Memory Lane
MOORD IN MEMORY LANE
GERALDINE – MAART
In Memory Lane hangt vaak een zoete geur. Er woont een koekjesbakker. De werkplaats achter zijn huis geeft via een deurtje uit op de parallel lopend kasseisteeg met de garageboxen, achtertuinpoortjes en blinde muren van Memory Lane, dat zich door iedereen graag ‘De Boulevard’ laat noemen.
In Memory Lane groeien de bomen de hemel in. Hun kruinen herhalen hun wortels. Hun wortels herhalen hun kruinen. Ze filteren zonlicht. Ze vangen regen op. Ze ruisen bij wind. Ze kleden zich met rijm en sneeuw. Ze ondergaan vorst. Ze krijgen slaag van hagel. Hun tenen reiken naar de aarde. Hun takken schilderen de lucht. Ze kunnen ouder worden dan de huizen waar ze op toezien. Hun boomstammen overleven ook de stambomen van de mensen. In Memory Lane staan de bomen op een brede middenberm. Ze zijn van niemand en van iedereen. Na de zachte lauwe dagen van september vangt de overheid in de echte herfst hun bladeren in grote korven op. Bladerdeeg is een bekommernis voor de inwoners.
Memory Lane telt huizen met voortuintjes, trappen, erkers en diepe achtertuinen. De verdiepingen proberen te wedijveren met de hoogte van de bomen. Aan de overkant telt Memory Lane appartementsblokken waarvan de saaie symmetrie haaks staat op de wisselval van sommige levens binnenin. Er grenst een park aan. Er is een brasserie annex minigolfterrein net daar waar dat park via een van zijn uitgangen op het voetgangers- en fietspad in de laan uitmondt. Memory Lane heeft ook een rij tegen elkaar gehurkte woninkjes met één venster naast de deur, in het verlengde van de dure huizen. Aan weerskanten wordt Memory Lane doorstreept door een lange rij auto’s op de parkeerstroken in de schaduw van de grote bomen. Vogelpoep is een bekommernis voor de inwoners.
Geraldine d’Hainaut staat aan het grote raam in de living naar de poedersneeuw te kijken die over haar tuin warrelt. Ze trekt de gordijnen nog wat verder open. Het is kwart over twee. De slaapmist van haar middagdutje wil maar niet optrekken. Langer dan gewoonlijk heeft ze in soesland vertoefd. Die sneeuw lijkt haar nog meer te verdoven. Ze schrikt wanneer ze de tweetonige gong in de hall hoort overgaan. Geraldine blijft roerloos staan. Wanneer de gong andermaal overgaat, stapt ze omzichtig naar de erker. Lichtjes vooroverbuigend herkent ze door het wit kanten gordijn aan het zijraam het silhouet van buurvrouw Liesbeth. Schielijk trekt ze zich terug.
De witte warreling in de tuin wordt intenser. Geraldine wacht een halve minuut vooraleer ze opnieuw poolshoogte neemt. Liesbeth is verdwenen. Waarom heeft die de stuifsneeuw getrotseerd om aan te bellen? Tweemaal? Zijn er weer parkeerproblemen omwille van de koekjesbakker en diens roze bestelwagens?
Een hoge dichte haag scheidt hun tuinen. Geraldine schuift nu voorzichtig de deur van de veranda wat open. Ze hoort haar naam niet roepen. Dat doet zich wel eens voor. Een opluchting. De namiddag is gered van slechte koffie en gesprekken waarin het woord ‘kanker’ zesmaal kan vallen. Geraldine schuift met een lichte grimas om haar lippen de deur weer dicht en stapt naar de kast met sterkedrank. Even later klinkt plotseling het belachelijke oproepsignaal van de vaste telefoon. Geschrokken morst ze een gulpje whisky. Bijna nooit gebeurt dat nog. Liesbeth weet wel dat ze nog een huistelefoon heeft; ze kent haar nummer. Niet dat van haar mobieltje. Geraldine laat het ding onaangeroerd, het glas aan de lippen. Ze ondergaat een eeuwigheid lang, zo lijkt het, dat dwingende ridicule gejengel, dat alsmaar luider lijkt te gaan. Met een bezorgde blik kijkt ze daarna naar haar mobieltje op het bijzettafeltje. Maar nee, dat kan niet. Gelukkig niet. Want Liesbeth is een pitbull. Liesbeth Decadt is een bekommernis voor Geraldine d’Hainaut.
Het geschraap van enkele overhangende takken van de notelaar diep in de tuin van Geraldine over de dakpannen van de garage van Liesbeth is de oorzaak van een gespannen verhouding tussen de twee buurvrouwen. Die garage bevindt zich nochtans achter in Liesbeths tuin – buiten gehoorsafstand. En het moet dan nog eens waaien ook. Maar dat doet het wel vaker. Elk jaar, nadat de laatste zomerdronken wespen verdwenen zijn en het vroege herfstlicht een dun vernis over alles lijkt te leggen, oogst Geraldine noten. Soms in overvloed. Soms karig. De vruchten gelijken op hersentjes. Ze zijn erg lekker in combinatie met whisky en zwarte chocolade. Geraldine is er overtuigd van dat je er slimmer van wordt. Het geheugen gaat beter functioneren. Die kleine hersentjes zijn ook goed voor de grote hersenen. Er mag dus geen enkele tak van die notelaar geamputeerd worden.
Een geschenkmandje vol noten voor buurvrouw volstaat niet. Liesbeth eet geen noten. Ze gebruikt die evenmin in bereidingen. Geraldine heeft het maar tweemaal geprobeerd. Ze blijven wel on speaking terms. Zo’n vaart loopt het niet. Hoe vaak is gekke Liesbeth eigenlijk met iets bezig in haar garage? Is de aai van een paar takken dan zo erg? Er vallen toch ook noten in haar tuin? Moet Geraldine daarom haar mooie boom laten verminken? Dat fraaie ding zal uit evenwicht zijn en zijn prettige symmetrie verliezen. Elk seizoen laait de discussie wel even op. Maar Gregory, Liesbeths man, klautert nimmer op het dak van zijn garage. Het notelaarprobleem laat hem koud. Evenmin verschijnt er bij Geraldine een beroepstuinman met gevaarlijk snorrende werktuigen. Haar boom is heilig. En lekker. Her en der hamstert ze hersentjes. In schrale jaren koopt ze extra noten in het warenhuis. Op drie verschillende plaatsen in haar grote huis heeft ze een notenkraker liggen.
Adelin Beernaert & Zn. van Ets. Koek & Ei fabriceren in hun atelier in Memory Lane bitterkoekjes, vanillenootjes, hoefjes, pitsmoppen, kletskoppen, chocodruppels, kaasvlinders, bombayzoutjes, amandelstengels, krokante wafeltjes, botergaletjes, speculaasjes en kokosrotsjes, afhankelijk van het seizoen en de beschikbare ingrediënten. Ze kiezen voor de kleinschalige ambachtelijke aanpak; ze leveren binnen hun haalbaar bereik aan winkels, tearooms en verkooppunten in de provincie. Zo dragen ze bij tot het koekjesgeluk van theeënde dames, koffie slurpende vergaderbeesten en mollige kinderen. Ook voorbijgangers, omwonenden en bezoekers van de brasserie-met-minigolf aan de overkant kunnen bij gunstige wind even genieten van flarden zoete geuren wanneer ze diep inademen ter hoogte van Ets. Koek & Ei. Betere reclame kun je je niet wensen. De concurrentie is natuurlijk groot. En scherp. Koekjesreuzen uit industriezones maken het de ambachtelijke bakkers bijzonder moeilijk. De beide roze bestelwagens van Ets. Koek & Ei staan dan ook uitdrukkelijk en ietwat pronkerig in Memory Lane geparkeerd op zon- en feestdagen. Wie ter hoogte van de koekjesbakker woont, verliest daarom wel eens parkeerruimte. Vooral als er bezoek is. Er zijn al harde woorden voor gevallen. Parkeren is een bekommernis in Memory Lane.
Even woei haar daarnet een flard zoete wind aan, toen ze de verandadeur weer dichtschoof.
‘Memory, Proust’, mompelt ze.
Ze steekt een sigaret op en schenkt nog wat bij.
‘Zou het weer van dat zijn? Belde ze daarom aan? Wind? Getikketak? Tik-tak-tik-tak… prozac’, denkt ze. ‘Boompje groot, buurvrouwtje dood. Of staan er weer roze bestelwagens in de weg? Heb ik niks mee te zien.’
Ze neemt haar glas mee en bestudeert de notelaar in de nabije verte. Hij wordt gewiegd door de wind. Er ligt wat poedersuiker op zijn kruin, die er bij elke stevige windstoot weer af warrelt.
‘Nee. Kan niet. Dat hoor je toch niet, van zo ver. Inbeelding. Of spookt ze wat uit in haar garage?’
Ze neemt een slokje whisky.
‘Zo’n notelaar werpt in september vruchten af, beste buurvrouw’, mompelt ze halfluid. ‘En ’s zomers verbant hij vliegen en muggen uit mijn en jouw tuin, door zijn aroma. Wat moet je dan daarover lopen te kankeren, gekke Liesbeth? Hersens gebruiken!’
Winderig weer maakt kinderen onrustig. Ook sommige ex-kinderen voelen zich dan slecht in hun vel. Toen ze hier in Memory Lane buren werden, vertrouwde Liesbeth haar eens toe dat ze gek werd van het geritsel van de droge bladeren die het vertikten te vallen en aan de beukenhaag bleven hangen. Misschien betrof dat een suggestie om die haag eruit te gooien – eigendom van Geraldine, die hier toen al drie jaar woonde. Daar moet ze nu aan terugdenken, terwijl ze de rillingen observeert die door de bruine hagen aan weerskanten van de diepe tuin wandelen. Stel je voor dat ze toegegeven had, en dat een simpele lelijke afrasteringdraad nu hun tuinen zou scheiden. Of zo’n laag gehouden snoeilelijke buxus waaroverheen elke dag het woord ‘kanker’ zesmaal kan vallen. Kanker bij anderen, bij die en bij die, wel te verstaan.
Ze knijpt in haar neusbrug en sluit even haar ogen.
‘Nog eentje’.
Terwijl de dolle dans van de stuifsneeuw geleidelijk overgaat in gestage regen en de wind zich terug lijkt te trekken, schenkt Geraldine zich nog eens in. Ze duwt haar sigaret plat en steekt meteen een nieuwe op.
Maart zou afgeschaft moeten worden. Of er zou een pil tegen moeten bestaan. Het is overigens de maand waarin het meest gestorven wordt. Maart, de wrede maand, speelt nooit open kaart, tot de lente van achter mistflarden als lijkwaden tevoorschijn komt.
LIESBETH – APRIL
Links en rechts van het pad naar de garagebox wuiven gele narcissen op de wind heen-en-weer. Tot waar dat pad begint, strekt zich een gazon uit. Groener kan het niet zijn, want het is kunstgras. Dat geel en dat groen lichten fraai op in het donker, beschenen door het kaaskleurige licht dat van de maan afdruipt. Liesbeth Decadt schrijdt om 02:05 met wapperende nachtpon, steile slaapharen op blote voeten door haar tuin. Gregory is laat thuisgekomen van een feestje op de firma, voorafgegaan door een wijnkegel. Hij is momenteel al ver heen in ‘Gregory Lane’, zoals Liesbeth zijn regelmatige roes omschrijft: hardop ronkend in een diep slaapdal, waaruit hij, zeker weten, pas ontwaakt tegen acht uur in de ochtend. Luid gespetter van pis en geklater van water ontlasten en bevrijden hem daarna van alle zonden.
Ze rammelt met de onwillige deurknop die los-vast lijkt te zitten. Ze doet de deur snel weer achter zich dicht en blijft even bewegingloos om aan het duister te wennen. Het maanlicht bedrijft meetkunde met de kleine raampjes. De Saab staat er niet; Gregory heeft niet de moeite genomen. Dat is maar best ook. Het steegje is wat smal om te manoeuvreren wanneer je onder de olie thuiskomt. Hij heeft gekozen voor de makkelijke parkeerstrook aan De Boulevard. Er was blijkbaar plaats. Morgen zal hij zich dan weer opwinden over de vogelpoep op zijn dak. Liesbeth hoort hoe takken van de belendende notelaar bij de buren over de pannen van haar garagehok raspen en schrapen. Dat vervelende strijkorkest. Wanneer haar ogen het halfdonker volledig beheersen, diept ze een sleuteltje uit haar zak, wrikt het in het cilinderslot en sluit de deur van binnenuit. Ze plukt de stok met het grijpklauwtje van zijn vaste plaats aan de wand, mikt die in het oog aan de zoldering en trekt een opgevouwen trapje naar beneden, dat zich verder gewillig laat openklappen tot op de grond. Mee met het robotachtige ding walmt een oude stofgeur naar beneden, die haar even de adem beneemt. Ze grabbelt naar het minuscule zaklampje in haar nachtpon, stopt dat in haar mond en klimt omzichtig de treden op. Boven klikt ze het lampje aan. Het lichtbundeltje zwenkt over een kunststoffen kerstboompje dat in drie stukken te wachten ligt op tijden die nooit meer gaan komen en een aantal slingers. Van op de hoogste trede reikt Liesbeth met haar vrije hand naar de slingers, waaronder de splinternieuwe getande zaag verborgen ligt. Een poos later staat ze weer op de begane grond. Het zaagblad blikkert even in het binnenvallende maanlicht.
Op het afgesproken tijdstip, om 02:15, wordt er twee keer driemaal geklopt op het deurtje in de garagepoort.
‘Vlug. Niemand gezien?’
Liesbeth gluurt snel even het steegje in.
‘Nee. Goed op tijd hé?’
‘Ja’.
Ze sluit het deurtje weer achter hem af en laat het sleuteltje in het slot zitten.
‘Slaapt hij?’
‘Ja.’
‘Zal hij niet… ‘
‘Nee.’
‘De zaag?’
‘Hier. Splinternieuw’.
‘Mm. Als ik er zelf maar geen splinters van krijg. Ik mag die dus meenemen naar huis hé?’.
‘Ja, maar wel nadat je de takken in mootjes gezaagd hebt en hierboven verborgen hebt. Doe de trap ook weer dicht. De sleutels zitten op de deuren. In orde?’
‘Ja. Zal wel gaan. En nu… eerst… wat je beloofd hebt.’
‘Oké.’
Ze legt de zaag op de werkbank. De koekjesbakker gaat met zijn rug tegen de vouwtrap leunen. Liesbeth gooit een afgedankt autokussen op de grond en knielt voor de zoete man neer. Wanneer zijn broek en boxershort tot op zijn enkels gesjord zijn, staat ze plotseling weer op.
‘Wacht. Nog even… ‘
‘Eh? Is er wat? Alles is toch koek en ei tussen ons hé? Hi hi… ’
‘Ja ja. Idee. Eerst een experimentje.’
‘O la la… ‘ klinkt het verheugd.
Ze neemt hem bij zijn schouders en dwingt hem, half struikelend, in de richting van de werkbank aan de wand.
‘Omdraaien nu.’
‘Wauw! Boeiend!’
‘Buigen.’
Ze duwt zijn bovenlijf voorover, tot hij met zijn hoofd op de bank ligt.
‘Lig je goed?’
‘Lekker, wijfje. Wat…’
‘Benen spreiden.’
‘Graag hoor, Liesbeth-lief.’
‘Koek en ei’, mompelt ze in zichzelf.
Ze jongleert wat met zijn klokkenspel. Dan neemt ze de zaag, die binnen handbereik ligt. Even weer blikkert het blad in het kaaskleurige schijnsel van het maanlicht.
De gelijktijdige kniestoot en de lange stevige uithaal met de gretige splinternieuwe tandjes ontlokken maar één schreeuw, die onmiddellijk gesmoord wordt. Het zoete bloed van de koekjesbakker kleurt de werkbank – nu een slachtbank – nog donkerder. Liesbeth voelt het leven zo uit zijn schokkende lijf wegstromen.
De gele narcissen staan te gillen in het maanlicht. Het groene kunstbloed van het gras is gestold en raspt de zolen van haar blote voeten. Een windstoot van de werkelijkheid doet haar weer tot zichzelf komen. Ze rilt, schudt de betovering van zich af en spoedt zich over het pad en het gazon naar de veranda.
Morgen is er werk aan de winkel. Precisiewerk.
JORIS DENOO

