omhoog naar al die gezichten en haal beschaamd mijn schouders op. Vanuit de verte nadert het gezeur van een politiesirene.

'Mag ik een vuurtje van iemand?' vraag ik dan.
Ogenblikkelijk worden me tientallen aanstekers aangereikt. Niemand lacht. De vlammetjes dansen in de wind.
‘Blaas me niet uit hé!’ verzoek ik dringend.
‘Maar dit is wel de Blaesstraat hé, man!’ roept een ad hoc stand-upcomedian.

Ach, zelfverbranding. Ik mag er niet aan denken.
Sit-downcomedian in de Blaesstraat/rue Blaes te Brussel/Bruxelles.

JORIS DENOO

Geschreven door Joris Denoo om 09:39 Stuur door

Martelaar

MARTELAAR


Het beroep van martelaar had in Malachije (een door Kazachstan geduld scheurstaatje van 300 000 zielen) een heel andere betekenis dan de gangbare. Dat lag in de afgrond die er gaapte tussen passief en actief. Een martelaar onderging er namelijk niets zelf, integendeel: hij ondernam. Hij reisde de gevangenissen van het land af om zelf gevangenen te martelen. Bedoeling was die onder dwang hun geheime bergplaatsen van gestolen goederen en gelden te doen prijsgeven. Dat gebeurde in opdracht van de regering van Malachije, die in dergelijke gevallen een aanzienlijk vindersloon claimde. Zodoende scoorde de staat elk jaar nog wat extra zakgeld, dat anders voor vaak lange tijd onaangeroerd en verborgen zou zijn gebleven. Slapende tegoeden, zeg maar.

De officiële martelaar van Malachije heette Pipp-Djo. Ooit was hij zelf één keer bij de lurven gevat. Zeven jaar geleden was hij zo onoplettend geweest om een door hemzelf getekende schets op de plaats van de misdaad (een museum) achter te laten, na een hevige schermutseling met een suppoost, die met doodslag eindigde. Na veroordeling voor doodslag en diefstal van een sabelmarter in malachiet (het nationale symbool van Malachije) kreeg hij een enkelband om, want de gevangenissen zaten eivol en er was een speciale vacature. Dat ding werkte niet alleen als enkelband, maar registreerde ook alle geluiden en gesprekken die zich bij Pipp-Djo voordeden. Hij kreeg immers als werkstraf de marteling van gevangenen opgelegd, waarbij de ontlokte informatie heel veel waard kon zijn. Alleen enkele hoge functionarissen bij de nationale schatkist konden de extra chip in de enkelband activeren of deactiveren. Van zohaast een gevangene bezweek en zijn geheim onthulde, was het hoofdkwartier op de hoogte. Onmiddellijk rukten de jeeps dan uit, met acht zwaarbewapende mannen erin, om de verborgen schatten op de onder dwang gebrulde plek op te gaan halen.

Uiteraard hadden niet alle monsters van Malachije zo’n geheime bergplaats. Er was niet altijd buit in de klassieke zin van het woord. Pedofielen en verkrachters bijvoorbeeld waren niet op geld uit – meestal niet. Seriemoordenaars verzamelden ook vaak zaken die financieel niet interessant waren. Sporadisch verklapten die waar zich een lijk bevond, een hoofd, een hand. Pipp-Djo martelde dergelijke creaturen met heel veel liefde voor het beroep, ook al bracht dit geen centen of materiële goederen op. Zo sneed hij bij ene Ky’an-Eli één teelbal af. Bij Djessy-Djay twee. Een lekkernij voor zijn huisvaraan, die hij vijf jaar geleden van een excentrieke smokkelaar in exotische dieren cadeau had gekregen.

De bevoegde instanties hadden Pipp-Djo carte blanche gegeven, want er was soms veel geld mee gemoeid. De schatkist had voortdurend honger en dorst, onder andere om het gevangeniswezen te bekostigen. Er was maar één voorwaarde: de gefolterde booswichten mochten niet doodgaan. Anders rezen er problemen. Pipp-Djo moest ze in leven zien te houden, al was het maar net. Zo had de seriemoordenaar Le’Johnso al zijn voorlaatste adem uitgeblazen toen de martelaar er mee ophield en nee schudde op de smeekbede van zijn slachtoffer hem helemaal te vermoorden. De ontvelde Le’Johnso bleef in schreeuwenden lijve in leven, ondersteboven bengelend aan een vleeshaak. Zijn dierlijk gebrul weerklonk tot in elke uithoek van de gevangenis. En de valsmunter
Qshantony, bij wie Pipp-Djo de voeten weg had gebrand nadat hij hem via een trechter benzine had doen zwelgen, kreeg op het nippertje een fikse dosis noradrenaline in zijn kont gespoten teneinde het tijdelijke nog niet met het eeuwige te verwisselen. Er waren geen openbare of verborgen camera’s in het spel; de bevoegde instanties wilden niet dat eventuele opnames later als bezwarend materiaal tegen ze konden worden gebruikt.

In de Week van de Huilende Wind werd in een noordelijke provinciestad van Malachije na een verbeten achtervolging de booswicht Maroah-Jax aangehouden. Zijn kompaan Q’Shawn was kunnen ontkomen, ook al zeilden er de hele week lang nog helikopters met telescopen en zoeklichten boven de rivierdelta, de heuvels en de valleien rond. Het misdadige duo had in een mum van tijd drie boerenbanken overvallen, waarbij ze geen geweld geschuwd hadden. De aanzienlijke buit was samen met de ontsnapte Q’Shawn verdwenen. Er stond Maroah-Jax dus een hel op aarde te wachten. Bij ontdekking zou de regering immers een fiks vinderspercentage eisen.

Schreeuwend als een mager varken zag Maroah-Jax zijn beul naderen, visfileer-mes in de aanslag. Bijna struikelde hij over een emmertje met zeezout.
‘Au, godverdomme.’
In de hoek van de cel hing nog een bloederige homp vlees aan een ketting, vaag herkenbaar als een menselijk lichaam, restant van een vorige foltersessie. Rillen en lillen deed het nog even, maar was dit nu dood of leven? Maroah-Jax was ter voorbereiding op het verhoor al een halve dag lang met de vleesklomp geconfronteerd. Om gek van te worden, die geur van de halfdood.
‘Nog gehoord van slow slicing? Death of a thousand cuts?’ riep Pipp-Djo boven het gegil uit. ‘Op smaak gebracht met een snufje zout?’
Maroah-Jax brulde nog harder en rukte woest aan zijn riemen en kettingen.
‘Hoeveel bedraagt de buit? Waar is Q’Shawn?’
‘Een deal! Een deal!’
‘What the fuck deal? Wat voor deal? Waar is het geld? Hé? Ergens in Malachije? Of… ’
‘Delen! Delen!’
Pipp-Djo legde plotseling een wijsvinger op zijn lippen en knipperde veelbetekenend met zijn oogleden. Hij haalde vervolgens met zijn vrije hand een notitieboekje uit zijn zak waar een potloodje aan bungelde, terwijl hij al even met het mes over de borstkas van zijn slachtoffer kerfde.
‘Aaaaa!!’

De beul legde het mes weg en schreef toen in grote hoekige letters SCHREEUWEN! DE DEAL VOLGT! WE WORDEN AFGELUISTERD! in het boekje, dat hij ogenblikkelijk voor de neus van zijn slachtoffer hield. Even hield het schreeuwen op, maar dan knikte Maroah-Jax heftig met hoopvol gesperde ogen en zette het op een brullen dat horen en zien ze vergingen. Pipp-Djo knikte ook samenzweerderig, pakte het vismes weer en zweefde met de punt ervan over het huidoppervlak van de bankrover, waarbij hij gevaarlijk dicht de ballenzone naderde. Met zijn andere hand schreef de martelaar – nu gehurkt – in het boekje SCHRIJF DE PLEK OP MAAR BEKEN HARDOP EEN ANDERE (VALSE) – FIFTYFIFTY. Hij liet het de man lezen. Weer knikte de geketende, want hij stond doodsangsten uit. Pipp-Djo bevrijdde diens rechterhand uit de riem. Jankend en schreeuwend pende Maroah-Jax de schuilplaats van zijn handlanger Q’Shawn en de buit neer: Cameleonades 113 B, Brohanq. Daarna riep hij met overslaande stem: ‘Piers Parade, café N’Do Guzman, Sitobal’.

De martelaar knikte tevreden, bevestigde de riem weer om de hand en gebaarde ‘doorbrullen!’. Daarna bewerkte hij de huid van de bankovervaller van top tot teen met viltstiften en rode jodium, zodat die er uitzag alsof hij zware martelingen te verduren had gekregen. Ook deelde hij nog enkele stompen en rake klappen uit, zodat er bont-en-blauwe plekken ontstonden. Een uur later, toen het gebrul over was gegaan in hees gepiep en kokhalzend gegorgel, werd de ondervraagde op een berrie naar zijn cel gebracht. Als volleerde martelaar en ex-boosdoener zou Pipp-Djo hem volledig aan zijn lot overlaten. Niks geen deal.      

Er was geen tijd te verliezen, want de jeeps waren nu vermoedelijk al onderweg naar de nepschuilplaats. Pipp-Djo verliet haastig de gevangenis en spoedde zich naar huis, waar hij met enkele forse meppen van een hamer zijn bewakingsbox onklaar maakte. Vervolgens bevrijdde hij zich met een grote kniptang van zijn enkelband.

Martelaar Pipp-Djo raakte op zijn gammele IMZ Ural motor niet verder dan twee dorpen richting Brohanq. Daar stond de Malachijse Pandoerbrigade hem op te wachten, zwaaiend met een notitieboekje en een doos viltstiften. Het martelaarschap van Pipp-Djo was voorbij. Sputterend viel zijn motor stil.
‘Shit!’ riep hij uit, terwijl hij in een flits terugdacht aan de schets die hij zeven jaar geleden in het museum had achtergelaten. ‘Zo stom!’

‘Dat wordt minstens een dubbele enkelbreuk, meneer de sabelmartelaar’ grinnikte de Opperpandoer, terwijl hij aritmisch met zijn wapenstok in zijn handpalm sloeg.

JORIS DENOO/SJORS DNO

Geschreven door Joris Denoo om 08:33 Stuur door

G., seriemoordenaar

G., SERIEMOORDENAAR


George (neem die vreemde Engelse linkse bocht in de mond bij het uitspreken van de klinker in de naam) was een ongewone seriemoordenaar. Zijn serie betrof namelijk alle series van al zijn collega’s. Dat zat zo: George nam van elke serie zelf één moord voor zijn rekening. In hoogsteigen persoon. Als kameleon en copycat had hij daar het talent voor. Alle seriemoordenaars kregen dus eigenlijk een moord te veel op hun kerfstok gegrift, zo ze al gevat werden en alles bekend hadden. Zodoende bleef George buiten schot, want het kon een seriemoordenaar helemaal niet schelen hoeveel hij er vermoord had. Als het hem wel kon schelen, dan was hij zelfs fier op het grote aantal. Daardoor kon George lang op de moorddadige arbeidsmarkt actief blijven. Hij bezat als het ware een geheim monopolie. Wat dat betrof: geen recessie voor de kerel. Toch deed één bepaalde moord hem de das om.

Die vlinder was er te veel aan.

Hij kwam ook niet reeksgewijs het leven van George binnenfladderen, zoals die dat gewend was van de mensen. Hij hoefde bij het mensdom maar te plukken uit een serie. Die vlinder echter was een zeldzaam eenmalig unicum. Totaal onverwacht danste hij het bestaan van de menselijke seriemoordenaar binnen. De Vanessa Atalanta Recessionista was de enige bekende volledig zwarte vlinder. Zijn vleugels vertoonden niet het minste teken van kleur of design. Zijn poeder scheen zeer gegeerd te zijn door miniatuurschilders, anesthesisten, modeontwerpers en farmaceutische specialisten. Vooral tijdens periodes van schemer en deemstering, de crisistijden van elke dag, kwam de inktzwarte vlinder tevoorschijn. Toch kon hij ook totaal onverwacht overdag opduiken, gewoonlijk als voorbode op een onweer. Het was een geheimzinnig beestje, waarover nog vele onopgeloste vragen bestonden, net zoals over motten, nacht- en monarchvlinders. Sommige onderzoekers opperden dat de zwarte vlinder een dwaalgast was. Maar waar kwam hij dan vandaan? De maan? Her en der fladderden tevens gedachten aan reïncarnatie rond. Een zwarte vlinder zou een dode toneelregisseur zijn.

George had de wondere wereld der mooie tuinen ontdekt. Zuid-Engeland, Picardië, Normandië, Vlaanderen: hij bereisde het allemaal. Niet zonder reden. Mooie tuinen trokken mooie vrouwen aan, en vlinders. Ook George, ex-fotograaf, ex-taxichauffeur, pril in ruste. Nou, rust.

Onrust dreef George naar die parels van flora. In deze biotopen werd het kabbelen van zijn bloed een kolken. Het kon zich voordoen dat wie daar (letterlijk) zijn pad kruiste, in de nabije toekomst een onaangenaam lot beschoren was. De tuinbezoeken van George betroffen studierondes annex rustige achtervolgingsscènes. Wee de goed bewaarde of mooi geweeste vrouw die een dezer lusthoven betrad: zij waagde haar leven in een dodelijk lottospel.

Op een dinsdagnamiddag zat George very English te zijn op een bank bij de Lime Walk in Sissinghurst Castle Garden. Het was eind juni. Bloemkoolbewolking bolde tegen een strakblauwe lucht op. George knabbelde van een gezond granenkoekje. Een twintigtal mensen, vooral oudere koppels, kuierden her en der over de uitgestippelde paden. Plotseling bevroor George halfweg een voedergebaar. Zijn blikken zeilden hongerig over de gazons, paadjes en perkjes. Voelde hij wat? Rook hij wat? Hij stopte de rest van het koekje in zijn mond en verliet de bank.

De vrouw die hij plotseling in het vizier kreeg, deed de adem in zijn keel stokken. Een lange zwarte jurk kon niet verhullen dat ze over een lichaam als een kathedraal beschikte. Waarom, in hemelsnaam, koos zo iemand voor zo’n verpakking? Bovenal viel ter hoogte van haar blanke borstpartij – een omgekeerde witte driehoek midden een zwarte zee van haren en textiel – de donkere vlek op. Bij het naderen (George: opzettelijk; zij: onopzettelijk) doemden geleidelijk aan de contouren van een zwarte vlinder op. Hij was volstrekt symmetrisch getatoeëerd op haar borstbeen, vlak boven haar beloftevolle verborgen broden en onder het wurgkuiltje bij haar keel, daar waar bij vele vrouwen vaak iets edelmetaalachtigs bungelt.

Om geen argwaan te wekken, sloeg seriemoordenaar George een zijpaadje in, vlak voor ze elkaar zouden kruisen. De zwarte schubvleugelige had hem van zijn stuk gebracht en bleef op zijn netvlies gebrand. Hij inhaleerde de warme lucht zo diep dat het pijn deed. Toen hij even stil bleef staan en de ogen sloot, warrelde de vlinder doorheen de donkere kamer van zijn hoofd. No design; only painted black. Hij telde 21, 22, 23 en keerde op zijn stappen terug. Ze was nog maar een tiental meter op de Lime Walk gevorderd. Haar rug vertoonde ook een grote blanke V, vlinderloos.

Toen sperde George zijn ogen in opperste verbazing: een inktzwarte vlinder bleef fladderend even boven het hoofdpad hangen, danste wat om het hoofd van de vrouw (die niks leek te merken) en streek dan op haar blanke V neer, waar hij met gespreide vleugels bleef zitten.

‘Soort zoekt soort?’ mompelde George dan half hardop, terwijl hij zijn ogen wat dichtkneep en tot op enkele meters de poedervleugelige vrouw naderde. Visioen van twee schouderbladen waarvan het vlees verwijderd was.
Visioen van twee schubvleugels op de rug van een vrouw.
Visioen van vlindervrouw met gespreide vleugels op een bord geprikt.

Volgens de indianen mocht je een wens doen wanneer je met je rechterhand een vlinder kon grijpen en die weer losliet.
Vlinders waren ook mensenzielen: er was het bekende verhaal van de Engelse regisseur die na zijn dood af en toe zijn schouwburg en zijn toneelgezelschap opnieuw bezocht in de gedaante van een vlinder.

George liet niet meer los. De zwarte vlinder evenmin.
Lime Walk. Elizabethan Tower. Moat Walk. Cottage Garden. Rose Garden. White Garden. Priest’s House. The Orchard. Nog es Lime Walk. Had de vrouw ogen op haar rug gehad, dan had zij haar moordenaar gezien: een schriel kereltje dat al twintig jaar geleden oud geworden was, herodesbaardje zuinig over kin en kaakbeen verdeeld, dunne lippen, vogelkopje, grijs, opzij geharkt haar met hitlerscheiding, likkebaardende oogjes, des winters wellicht halflange regenjas met ceintuur in een knoop ter hoogte van zijn navel.

Het was nog een poos stappen naar het parkeerterrein in Jockey Lane, Cranbrook. Toen de bloemkoolwolken van kleur veranderden en dreigende gezichten begonnen te trekken, zochten dagjesmensen en seriemoordenaars de parkeerplaatsen weer op.

George begon aan het moeilijkste deel: de achtervolging. Hij verliet de broeierigheid van het parkeerterrein in het zog van de donkergroene Vauxhall met de twee X’en in de nummerplaat – makkelijk herkenbaar. Het spitsuur was inmiddels in volle gang. Kent, The Garden of England, wemelde van de auto’s. High Street. Biddenden Road. A28. Chart Road. Ashford. Van de vele oponthouden en bumper-bumperfases maakte George gebruik om zijn bovenlijf in politieplunje te wurmen en zijn namaaklegitimatie klaar te leggen. Flishinghurst. Glassenbury. So far, so good. Blackbush Wood. Waar woonde die vlindervrouw? George laveerde zijn ouwe Primavera achter de X-factor aan, handig slalommend. Een zonnige dag was ongemerkt en vrijwel naadloos in een bewolkte valavond overgevloeid; boven Kent hing een grijs gordijn gedrapeerd dat onweer kon betekenen.

Hopelijk reed ze niet richting Dover… de boot op… alhoewel… kosten noch moeite spaarde George zich… maar met dit halve fake-uniform… verdorie… misschien moest hij er zich straks weer uit wurmen…

Waar reed dat mens verdorie naartoe? Het werd blijkbaar noch Dover, noch binnenland. Wanneer ze goed en wel richting zuiden gelanceerd was, en George haar van op een afstand moeiteloos kon volgen, verliet ze plotseling de snelweg en koos ze weer voor de richting van waaruit ze gekomen was. Op de snelweg had George haar ook vreemde bewegingen zien maken, duidelijk zichtbaar in het tegenlicht van de zakkende zon. Wuifde ze naar iemand? Danste ze mee op radiomuziek? Zat er een bij in haar auto?

Weer Blackbush Wood. Verdorie. George kreeg het op zijn heupen. Had ze misschien iets vergeten in de Castle Garden tuinen? Hier was de omgeving ideaal om… Dat had hij drie kwartier geleden al gemerkt, in omgekeerde richting.

In een opwelling deed George diverse keren na elkaar zijn lichten flikkeren, in combinatie met stevig kleven. Zijn hart bonkte; hij hapte naar extra adem en kreeg weer dat vlindergevoel in zijn buik. De Vauxhall vertraagde. Hij zag hoe de vrouw even een hand opstak. Ze had het begrepen. Even later pinkoogde ze naar links en hield stil op een uitwijk- en pechzone. George zette zijn auto vlak achter de hare. Hij klemde zijn legitimatie zo stevig in zijn handpalm dat die een snijwondje veroorzaakte. Vooraleer hij het portier weer dichtsloeg, veegde hij het bloed op het pasje aan zijn broek af en likte hij zijn hand schoon. Er kwam nog een auto oprijden. Die hield zo’n vijftig meter verder halt. George temporiseerde even. Een vrouw wandelde met een prul naar een vuilnisbak. Daarna vouwde ze op de motorkap een kaart open. George zette zich in beweging.

Alexandra keek bedenkelijk naar de lucht en besloot de Castle Garden te verlaten. Het briesje dat haar rug even aaide, kon net zo goed het verkennertje zijn van een Engels junionweer op z’n best. Het stiefzusje van zo’n appelschudder: het eerste zuchtje herfstwind, preluderend op het zwaardere zwerkwerk.
Zijkijkend merkte ze dat ze de Kameleon nog altijd in haar zog had; hij struinde nu ook weer voor de tweede keer over de Lime Walk. Het hele circuit was hij haar gevolgd. Ze voelde zijn ogen zwarte gaten branden in haar rug. Dat zag er oké uit. Hij tuinde erin, om zo te zeggen. Ze moest glimlachen om die grappige gedachte.

In de auto zorgde ze ervoor dat hij haar niet kwijtspeelde. Ter hoogte van Blackbush Wood belde ze de collega’s in hun auto op: DCS Clarke en DI’s Patton en Leary en DS Brooke. Niet de kleinste jongens. Op de snelweg wrong ze zich niet zonder moeite uit haar jurk. Een broek had ze al de hele namiddag aan; de rest volgde: het uniform van de vrouwelijke DSI.
‘De Kameleon krijgt een koekje van eigen deeg,’ flitste het bij dit manoeuvre door haar hoofd. ‘Hij zal vreemd opkijken.’
Ze beschreef de lus terug; hij volgde trouw en begon opvallend te kleven ter hoogte van Blackbush Wood. Toen knipperde hij met zijn lichten. Hij kreeg blijkbaar honger.

Achteruitkijkspiegels vormden nu de ogen op haar rug. Ze merkte dat de Kameleon even weifelde. Haar collega’s waren net de uitwijk- en pechzone opgereden. DS Brooke (in burger) ging zoals afgesproken iets in de vuilnisbak gooien en spreidde vervolgens een kaart op de motorkap open. De Kameleon leek geen onraad te bespeuren. Hij maakte nu aanstalten om op haar auto toe te stappen. Met bonzend hart en haar rechterhand op haar Automag V in de shoppingbag wachtte ze hem op. Ze opende het portier.

Zoals een oude stoomlocomotief een diepe zucht slaakte en een pluimwolk ejaculeerde, zo ontsnapte met een hevig geruis een grote klad inktzwarte vlinders uit de Vauxhall – eerst noodgedwongen langgerekt, dan als van nature samenhangend als een atoom. De turbulente compacte wolk kwam snel op George toe gefladderd.
‘Een minitornado!’ flitste het door diens hoofd. ‘Toch bijen?!’
Verbijsterd zag hij de razende bol naderen. Vlak voor die bij hem arriveerde, nam het ding de vorm aan van een reusachtige vlinder met gespreide vleugels. Georges horizon werd inktzwart. Voor hij van de verbazing was bekomen, ontfermde de vlinderwolk zich over zijn vege lijf. Hij werd letterlijk ingepakt. Zijn keel werd dichtgesnoerd. Hij voelde geen pijn, alleen poeder, alom donker poeder. Van onder tot boven werd hij overpoederd. Zijn huid staakte het ademen; zijn hart werd zwart; zijn hersenen ontploften en hij suisde in alle richtingen de kosmos in.

Duizend zwarte zielen hadden wraak genomen op seriemoordenaar George.

Alexandra en haar collega’s constateerden eensklaps hevig vuur. Vlammen zo groot als populierenkruinen dansten verzengend om de Primavera en de man heen. Ze sprongen uit hun auto’s, maar de hitte hield ze op een afstand. Alles leek vuurvleugels gekregen te hebben. Materie steeg ten hemel op en liet vormloosheid op aarde achter. Alles gebeurde pijlsnel. De man richtte zich als een grote vuurvlinder nog eenmaal op. Toen, voorafgegaan door een steekvlam en een doffe knal, ontplofte de hele zaak.

JORIS DENOO

Geschreven door Joris Denoo om 08:58 Stuur door

Lizie

LIZIE

‘ZIJ DIE DE LEGERMACHT ONTBINDT’


… en Hij hield Zijn leerlingen de volgende gelijkenis voor …

‘Hoe hoger men gaat, hoe lager men valt. Zo was er eens een mooie vrouw, die bekend raakte als De Doodmaakster, toen de feiten die daaraan voorafgingen het daglicht hadden gezien. Zij betrok bijna geheel alleen de woontoren Ra’s Qasr aan de rand van de Nizmennost-woestijn op een steenworp van de zoute zee gekend onder de naam Sabkhat. Twaalf-hoog, met uitzicht op de wandeldijk en de zee, woonde er wel nog één appartemens. Hij kwam nooit ofte nimmer naar beneden of naar buiten, maar zat ononderbroken aan het venster. Iedereen die er passeerde (en de wandeldijk kende behoorlijk veel passage) was vertrouwd met het beeld van het bovenlijf plus hoofd twaalf-hoog, dat de klok rond de wandeldijk beneden gadesloeg. Ze noemden hem Vensterman.

Om twaalf uur en om zes uur bracht de vrouw van beneden hem zijn dagelijkse kost. Op het gelijkvloerse terras, waar de vrouw woonde, stonden enkele palmboompjes in grote potten. Voor de rest was de appartementtoren onbewoond. Achteraan was, beschermd door een hoge betonnen omheining tegen het woestijnzand, een afgesloten ruimte, geplaveid met magentakleurige steen uit de Nizmennost-woestijn. Daar landden wel eens enkele harpijgieren, die zich dan te goed deden aan het lekkers dat de vrouw daar af en toe deponeerde. Links en rechts van Ra’s Qasr stonden nog enkele woonblokken en –torens, telkens gescheiden door een grote zanderige opening waar de woestijnwind vrij spel in had. Ra’s Qasr paalde dus nergens aan.

Op een dag voer de satan in Lizie Verstraete – want zo was de naam van de vrouw, die later bekend zou worden als De Doodmaakster.

Op zeer geregelde tijdstippen ging zij als een spin in haar web postvatten. Zij hield van het gefluit van de woestijnwind om de woontoren. Soms hief zij even het hoofd, alsof zij in contact stond met de halve Vensterman twaalf-hoog. Zij hield er ook van de wandelaars of toevallige voorbijgangers op de dijk met haar verrekijker te bekijken. De zoute zee Sabkhat mocht dan geen toeristische trekpleister zijn (de woestijnwinden speelden hier een bepalende rol in), toch kende de streek enige drukte. Elke dag waren er op de dijk wel joggers of dagjesmensen te bespeuren. De verrekijkster op het palmboompjesterras pikte er de mannen uit.

Soms wenkte Lizie Verstraete er eentje.
Soms ging Lizie Verstraete zelf naar de dijk toe.
En dat was nou net het werk van de satan. Aldus ging zij te werk.

‘Jongeheer? Meneer?’
‘ … ?’
‘Mag ik uw hand lezen, jongeheer, meneer?’
‘Eh… ‘
‘Het kost u niks hoor, helemaal niks. Ik geef er u nog een kopje thee bij, ginds, op mijn terras.’
‘Wablief? Nou ja… Gratis, zegt u?‘
(Variant 1: ‘Eh… ja… ‘)
(Variant 2: ‘Eh… even maar, hé.’)
(Variant 3: ‘Tja…ik… ‘)
(Variant 4: ‘Nee!’)
‘U wilt toch weten… ‘
‘Ik geloof daar… ‘
‘Maar zéker dat u daarin gelooft!’
‘Maar… ‘
‘U zult versteld staan. Kom maar even mee. Het is lekker koel op mijn terras.’
(Variant: ‘Het is lekker warm op mijn benedenverdieping.’)
En zij nam zo’n kerel fluks bij de hand en leidde hem gevankelijk mee. De mooie Lizie Verstraete, die bij zulke gelegenheden minstens de helft van haar lichaam blootgaf, had weinig moeite om mannen te strikken.

‘U heeft echt mooie handen. Draagt u ook een naam?’
‘Zegt u maar Pjotr (Charles, Robin, Ferenc, Brahim, Brian, Marc, Edwin, John, Peter, Jared). En u heet… ?’
‘Mooie naam ook. Het zijn vooral jonge handen, Pjotr. Lizie.’
‘Lizie. Mooie naam.’
‘Hou je van de zee?’
‘O ja.’
‘Hou je van de woestijn?’
‘O ja.’
‘Waarom verwondert me dat niet? Beetje wilde natuur hé? Dacht ik al. Als u een vrouw of minnares hebt, dan mag deze van geluk spreken. Ik zie… Ik zie… ‘

Lizie zag helemaal niks in de stomme handlijnen, stekeblind was ze voor magie, maar vice versa verzopen de ogen van Pjotr tussen de beweeglijke gouden duinen van de waarzegster, terwijl nu eens zijn ene dan eens zijn andere hand gestreeld en gekneed werden. Van thee was geen sprake meer. Weldra belandde zo’n hand tussen de knieën van Lizie Verstraete, de dijen, op de topjes van haar duinen.
‘Wil je niet even mee naar binnen in de koelte?’
‘Ja… ‘ deed Pjotr verloren. (Charles, Robin, Ferenc, Brahim, Brian, Marc, Edwin, John, Peter, Jared).
De mooie Lizie Verstraete gaf zich dan onmiddellijk en geheel bloot. Nadat zij het mannelijke zaad eruit had geperst en opgeslagen had ergens in haar lichaam, vroeg ze dan:
‘Hebt u de man zien zitten aan het venster op de twaalfde verdieping?’
Soms knikte de uitgetelde kerel bevestigend, soms schudde hij verbaasd van nee, soms antwoordde hij niet door uitputting, want Lizie placht wel eens het onderste uit de kan te halen.
‘Doe me een plezier: trek je kleren weer aan en ga even mee naar boven om mijn man te groeten. Dat zal hij ten zeerste waarderen. De lift is vlakbij.’
‘Je man?! Maar waarom … ’
‘Ja. Hij is verlamd aan de benen en brengt zijn dagen op panoramische hoogte door. Af en toe heeft hij wel behoefte aan een kort gesprekje. Dan breng ik eens iemand mee tot op het twaalfde. Is-ie weer tevreden.’
‘Ah… ‘
‘Vooruit: voor wat, hoort wat!’
‘Oké dan.’

Eenmaal boven maakte de kerel kort kennis met de mindervalide echtgenoot van de waarzegster. In de cederhouten armleuning van zijn rolwagen kerfde die dan met een keukenmes een streepje bij de rest. Terwijl de bezoeker ietwat verbaasd toekeek daarop, nodigde Lizie hem uit om de rolwagen van haar man tot op het achterste balkon te duwen.
‘Dan heeft mijn man eens een zicht over de woestijn. Dat wil hij elke dag wel een keer. Maar dat ding is zo stug te bewegen, hier komen zo weinig bezoekers, ik heb niet genoeg kracht in mijn armen… en voel me uitgeput ook,’ zei ze samenzweerderig, terwijl ze veelbetekenend in de ogen keek van hij waarmee ze daarnet de liefde bedreven had.
De bezoeker, onmiddellijk bereid tot deze kleine goede daad, reed het wagentje tot op het balkon, gevolgd door de vrouw, die intussen het keukenmes van haar man overgenomen had.

‘Prachtig… ! ‘ hadden Pjotr, Charles, Robin, Ferenc, Brahim, Brian, Marc, Edwin, John, Peter, Jared uitgeroepen.
Daarop plofte Lizie Verstraete hun het mes in de rug, wrikte het er met de hulp van de rechterhand van haar man enkele keren in heen-en-weer en opnieuw uit, en gaf de bezoeker dan een stevige duw, alweer met de hulp van haar man. Het slachtoffer kukelde over de lage balustrade van het balkon en stortte beneden te pletter op de restanten van zijn voorgangers. Het duurde telkens niet lang voor de harpijgieren hun weg naar het magentakleurige achterplaatsje vonden.
‘Zo,’ zei Vensterman dan.
‘Zo,’ zei De Doodmaakster dan.
Zij reed haar echtgenoot terug naar het venster aan de voorkant, waste het mes af en legde het weer binnen zijn handbereik.
‘Nog iets nodig?’
‘Nee schat.’
‘Ik breng je straks wat te eten. Chili con carne, is dat goed?’
‘Dat is goed, schat. Het vlees wil ook wat.’

Toen de verdenkingen tegen Lizie Verstraete zich begonnen op te stapelen, zoals ook de lijken zich op het binnenplaatsje opstapelden, duwde zij op een avond eerst haar man over de balustrade van het achterbalkon en vervolgens sprong zij zelf. Zij landde zacht, maar dodelijk. Zij viel op Pjotr, Charles, Robin, Ferenc, Brahim, Brian, Marc, Edwin, John, Peter en Jared. Of wat daar nog voor doorging. Dit geschiedde op de Dertiende Avond van de Fluitende Woestijnwind. Zo zie je maar: hoe hoger men gaat, hoe lager men valt,’

… besloot Hij Zijn gelijkenis. En allen gingen tevreden heen …

JORIS DENOO

Geschreven door Joris Denoo om 10:51 Stuur door

Het varkensei

HET VARKENSEI

 

‘En nog een prettige verderzetting van de dag,’ zei de pakjesbezorger. Sandie nam de doos in ontvangst en keek de man onderzoekend aan. Ze verdacht hem ervan de orders tot vriendelijkheid en beleefdheid in het kader van het charmeoffensief van de Nationale Posterijen (voorheen: Pesterijen, omwille van de vele stakingen en gebrekkige bedelingen) tot in het absurde toe te passen. Ofwel had de man calvinistische Hollanders in zijn familie.
‘U ook, Hoogheid,’ mompelde Sandie dan, op goed geluk, maar de kerel was alweer op weg naar zijn bestelwagen.
Het was een grote kartonnen doos die weinig woog, met lastige linten plakband eromheen. Er kwam een schilmesje aan te pas. Eindelijk waren de ingewanden zichtbaar: drie grote bruine proppen stug pakpapier camoufleerden en pamperden een varkensei.
‘Eindelijk,’ zei Sandie tegen zichzelf. ‘Eindelijk.’
Ze plukte het varkensei van tussen de proppen en deponeerde het voorzichtig op tafel.
‘Ma!’ riep ze. ‘Ma! Het varkensei is gearriveerd!’
Er klonk wat gestommel boven; even later daalde ma de trap af.
‘Is het varkensei er echt?’
‘Het is er, ma, eindelijk! Kijk maar.’
‘O!’
Ma aaide het varkensei even.
‘Neem het maar vast.’
‘Zou ik?’
‘Doe maar. Het lukt je wel.’
‘Ik durf niet goed.’
‘Ik blijf naast je staan. En het weegt bijna niks.’
‘Vooruit dan maar.’
Voorzichtig strekte ma haar handen naar het varkensei uit. Net toen ze het wintig centimeter opgetild had, rinkelde de deurbel hard en lang.

Pats.

‘Nee!!’
‘Maar ma toch!!’
‘Oei oei oei… !!’
‘Wacht. Ik kijk eerst wie… ‘

Sandie snelde naar de deur. Het was de pakjesbezorger weer.
‘Verschoning, maar ik vergat uw handtekening te vragen, mevrouw.’
‘Hebt u met de doos geschud, meneer?’ vroeg ze scherp.
‘Eh?’
‘Komt u even mee naar binnen a.u.b.’
‘Maar… ‘
‘Kom!’

JORIS DENOO

Geschreven door Joris Denoo om 09:18 Stuur door

Met name

MET NAME

Jan Peruwelz kon het ook niet helpen dat hij zo heette. Liever had hij Jean Liedekerke geheten. Of Ben Vos. Sommigen waren echte gelukzakken op dat vlak.

Doeschka Peper bijvoorbeeld was best tevreden met haar namen. Boudewijn Decraene simpelweg ook.

Maar nu ter zake.

Zulma Stinckens fietste naar huis op het pad langsheen de Leie. In enkele boomstammen boven op de verhoogde berm naast het water waren harten gekerfd. Ze kende die al vanbuiten. A/R. Rik en Petra. L & B. Justine love. Een K midden in drie harten. Er kwam een tegenligger aangefietst. Zo’n kleurrijke wielertoerist die met hoge snelheid van zichzelf wegfietste, ook al was de aardbol rond en kwam hij zichzelf toch weer tegen. Misschien omdat hij Dick Proot heette?

Maar nu ter zake.

Was het het lage scherpe zonlicht van die valavond in november? De afleiding door die boomharten gecombineerd met hoge tegenliggende snelheid? Hoe kwam die hardhandige verstrengeling tot stand? Wie zag klaar in dit kluwen? Deze plotse copulatie tussen een elektrische gazelle en een racefiets met een frame van carbon? Wie ontwarde Zulma Proot en Dick Stinckens?

Twee minuten na de frontale botsing bereikte Jan Peruwelz de plaats des onheils. Achter op zijn tandem zat Doeschka Peper. Ze vlijden ijlings hun gevaarte tegen de bermhelling neer. Het stilleven van twee lichamen op de grond omarmd door de chaostheorie was immers verontrustend. Bij het afstappen viel Doeschka’s portefeuille op de grond, waarbij een foto van Ben Vos met ontbloot bovenlijf tevoorschijn piepte.

Verder ter zake.

Met name advocaat Boudewijn Decraene regelde de scheiding.
Met name begrafenisondernemer Jean Liedekerke zorgde voor een waardige afscheidsdienst van wielertoerist Dick Proot.
Pas twee jaar later, na haar revalidatie, kocht Zulma Stinckens een nieuwe fiets.
Zonder elektriciteit. 

JORIS DENOO

Geschreven door Joris Denoo om 09:38 Stuur door

DT

(DE VERBORGEN GESCHIEDENIS VAN) DT

(Afrekening met personages)

De informatica was al zo specialistisch en oververhit geworden, dat de Secret Service terug wenste te grijpen naar het ouderwetse geheimschrift op papier. Walerik Decadt werd daarvoor aangesproken. Hij was namelijk de perfecte incarnatie van de stille, die ook de helft van zijn leven besteedde aan lezen. Hij vormde een combinatie van stugge NIMBY (Not In My Backyard), verstrooide WILF? (What Was I Looking For?), metroseksuele huismus die tot ‘s middags in kamerjassen rond baggerde, bedenkelijke vrijgezel met gealcoholiseerde levenswandel, kortom: de doctorandus die wel eens in een rondborstig huwelijk verzeilen en verzanden kon – alle ideale dekmantels. Dit alles deed zich namelijk voor in de perceptie van Gestudeerde Jan en Housecooking Sally, de mensheid gedeeld door men, zeg maar.

Want veruit niets van dat alles was minder waar (: een zin als een geheimschrift op zichzelf). Walerik Decadt (die in gesprekken met toogfilosofen zichzelf een religeus noemde) zat totaal anders ineen. Maar dat wist bijna niemand. Dat mocht ook niemand weten. W.D. was een perfecte kameleon.

Hij kreeg van de SS (kunnen we ook niet helpen) drie dagen om het cryptisch schrift op poten te zetten. Walerik draalde niet en koos na enig prakkiseren voor een beproefd procedé. Iets dat pakweg het komende decennium altijd beschikbaar zou blijven, maar anderzijds toch niet meer de gillende tophitlijsten aanvoerde. Een boek. Een longseller, uiteraard. In elke bieb beschikbaar, zeker weten. In het Nederlands verkrijgbaar, dat stugge taaltje van de Lage Landen. Maar dat hoefde niet. Het speelde geen rol. Engels kon ook. Pakweg Duits. Lets. Zweeds. Dat boek was wereldwijd in een twintigtal vertalingen vlot verkrijgbaar. Boeken verzachtten de zeden van de harde spionagewereld. In de goede oude traditie van The Russia House en Connery/Barley.

Geheimagent W.D., codenaam Anaconda, was na vijfendertig koppen koffie tevreden over zijn keuze. Vooral de lengte (in de ogen van slechte lezers: dikte) en het onderwerp vielen mee. Alleen de titel van het boek stond hem tegen. Die klonk eigenlijk te geheime-dienstachtig. Maar anderzijds betrof het dan ook weer geen idioot opgeschreven detectiveboek met een simpel op te lossen moord, door de auteur van achteren naar voren geschreven, bulkend van de bladvullende dialogen en onnodige omwegjes, God beware hem. De butler, de buur, weet je wel. Bij nader inzien werkte de titel ook wel symbolisch. Anaconda en zijn collega’s konden er al hun geheime boodschappen in kwijt. Op de lettervoorraad in het boek konden honderden systemen en codes geënt of gerasterd worden, ongeacht de taal waarin de fictie bedreven en beschreven was.

Walerik Decadt bedacht ook enkele scenario’s om medespionnen in te lichten:
• U hebt een DT-probleem ( … en dat sloeg ook ietwat op DecaDT… );
• Ga naar de boekhouder;
• Het nieuwe pak is gearriveerd;
• De duif valt.

Dat was het sein voor betrokkene om op zoek te gaan naar het boek. Dat kon zich in een bibliotheek bevinden, waar Anaconda of een andere handlanger het in de leeszaal reeds hadden bewerkt. Hier speelde uiteraard altijd het risico van ‘vreemde’ ontlening. Gelukkig beschikten de grotere biebs over twee à drie exemplaren, omdat het verhaal zo’n succes had gekend. Het kon ook zijn dat het boek ergens gereedlag, eventueel rechtstreeks aan de bestemmeling gericht. Of het werd via de post verzonden – simpel als een duif. Er werd altijd voor een back-upexemplaar gezorgd in de gerechtelijke gebouwen, enfin: in het huis er vlak naast.

Heidi Hertekamp dwaalde rond in de gemeentelijke bibliotheek Coyghem. Ze had nog exact één maand de tijd om zich de vernieuwde spelling eigen te maken. Die deadline was er omdat ze zich ingeschreven had voor de provinciale preselecties van wedstrijddictees, als aanloop tot een nationaal dictee in het parlement dat door de televisie zou worden uitgezonden. Heidi Hertekamp, fulltime jonge vrijster, was sterk voor spelling. Die Thee was kinderspel voor haar.

Nergens anders trof je meer spellingfouten aan dan in zo’n bieb: 99 % van de boeken was immers in een voorgaande of een van de oudere spellingen geschreven. Alleen de recentste boeken probeerden up-to-date te zijn, als de schrijver/uitgever zich tenminste al hadden bekeerd tot de nieuwste spelling. Het was dus een gevaarlijke omgeving voor Heidi Hertekamp. Ze kon gecontamineerd raken door foutieve woordbeelden. Toch was ze op zoek naar ontspannende lectuur: de waanzin van het spellingblokken had haar in zijn greep. Tijd voor ontsnapping, zoals kleurenschilders even in zwartgeverfde spiegels plachten te staren om te bekomen van kleuren.

Ze fronste dan ook hoogst verbaasd haar wenkbrauwen toen ze in een bekende, lijvige turf hier en daar letters en woorden met potlood onderstreept zag die helemaal niet foutief waren. Zelfs nu niet, anno 20XX. Was hier een idiote kommaneuker aan het werk geweest? Benieuwd naar deze waanzin nam Heidi het boek mee naar huis.
Ze geraakte echter nooit thuis.

‘Getverderrie,’ mompelde X. Hij zat met een DT-probleem. Toen hij de bieb binnenkwam en via de boekenruggen C-D op het leeszaaltje in boekerij
Coyghem afstevende, merkte hij dat hét boek (en enige exemplaar) reeds door iemand anders uit de rekken was gehaald. De vrouw bladerde vrij lang en nieuwsgierig door de bladzijden. X zag het onheil naderen: ze stapte godverongelukt met het boek naar de uitleenbalie. Er zat niets anders op dan haar te volgen.

Walerik Decadt maakte in ’t Laurentiushuis zijn zesde Rodenbach soldaat. Omdat het begon te regenen en hij bovendien in zijn jaszak nog muntgeld aantrof, dronk hij nog een zevende godendrankje.
‘Laat maar zitten,’ gebaarde patron Lionel. Dat werden er dus even later acht.

Een inktzwarte Saab naderde de deelgemeente Kooigem met grote snelheid. Hij rondde de bocht even voor het dorp en vlamde rechtdoor, voorbij de kerk. Daar stak net een kerel eerder moeizaam de straat over, komende uit ‘t Laurentiushuis. Een vrouw met een boek onder de arm keek om van boven haar net geopende autoportier. Een tweede man op het trottoir aan de overkant wiekte afwerend met zijn armen. De inktzwarte Saab verslond ze alle drie: eerst de overstekende kerel, dan de vrouw met het boek, daarna de man op het trottoir.

Ikzelf, schrijver dezes, was de dader. Ik zag mijn personages namelijk niet meer zitten en reed ze daarom egwoonwge in de vreneilnig. Het is verder aan de lezer om et rdaen nara ed ttile avn eht bkoe. Het kan ook zijn adt idt allse ni odpratch egbuedre avn ed Screet Srevcie. Nseit si nmaleijk awt eth ljkit.

JORIS DENOO

Geschreven door Joris Denoo om 09:42 Stuur door

Meer van VRESELIJKE VERHALEN

↑ Terug naar de berichten