Stok
STOK
(EEN PUNTIG VERHAAL)
Ik had zelfs niet eens laveloos gezopen toen ik die zomeravond begin juli van een barkruk kukelde en mijn rechterbeen op twee plaatsen brak. Ook die verdomde trottoirband vlakbij deed me geen deugd. (We zaten immers buiten aan De Woede der Noormannen, onze stamkroeg).
Ik slaagde er nog in mijn auto te bereiken even verderop en naar huis te rijden. Een mens in nood is tot mirakels in staat. Zelfs thuis de trap op naar mijn bedstee kon nog, maar dan wel als een baviaan. Enkele uren onrustige woelslaap stelden het verdict uit. Ik werd wakker met diverse beperkingen.
De rest van mijn dagen zie ik de wereld ietwat meer in beweging dan voorheen. Het is echter niet de wereld die meer beweegt. Ik ben het. Ik mank. En ik lijk te blijven manken, na lange fases van gips, krukken en een stok. Ik vrees dat ik als gewoon loper afgedaan heb. Ik voeg me bij het leger der mensen met een beperking. Mijn kinderen noemen me soms ‘puntkomma’. Ik laat dit aan uw taalkundig-ritmische verbeelding over. Je hoeft alleen maar te luisteren.
Stokoud.
Een stok wordt dus met ouderdom geassocieerd.
Toen ik een tijdlang een stok gebruikte om te stappen, merkte ik dat vooral kinderen me anders bekeken. Ikzelf was er vroeger ook bang voor, toen ik nog een uk was: voor die combinatie van grote mens plus stok. Driebenige wezens straalden dreiging uit. Die stok wees niet alleen op hun gebrek (god weet wat ze hadden uitgespookt om dat gebrek te verwerven!), maar ze konden met dat ding ook uithalen en slaan. Die ouwe Gusta uit het Visstraatje bijvoorbeeld plantte bij elke vermaledijde stap die ze op deze planeet zette de punt van haar stok pal voor haar scheve rechterpoot. Die trefzekerheid was op zich al verdacht en bedreigend. Bovendien staken haar voeten altijd in pantoffels. Ook buiten. Misschien was ze een seriemoordenares.
Stokheer.
Een woord van troost voor de verstokten.
Een stok kan ook hoge cultuur betekenen en wijzen op een flamboyante levensstijl. De agrarische schrijver Stijn Streuvels was lid van de Avelgemse stokheren: een zootje dat van zichzelf vond dat ze de betere middenstand waren. En beschikte de Vlaamse oud-beroepsmilitair/dichter Hugues C. Pernath ook niet over een wandelstok uit diens fraaien kop hij middels een schroefdop op tijd en stond een neutje nuttigde?
Halfstok.
Een mens die zich noodgedwongen met behulp van een stok voortbeweegt, hangt halfstok. Hoe dan ook valt een zekere droefenis niet te ontkennen, hoe sympa en schrijverig zo’n stok er ook uit mag zien.
Stokvis? Geen geleuter.
Eierstokken. Vaak meervoud. Zoals kinderen en hoenderen.
House M.D.? Het bekende stokpersonage uit de zoveelste gelijknamige ziekenhuisserie? Laten we de tv maar voor wat hij is.
Ik had Johan & Cie (zijnde zijn tweede gezin: verse vrouw annex grote kinderen aan ook andere lendenen dan de zijne ontsproten) al een tijdlang niet meer gezien. Hij was na zijn scheiding verhuisd naar een middelgrote binnenlandse stad en frequenteerde daardoor minder dan vroeger De Woede der Noormannen, van oudsher onze stamkroeg in Ҫeule-sur-Heulbecq, deelgemeente van Kwatricq. Ons wederzijds enthousiasme bolde die zomeravond begin juli dus wat extra op. Vroeger hadden we wel al eens verbonden gesloten: we bekokstoofden samen openbare fratsen (de zogenaamde ‘stoten’) ter gelegenheid van het jaarlijkse dorpsfeest en we leukten lange tijd elke donderdagavond (zegge en schrijve: nacht) onze stamkroeg op. We publiceerden zelfs een hilarisch boek over onze biotoop en de Ҫeulenaars: ik leverde de hoogst onnozele teksten, hij tekende voor holbewonerachtige illustraties.
Een blij weerzien dus. Maar ik hield er een dubbele beenbreuk en een waggelgangetje aan over. Ik kukelde pardoes van die kruk. Mijn rechterbeen werd een hefboom, maar die kon mijn vege lijf niet torsen in deze houding. Bijna iedereen was toen weer aan de toog gaan plakken. Alleen Jean-Pierre kon me helpen, een vaste klant van De Woede der Noormannen, die sedert de betutteling van politiekers buiten op het trottoir moest gaan roken. Hij hielp me op een gewone stoel op het trottoir en bezwoer me niet zelf meer naar huis te rijden. Toen hij even ging plassen, deed ik dat toch, want niet de drank had me overmand. Ik had een eenmalige aanval van epilepsie gehad.
Terwijl ik juli en augustus horizontaal en strak ingegipst thuis doorbracht, ontsproten aan mijn brein en laptop twee avondvullende toneelstukken. Een over bloeddoping in de wielrennerij en het reilen en zeilen in een hotel, een over teambuilding en slecht leiderschap.
‘Puur winst uit je verlies,’ dacht ik. ‘Vergeet de vakantielanden en de stranden en ga thuis aan de slag, comfortabel liggend voor een scherm met vele zenders, mocht het al aan inspiratie ontbreken.’
Aldus geschiedde.
Het werd voorwaar nog een mooie zomer. Ik verlangde zelfs niet eens naar bezoek, tenzij men chocolade of whisky mee zou brengen. Ik leerde mijn krukken voor veel andere doeleinden gebruiken. Ik opende en sloot er de overgordijnen mee. Ik sloeg er eind augustus de druiven mee af die welig langsheen de muur maar net buiten mijn lichamelijke reikwijdte tierden. Ik bediende er de knoppen mee van de afstandsbediening die onveranderlijk buiten mijn onmiddellijke bereik rondslingerde. Ik hengelde ermee naar allerlei voorwerpen. Kortom: die hulpstukken betekenden een echte hulp.
Medio juli liet ik me door een van mijn dochters in de auto naar een kruidenierszaak brengen, waar ze twee repen chocolade kocht die ik stante pede in de auto verorberde. Medio augustus kwam een bevriend koppel me een peperdure fles whisky toeleveren in ruil voor een boek over de wereldbekende wielrenner Merckx, dat ik in opdracht van de uitgeverij geredigeerd had. Het waren twee hoogtepunten in mijn gipszomer, en ik kon er voldoende tevredenheid uit putten. Mijn beide theaterstukken werden ook prompt geregistreerd en uitgegeven door mijn theaterbureau en literair agent in de grote stad Antwork. Winst! Winst! Break a leg!
En zie. Voorwaar.
Begin september kon ik mijn krukken weer inleveren. Een stok zou alsnog volstaan. Ik vloog zelfs even later met mijn vrouw en zoon naar Turkije, voor een week vakantie tussen de Russische toeristen. De stok bood me overal voorrang in het poepchique hotel Rixos. Ik las er voor de derde keer een biografie over Dylan Thomas, schreef er een verhaal over Dylan Thomas en dronk er een aardig stukje weg in de richting van Dylan Thomas.
Terug thuis kon ik zonder noemenswaardige hindernissen mijn taken opnemen, hoewel de stok een noodzaak bleef. Ik veroverde een privéparkeerplaats vlak bij de toegang tot de hogeschool waar ik letterkunde en taal doceerde. Ik gebruikte uitsluitend de lift. Ik kon hinkend te vroeg of te laat ergens toekomen. Ondertussen ondervond ik ook de beperkingen die mensen met een beperking in openbare gebouwen ondervinden. Zij worden daardoor dubbel beperkt. Veel gebouwen werken niet echt mee in dat verband.
Begin november liet ik meestal mijn stok in de auto achter. Ik had van de specialistische traumatoloog een dubieus verdict gekregen. Goed en slecht nieuws, dat eender luidde: je hoeft niet geopereerd te worden/een operatie in fases ware misschien wel aangewezen/de slaagkans is gezien uw leeftijd een vraagteken/ik zal dus niet opereren//
De herfst kwam dus in het teken van kinesitherapie, lymfedrainage en steunzolen te staan. Terwijl het gebladerte der ouwe soldaten over straten en pleinen warrelde, krulde ik om de twee avonden als een vraagteken van pijn op de tafel bij Claude M., een kneder met de handen van een dokwerker ten tijde van de Boelwerf.
Nadat de nepfeesten van Halloween, Sint-Maarten en Sint-Niklaas achter de rug waren, en er geen verse mirakels gebeurd waren, en we een halfjaar verder op de kalender waren, informeerden steeds minder mensen naar de stand van manke zaken. Ik was dus zoetjesaan ingelijfd in het leger der mankepoten. En ik kon ook naar believen met mijn stok jongleren, zonder dat daar nog breukgedachten aan verbonden werden.
(Ik had er me altijd al over verwonderd hoe snel nieuws slijt en hoe slecht het geheugen van veel mensen werkt. In die tijd bijvoorbeeld verhuisde zesvoudige moordenaar Freddy Horion van gevangenis: hij verruilde Brugge voor Hasselt. In de berichtgeving was het van ‘meneer’ Horion. Godverdomme: ook na jaren verdient zo’n sujet toch dat ‘meneer’ niet? Analoge en andere voorbeelden legio!)
Ik had me ondertussen een hulpstok eerste categorie aangeschaft voor de ronde som van € 150. De ‘oude’ stok verhuisde naar de afdeling ‘Noodlottigheden’.
Hoe het nieuwe ding er niet uitzag?
Vurige vlammen die eromheen likten. (Te veel House M.D., zie televisie)
Een slang die zich kronkelend een weg naar de handgreep baande. (Ook alweer een te medicinaal cliché).
Een leeuwenkop als handgreep. (Te voorspelbaar).
Hoe dan wel?
Mijn steun en toeverlaat in manke dagen was vervaardigd uit azobéhout, oorspronkelijk chocoladebruin, maar ‘à la vintage’ aan het vergrijzen. De handgreep was een purperrood gekleurde bescheiden berenklauw. Ik had het gevoel hand in hand met een beer te lopen. In die handgreep zat een kokertje waarin ik mijn dagelijkse portie pastilles mee kon nemen: om hooikoorts voor te zijn, om mijn bloed te zuiveren, om gezond en rustig te blijven. Het uiteinde van dit hulpstuk zag er niet ziekelijk uit. Wel sportief. Hij kon wedijveren met bergstokken en de poles die bij nordic walking worden gebruikt.
Het Rattenkasteel was een mooie gastronomische biotoop net aan de periferie van deelgemeente Ҫeule-sur-Heulbecq. Zelfs in het nabijgelegen chique Kwatricq hadden ze zoiets niet. Het Rattenkasteel was omwald en bebost. Het lag op een boogschot van het dorpscentrum, met zijn bloeiende cafés, warenhuisjes en pitazaken.
In de herfst en de winter afficheerde Het Rattenkasteel een zestal palingfestivals op vrijdagavond. Reserveren gewenst.
Op een avond in De Woede der Noormannen kregen Anje, Heloïse (twee vrouwelijke stamgasten) en ikzelf een palingdroom. We zouden ons gedrieën inschrijven voor zo’n vrijdagavond, eind november. Aldus geschiedde.
Die bewuste avond had ik eerst nog een afspraak bij kinesist Claude. Om de pijn van de behandeling te verbijten, dronk ik alvast bij voorbaat twee volwassen glazen whisky. Gesterkt door die hemelse nectar en het palingvooruitzicht strekte ik me op de marteltafel uit. Ik had geluk: Claude moest die avond nog uitrukken voor een patiënt. De foltering duurde iets korter dan gewoonlijk. In een opperbeste stemming verliet ik de kneed- en masseercatacomben van Claude M. Ik ging me thuis wat opfrissen, trok verse kousen aan en dronk nog een whisky om wat open te bloeien: ik vermoedde dat er veel volk op het palingfestival zou arriveren en wapende me daarom nog even met wat babbelwater. Ik was namelijk geen kampioen in begroetingen en wiewedaarhebben’s. Vervolgens reed ik, vergezeld van mijn nieuwe stok, naar Het Rattenkasteel. Daar had ik met Anje en Heloïse afgesproken om kwart voor acht in de bar.
Het was guur maar gezellig weer. De laatste lichting bladeren verliet in okeren sneeuwbuien de boomkruinen. Omdat ik niet al te stipt wou arriveren en me wou oefenen in het beleefde te laat komen, stuurde ik mijn auto via een ommetje eerst nog even naar café De Raaf. Op tien minuten zou het niet aankomen. Mijn nieuwe stok liet ik in de auto; een vorige versie had de laatste tijd al genoeg het gespreksonderwerp bepaald.
Ondertussen was de wind tot storm aangewakkerd. Het autoportier werd er bijna afgerukt toen ik het met mijn goede been verder open stompte teneinde me uit de auto te hijsen. Mijn rechterbeen functioneerde nog verre van normaal.
Freddy en vriend (een zachte jongen uit Bulgarije) verwelkomden me hartelijk en blij. Er waren drie vroege avondklanten. Het waren de laatste weken van café De Raaf.
‘Je houdt het binnenkort voor bekeken?’
Freddy knikte: ‘36 jaar, maar nu is het sop de kolen niet meer waard. Een nul-operatie. We kochten een ‘gesloten’ burgerhuis in het centrum van Ҫeule-sur-Heulebecq. We hebben ook nog een appartementje in Bulgarije. Ik ga nog wat kleren voor de mensen ontwerpen.’
Ik dronk twee glazen bier hoog in de versnelling, terwijl iedereen het alweer over dat rookverbod in de cafés had. We rookten alle vijf om ter hardst; alleen patron Freddy was niet nicotineverslaafd. Gezelligheid sloeg op korte tijd zo stevig toe dat ik het bijna jammer vond dat ik in een zee van volk paling zou gaan verorberen. Ongetwijfeld zou Het Rattenkasteel barsten van de fijnproevers. Zoals gewoonlijk werd ik alweer door volksvrees beslopen, die groeide naarmate het tijdstip der afspraak naderde. Een kwiek afscheidsglas aangeboden door Freddy zelf kon ik natuurlijk niet afslaan. Misschien hielp dat. Wie weet was dit mijn laatste visite aan De Raaf.
Terug in de auto en onderweg naar het palingfestival schrok ik me in de eerste bocht die ik nam een bult door een hevige dreun vlakbij. Ik gooide mijn voet op de rem, verbeet de pijn en kwam slingerend tot stilstand. Het was die vermaledijde stok, godbetert. Hij was van de passagiersplaats gegleden en had met de handgreep een flinke klop tegen het portier veroorzaakt. Beeldde ik me in dat ik hierbij wat fluitend gesis hoorde? Vloekend zette ik me weer in beweging, me gelukkig prijzend dat er geen achter- of tegenliggers waren.
Tussen de bomen langsheen de omwalling en rond Het Rattenkasteel flonkerden lampen en lichten. Ze zwiepten dronken in de stormwind. Een festival van paling verdient voorwaar ook zijn festijn van licht.
Ik griste mijn bewusteloze stok van tussen de zetel en het portier en haastte me naar binnen, een halfuur te laat. Alomtegenwoordig geroezemoes wolkte me tegemoet. Ik las van de gezichten van Anje en Heloïse af dat ze mijn verlate entree niet fijn vonden. Ze zaten namelijk niet aan de bar (die blijkbaar niet in gebruik was), maar aan het meest centrale tafeltje in de zaak. De lege zitplaats leek te schateren en ieders aandacht te trekken.
‘Sorry… kinesist… ‘ mompelde ik, enkele luchtkussen wisselend. Gelukkig werd hun aandacht wat afgeleid door mijn azobéhouten stok, die ze wel mooi vonden. Ik ging naast Anje zitten, waar bestek gereedlag. Heloïse zat tegenover haar.
‘Echt schrijverachtig,’ klonk het leukste oordeel.
‘En waar is de oude?’
‘In het haardvuur. Hij heeft zwetend en sissend de geest gegeven.’
‘Is dat een klauwtje? Hoe aardig! Mag ik es voelen?’
‘Een berenklauwtje, ja. Misschien slijp ik er onderaan nog een punt aan, om mee te schrijven, of om scampi’s en gamba’s aan te prikken op recepties. Geef beer es een handje.’
Ik jongleerde wat met mijn chocoladebruine vergrijzende aanwinst.
‘Ha ha.’
‘Opzitten en pootje geven. Straks komt de vis.’
‘Allez: tijd voor paling.’
Die chique stok wou echter helemaal niet tegen de tafel geleund blijven staan en kletterde voortdurend om. Negen belendende palingeters voerden daardoor gelijktijdig identieke hoofdbewegingen uit. Ik legde het stugge ding na vier keer dan maar onder de tafel. Pas daarna verkende ik glurend de omgeving. Gelukkig bestond Het Rattenkasteel uit diverse niveaus, zaaltjes, hoeken en kanten. Wijzelf zaten centraal, maar toch ook dicht bij de inkomhal en toiletten. Iedereen moest ons dus wel voortdurend passeren, maar we zaten niet echt in het vizier van de grotere ruimtes. Opgelucht nipte ik van mijn ‘maison’.
De landmeter, zijn vrouw en diens gezelschap, familie van de uitbaters, troonden op een voutenverdiepinkje. Ze deinden ietwat op en neer in mijn vizier toen ik ze gezamenlijk wat toewuifde ten teken van groet en herkenning. In de verte zag ik ook Mick en Pia zitten, die een bloeiende groenten-en-fruitzaak dreven in het centrum van Ҫeule-sur-Heulbecq. Hoe meer ik om me heen keek, hoe meer bekende dorpsgezichten ik ontwaarde in hoeken en kanten. Er was naast het palingfestival nog een ander feest aan de gang. Het Rattenkasteel was er groot genoeg voor.
Eerst was er bouillabaisse. Een goede zet.
Ik duwde met mijn goede voet mijn stok wat opzij, waardoor Heloïse even opkeek.
‘Sorry.’
‘Ik dacht: wat voel ik daar nu?’
Anje keek me even onderzoekend aan. Toen knikte ze begrijpend:
‘Ah, de berenstok. Ligt hij niet in de weg?’
‘Het is een zaak te gronde,’ sprak ik. ‘Hij ligt daar goed.’
‘Oh!’ deed Anje dan.
‘Ah!’ bevestigde Heloïse.
‘Anders moet ik er voortdurend uitleg bij geven. Het halve dorp heeft me de afgelopen weken al zien hinken.’
De heer en mevrouw dokter Brandt kwamen eraan, toch een opvallend uurtje te laat. Langzaam evolueerden ze door het complex, zegezeker op weg naar hun gereserveerde plaatsen. Opzij, opzij: paling voor de medicijnman!
‘Hij heeft nog consultaties gehad, zeker?’
‘Ja, een docteur is nooit… ‘
Er volgde nog een derde persoon als een aanhangwagentje. Die had zijn halflange grijze haar in een krulstaartje en groette veel minzamer dan dokter Jef Brandt zelf, die zich al lang geoefend had in een passeergrijns die als begroeting door kon gaan. Log bewogen ze doorheen mijn kijkveld.
‘Ze komen ook paling eten.’
‘Dat, Heloïse, is een volstrekt overbodige mededeling,’ wees ik haar streng terecht. ‘Je bête idolatrie voor het beroep van huisarts ofte geneesheer moet gegispt worden!’
‘O, krijg ik van de stok?’
‘Pas maar op voor the claw!’
‘Kijk, die klaploper is er ook weer bij, die Luc.’
‘Ja, een vriend des huizes. De dokter heeft graag een hielenlikker in zijn zog.’
‘Het schijnt dat die daar elk weekend zit.’
‘Of heeft hij niet genoeg aan zijn madame misschien?’
‘Oei oei oei… ‘
‘Hi hi hi… ‘
Ik vermoedde dat Anje naar Heloïse benen probeerde te schoppen, want ik hoorde mijn stok verschuiven.
Ondertussen begon ik aan mijn tweede portie bouillabaisse; mijn beide tafeldames wimpelden de kelnerin af. Een verse kelnerin kwam er alras aan.
‘Het wemelt hier van de kelnerinnen,’ glimlachte ik.
De drie dames keken me even verbaasd aan.
‘Wat drinken jullie bij de paling? Er is gebakken paling, à la provençale en in ’t groen. Met frietjes.’
‘Zullen we dan maar voor wit gaan?’ stelde ik voor. ‘Wit is altijd schoon.’
‘Witte wijn? In orde.’
‘Voor mij bubbels, niet plat,’ zei Anje.
‘In orde, mevrouw.’
Ik lepelde mijn bouillabaisse verder op. Even later deponeerde men een goedgevuld glas witte wijn voor mij neer. Mijn gezichtsveld begon kleiner te worden; ik gluurde al minder om mij heen en zag ook niet langer diverse kelnerinnen komen aanrukken.
Er verstreek weinig tijd tussen de gangen door. Plotseling werden drie dampende potten paling op onze tafel neergepoot: gebakken, in ’t groen, provençaals. De frites volgden onmiddellijk daarop.
‘Hier zit voorwaar tempo in,’ zei ik.
‘Ja, ze zijn hier rap.’
Een minuut lang hevelden we diverse potten naar elkaar over. Toen de carrousel stilviel, vielen we op de waterlekkernij aan.
Ondertussen hield ik met mijn voet af en toe even contact met mijn stok op de grond. Anje en Heloïse waren wel vaker te vinden voor een frats of een grap. Je wist maar nooit met ze. Het was ook het openbare debuutoptreden van mijn hulpstuk. Alles moest naar wens verlopen.
‘Ik vind dat ik mijn nagelnieuwe stok onheus bejegen,’ zei ik. ‘Door hem zomaar onder tafel op de grond te deponeren.’
‘Ja, hij verdient meer.’
De small talk werd verder vooral bepaald door de palingvariëteiten en de heen en weer passerende mensen op weg naar de toiletten of het rokersafdakje. Ik luisterde verstrooid naar de vrouwenpraat van Anje en Heloïse en genoot ervan. Misschien moest ik me nog meer oefenen in het spreken via automatische piloot.
Het tempo van de bediening bleef hoog. We kregen al heel vlug een tweede voer paling voorgeschoteld en zeer geregeld kwam men ook naar de stand van de wijn informeren. Ondertussen was ook Anje op de witte wijn overgeschakeld.
Mijn volksvrees nam zienderogen af. Ik had al een keer ‘Wie we daar hebben’ gezegd en minstens twee vijanden uitbundig begroet. De wereld was goed; de mensen een zegen: het moest altijd vrijdagavond zijn, tot in der eeuwigheid.
Omstreeks halftien vernauwden Heloïses ogen zich voor de eerste keer tot spleetjes. Ze begon op een tijgerin te gelijken. Hoe het met Anje gesteld was, kon ik minder goed detecteren, want die zat naast mij. We keken tien seconden later allebei tegelijkertijd verbaasd op, want we hadden duidelijk gehoord dat Heloïse even kreunde.
‘Gaat het, Loïs?’ informeerde Anje.
Heloïse sperde even haar ogen, glimlachte als in trance en knikte: ‘Ja hoor. Een opstootje van geluk. Lekkere wijn, gladde paling, de juiste mensen.’
‘Santé.’
Even had ik een kort visioen van een berenklauwtje dat zich een weg baande tussen de billen van Heloïse.
We klonken voor de zoveelste keer. Het geroezemoes om ons heen vertoonde her en der al scherpe uithalen en onverwachte pieken. Wijn begon de gemoederen te beroeren en te flamberen. Lachbuien dansten af en toe door de ruimtes. Er was ook drukker sanitair verkeer.
‘Wat zou iedereen nu aan elkaar vertellen?’
‘De helft ervan is ondertussen al niet meer waar.’
‘Met diezelfde mond eten ze paling.’
‘Ze zeven hun woorden met alcohol.’
‘Nee: spoelen.’
‘Look who’s talking.’
‘Gladde paling!’
‘Santé!’
‘Santé mijn ratje!’
‘Kijk, Andrea gaat nu al voor de derde keer haar neus poederen.’
‘Haar neus?’
‘Hi hi hi.’
‘Zie ze lopen; ze is aalvlug.’
Even haperde mijn blik aan een vochtvlek tussen zoldering en wand niet ver van mij vandaan. De vlek leek aanvankelijk de vorm van een vlinder te hebben, maar dat veranderde zienderogen en gaandeweg werd het een gedeukt gezicht. Ik hoorde Heloïse nu hardop neuriën. Ik stootte Anje aan, een beetje harder dan ik gepland had.
‘Steuntje nodig?’ vroeg ze.
‘Sorry. Te heftig. Kijk: zie jij dat ook? Net een… ‘
Ik knikte in de richting van de vlek.
‘Hm… een teken aan de wand. Ze is al zat hé?’
Dat laatste stukje siste Anje tussen haar tanden recht in mijn gezicht. Ik knikte van ja, weer in de richting van de die vlek. Belendende palingeters begonnen ook nieuwsgierig naar boven te kijken.
‘Frank De Winne zien passeren misschien?’ hoorde ik olijk opperen.
Ondertussen dook de beweeglijke heerlijke Heloïse even opzij, onder de tafel. Ze graaide naar mijn stok en zwierde er even wild mee heen en weer, als een majorette het ding in het midden vasthoudend. Op dat ogenblik zeilde de vrouw van dokter Brandt voorbij. De berenklauw trof haar midscheeps, ergens tussen lever en rechternier.
‘Ai! Ver… ! Au!’
De stok die mij rechtop hield, vouwde Mevrouw Brandt dubbel. Geschrokken dirigeerde Heloïse mijn stok weer richting grond, maar daarbij maaide ze onze wijnglazen van tafel. Alle drie. Die kukelden splinterend aan gruzelementen. De hele wereld keek om.
Onze biotoop stond nu in rep en roer.
Palingeters van aanpalende tafels sprongen op. Er strekten zich ettelijke handen en armen uit om de onfortuinlijke mevrouw Brandt naar de toiletten te loodsen. Kelnerinnen snelden toe en organiseerden omleidingen opdat niemand in de glasscherven zou trappen of over de witte wijn uit zou glijden.
Heloïse deponeerde mijn stok weer onder tafel en leek onder de vernietigende blikken ineen te schrompelen op haar stoel. Anje en ikzelf – medeplichtigen, zo leek het – pareerden de over en weer vliegende opmerkingen met spijtige ‘ja’’s, vergoelijkende ‘dat gebeurt’’s en machteloos schouderophalen. We leken wel alle verzamelde aandacht uit het hele Rattenkasteel naar ons toe te zuigen.
‘Wat was dat daar zo plotseling?’
‘Een robbertje schermen?’
‘Wiens ding is dat?’
‘Best dat er niet veel meer in was.’
‘De stukken vlogen tot hier!’
‘Beetje onder de olie, de madam, ja?’
‘Wie begint er nu zo in ’t wilde weg te… ‘
Dokter Brandt kwam nu ook poolshoogte nemen.
‘Ah! Er is een dokter in de zaal!’ riep een olijke palingeter.
Ik probeerde de hele reutemeteut en hun onnozele reacties te abstraheren door mijn aandacht weer op de vochtvlek te richten. Twee kelnerinnen dweilden ondertussen de vloer op dit ondermaanse.
De vochtvlek grijnsde me toe als een geest die door de wanden heen Ebenezer Scrooge op komt zoeken. Ik hoorde hoe Anje zich over Heloïse ontfermde. Die was in iets losgebarsten dat het midden hield tussen een slappe lach en een dronkenmanshuilbui.
De paling werd koud in de kommen. De charme van de aalvlugge lekkernij was verdwenen. De mensen speelden plotseling weer de hoofdrol. Dat wil zeggen: ze draaiden hun koppen weer, keken sporadisch nog eens om, en vezelden er verder duchtig op los. Onze tafel bleef een tijdlang het hoofdonderwerp van de gesprekken. We kregen verse glazen witte wijn.
‘Voor mevrouw ook nog?’ vroeg een van de kelnerinnen vinnig aan Heloïse.
‘Had ik maar mijn been niet gebroken, hé Heloïse?’ zei ik.
Ze glimlachte treurig en nipte van haar wijn.
‘Ik wou gewoon even de maatslaan van een geslaagde avond,’ zei ze. De invloed van de alcohol op haar articulatie kon niet worden ontkend.
De orde in Het Rattenkasteel was hersteld.
Plotseling hoorden we een eigenaardig fluitend gesis. Het kwam van onder onze tafel. Heloïse en Anje bewogen niet. Ze leken betoverd en wiegden bijna onmerkbaar heen en weer. Verbaasd sloeg ik het tafelkleed om en gluurde naar beneden. Mijn stok bleek als een cobra heen en weer te wiegen voor de benen van mijn tafelgenoten. Uit het berenklauwtje kwamen panfluitachtige tonen.
Met een kop als een biet dook ik weer boven water. Heloïse glimlachte verleidelijk naar me. Anje zat haar beaat aan te kijken.
‘Mijn gekreun van daarnet… ‘
Ik knikte begrijpend.
‘En dat dolle gezwaai met mijn stok daarna?’ wou ik nog weten.
‘Dat was om te vieren. Het is nog nooit zo lekker geweest.’
‘Ja, paling hé,’ glimlachte ik.
JORIS DENOO

