Kunst met peren
KUNST MET PEREN
Op de zondagse rommelmarkt van Doornik/Tournai kocht Nic een proper ingelijst schilderij van twee meter op tweeënhalf. Er stonden zeven gigantische peren op, die onder elkaar voor de beste zit-, staan- of ligplaats wedijverden op een groot bord. Alle peren waren zeer groen, op dezelfde manier. Met opengeklapt kofferdeksel – de truc met het touw – reed een tevreden Nic door weer en wind met zijn buit terug naar Chez Nic, zijn randstedelijke taverne in Kortrijk, Vlaanderen. Een van de muren in zijn gelagzaal smeekte allang om een kunstwerk. Na een vol uur geworstel met zwaartekracht, evenwicht, symmetrie en betweterij van zijn huisvrouw Annick, hingen de peren eindelijk waar ze altijd al moesten hebben gehangen.
Kunst in huis!
Het scheelde geen haar of Nic paste terstond zijn prijslijsten aan, kwestie van de plotse meerwaarde van zijn kunstcafé te accentueren.
Toen de eerste stamgasten omstreeks zevenen begonnen te landen, deden er zich verschillende versies van belangstelling voor:
- enkelen gunden het kunstzinnige fruit geen blik;
- iemand keek ernaar en reageerde totaal niet;
- een ander trok zijn wenkbrauwen even op;
- nog enkele anderen gleden er kortstondig met hun blik over en keken daarna zowel Annick als Nic (in de wandelgangen genoegzaam samenvattend aangesproken als Ann-Nic, in één adem) diep in de ogen.
Het eerste uur keken Ann-Nic elkaar ook voortdurend vragend aan, soms even knikkend en schuddend in de richting van het kunstwerk. Toen hield Nic het niet langer vol: ‘Ewel, mannen?’
Nu knikte hij uitdrukkelijk naar de perenmuur.
‘Ja?’
‘Probleem, Nic?’
‘Wel godver, nee gij! Heb je dan de verandering niet gezien?’
‘De verandering, Nic?’
‘Ewel, daar: het schilderij! Je kunt er toch niet naast kijken?’
‘Jammer genoeg niet’.
‘Maar ’t is een kunstwerk! Van Doornik! Van de… van een galerij!’
‘Er staan peren op, Nic, peren’.
‘Dat weet ik ook wel hé’.
‘Ik eet niet graag peren’.
‘Ik ook niet. Vooral niet gestoofd’.
‘Maar allez … waar zit jullie cultuur?! Vind je het dan niet mooi?’
‘’t Is uw café hé, Nic’.
‘Ja, jij bent de baas, Nic’.
‘Maar wij moeten er ook op kijken hé’.
‘Maar verdomd… Fruit is toch gezond? Heb je dàt nu nog… Tweehonderd twintig euro…‘
De zondagavond, waarvan Nic gehoopt had dat die niveau zou halen, verliep verder in mineur. Niemand lustte pap van de peren. Iedereen bleef obstinaat met zijn kont naar de esthetica van de vruchten gekeerd zitten. Ann-Nic brachten de rest van de uren hoofdschuddend achter hun tapkranen door en sloten de Chez Nic al om halftwaalf, schandalig vroeg voor een kunstcafé.
Het werd nog erger. Het perenkonterfeitsel lokte bij meer en meer stamgasten opstandigheid en agressie uit. Sommigen mikten zelfs stiekem bierviltjes of proppen papier naar het stilleven. Men legde vooral oneerbied aan de dag jegens het doek. De kunstzinnige indringer deed vreemd genoeg ook bepaalde dronkenschappen escaleren tot een gevaarlijke graad, wat bij Chez Nic tot dan toe geen schering en inslag was geweest. Het was net alsof de peren gealcoholiseerde poires Williams waren en iedereen in hun omgeving aanstaken. Er grepen verhitte discussies plaats tussen de uitbaters en de klanten. Een late nachtbraker lanceerde zelfs een deels opgegeten lasagne naar het fruit, brullend dat hij tegen vegetarisch voedsel was. Hij trof geen doel, het werd een schot voor de boeg, maar hem werd tot in der eeuwigheid de toegang tot het pand ontzegd. Vijf minuten later kwamen zes schouwburgbezoekers binnen die openlijk in lachen uitbarsten, terwijl ze eigenlijk net een veel te lang experimenteel treurspel hadden ondergaan. Nee: Montmartre was allang voltooid verleden tijd.
De peren van bij de Chez Nic werden wereldberoemd in Kortrijk en belendende percelen. Op korte tijd vormden zij het decor voor een huwelijksaanzoek, een weddenschap, een groepsfoto en een interview met een Bekende Vlaming voor de streektelevisie. Het debiet van het bierverbruik in ‘de Nic’ steeg gestaag.
De stedelijke academie voor beeldende kunsten, altijd in voor een trend, hield er zowaar haar jaarlijkse dankreceptie voor de levende modellen. Het was op die avond dat zo’n kunsthaantje-de-voorste plotseling hardop en met voorbedachten rade opmerkte:
‘Er staat geen naam op. Van wie is dat ding?’
Alle kunstkippetjes in zijn omgeving knikten bevestigend. De stamgasten, in vaste slagorde aan de toog geschaard, pint in de aanslag, reageerden collectief als een falanx, eensgezind. De wekenlang opgepropte agressie, veroorzaakt door het doek, keerde zich nu eensklaps tegen de academische kunstbende en heur valse verontwaardiging.
Wat, geen naam!? En vindt gij dat erg misschien? Moet er dan overal een naam op ja? Dat gij weet hoe veel het waard is misschien? Is het dat, ja? Herinnert gij u Van Gogh misschien niet? Komt gij hier een beetje lachen met ons? Zoudt gij dat kunnen in die academie daar? Moeten wij u eens een echte peer stoven? Peinst ge dat we ’t niet weten? Wij hebben ook ogen in onze kop. Gij kwaamt hier vroeger niet hé? Is ’t voor de peren dat gij hier met die geklede madammen zit? Moeten wij een keer naar uw gepruts komen kijken? Waar wij belastingen voor betalen?
Ann-Nic keken stomverbaasd toe. Vanwaar deze plotse wending? De twee groepen kwamen dreigend tegenover elkaar te staan, zitten. Wat was hier in ’s hemelsnaam plotseling gaande? Kunst stond dreigend tegenover kitsch en vice versa. Platte peren gingen de confrontatie aan met aangeklede levende modellen recto verso. In plaats van verf en water kwamen drank en adrenaline in actie. De kunstzinnige academie kwam in aanvaring met de universiteit van het leven. Chez Nic werd plotseling een zeer symbolische bierkaai. In de naam van de kunst, de drank en het groot gelijk zouden hier doden kunnen vallen.
Toen na veel geroep en geschreeuw de drank bij sommigen de oorlogszucht deed opborrelen, en er bijvoorbeeld mannen in volle lengte van hun kruk opstonden en er non-verbaal mouwen werden opgestroopt, kukelde plotseling met een doffe bons het perenschilderij zomaar eerst slagzij op een van de tafeltjes en daarna bijna helemaal te gronde neer.
Alles stokte.
Opbollend als een verdronkene en half uit zijn lijst belandde het kunstwerk tussen schip en wal, in psychedelische ademnood voorover hellend ietwat gestut door een ander tafeltje.
Alles bleef stokken.
Toen stortte het ding totaal voorover, zijn achterkant van twee meter op tweeënhalf prijsgevend.
Daar stond een onleesbare naam op.
En een prijs: 220 €.
De perencompilatie was nu dus abrupt verworden tot een plattegrond, totaal onverwacht: niemand had er de laatste minuten nog maar naar gekeken, laat staan aangeraakt.
‘Voilà!’ was de eerste reactie vanuit academische hoek.
‘Merde!’ riepen Ann-Nic, ook al in het Frans, net als de titel van hun café.
‘Perenmoes’, mompelde iemand zeer zacht.
De val van de perenassemblage sorteerde onmiddellijk een helend effect, zoals op een begrafenis de vrienden en de vijanden van de heengegane zich broederlijk verenigen rond de resten. Met vereende krachten bogen zich voor- en tegenstanders over het ter ziele gegane fruit. Uit piëteit raakte niemand het aan.
‘Het was nog een mooie lijst’, mompelde iemand van de academie voor monumentale kunsten.
‘Tweehonderd twintig euro’, knikte Annick. Ze zeulde het ding ietwat rechtop, in een fatsoenlijker standje.
‘Pas op!’ deed Nic, maar de peren gleden verder uit hun verband.
Het volgende halfuur werd de zaak opgeschort: de academici en hun modellen dropen af, de stamgasten keerden naar de toog terug, Annick en Nic tapten troost met wazige blikken naar de onmiddellijke verte. Af en toe wierp iemand nog een extra ondersteunende meewarige blik naar achteren, naar de verhakkelde lijst en het doek waaruit alle spankracht was verdwenen.
‘Kut met peren’, dacht niemand hardop, uit schrik voor levenslange verbanning uit dit horecabedrijf. En weer eindigde een perenavond Chez Nic in mineur, maar met randverschijnselen erbij. Kunst is afzien.
Enkele brave zielen herstelden het kunstdoek zo goed en zo kwaad het ging. Schroomvol werd het daarna weer naar de muur gedragen en behoedzaam daaraan gehangen. Dat ging met evenveel zorg gepaard als bij de kruisafneming. Nic gaf een rondje voor zijn kunstmedewerkers. De discussies over het fruit leken verleden tijd: men was opgekomen voor eenzelfde zaak; men zweeg in alle talen over het voorwerp van deze collectieve actie.
Die van de academie kwamen natuurlijk nooit meer terug.
‘Die dikkenekken moet ik hier niet meer zien’, blies patron Nic.
Wie er wel af en toe in de Chez Nic opdoken: slachtoffers van practical jokers en goedgelovigen aan wier oren de stadslegendes graag haperden. De peren deden blijkbaar hun ronde, in allerlei vormen.
Een loopmeisje van traiteur Christophe kwam tien perentaarten bestellen.
Iemand wou zich inschrijven voor de verkiezing van Heer Peer.
Op een zondagmiddag frequenteerden tientallen autozoektochters de Chez Nic om het aantal vruchten op het schilderij te tellen. Nic zelf diende telkens, net niet razend, formulieren van zijn goedkeurende handtekening te voorzien.
Perenwijn? Nee meneer, geen perenwijn, dat hebben wij hier niet.
Maar ze zeiden …
Géén perenwijn!
Tiens, ik heb nochtans …
Géén perenwijn!
Een stille, bedeesde groep vrouwen van 50-plus vereerde op een regenachtige zaterdagmiddag het kunstkaffaat Chez Nic met een bezoek. Ze kwamen uit het verre Brugge en wilden wat graag de pas ontdekte peren-Permeke bewonderen.
Die dag besloot Nic zich van het schilderij te ontdoen. Maar hoe ontdoe je je van een doek van twee meter bij tweeënhalf?
De oplossing bood zichzelf aan, zoals zo vaak: totaal onverwacht, onverhoopt, zo perfect ook dat je meent op de achtergrond de helse schaterlach van een gemene afgod te horen. De perenschilder hemzelf vereerde namelijk de Chez Nic met een bezoek. Een vergelijkende studie tussen identiteitspapieren en de quasionleesbare krabbel op de achterkant van het schilderij later op de avond toonde voorwaar aan dat de man gelijk had.
Het was een saaie donderdag in de vooravond. De eerste toogabonnees streken in hun drenkplaats neer. Zoals wel vaker in de vooravond gebeurde, waren er ook enkele onbekende bezoekers. De kale man met het grijze kutbaardje zat al geruime tijd aan een tafeltje in de diepte van de ruime gelagzaal toen Nic hem opmerkte – het werd drukker. De man zat zo hardnekkig naar het perenschilderij te staren dat iemand van de getrouwen Nic wel moést attent maken op zijn aanwezigheid – het begon op te vallen. Toen het ijs wat gebroken was en de identificatie ook een feit bleek, wou men natuurlijk weten …
‘Ik zag foto’s in de krant waarop mijn schilderij het decor vormde voor een en ander en tja, hier ben ik dan hé, beetje nieuwsgierig’.
‘Bent u kunstschilder? Schildert u nog altijd?’
‘Eh… nee, ja, of nee eigenlijk. Jaren geleden heb ik dit perenstilleven geschilderd. Maar met dat schilderen ben ik onlangs gestopt’.
‘Hoe kwam dat dan in Doornik terecht?’
‘Het hing bij ons thuis en werd de oorzaak van mijn echtscheiding. Om de een of andere reden maakte het schilderij mijn vrouw razend. Er kwamen steeds meer ruzies door. Op een dag was ze er vandoor, want ze had me de keuze gelaten: zij of het schilderij. Toen ze weg was, verkocht ik in een tabula rasa opwelling het ding aan een opkoper. Die moet het dan zelf weer verkocht hebben aan… wat zei u: een galerij?’
Nic knikte.
‘Tiens, wat voor galerij zou dat dan zijn? In Doornik dus?’
‘Eh, ik herinner me de naam niet meer’, zei Nic. Hij loerde verstolen rond, maar niemand leek duistere binnenpretjes omtrent rommelmarkten te koesteren.
‘Tweehonderd twintig euro?’ informeerde de schilder.
‘Ja’.
‘Lijkt me ook geen galerijprijs te zijn. Enfin’.
‘Nee hé’, zei Nic, terwijl hij nog eens peinzend naar het konterfeitsel keek.
‘Wat hebt u juist bedoeld met dit werk?’ vroeg een van de idiote stamgasten. Nic keek de kerel vernietigend aan.
‘Pff… ,’ deed de kunstschilder, ‘dat weet ik niet meer. Dat wil ik niet meer weten ook. Die periode is afgesloten’.
‘Uw groene periode?’ informeerde dezelfde snoodaard.
‘Wil u het werk terug?’ onderbrak Nic. ‘Ik wil het weer weg hier. Het lokt… eh… er komen ruzies van, en rare toestanden hier. Er is al van alles gebeurd. Het ding is zelfs al van de muur gevallen. Neem het weer mee, meneer, u zou er me een dienst mee bewijzen’.
‘Gratis voor niks?’
‘Natuurlijk’.
‘De toestand moet wel heel erg zijn’.
‘Het scheelde niet veel of de oorlog brak hier uit’.
‘Allemaal voor die peren?’
‘Uw peren, ja’.
‘Alle zeven’.
‘Het is toch niet waar dat ik nu weer met mijn eigen schilderij opgezadeld zal zitten hé’.
‘Ja, uw vrouw… ‘.
‘Weg is weg. Maar mijn vriendin… ‘
‘Ik zou toch maar oppassen’, merkte de hardnekkige snoodaard op.
‘Godver Francky, moei u toch niet eens!’ riep Nic plotseling driftig.
‘Zie je nu wat ik bedoel?’ ging Francky onverstoorbaar door. ‘En dat allemaal door die peren, ùw peren, meneer. Kijk nu eens naar die rooie kop! Hij doet nog wat, verdorie’.
Net toen bij Nic de maat vol was en hij een fractie nog twijfelde tussen het toedienen van een oplawaai of verwijdering uit het café of een hardhandige combinatie van beide, donderde het perenschilderij ten tweeden male ter aarde neer. Ongelofelijk, maar waar. De schilder verstarde prompt in een wassen beeld met uitpuilende ogen en gapende mond. Francky bracht een helse lach voort.
Nu was het probleem aanzienlijker dan de eerste keer. Het groepje van vier donderdagse kaartgetrouwen, glazen en asbakken en sigaren en speelkaarten in de aanslag, een heerlijk avondje tegemoetziend, gezeten rond het tafeltje vlak bij het kunstwerk, spatte uiteen als na een bomaanslag. Het schilderij stortte te midden van hen neder. Bijna simultaan verscheen patrones Annick gillend op het appel, gealarmeerd door het gekraak, gebonk, gesplinter, gevloek.
Zeven gigantische peren vielen vier manspersonen aan.
Toen waren alle rapen gaar. Er brak een regelrechte vechtpartij uit, waarvan de basis bestond uit Nic versus Francky, beiden alras innig verstrengeld, en de rest uit hun respectieve achterban. In deze perenveldslag, waar de schilder verbijsterd op toekeek, ging het voorwerp van extreem ongenoegen voorgoed verloren. Het werd vertrappeld en onteerd en verscheurd en uiteengerukt in de hitte van de strijd.
Kunst in huis?
Nou, perenmoes.
JORIS DENOO


