Ogenblikken
ONBEWAAKTE OGENBLIKKEN
01
Het was in de tijden dat men bij gebrek aan inspiratie doodgewone typetjes in alledaagse situaties op affiches van culturele manifestaties zette (en iedereen dat na-aapte), dat men bij gebrek aan inspiratie het haar tot dicht tegen de schedel afroetsjte teneinde via deze concentratiekamp-look kaalheid te verhullen en tot het leger der gelijkgeschakelden toe te treden (en iedereen dat na-aapte), dat men bij gebrek aan inspiratie alom de slogan WIJ MAKEN HET VERSCHIL zag opdoemen maar niemand echt dat verschil maakte (en iedereen dat na-aapte), dat men bij gebrek aan inspiratie ging coveren, playbacken, samplen en kopiëren alom (en iedereen dat na-aapte), dat men bij gebrek aan inspiratie zielloze e-mails de wereld inzond en zelden zelf reageerde op geschreven berichten (en iedereen dat na-aapte), dat men bij gebrek aan inspiratie de televisie en hun tateraars als bron en evangelie en autoriteit ging beschouwen en de bête slogan GEZIEN OP TV voor onvoorwaardelijk juist en goed en waar aannam (en iedereen dat na-aapte), het was in die droevige tijden zonder inspiratie dat wie een vondst deed, verdacht was, en voor aap stond.
Op een valavond in die tijden sloot Rapunza haar boetiek Plena Luna op het Watermolenpleintje omstreeks halfzeven af, maar liet voldoende kieren en spiedluikjes open. Ze hield bovenal van het uur van de dag waarop ze kon sluiten. Vanavond zou ze van een extra vertoning buiten op het plein kunnen genieten. Op drie verschillende plaatsen in haar winkel/woning, beneden en boven, bracht ze evenveel fotoapparaten in gereedheid.
Op een valavond in die tijden ontmoette ik Stefanie, Dienke, Arthur Venus (in gedachten) en Griet toevallig op het Watermolenfeest eind augustus. Griet en Dienke waren boezemvriendinnen; Stefanie was een hartenkind; Arthur Venus was een accordeon.
Op vrijdagavond zou een fototentoonstelling worden geopend. Dat heuglijke feit was ik vergeten, tot een uur voor de gebeurtenis. Ik repte er me haastig langzaam heen, per auto en een stuk te voet op smalle paadjes tussen eindezomergewassen. Het had drie weken onverdroten geregend. Nu scheen de avondzon, zakkend achter de tralies van hoge populieren.
Ik verkende de ruimtes waar de foto’s werden getoond en ging daarna aan een tafeltje op het pleintje van de Watermolenwijk zitten, wachtend op wat komen zou.
Wie ik daar niét per toeval ontmoette, waren de politici. Er waren immers gemeenteraadsverkiezingen op til. Zij klopten mensen op de schouders, staken hun handen vooruit, gooiden hun armen in de lucht. Ook ik werd stevig aangepakt.
Al die tijd al werden we vanuit boetiek Plena Luna in het oog gehouden door Rapunza.
Eerst merkte ik Stefanie op. Later kwam haar moeder erbij zitten. Dat was Griet. Nog even later kwam Dienke eraan. Zij kenden mij ietwat omdat ik een openbaar leven leidde in de culturele sector; ikzelf kende tot dan toe alleen Stefanie oppervlakkig: zij had ooit bij mij een serie poëziesessies gevolgd, samen met een vijftiental jongeren. Hier op het Watermolenfeest stelde ze twee van haar foto’s tentoon. Over Arthur Venus werd die avond alleen even terloops gesproken. Hij was niet zelf aanwezig.
Al vlug was ik in drukke gesprekken met het drietal gewikkeld, afgewisseld met periodes van luisterbereidheid ten opzichte van een muzikaal duo dat onder een paar grote parasols evergreens uit de 20ste eeuw coverde. Griet bleek zich (inter)nationaal het lot aan te trekken van jonge hartpatiënten; de werkloze herbariste Dienke was een fervent bomenmens, tekende naaktportretten op verzoek en trad geregeld op met haar accordeon Arthur Venus, waarbij het instrument Arthur heette en zijzelf Venus. Stefanie, het meisje met het hart dat te vlug moe werd, viel met haar twee foto’s net niet in de prijzen, vernamen we tussendoor van de voorzitster van de jury.
Al die tijd al werden we vanuit boetiek Plena Luna in het oog gehouden door Rapunza.
Het avondlicht van augustus werd door het duister uitgevlakt. Straat- en kermisverlichting namen deze taak over. Iedereen bleef keuvelen, staand aan ronde receptietafels of zittend aan feesttafeltjes op het plein. Dat gekeuvel werd gebabbel, steeds harder, en ging hier en daar in een onverwachte groepsbrul over. Ook wij, inmiddels staande lichamen aan zo’n hoge receptietafel, gingen luider praten en breder gesticuleren. Dienke verdedigde met woedende stem en harde r-klanken alle bomen in de stad; Griet legde met vuur en vlam uit waarom ze ondanks een geschikt diploma al die jaren uit het onderwijs was gebleven. Stefanie bracht beiden op gezette tijdstippen tot bezinning. Ik luisterde, knikte en vond het best gezellig. Ik informeerde naar Arthur Venus en naar de Hartenkinderenstichting. De laatste uren van de vrijdag, het slothoofdstuk van de week, geurend naar zeep, gleden glad voorbij. Rond halftwaalf bracht Griet haar dochter naar huis. Zijzelf zou wel nog terugkeren, en bezwoer ons niet te verdwijnen. Intussen ging ik met Dienke op het Watermolenbrugje de brede beek bekijken. Het water stroomde snel ruisend onder ons door. Ik vertelde haar ook over de paden en kerkwegels tussen de velden in de onmiddellijke omgeving. Dienke was verrast door al dat fraais zo vlakbij en besloot dat ze hier binnenkort zou komen fietsen. Flarden doffe muziek waaiden ons vanuit de jongerenfeesttent aan. We zochten het pleintje weer op en troffen Griet weer op onze weg aan. Ze moest zich gehaast hebben.
Al die tijd al werden we vanuit boetiek Plena Luna in het oog gehouden door Rapunza.
We vervingen de brave witte receptiewijn door stevige glazen bier; bleek dat geen van ons drieën echt compatibel was met dat feestspul. Waarover praten mensen urenlang? Geen idee. Toen we even later om ons heen keken, zagen we vrijwel niemand meer. We stonden aan het ene tafeltje dat overgebleven was, reeds tot dicht tegen de gevel van een huis geparkeerd, om passage toe te laten. Dat kon niet blijven duren, hoewel ik het een interessante vorm van eeuwigheid begon te vinden. De beide vriendinnen blijkbaar ook. De onvermijdelijke Man-die-Sluit kwam echter opdagen, de Klaas Vaak Der Grote Mensen, op strenge kousenvoeten.
Of wij binnenkort zouden kunnen…
We knikten begrijpend en kozen voor de korte pijn.
‘Is er hier ergens nog iets open?’
Ik keek in vier verwachtingsvolle ogen, na deze klassieker onder de nachtelijke vragen. En ik liet mijn kersverse vriendinnen niet lang in het ongewisse. Het werd natuurlijk De Zwarte Duif, mijn stamtaverne vlakbij.
‘Tiens, ik denk al de hele avond af en toe een bliksemflits gezien te hebben. Daarnet weer.’
‘Hé: ik ook! Ik dacht, dat kan niet, maar blijkbaar… Hebben we zoveel gedronken?‘
‘Ha ha.’
Op datzelfde ogenblik werd het laatste overgordijn in boetiek Plena Luna dichtgeschoven.
02
Niet lang daarna, in de Week van de Dode Katten, ontmoette ik de gekke schilderes Jurka. Ze exposeerde haar schilderijen in mijn stamtaverne De Zwarte Duif. Op elk schilderij bespeelde iemand een instrument. Toen ze voor de eerste keer grondig openbaar dronken werd aldaar (ze kwam voortdurend poolshoogte nemen), beschreef ze het schilderij dat iedereen wel eens wou zien: hoe ze bij zichzelf de liefdessappen los vingerde en de genotsgolven liet komen, – maal twee: ook in de spiegel. De liefdesschilderes bekeek zichzelf terwijl ze zich schilderde. Het water kwam ons in de mond. Jurka beschikte over het fraaiste stel benen ter wereld. Die onthulde ze pas dagen na de ophanging van haar schilderijen. Eerst moest ze nog wennen aan ons. Toen ze haar verlegenheid ontwend was, kreeg iedereen een gulle, gekke inkijk bij haar. Daardoor keek iedereen ook wel eens af en toe naar haar schilderijen. Die zouden twee maanden lang in De Zwarte Duif blijven hangen.
Sappige gekke Jurka bleek sterk doorleefd te zijn – gemarineerd en gekookt in de woedende weeën van het leven. Dat merkte je ook aan haar. Prachtig verval. Op twee adembenemende zuilen. Maar wat heet gek? Je bent maar zo gek als de mensen je toedichten. Na haar dronken spiegelopenbaring noemden sommige mannen haar: Jurka-Doe-Het-Zelf. Waar ze in haar een makkelijke prooi vermoedden, daar sloegen ze echter de bal volledig mis. Jurka flirtte alleen met alcohol, nicotine en verf.
Zo zat ik op een van de laatste expositieavonden samen met vier vrouwen aan een tafeltje in De Zwarte Duif: Jurka, Griet, Stefanie, Dienke. En bovenal… met Arthur Venus. Ik had namelijk Dienke kunnen overhalen als levend schilderij met kleur en klank aanwezig te zijn en het spiegelbeeld te evoceren van Jurka’s doeken. We waren teruggekomen naar de plek waar we ons goed gevoeld hadden. Iedereen kon het prima met elkaar stellen.
We dronken, vonden het jammer dat Jurka met haar doeken weer zou verdwijnen en af en toe ontlokte Dienke weemoed en passie aan haar accordeon. Stefanie nam voortdurend foto’s.
Zouden we Jurka nog wel eens weerzien wanneer haar schilderijen hier ontbraken? (Er was er maar één van verkocht, de saxofonist, aan tavernebaas Otto, dat spoor bleef dus alvast). Deze onuitgesproken gedachte vatte vlam telkens Arthur Venus in beweging kwam. Accordeons kunnen vreselijk tergen, maar anderzijds ook diep in je ziel kerven. Het hangt ervan af wat je eraan ontlokt, en hoe, en wanneer, en door wie dat gebeurt, en voor wie, of waarom. De adem van de accordeon kan een wee zijn, een zucht of een bries. Hij kan je doen wenen, hij kan je doen zwijgen, hij kan je doen dansen.
Rapunza – in De Zwarte Duif niet onbekend: ze kwam ’s middags wel eens om een dagsoepje – spreidde voor Otto haar portfolio op de toog open. Hij ‘had vijf minuten’, luisterde welwillend en plukte intussen frieten uit een gekarteld bakje.
‘… zoals op het pleintje einde zomer hé… ‘ knikte hij, terwijl hij de collectie foto’s monsterde.
‘Recent werk,’ legde Rapunza uit. ‘Ik moet ze natuurlijk wel nog inkaderen.’
‘Een vijftiental?’ opperde Otto, terwijl zijn blik even over de muren scheerde.
‘Dat ware prima. Ik zou mijn tentoonstelling noemen: Onbewaakte Ogenblikken.’
‘Ja. Ja ja. Ik hang hier zoals je merkt wel eens een kunstenaar op, ik bedoel: werk van hem. Haar.’
‘Ja, dat weet ik. Die schilderijen… Daarom… en door die tentoonstelling op het pleintje dacht ik zo… ‘
‘Mooi hé?’
Rapunza knikte, maar wist niet of Otto op haar foto’s dan wel op de schilderijen aan zijn muren doelde. Hij bladerde door haar mensenfoto’s.
‘Mooi gedaan. Die wisten waarschijnlijk niet dat ze gefotografeerd werden?’
‘Helemaal niet. Onbewaakte ogenblikken, hé.’
‘Dat zijn de beste.’
‘Anders krijg je derde-rangacteurs.’
‘Grimassen, gesloten ogen, vreselijk lachende gebitten.’
‘Ha ha.’
‘Wel, oké hoor,’ besloot Otto dan. ‘Wanneer kom je de dingen ophangen? De schilderes daar komt zaterdag haar werken wegnemen. Van mij mag er best wel eens iets anders in de plaats. Het wordt hier nog een kunstkroeg, ha ha.’
Plotseling boog hij zich wat dieper over een foto.
‘Hé… ‘
Hij keek naar het tafeltje met de vier vrouwen, waar Dienke alweer een deuntje had ingezet.
‘Maar dat zijn zij!’ wees hij, met zijn ene wijsvinger boven een foto haperend, met zijn andere in de richting van het tafeltje wijzend.
Rapunza keek om en herkende onmiddellijk de vier gezichten die ze enkele weken geleden stiekem gestolen had. Ze had er bij het binnenkomen helemaal niet op gelet; het was druk in De Zwarte Duif.
‘O… ‘ deed ze. Ze sloeg haar hand voor haar mond.
‘En dat is de schilderes daar, hé,’ zei Otto.
‘Maar… ‘ zei Rapunza verbijsterd.
Ik keek verbaasd naar de prachtige vrouw aan de toog. Ze leek zo weggelopen uit de jaren zeventig van de vorige eeuw. Ze vertoonde tekenen van herkenning.
De avond was gezapig en weemoedig begonnen, maar eindigde in alcoholische chaos omdat Jurka en Rapunza iets gedeeld hadden waar wij niet van op de hoogte waren: een man. De beide kunstenaressen hadden zich een tijd geleden over dezelfde kerel ontfermd, Jurka eerst, want ze was er toen mee getrouwd, daarna Jurka half en Rapunza heel, dan Rapunza totaal, en toch Jurka weer even, daarna geen van beiden meer. Bij geen van beiden had hij nageslacht nagelaten. We kwamen dat te weten en we zouden het geweten hebben.
Jij steelt muziek voor je doeken!
Jij steelt gezichten voor je prenten!
Dit waren de blikopeners geweest voor een vrouwelijk oorlogje in De Zwarte Duif, na een aanvankelijk ingehouden maar toch verbazend en onheilspellend voorspel dat anderhalf uur in beslag nam en steeds maar crescendo ging qua vinnigheid. De drank had de gevoelens plotseling geflambeerd. De foto-portfolio van Rapunza lag gevaarlijk beschikbaar op het tavernetafeltje. We hadden er al in gebladerd. Nee, we vonden het niet erg dat we verstolen waren vereeuwigd, samen met nog andere groepjes mensen tijdens de Watermolen-vernissage.
Maar toen kwam vanwege de schilderes de opmerking: Jij steelt gezichten!
Waarop de fotografe repliceerde: Jij steelt muziek!
Ze bedoelden allebei: Jij hebt mijn man gestolen!
De smalende toevoegingen doeken en prenten even later waren er te veel aan. Plotseling vlogen ze elkaar in de haren. Arthur Venus schrok zich een felle ademstoot. Griet sprong op, graaide naar Stefanie’s hand en verdween ijlings.
03
Terwijl ik me dagenlang kan opwinden over een onnozel detail, en er zelfs door in slapeloosheid verzeilen kan, ben ik nooit erg verbaasd of ondersteboven wanneer zich iets ongewoons of ergs voordoet. Ik hou van onverwachte attractoren (om het woord attracties niet te hoeven gebruiken).
Ik keek aanvankelijk onbewogen naar de vechtpartij, als naar een feit. Fotografe versus schilderes. Nul-nul. Ook een tiental stamgasten deden zich te goed aan het partijtje worstelen vrije stijl, reeds voorafgegaan door het klassieke gegooi met bier. Enkelen moedigden Jurka aan, omdat ze haar al wat kenden. De modder ontbrak, maar Jurka had een adembenemend rokje aan en Rapunza was op z’n magisch-boetieks gekleed. Ik merkte dat Dienke ijlings Arthur Venus instopte en de cocon vervolgens in veiligheid bracht, vertrekklaar postvattend bij de deur. Gaandeweg (het bleef maar duren) begon ik het gebeuren als een kunstwerk te bekijken.
Maar hoe kwam het godgenageld dat ik plotseling wel letterlijk ondersteboven lag, gesandwicht tussen die twee kroegtijgerinnen? Ik zweer het: ik wist het niet, ik weet het nu nog niet, ik zal het nooit weten. Want in één klap was de hele taverne in beweging gekomen, Arthur Venus incluis: in een opwelling had Dienke haar accordeon weer uit de cocon gehaald en begeleidde ze het tafereel met snerpende uithalen en lange zuchten. Simultaan was ik deelnemer aan en observator van de collectieve schermutseling. Voortdurend flitsten filmische beelden van Ierse pub-vechtpartijen door mijn hoofd (o.a. uit ‘Un taxi mauve’). Ik zag mezelf bloeden en geblutst worden, maar vreemd genoeg was van pijn geen sprake. Mannen en vrouwen sprongen en duwden en klauwden en vielen om mij heen. Ik hoorde kleren scheuren, kootjes kraken, glazen breken, stoelen en tafels met snerpende geluiden verschuiven. Bier en bloed doorweekten textiel. Mensenfoto’s fladderden door de lucht en belandden in de smurrie op de grond. Schilderijen werden met halfvolle glazen bekogeld. Bij dit alles bleef patron Otto lange tijd als aan de grond genageld toekijken, met open mond. Hij geloofde niet wat hij zag. Ground Zero in De Zwarte Duif. Daarna greep hij naar zijn gsm, terwijl hij intussen een panoramisch zicht op Jurka’s billen kreeg, wat hem nog even deed twijfelen betreffende zijn communicatie.
Midden dat kluwen kwam ik in de armen van Dienke terecht. En zij in de mijne. Dienke! Ze had Arthur Venus in de steek gelaten en mengde zich vol overgave onder de genodigden, op zoek naar mij. Ik heb haar later niet meer ontmoet, maar soms welt de vraag in mij op: had ze me plotseling lief of wou ze me wurgen?
Even later viel het blauw van op straat in De Zwarte Duif binnen. Iedereen werd van iedereen gescheiden. Er werden vreemde, sussende gesprekken gevoerd. Het bloed werd gestelpt, de schade opgenomen. Enkele bezems harkten de gruzelementen in een hoek. We gingen zowaar met z’n allen weer naar onze vaste stek in de taverne terug, Otto om nog een laatste glas verzoekend, terwijl we middels het duim/wijsvinger-strijkgebaar signaleerden dat we dubbel en dik zouden betalen. Otto combineerde begrip, gelatenheid en woekerprijzen. Jurka, Rapunza en Dienke zagen er heerlijk smerig uit. Arthur Venus rustte op een barkruk, met zijn hele gebit open en bloot grijnslachend.
Ik denk dat Rapunza nog haar arm om Jurka’s schouder geslagen heeft. Ik denk dat ik Dienke nog vol gezoend heb. Ik denk dat Griet nog teruggekeerd is. Ik denk dat Arthur Venus plotseling vanzelf begon te spelen. Ik denk dat Otto nog een langdurige aanval van slappe lach kreeg.
04
Later zou men mij vertellen dat we met z’n allen stevig dronken waren geweest. Maar ja: het was dan ook in de tijden dat men bij gebrek aan inspiratie… etc… etc… en iedereen dat na-aapte!
De jaren daarna heb ik niemand van de vrouwen nog teruggezien, hoe vaak ik ook De Zwarte Duif frequenteerde. Ik begon te geloven dat ze niet echt bestonden. Als het een droom was geweest, dan betrof het een mooie droom. Taverne-patron Otto kon of wou na de tumultueuze avond geen commentaar meer kwijt betreffende de vrouwen. Zo zat de kerel in elkaar. Er was ook geen fototentoonstelling meer gekomen. En het schilderij dat hij had gekocht, de saxofonist, bleek spoorloos verdwenen.
Af en toe vertrok er wel nog eens een flits vanuit de boetiek Plena Luna op het Watermolenpleintje, maar dat gebeurde uitsluitend op onbewaakte ogenblikken…
Men schreef het toe aan de bliksem.
JORIS DENOO

