Woede
WOEDE
Die vrijdagavond de dertiende eindigde Anneessens’ tocht in de afdeling traumatologie van het Triskaideka-ziekenhuis. Veroorzaakt door een misverstand, maar aangewakkerd door alcohol belandde een fel vrouwenvuistje midden in zijn gezicht. Hij hield er zowaar een gebroken neus en kaduuk kaakbeen aan over, bekroond met een regenboogoog. Maar niet alleen hij moest daar gekalefaterd worden.
Aanvankelijk had hij de eeuwig pokdalige Jarvis in zijn kielzog. Gelukkig kon hij die dalmatiër tijdig van zich afschudden. Jarvis klampte hem op straat aan met zijn handen in de lucht bij wijze van dank aan de Allerhoogste omdat hij er net aankwam. Blijkbaar zou er gered moeten worden. Of hij hem geld voor een pak luiers wou lenen, want zijn oude vader zat in het hoekcafé, alwaar diens sluitspier het vertikt had. En hij had verdorie ook wel zijn bankkaarten vergeten zeker! Bankkaarten, meervoud. Kon dus niks uit de muur getapt krijgen.
Geen geld? En toch op café? Anneessens fronste even de wenkbrauwen. Nou ja. Wie kon iemand een toelage voor een pak vaderlijke luiers ontzeggen? Anneessens gaf Jarvis de centen; die verdween in het warenhuis. De gulle gever werd verzocht even op straat te wachten; het zou niet lang duren.
Even later zat Anneessens bij de gespikkelde Jarvis en zijn schijtpa in het café. De dankbare pa werd midscheeps gekalefaterd in een van de damestoiletten. Daarna dronken ze er een paar – alweer van dezelfde geldbron. Anneessens bleef zich afvragen hoe dat in elkaar zat: vader en zoon op café, maar geen van beiden had geld op zak. Hadden ze hier misschien hun laatste cent verbrast? Had de mannelijke ouder pas daarna zijn broek vol gepoept?
Een dik uur later stond Anneessens bruusk op (hij was een kampioen in vlug verdwijnen), zei dat hij graag geholpen had en begon aan zijn tocht door de stad. Het was valavond, maar elke frietstop negeerde hij, zijn honger uitstellend tot een onbepaald moment waarop hij zou toeslaan in verband met vast voedsel.
De eerste drankhonk die hij aandeed, was getiteld De Woede der Noormannen. Hij kwam er wel vaker. Ontgoochelden en hoopvollen troepten er slordig samen aan een halvemaanachtige toog in een duister krocht. Op vrijdagvalavond lagen nog alle mogelijkheden open. Das Ewig Weibliche alhier was vertegenwoordigd door Annelisa, een immer dronken advocate die nu eens Anne, dan eens Lisa wenste te heten. De stamgasten kozen gemakshalve voor Annelisa. In haar schaduw (altijd dat mantelpakje, die saaie veiligheid, ook bij eender welke van de tachtig soorten dronkenschappen die ze onderging) voerde ze een scherpe man mee die net zoveel witte wijn dronk als zijn gade en op een muis geleek. Hij was opgehangen aan zijn schouders en leek te verzinken in zijn vale kostuum waarin zijn lijf op de belangrijkste knelpunten met weerhaakjes vastgemaakt was. Vlees ontbrak; hij was een en al been, begrip en vleierij. Ook Birde was weer present, maar die was zo mager dat van enige aanwezigheid weinig sprake kon zijn. Haar enige omvang betrof een lijvige familieroman die ze beweerde geschreven te hebben. Zes jaar lang al wachtte het café (en de hele wereld) op publicatie ervan. Mocht elke pint die ze hier achteroversloeg voor een bladzijde staan, dan was het een verdomd dik boek.
Achter de toog dirigeerde de mooi geweeste Lovely Rita het geheel. Ooit, lang geleden, toen de dieren nog spraken, was ze zowel Kastanjefee als Leieprinses geweest. Ze rookte dapper en had een stem als een rasp. Haar oudblonde kapsel leek wel gebeiteld: nooit bewoog er iets aan, ook niet in weer en wind op het trottoir bij de rokers. Een raadsel. Een missdaad.
‘Ah, Anneessens. Gij hier.’
‘Ja, ik hier, Finland. Maar waar is je werkwoord? Gebruik eens een werkwoord.’
Finland propte net een broodje in zijn eetgleuf.
‘We zijn hier niet om te werken hé. ’t Is maar een constatatie.’
‘Moet het niet zijn: constatering?’
‘Gij simpele duif. Uw taalknobbel zit in de weg. Drink wat van mij.’
‘Een Leffe. Blond.’
‘Rita: twee stuks.’
‘Dag Rita. Annelisa. En… ‘
Anneessens besefte plotseling dat hij de naam van de muisman niet kende, hoewel hij hem hier al vaker ontmoet had. Hoe heette dat ongedierte?
‘…’ mompelde hij.
‘Kerel’, vertaalde Annelisa. ‘Dit is Kerel.’
‘Kerel?’
‘Kerel.’
Ze verpinkten niet. Geen van beiden.
Kerel dus. De kerel heette verdomme Kerel, niet Karel. Anneessens knikte verbijsterd de muisman toe en nam zijn kelk blonde Leffe in ontvangst.
‘Finland: santé!’
‘Proost, Anneessens.’
Finland was een goeie maat. Hij mat 1 m 99, woog 128 kg, had een eetverslaving en was een belezen en slimme pedagoog-psycholoog die in zijn colleges aan de hogeschool voor lerarenopleiding dweepte met het Finse onderwijssysteem. Iedereen in De Woede der Noormannen noemde hem Finland. Alleen Anneessens wist nog waarom. Finland wist ook alles van kunst, boeken, muziekgroepen, platen, cd’s en concerten. Hij was een wandelende encyclopedie. Koopwoedend had hij in de loop der jaren zijn huis volgepropt met boeken en cd’s, tot er geen plaats meer over was voor zijn vrouw. Heden ten dage ging zijn quality time vaak op aan het ten gehore brengen van de totale moderne muziekproductie als dj in De Woede.
Vandaar Anneessens’ vreemde vraag: ‘Draai je vanavond, Finland?’
Pannenlat Birde, die vlakbij stond, papegaaide zijn vraag: ‘Ja, draai je vanavond, Finland?’
Even greep Finland met vragende wenkbrauwen naar het pakje tabak in zijn zak. Hij was onlangs weer gestopt met stoppen met roken.
‘Nee nee. Of je draait.’
Anneessens knikte naar het claustrofobische heiligdommetje met de vele knoppen en lampjes dat was uitgespaard waar de halvemaan van de toog nog even een binnenwaartse knik maakte. Met het lichaam van Finland daarin kon niets er nog bij. Geen barfly, geen anorexia alcoholica.
‘Ah ja. Vanaf tien uur vanavond.’
Ongelofelijk hoe pedagoog-psycholoog Finland iets verkeerd kon begrijpen. Zijn hoge teddybeergehalte zat daar voor iets tussen.
‘Draai je weer, Finland?’ riep Annelisa ten overvloede. Haar lippen (bestuurd door haar hersenen) waren al een beetje verlamd.
‘Ja ja.’
Kerel glimlachte goedkeurend. Ze zouden blijven, die twee. Er was een doel.
‘Rokers!’ kraste Rita. ‘Aanrukken! Nico en Tine wachten op ons!’
Dat was het sein. Een kleine minderheid spoedde zich naar buiten, aanstekers en sigaretten in de aanslag. Ook Birde, Finland, Annelisa en Kerel verdwenen even.
Anneessens nam een fikse slok van zijn Leffe. In het hoekcafé had hij drie glazen Guinness gedronken, het donkere sap van de protestanten en de katholieken. Die smaak wilde hij wegspoelen. Te veel dwarsfluit, stepdance, leprechaun en klaver. Om er galopkak van te krijgen.
‘Alles goed, Anneessens?’ informeerde Moos, de zelfverklaarde nachtburgemeester van de stad. Hij werd geflankeerd door de rode wijn zwelgende Laveloos, een lokaal bekend liberaal met een hondenkop en een treurige druipsnor.
‘Ik heb mijn goede daad voor vandaag al achter de rug.’
‘O?’
‘Paar glazen bier gedeeld met zwervers. Medicinaal gebruik.’
‘Schoon van u. Ze gaan u nog zalig verklaren, Anneessens.’
‘Je kent mij hé, Moos. Sympathie voor de zwakkeren. Hoe is het nog met jou? En met je lichaam?’
‘Dat gaat, dat gaat.’
‘Merci voor de zaligverklaring. Zalig.’
Moos keerde zich met een verongelijkte oogopslag en wat gesnuif van Anneessens af en ging een meter of twee verder staan fluoresceren in zijn eeuwige hawaïhemd. Zijn communicerend vat Laveloos bracht een duvelglas vol met rode wijn naar zijn lippen, maar omwille van gedruip annex gewalg dat hierop zou volgen, wende Anneessens zijn blikken af.
Rita kwam als eerste weer binnen, met in haar kielzog de verslaafden. Ze brachten een stankwindje met zich mee van nicotine en gerookte kleren.
‘Moos: er is bezoek voor u buiten. Ze komen subiet.’
‘Deur toe!’
‘Deur toe!’
‘Godver: deur toe!’
Moos en zijn drankbroeder Laveloos maakten zich om ter dikst vanwege die deur.
‘Annelisa: ik moet je spreken,’ zei Anneessens.
‘Ah ja? Professioneel?’
‘Ja.’
‘Zij is advocate’, deelde Kerel volledig overbodig mee, terwijl hij – nog veel overbodiger – met zijn spitse muizenkop naar haar knikte. En hij bleef maar doorknikken.
‘Drink iets van mij.’
‘Dat mag witte wijn zijn.’
‘Jij ook, Ke… ‘
De tweede lettergreep, ook al was die dof, weigerde uit Anneessens mond te komen.
‘Ook ik, ja, merci.’
Ook ik? Wat voor een zin was dat nu. Anneessens wenkte in gebarentaal om twee witte wijn en twee verse Leffes – Finland moest nog wederzijds bedropen worden. Die boog zich alweer – voorbarig, de avond was nog ‘jong’ – over de knoppen en lampjes van de afdeling lawaai & muzak.
‘Het zit zo, Annelisa… ‘
‘Zeg maar Anne.’
‘Anne… ‘
‘Lisa gebruiken we gewoonlijk in familiaal verband’, piepte de muis.
‘Ga de wijn halen, Kerel. Dit is persoonlijk’, snauwde ze. ‘En stop met knikken. Heb je gisteren misschien een voetbal tegen je kop gehad?’
Anneessens knikte goedkeurend: ‘Liefst onder vier ogen, Anne.’
‘We gaan even aan dat tafeltje zitten. Kerel deelt de drank wel rond. Hij doet op ons bureau ook de koffie, dossierkennis, ha ha.’
‘Aha, we hebben een Max Havelaar onder ons. Voetbalt hij?’
‘Nee nee. Hij zit alleen maar te bibberen in de tribune van caféploeg Excelsior. Denkt dat hij vip is. Zeg het eens, Anneessens. Probleem?’
‘Anne, ik… ‘
Abrupt stokte hij.
Annelisa zou nooit te weten komen waarom Anneessens haar nodig had.
‘Anneessens? Visgraat? Verschijning? Wat is er?’
‘Verdomme… Heb je van je… ‘
Hij staarde perplex over de piekharen van Annelisa heen. Ze draaide zich om en weer om en keek hem vragend aan.
Wie kwamen er godgenageld doodgemoedereerd De Woede der Noormannen binnengestapt?!
Schijtvader en Luierzoon!
De geld- en plasticloze mannelijke ouder plus nageslacht.
De familie Sluitspier.
Verbijsterd keek Anneessens op hun entree toe, terwijl woede in hem opborrelde.
‘Anneessens?’ informeerde Annelisa. ‘Voel je je niet lekker? Is er… ’
‘Jarvis!’ stiet hij uit.
Kerel pootte een witte wijn en een Leffe neer en schuifelde achterwaarts terug naar de onbestemde plek van alle grijze muizen: overal en nergens.
De aangeroepene en de Jarvispa grijnsden hem vriendelijk toe. De zoon stak zelfs twee vingers in de lucht: ‘Tweede keer!’.
‘Godverdegodver’, vloekte Anneessens binnensmonds. Hij pakte zijn Leffe vast en klokte de helft ervan door zijn keelgat.
‘Wat is er?’ vroeg Annelisa.
‘Verdomde profiteurs… ‘
‘Is het daarover dat je… ‘
‘Nee nee. Maar dit… dat… ‘
Hij voelde zich zo opgenaaid dat hij zijn nieuwe probleem niet compact verwoord kreeg.
‘Allez: santé hé. Krijg ik nu nog te horen waarom je… ‘
‘Verdomde strontreet’, gromde Anneessens.
Weer slikte hij een gulp Leffe door. Die kletste rechtstreeks tegen zijn ruggengraat en veroorzaakte een enorme boer.
‘Hela: is dat tegen mij?’
Annelisa dronk nu ook in anderhalve hink-stap-slok haar glas ongeveer leeg. Met argusogen volgde Anneessens het tweetal. Ze wurmden zich via het westen van de halvemaan tot bij het centrale tap- en schenkpunt, waar Lovely Rita ze vriendelijk toeknikte.
‘Er is stront aan de knikker, Anne’, deelde Anneessens nu mee.
‘Hé?’
‘Zou jij op café gaan met een luier om je kont?’
‘Wablieft??’
‘Met je bilspleet in een pamper?’
‘Eh?’
‘Zonder een cent in je buidel?’
‘Zeg… !‘
Annelisa kapseisde nu haar glas helemaal om ook het grondsop tot zich te nemen. Daarna haalde ze met haar vrije vuistje uit naar het gezicht voor haar.
‘Bull’s eye!’ riep Birde.
‘Lisa! Anne!’ piepte Kerel.
De stroom voedsel en drank waar het indrukwekkende lichaam van Finland constant naar snakte, werd mede toegeleverd door Lovely Rita van De Woede der Noormannen. In ruil daarvoor trad hij tot soms drie keer per week op als dj, les of geen les. Hij leefde dus voor een stuk van zijn hobby: de muziek. Een geldelijke beloning was hierbij niet voorzien. Daar aasde Finland ook niet op, want hij incasseerde maandelijks een fraaie wedde van het ministerie van Onderwijs. Die gelden verzwonden ook elke maand vlotjes in muziekshops, boekenwinkels, concertzalen en op festivalweiden. Ooit was Finland op reis door India bijna heiligverklaard omwille van zijn lijf. Overal wilde men hem aanraken. Overal werd hem de vraag gesteld: ‘Hoe kom je aan zo’n lichaam?’ Bij terugkeer was hij drieëntwintig kilogram vermagerd door constante galopkak. Hij had zich moeten behelpen met goedkope whisky om toch maar iets hygiënisch drinkbaars tot zich te nemen. Ook dat spoot er echter aan de achterkant zo weer uit.
Een vrijdagavond voelde altijd speciaal aan. Verwachtingsvol. Beetje feest.
‘Het weekend gaapt als een oven’, placht hij te zeggen. ‘En we moeten erdoor’. Op sommige van die vrijdagavonden eindigde hij na gedane zaken als een scheve toren van Pisa, overvoed met pizza en spaghetti en bijna verdronken in bieren uit lage streken.
‘Niet te luid hé vanavond’, zei Rita. ‘Het is hier ook een praatcafé. En Annelisa gaat er anders weer bovenuit gaan gillen.’
‘Zwijgen is goud, Rita. Ze moeten maar zwijgen. Het zijn toch allemaal nonsens. Cafépraat.’
‘Ja, maar… ‘
‘Ze moeten luisteren.’
‘Ja, maar… Hier, er zit zalm tussen. Straks zijn er minipizza’s en Griekse omelet.‘ Merci. Anders zijn het parels voor de zwij… Ah, Anneessens, gij hier.’
‘Ja, ik hier, Finland. Maar waar is je werkwoord? Gebruik eens een werkwoord.’
‘We zijn hier niet om te werken hé. ’t Is maar een constatatie.’
‘Moet het niet zijn: constatering?’
‘Gij simpele duif. Uw taalknobbel zit in de weg. Drink wat van mij.’
‘Een Leffe. Blond.’
‘Rita: twee stuks.’
Even later stonden ze op hun min of meer vaste vrijdagse stek aan de toog.
‘Finland: santé!’
‘Proost, Anneessens.’
Het werd drukker in De Woede, druppelsgewijs. Annelisa en haar schaduw waren er natuurlijk al – reeds op peil. Wellicht hadden ze al een drenkplaats achter de rug. Die bleven hier schuilen tot vannacht. Ook de zoopjesbroeders Moos en Laveloos hadden hun zitvlees al geruime tijd over enkele centrale barkrukken uitgespreid.
‘Draai je vanavond, Finland?’ vroeg Anneessens.
‘Ja, draai je vanavond, Finland?’
Magere spriet Birde stootte met haar punttieten tegen zijn rug. Finland fronste zijn wenkbrauwen. Hij greep al naar zijn pakje tabak in zijn zak.
‘Nee nee. Of je draait’, herhaalde Anneessens met een knik van zijn hoofd.
‘Ah ja. Vanaf tien uur vanavond.’
‘Draai je weer, Finland?’
Dat was die zuipschuit van een Annelisa.
‘Ja ja.’
Het gebaar van Finland veroorzaakte ter hoogte van de longen midscheeps Lovely Rita een soort van pavlov-reactie, want plotseling riep ze: ‘Rokers! Aanrukken! Nico en Tine wachten op ons!’
Finland knikte en ging mee naar buiten, onderweg zijn rookspullen uit zijn jaszak plukkend.
‘We hebben er nog één te goed van nachtburgemeester Moos’, zei Jarvis. ‘Nietwaar, pa? Niet omvallen; ik laat je los.’
Jarvis onthaakte zich van zijn mannelijke ouder.
‘Aha’, knikte Finland. ‘En gaat dat goed aflopen?’
De Jarvis-verwekker zag er niet al te best meer uit.
‘Zit hij hier binnen, Moos? Hij zit hier toch elke vrijdag hé?’
‘Correct’, antwoordde Rita in Finlands plaats.
‘Allez pa: we hebben geluk. Moos is er.’
‘We gaan eerst ook eentje opsteken.’
‘Maar… zal dat wel gaan? Met eh… ‘
Zoon Jarvis boog even zijn hoofd.
‘Ja ja. Zwijg er nu maar over.’
‘Goed, pa. Vooruit dan. Allez, tot zo.’
Lovely Rita schoot haar peuk weg en spoedde zich met haar gevolg weer naar binnen.
‘Niet te diep intrekken, pa.’
Weer gluurde Jarvis even naar beneden, om te zien of er geen rook uit de ouderlijke bilspleet opsteeg en of de luier zijn werk deed.
‘Deur toe!’
‘Deur toe!’
‘Godver: deur toe!’
‘We gaan die deur wel dichtdoen, zageventen!’ riep Finland geprikkeld. ‘Geef ons toch de tijd om binnen te komen!’
‘Het tocht hier als op een opendeurdag in de hel!’ foeterde Moos.
‘Beetje geduld, zeurpiet.’
‘Omdat jij daar tegen kunt met je kilo’s rookvlees om de gordel’, grijnsde Laveloos.
‘En onder de gordel, hi hi hi.’
‘Waar slaat dat nu op!?’
‘Op, nee: onder de gordel, hi hi hi.’
‘Wat zeg je daar, druiplul?!’
Finland naderde met zijn grote lijf de nachtburgemeester en de liberaal. Even leek het dranklokaal te verduisteren.
‘Het waait buiten. Dat is niet goed voor mijn stem. Een nachtburgemeester heeft zijn stem nodig. Zijn stemmen. Hi hi.’
‘Hi hi’, deed ook Laveloos.
‘Heb je het nog binnen weten waaien, burgemeester van mijn kloten?’ meesmuilde Finland.
‘Ja: als die verdomde deur niet vlug genoeg dicht wordt gedaan. Omdat er neushoorns zoals jij door moeten kunnen.’
‘Als je dat zo erg vindt, miserie-Moos, ga er dan zelf voor liggen, als tochthond.’
‘Jouw dik lijf stopt veel beter die scheur onder de deur af, Finland.’
‘Met het verkeerde been uit bed gestapt, Moos? Of een geval van paraskevidekatriafobie? Maar dat is een veel te moeilijk woord voor jou hé. Veel te lang ook voor een zelfverklaarde nachtburgemeester met het IQ van een kiwi.’
‘Alstublieft,’ piepte Kerel tussen de woordenwisseling door. ‘Een Leffe. Van die daar.’
Hij knikte met zijn muizenkopje richting Anneessens, die nu met Annelisa aan een tafeltje zat.
‘Ja, merci.’
‘Je draait nog vanavond hé?’
‘Ja ja.’
Kerel schuifelde weer weg.
‘De psycholoog draait momenteel door,’ grinnikte Moos tegen Laveloos.
‘Ha ha!’
Finland nam een geweldige slurp van zijn bokaal Leffe en patste dan het glas op de toog neer. Twee nieuwe binnenkomers baanden zich nu een weg naar het middelpunt, waar ze ongeveer iedereen hinderden.
‘Wat zeg je daar?’ vroeg Finland dreigend.
‘Je draait door, meneer de schoolpsycholoog.’
‘Bull’s eye!’ hoorden ze plotseling Birde roepen. Finland draaide zich om. Tumult en gelach. Anneessens greep met beide handen naar zijn hoofd. Een glas stuiterde om en brak. Annelisa sprong op.
Toen draaide Finland zich weer om.
‘Hier, voor elk een draai!’ riep hij.
Simultaan plantte hij zijn rechtervuist in Moos’ en zijn linker in Laveloos’ smoel. Het duo ging onmiddellijk halfstok op hun barkruk hangen, handen in een kom voor hun gezicht.
‘Double bull’s eye!’ wees Birde gillend.
Toen waren alle rapen gaar in De Woede der Noormannen. Jarvis’ oude doorrookte vader greep verschrikt naar zijn kont, in een wanhopige poging om zijn sluitspier te beheersen.
‘Lisa! Anne!’ piepte Kerel. Waarop hij ook prompt een krachtige maagstoot annex scherpe aanslag ter hoogte van zijn ballen incasseerde toen zijn dunne wederhelft opsprong om het glas te ontwijken dat richting haar mantelpakje stuiterde.
‘Auw! Auw! Aaa…! Liii…!’
Laveloos en Moos sprongen nu met hun bloedneuzen op Finland af en probeerden hem op de grond te sleuren. Hun door drankmisbruik gedicteerde bedoelingen waren hierbij onduidelijk.
Lovely Rita wist niet waar eerst te kijken. Overal en tegelijkertijd gebeurde wat.
‘Bull’s… !’
‘Stop dat Engels gekrijs, Twiggy!’
Magere Annelisa en graatmagere Birde vlogen elkaar nu om god weet welke reden ook in de haren. Anneessens’ bloed vormde ter hoogte van zijn hart een rode schietschijf op zijn witte hemd. Kerel stond dubbelgevouwen te kotsen. Finland was behangen met twee aanvallers met bebloede smoelen. Een van de nieuwkomers struikelde over een omgevallen barkruk. Er hing nu onmiskenbaar een reuk van stront in de lucht.
Toen Lovely Rita zich ijlings naar de traktaatbel spoedde om alarm te slaan en de boel tot bedaren te brengen, viel haar oog op het scheurkalendertje.
JORIS DENOO

