Naar de inhoud

VRESELIJKE VERHALEN

JORIS DENOO
akke.beakke.be

Archief

Frietpeace

FRIETPEACE


1. HEILBOT

Het was een donkere namiddag eind oktober, de dag voor de begraafplaatsen onder een zee van bloemen bedolven zouden worden. Bomen zwiepten heen en weer; bladeren regenden uit hun kruinen en tolden in dwaze kolken door de straten.
'Heilbot!?' riep Rozzemussche uit.
'Wel ja: gezond zeevet!' repliceerde Rapunzel.
'Heilbot rijmt met frietkot! Ik ga liever naar frituur Monique dan naar dat viswijf in De Diepzee.'
'Doe wat je niet laten kunt, vetzak.'
'Dat zal niet mankeren, schraalhans.'

Rapunzel vertrok voor haar shift in Bio-Planet zonder de gebruikelijke afscheidsgroet. Rozzemussche, oud-leraar Houtbewerking in prepensioen, telde de minuten af die hem scheidden van avondvoedertijd. Die tijd vulde hij op met tv-staren naar debiele rand-idiote realityprogramma's - incluis debiele rand-idioten voor wie zelfs het anderstalige woord 'reality' veel te hoog gegrepen was. Klokslag 18:00 uur veerde hij uit de sofa op. Frituur Monique, Beloofde Land van sissend vet en knijpuiers vol dipsauzen, bevond zich op twee minuten fietsen, in zijn eigen drukke straat. Frietpeace!

2. TZIGANE

‘Dat moet toch allemaal stukken van mensen kosten,’ merkte Rozemarij zuchtend op, terwijl ze zich weer omdraaide.
‘Eh?’ deed Attila verstrooid.
Hij was ver heen, hoewel hij vlak bij haar was. Nu weer in haar, met name, en niet in de stadsschouwburg, waar hij vanavond eigenlijk hoorde te zijn.
‘Ai. Dat dat toch allemaal veel moet kotsen … eh … kosten,’ herhaalde Rozemarij, gesmoord lachend.
‘Wat?’ hijgde Attila.
‘Wel: al die vreemde groepen die hier komen spelen, en dat moet toch ook eten en slapen?’
‘Welke vreemde groepen?’ vroeg Attila, terwijl hij onvolkomen in haar klaarkwam.
‘Wel, waar gij vanavond naartoe moest gaan luisteren.’
‘O, die.’
Hij deponeerde de laatste druppel haastzaad in haar lijf en hoorde gelijk een flard weemoedige tzigane-muziek die hij vanavond moest missen. De Stedelijke Plantsoendienst had gratis gesponsorde tickets voor het optreden uitgedeeld. Boomchirurg Attila had geen zin om op een vrijdagavond in de pluche van de schouwburg zijn tijd te gaan verdoen. Zijn lid floepte weer uit haar liefdesgrot.
‘Hoor hoe het waait!’
‘Rozemarij?’
‘Ja?’
‘Dat zou storen zeker moest ik nu nog naar dat optreden gaan?’
‘Hé?’
‘Mijn baas zal daar misschien ook zitten.’
Eigenlijk had Attila honger. Maar zij was op dieet.
‘Ik keer na dat optreden subiet terug naar hier.’
Hij stak een post-coïtale sigaret op. Zeven minuten later parkeerde hij zijn Skoda bij frituur Monique voor een stiekeme vette hap. Frietpeace!

3. TAKKEWIJF

Hij smakte de deur achter zich dicht. Het hele huis kreeg een dreun. Hij stond buiten. Dolle wind harkte zijn haar steil achterover. Inktzwarte wolkenwatten zeilden door het zwerk.
‘Verhippeltjes, godgenageld takkewijf,’ foeterde Furore. Hij blies warme adem in de kom van zijn handpalmen. ‘Holy scampi’s godverdomme. Die wind tolt ook in die rare kop van haar rond!’
Even droop een grimlach over zijn tanden. Hij voelde de ogen van zijn moeder in zijn rug branden; ongetwijfeld stond ze hem achter haar besmuikte gordijnen stiekem neer te kogelen.
‘Nu heb ik ogen in mijn rug,’ mompelde Furore. ‘De hare.’
Hij sloeg zijn kraag op en liep naar het stadscentrum, terwijl de woordenwisseling met zijn vrouwelijke ouder nog door zijn hoofd echode.
‘Die ouwe harpij,’ gromde hij tegen zichzelf. ‘Ambetante koekendoostante.’
Hij nam een laatste kopie van de schermutseling, sloeg die in zijn geheugen op en duwde de deur van drenkplaats Telstar open, halfweg de Budastraat.
Toen hij volledig uit het zicht verdwenen was, haastte moeder Furore zich naar frituur Monique twee straten verder. Waar het vet siste, werden de gemoederen gesust. Frietpeace!

4. KAT

Er zat een vrouw in de bus. Ze had van Dierenwelzijn een boete gekregen omdat haar kat te dik was. Wat huisdierenzorg betrof, was de wet de laatste tijd plotseling beenhard geworden. Zelfs overbezorgde huisdierenhoudsters konden tegen de lamp lopen.
De vrouw was al enkele maanden bijzonder kwaad omdat er niet meer gerookt mocht worden in cafés en restaurants. Nu moeiden ze zich ook nog eens met de omvang van haar kat. Deze vrouw zat dus bijzonder balsturig op de achterbank van een stadsbus. Ze weigerde bijvoorbeeld permanent om op te schuiven en wat plaats te ruimen voor verse passagiers. Ze wilde evenmin antwoorden op vragen of aanmerkingen daaromtrent, zelfs niet op een goedbedoelde opmerking in verband met het hevige waaiweer. In zijn achteruitkijkspiegel hield de chauffeur deze tijdbom nauwlettend in de gaten. Telkens kaatste de vrouw zijn blikken opstandig terug.
Frieda Vandenbroucke was bijzonder boos.
Op de overheid.
Op de mensen.
Op de mensheid.
Op de stadsbus die te laat was en hemeltergend lang aan de starthalte had blijven staan.
Frieda Vandenbroucke haastte zich nu te voet op weg naar genoegdoening bij Milieubeheer, bureau Dierenwelzijn, op vrijdagen open tot 18:30 uur. Ter hoogte van frituur Monique vertraagde ze haar boze pas. Het was 18 uur. Ze had nog niet gegeten. Van onder de luifel walmden onweerstaanbaar de frietaroma’s op haar af. Toen de schuifdeuren door een hongerige man werden geopend, was Frieda niet meer te houden. Frietpeace!

5. RHODESIË

Die filmrol was hem helemaal niet 'op het lijf' geschreven. Hij diende er asjeblief 30 kilogram voor aan te komen. Dat deed Karel Heyman dan ook. Want hij had die rol heel graag gehad. Remember Stallone, Schwarzenegger, Schoenaerts. Professioneel vreten. Cheeseburgers. Milkshakes. Viandellen van de frietkeet. Zijn adem stonk naar twee warme maaltijden per dag. Toen alles in kannen en kruiken was, overleed de producent. Karel werd bedankt voor de rol en de filmplannen werden in de lade gestopt.
Zijn kijkcijfers hadden dus een noodlanding gemaakt. Hij pakte zijn zwarte doos, maakte zijn rekeningen en ging in een lokaal verdoofd dorp wonen. Wanneer iemand aanbelde, zei hij: 'Je bent niet welgekomen, je bent gewoon gekomen.' Waarop de bezoeker gewoonlijk weer zijns weegs ging, terwijl de volslanke ex-acteur van tussen zijn besmuikte gordijnen naar diens rug als een vraagteken staarde. Het lag echter nooit in zijn bedoeling te kwetsen. Hij wou alleen met rust gelaten worden.
Eenmaal per week dronk Karel Heyman nors, zwijgend en onbereikbaar vijf pinten in café Rhodesië. Daarna, tegen halfzeven ’s avonds ongeveer, reed hij de lange lelijke ‘boulevard’ af tussen het verdoofde dorp en de provinciestad die van zichzelf beweerde dat hij ‘leefde’. Tweedehandsautoverkopers. Tearooms. Zij hadden die afschuwelijke straat ‘boulevard’ gedoopt. In frituur Monique gaf Karel zich dan verder over aan zijn eetverslaving, waar hij ter plekke een indrukwekkende hoeveelheid vette happen verstouwde. Vijf jaar geleden zou hij dat nooit gedaan hebben. Heden ten dage herkenden ze hem niet meer. Het speelde geen rol meer. HIJ speelde geen rol meer.
Vanavond buitelde de wind als een dolleman doorheen de ‘boulevard’, waar het zelfs waaide wanneer het windstil was. Heyman vloekte toen hij zijn raam omlaagdraaide om zijn sigarettenpeuk weg te gooien. Frietpeace!

6. KALKOEN

Alleloeja was misschien wel niet thuis. Maar het was toch vrijdagnamiddag? Bijna avond? Tijd voor de wekelijkse stof-, schrob- en poetsronde? Jezebel belde nog eenmaal aan, zette twee passen achteruit en tuurde naar boven. Ze hoopte dat ze geen dakpan op haar donder kreeg, want de wind ging geweldig tekeer. De oude pastorie zag er op dat vlak niet echt veilig uit. Geen beweging, geen geroep, geen sleutelbos die pijlsnel naar beneden daalde. Het leeuwenkopje linksboven in de deur, van wie de tong de beldienst uitmaakte, leek haar spottend aan te kijken. Jezebel plukte de kauwgum van tussen haar tanden en plakte die op de tong van de koning der dieren. Daardoor ging de bel andermaal over, maar Jezebel keek niet eens meer om toen ze zich terug naar haar bakfiets haastte.
Op de voicemail van priester Alleloeja’s mobieltje weerklonk zoals gewoonlijk de mededeling ‘Ik ben er geweest. Spreek uw boodschap in na de bieptoon.’
Zuchtend gaf Jezebel het op.
‘Godverdomse bidsprinkhaan! Zeker weten dat je thuis bent! Je eigen zus in de kou laten staan: je verdient de hel!’
Met een vinnige beweging mikte ze haar smartphone in de boodschappentas.
Veilig verscholen achter de overgordijnen volgde Alleloeja met pretoogjes haar aftocht, tot haar auto goed en wel uit het zicht verdwenen was. Daarna controleerde hij de kalkoen in zijn oven. Een primeur in de pastorie. Opgetogen sms’te hij: ‘Ter communie met KLKN. Kom tegen 8.’
Onwetend van het lekkers in de oven van haar broer en zwoegend tegen de wind in fietste Jezebel anderhalf uur later en danseuse naar frituur Monique. Reeds waaiden haar slierten en flarden en dampen frietkotgeuren tegemoet. Frietpeace!

7. STER

Sjors DNO was er zich van bewust dat sterren reeds lang waren uitgedoofd op het ogenblik dat hij ze nog kon zien. Hij keek bij nacht daarom niet met minder vertedering naar boven.
Sjors DNO was er zich van bewust dat wind slechts tijdelijke luchtverplaatsing betrof. Dat belette hem niet in tijden van bries of tempeest zich gelukkiger te voelen dan anders.
Sterren, wind: twee onbetrouwbare grilligheden. Sjors DNO kon ermee om. Een doorsnee mens zou kunnen opmerken: ‘Die Sjors DNO heeft het allemaal voor mekaar.’
Niets was minder waar. Doorsnee mensen waren immers stomweg gelukkig met doorsnee geluk. Stom geluk dus. Dat kleurde hun oordeel over anderen zwart of wit.
Echter! Evenmin was Sjors DNO nog langer aan het worstelen met De Grote Vragen des Levens, Filosofische Kwesties of Prangende Onvolkomenheden op ’s Mensen Pad. Niets raakte hem nog, tenzij hij zichzelf erdoor liet raken. En dat moest de moeite lonen. Nou, moeite. Veel dingen dienden zich klakkeloos aan. Hij hoefde er zelfs niet eens moeite voor te doen.
Sjors DNO was een verkeersslachtoffer en daardoor reeds jaren werkloos. Hij werd namelijk als bediende ontslagen in een grote Brusselse fabriek waar Duitse auto’s werden geassembleerd. Nog even kon hij aan de slag in het gemeentehuis van de West-Vlaamse deelgemeente H. bij K., maar door politieke verschuivingen kwam ook daar een einde aan. Daarna wijdde Sjors zich aan zijn collectie gedroogde bladeren, in het stille ouderlijke huis dat geheel van hem alleen was. Een maandelijkse dotatie vanwege de staat belette hem in een kartonnen doos te gaan leven. Soms dronk hij zich lam in café De Ster, op een boogschot van de provinciestad K., bij ontstentenis van een vrouw in zijn leven. Elke vrijdag keek hij uit naar voedertijd bij frituur Monique, een kwartier te voet. Hij herleidde er zijn vrijdags middagmaal voor tot enkele boterhammen met kaas. ’s Avonds wandelde hij rustig naar de frietkeet, terwijl het water hem in de mond kwam. Hij hoopte dan op wind. Vanavond was het weer feest: Sjors woei bijna van zijn sokken. Frietpeace!


8. FRITUUR MONIQUE

‘… En hoeveel moeten dat dan zijn? Drie… ja… Grote hé… en nog een keer drie middelmatige… Mag daar zout op? Overal? Nee, apart kan ook… Ja… Dat is dan… Nee: dat kan ook, ja… Kipcorn? Ik ga eens kijken… Niet pikant… Of berenklauw… De mexicano is ook lekker… Mag dat samen verpakt worden? Eh… ja, dat hebben we ook. Frisdrank. Blikjes. Geen bekertjes. Geen bier in blikjes. ’t Is wel in flessen hier. Sauce americaine? Of bedoelt ge… Oranje, ja ja… Americaine? Eén of twee keer? Daarjuist zei je… ah… cocktail… Nu snap ik het. Dus zes viandellen hé? En één frikadel. Ik ga dat… Zeg, we hebben ook iets nieuws: varkenshart. Tamelijk pikant. Beetje zoals bicky, maar scherper. Eentje? Proberen? Oké… varkenshartje dus… Twintig minuten? Dat is goed. Dat gaat gereedliggen. Nog een kipcorn? Nog… een… kipcorn. Dat staat erop. De merguezes hebben we ook… brochetten hé… En hoeveel middelmatige bakskes is dat nu? Zes? Eh nee, dat was drie hé… Mag dat per drie? De drie grote apart? Allez… apart samen bedoel ik hé. Amai, ik waai hier bijna uit mijn kot. Zo’n waaiweer. Nog iets? Ja, de light hebben we ook. Twee cola light dus. In plaats van… de gewone weer weg? Ja, per zes is dat, de bitterballen. Wil je er maar vijf? Zeker weten? Vijf hé… Dat is… De mayonaise kan ook in aparte potjes, jaja, meneer…Weet ge wat? Ik zet cijfers op de verpakking, zo weet uw buurvrouw… ‘

De storm deed frituur Monique kreunen en rammelen. Slierten rook en damp slingerden zich dolgedraaid de lucht in. Zeven hongerige inwendige mensen stonden uitwendig grimmig hun beurt af te wachten. Monique was een telefonische bestelling aan het opnemen. En wat voor één. Dat bleef maar duren. Die verdomde smartphone bleef onafgebroken in een waterval van ravenzwarte krullen aan haar linkeroor plakken. Frieda Vandenbroucke stond op ontploffen. Om de vijf seconden keek ze woedend op haar horloge. Rozzemussche kneedde verbeten zijn kleingeld tot zijn knokkels wit zagen. Jezebel wipte onafgebroken van haar hielen op haar tenen. Karel Heyman ergerde zich daar grondig aan, want hij stond vlak achter haar. Attila viel ten prooi een langgerekte onsmakelijke rokershoest die bij iedereen de eetlust wegnam. Moeder Furore zuchtte en mompelde binnensmonds de lelijkste dingen. Sjors DNO probeerde millimeter per millimeter een plaats vooruit te schuiven, tot grote ergernis van Rozzemussche, die vreesde voor de correcte rangorde: Monique stond niet bekend om haar snuggerheid en een systeem van volgnummertjes trekken was nog niet doorgedrongen tot deze kathedraal van friet en vet en vlees. Dit was oorlog!

Naarmate het vet harder siste en de storm in kracht toenam, groeide de woede in frituur Monique. Er kwam geen einde aan de frietmonoloog, terwijl de frietbazin staalhard boven en naast ze heen keek, alsof ze allemaal lucht waren. Af en toe boog ze zich voorover om in grote hanenpoten iets op een vel vetpapier te krabbelen. De batterij knijpuiers met de sauzen hing uitdagend werkeloos voor de neus van de hongerigen. Aan een van die uiers hing een druppel cocktailsaus. Die frieten moesten ondertussen na al dat gesis wel zwartgeblakerd zijn.
De eerste die wat zei, was moeder Furore: ‘Als dat hier nog lang duurt… ‘
De tweede was Karel Heyman: ‘Godverdomme.’
Er groeide een samenhorigheidsgevoel.
Rozzemussche keek Jezebel aan; beiden zuchtten wederzijds diep.
Sjors DNO stond meewarig nee te schudden.
‘Dat brandt hier allemaal aan!’ riep Frieda Vandenbroucke halfluid. ‘Het is al tien minuten over zes!’
Attila knikte en stak nog een sigaret op.
‘In ’t vervolg ga ik ook eerst bellen,’ mopperde hij, terwijl hij opstandig zijn rook richting Monique blies. ‘Voor zeven bakken frieten ineens met allemaal verschillende sauzen!’
‘Godver, wil je die rook niet in mijn gezicht of in mijn eten blazen!?’ foeterde Monique plotseling. Ze maakte plotseling weer contact met de bende voor haar.
‘En mag je hier wel roken? Hé? Zie je die stickers daar? Buiten en binnen? Speciaal voor diegenen die niet kunnen lezen… !’
‘Hela hela!!’
‘Of wil je dat ik mijn kot moet sluiten?’
‘Als je zo voortdoet, zul je ’t rap mogen sluiten!’
‘Zo voortdoet? Zo voortdoet? Heb ik niet voortgedaan, misschien?’
Iedereen moeide zich nu.
‘We staan hier met zeven in weer en wind… !’
‘… te luisteren naar andermans bestelling… !’
‘Ja! Da’s zeker voor een hele kolonie?! Zijn dat manieren, zo voorkruipen!?’
‘’t Is zeker voor een heel nonnenklooster?’
‘Ik ga in ’t vervolg ook bellen. Gemakkelijk! Er mogen er nog twintig voor zijn.’
‘Ik moet toch opnemen! Ze weten dat ik open ben, verdomme!’
‘Hoe kun jij die telefoon horen met al dat sissend vet?’
‘En is uw vet ververst?’
‘Wat!?’
‘Met al die zwarte frieten er nu in!’
‘Ha ja!’
‘Je verdient een GAS-boete!’
‘Ha ja!’
‘Zeg, paljas met je stinksigaret… !’
‘Au! Je staat op mijn tenen!’
‘Ik was wel al voor jou binnengekomen hé.’
‘Neem je nu nog op of neem je vanavond niet meer op?’
‘Eerst die bestelling afwerken.’
‘Wat!?’
‘Eerst die… ‘
‘Ben je zot? Meen je dat?’
‘Ik kom hier nooit meer!’
‘Wacht maar tot ze komen!’
‘Heb je dat nog geweten… ‘

Monique draaide zich minachtend snuivend om naar haar friteuse en concentreerde zich op haar frieten. Attila werkte zich naar voren, griste het bekrabbelde vel met de telefonische bestelling van de toonbank, scheurde het middendoor, maakte er twee proppen van, opende de schuifdeuren en gooide de proppen weg.

‘Voila. Per omgaand aan huis besteld.’
‘Ha ha!’
‘Wel besteed!’
Monique draaide zich om.
‘Waar is… Waar is die bestelling?’
‘Dat vet stuk papier zul je bedoelen?’
‘Dat lag hier… ‘
‘Ha ha ha!’
De frietbazin liet haar woedende blikken over de zeven samenzweerders zeilen.
‘Weet je ’t niet meer van buiten? Zeventien frikadellen en drieëndertig middelmatige bakskes met cocktailsaus waren het, ha ha ha!’
‘Apart verpakt!!’
‘Ha ha ha!’
‘Geef dat blad weer!’
‘Ha ha!’
‘Geef dat blad weer, hufter! Of ik bel… ‘
‘Ze bellen wel zelf naar u!!’
‘Ha ha ha!!’
‘Frituur Monique? Hè hè: dictatuur Monique!’
‘Ja! Ja!’
De storm wakkerde nog aan. Frituur Monique kon al die opstandigheid en woede niet meer omvatten. Van friet was geen sprake meer, of die zou al met veel vergif erin toebereid worden.
‘Pas op hé! Ik ken jullie allemaal van zien!’
‘Dat zal wel. We komen elke week. We zijn je beste klanten!’
‘Ja, maar er zijn blijkbaar nog betere: die bellen!’
‘Ha ha ha!!’
‘Laatste keer: geef dat blad terug! ’t Is gij daar hé, met die grijns om uw mond!?’
‘Wie? Ik?’
‘Nee, ’t was zij!’
‘Nee: ik!’
‘Nee! Wij hier! Wij samen!’
‘’t Waaide weg, ondanks al dat vet!’
‘Ha ha ha!!’
Humor sloeg ongenadig toe. Niemand had nog honger. Iedereen ging in de aanval tegen deze frietdictatuur. Rozzemussche en Attila hielden de schuifdeuren dicht om nieuwe klanten te beletten binnen te komen. Daardoor ontwikkelde zich ook buiten al vlug een hongerige samenscholing. Van frietpeace was geen sprake meer.
‘Broodroof!’ gilde de frietbazin. ‘Broodroof!’
‘Hongersnood!’ riep Jezebel. ‘Frietsnood!’
‘Ik bel NU de politie!’

Toen de gehate smartphone weer tevoorschijn kwam, rukten Attila en Rozzemussche de schuifdeuren weer open. Een felle windgolf nam onverhoeds bezit van de vrijgekomen ruimte onder de luifel. Het voorportaal van frietkathedraal Monique werd als een luciferdoosje opgetild en even verder deels op het trottoir deels op straat neergekwakt, begeleid door een naargeestig kraken en splinteren. De dolle wind smulde verder van de prooi en rukte diverse spaanders en plastic onderdelen los, die hij vervolgens de straat op joeg. Auto’s remden gierend en toeterend.
Monique gilde huizenhoog, hupte verschrikt achterwaarts en plofte hierbij met haar rechterhand in een ziedende frietmand. Kermend draaide ze om haar eigen as en viel te gronde.

De zeven opstandige hongerlijders keken verbijsterd op de diverse taferelen toe. Daarna stoven ze als op één teken uiteen. Een paar verse krachten probeerden klimmend via de toonbank de kermende frietbazin te bereiken, want de zijdeur bleek gesloten te zijn. Een reeds weldoorvoede hongerige viel hierbij pardoes door het rechter vitrineglas en belandde met splinterend geweld tussen de merguezes, mexicano’s, kipcorns, bitterballen, berenklauwen, frikadellen, bouletten en viandellen.
Voorbijgangers die de situatie verkeerd beoordeelden en in de waan waren dat frituur Monique geplunderd werd, trokken en sleurden de klimmers weer op de begane grond. Daar ontstond een vechtpartij. In het spitsuur mengden zich steeds meer moeials, want op een boogschot bevonden zich ook de uitgang van het station en de bushaltes. Het werd een ware veldslag, waar niemand nog kop of staart aan kreeg. Uiteindelijk vluchtte de nog immer kermende Monique zelf in de nog ongeschonden linker vitrinekast, in de koelte boven op al het lekkers van Beckers, haar gehavende rechterpoot als Superman voor zich uit stekend. Van op een veilige afstand, verspreid over het trottoir aan de overkant en de middenberm, keken de zeven frietgetrouwen alweer verbijsterd toe. Pas toen blauw zwieplicht de omgeving schoonveegde en de vechtende meute halveerde, trokken ze zich schoorvoetend verder in het donker terug.

‘Met zeven waren ze!’ krijste Monique, die, gestut door twee ambulanciers, met uitgestoken gefrituurde rechterpoot naar de ambulance werd geleid. ‘Met zeven!’
‘De politie maakt er werk van, mevrouw Monique,’ suste een hulpverlener. ‘Ze komen zo bij u. Eerst moet uw hand verzorgd worden.’
‘Zeven?!’ riep de andere begeleider uit, terwijl hij verbaasd naar het aan spaanders gehakte voorportaal van de frietkeet keek, en daarna naar de ravenzwarte Monique. Er hing varkenshart op haar linkerborst, met het prijsetiketje er nog aan: Nieuw! 2,30 €.

JORIS DENOO

Geschreven door Joris Denoo om 09:48 Stuur door

De collectie

DE CATERING-COLLECTIE

(Aan het brood ontsnapt)                           met dank aan Anton Tsjechov

Enkele dagen geleden bracht ik een bezoek aan mijn vriend de journalist Everhart De Bruyn. Ik vond dat hij fel vermagerd was. Hij bood me een kopje thee aan, want hij had net een vers kannetje staan. Dat sloeg ik niet af.
‘En mag ik er een broodje bij?’ vroeg ik. ‘Ik heb al geruime tijd niets meer achter de kiezen gehad.’
‘O nee,’ antwoordde Everhart. ‘Nee, nee. Ik bied wel mijn vijanden brood aan, maar zeker nooit mijn vrienden.’
‘Tiens, dat is vreemd,’ zei ik. ‘Waarom dan? Waarom dan niet?’
‘Waarom? Kom eens mee!’
Everhart troonde me mee naar de salontafel, spreidde er zijn krant op uit en trok de lade open.
‘Kijk,’ wees hij.

Ik keek in de lade, maar ontdekte hoegenaamd niks interessants of opvallends.
‘Maar ik zie niks,’ zei ik. ‘Ja… alleen wat prullen… zoals je wel vaker in een lade aantreft: … een vodje… een punaise… een lucifer… een spijker… eh… ‘
‘Inderdaad,’ knikte Everhart. ‘Zeer juist. En dat is het precies wat ik je vraag even te bekijken. Tien jaar heb ik gedaan over mijn collectie. Het is een merkwaardige verzameling geworden van vodjes, nagels, beentjes, dode dieren, graten, prullen, eh… soms onherkenbare onderdeeltjes van iets groters.’
Hij graaide de inhoud van de lade bijeen en liet die op de open gespreide krant vallen. Toen stak hij van wal.
‘Zie je die half opgebrande lucifer? Dat is een interessant voorwerpje. Hij kon mijn dood betekend hebben. Verleden jaar zat dat ding in een gebakje van patisserie Lizzy. Wat het daar deed? Dat was en is een groot raadsel. Gelukkig was mijn vrouw thuis, om me op mijn rug te kloppen. Het luciferstokje zat namelijk dwars in mijn keel. Ik werd op het nippertje door haar gered. Zie je die teennagel hier? Dat halvemaantje? Ja, natuurlijk: hij is groot genoeg, hé. Drie jaar geleden bevond die zich in een klaaskoek van de bakkerij An & Geert. Ja, die klaaskoek had armen en benen, maar nagels hoefden er voor mij niet aan, hoor. Ik slikte het ding net niet door. Vervolgens: dat stukje vod hier. Dat stak vijf jaar geleden in een stuk worst van de bekendste fijnevleeswarenzaak in Brussel. Op de valreep belandde het niet in mijn innerlijke mens. Omstreeks dezelfde tijd ontdekte ik in een potje yoghurt én een mensenhaar én een punaise. Gelukkig was ik toen al min of meer een gewaarschuwd man: ik lepelde alles heel traag en bedachtzaam uit. En ik ga door. Ik merk dat je geboeid luistert. Dat zakdoekje hier zwom in de kervelsoep die ik in het stationsbuffet aan het eten was. Deze spijker bevond zich in het broodje gehakt dat ik in een ander station had gekocht, want ik vertrouwde de catering in dat eerste station niet langer. Deze rattenstaart hier – intussen gelijkt hij op een aardig stukje leer, nietwaar – komt uit een flesje bier. Ik zette er mijn mond aan en… je kunt je mijn afgrijzen wel voorstellen. Dit sardientje – althans: je ziet er alleen nog dit ruggengraatje van – ontdekten mijn vrouw en ik in een verjaardagstaart voor onze zoon. Deze harige duizendpoot baadde in mijn pint in de Ierse pub hier vlakbij. En ik was ook 1 cm verwijderd van het inslikken van deze schapenkeutel, die verzeild was geraakt in leverpastei die we van de kerstmarkt meebrachten. Enzovoort… enzovoort…

Intussen weegt mijn merkwaardige verzameling anderhalve kilogram. Dat is 1 ½ kg die ik alvast zelf niet hoef te torsen. Maar wie weet wat ik wél al allemaal heb ingeslikt. Gelukkig, maar het betekent een ietwat schrale troost: deze collectie hier heb ik dus net niét ingeslikt. Wil je nu een broodje bij je thee?’

‘Nee,’ schudde ik beslist.

JORIS DENOO

Geschreven door Joris Denoo om 09:12 Stuur door

Tweering

TWEERING

Op zijn zevenentwintigste verjaardag kreeg Brandon van zijn ma bij het ontbijt een glazen ring cadeau.
‘Mondgeblazen,’ deelde ze mee. En ze keek daarbij duur.
(Ze keek ook ietwat ontgoocheld, omdat ze nog nooit ofte nimmer een ring aan een van zijn vingers had gezien; ze hield elke ochtend zijn handen in de gaten. Wanneer zou hij eigenlijk eens aan het werkelijke leven beginnen?)
Brandon knikte dankbaar en schoof het ding over de middelvinger van zijn linkerhand. Het vierkante bovenstuk van de glazen ring was gevuld met een opake vloeistof. Die gaf de ring een matte witte kleur.
‘Met de mond geblazen?’ herhaalde hij waarderend.
‘Glas wordt geblazen hé.’
‘Ja, ook nog waar.’
‘Vind je hem mooi?’
‘Ja hoor, ma.’
Nog tijdens het ontbijt probeerde Brandon te wennen aan de ring, zijn ring, door er zo weinig mogelijk naar te kijken.
‘Zul je hem blijven dragen, Brandon?’
‘Ja ma.’
‘Ook als ik dood ben?’
‘Zeker weten.’
De ring mocht geen vreemd voorwerp aan zijn linkerhand worden. Hij moest één worden met de totale Brandon.
‘Mocht het eens nodig zijn: je hebt van die vochtige poetsdoekjes voor brillen hé.’
‘Ja, dat weet ik, ma.’
‘Ik koop er een voorraad voor je.’
‘Prima.’
‘Juwelen vragen ook wat onderhoud. Je vindt hem toch niet te groot? Of te opvallend?’
‘Nee hoor.’
‘Hou je van die kleur?’
‘Eh, ja hoor. Net melkglas hé?’
‘Zeg dat wel.’
Brandon keek naar de zes ringen die zijn ma torste. Ze waren verspreid over vijf vingers: vier aan haar linkerhand, twee samen aan haar rechterringvinger. Een paar waren zilver-, de andere goudkleurig. Mama’s handen vierden elke dag feest.
‘Hij knelt toch niet?’
‘Nee.’
‘Zeker weten?’
‘Hij zit als gegoten.’
‘Anders probeer je maar een andere vinger.’
‘Niet nodig, ma, echt waar.’

De gewenning aan de ring nam een zekere tijd in beslag. Het duurde enkele dagen en nachten voor Brandon het ding aan zijn vinger eerst niet meer als een vreemd voorwerp aanvoelde, daarna helemaal niet meer voelde. Zijn lichaam vertoonde gelukkig geen afstotingsverschijnselen. Om dat proces te versnellen, deed hij de ring ook ’s nachts niet af. In den beginne hield hij de blikken van de hem bekende mensen uit zijn omgeving scherp in de gaten, om te controleren of ze het merkten dat hij nu een versiering droeg. Eventueel gepolst naar het sieraad en de herkomst ervan, had hij al een antwoord klaar:
‘O, gekocht in zo’n boetiek, in een winkelgalerij in de hoofdstad.’
Er werd echter niet naar gepolst en hij kon zijn wederwoord opslaan voor later gebruik, desgevallend. De ring van Brandon werd een onopvallend deeltje in het algehele woeden van de wereld.

Krek een jaar later, op zijn achtentwintigste verjaardag, kwam zijn ma met een verrassing aandragen: zij schonk hem met een triomfantelijk glimlach een tweede, identieke ring, te dragen aan de rechtermiddelvinger.
Een tweelingring!
‘De ene Griekse zuil vraagt om een andere Griekse zuil,’ doceerde zijn ma.
‘O, eh… ‘ (‘Tweeling!’ flitste het door zijn hoofd.)
‘Symmetrie, renaissance, evenwicht… ‘
‘Ah… ‘ (‘Tweering!’ flitste het door zijn hoofd.)
‘A & B, links en rechts… snap je?’
‘Mm… ‘
Brandon gluurde naar de handen van zijn vrouwelijke ouder: daar was geen ring bij gekomen.
‘Vind je hem mooi?’
‘Ja hoor, ma.’
‘Zul je hem blijven dragen, Brandon?’
‘Ja ma.’
‘Ook als ik dood ben?’
‘Zeker weten.’
‘Je vindt hem toch niet te groot? Of te opvallend?’
‘Nee hoor.’
‘Hou je van die kleur?’
‘Eh, ja hoor. Net melkglas hé.’
‘Zeg dat wel.’
‘Hij knelt toch niet?’
‘Nee.’
‘Zeker weten?’
‘Hij zit als gegoten.’
‘Gelukkig, zo is alles in balans.’

De gewenning verliep nu omslachtiger, want de zichtbaarheid van de melkwitte tweelingringen was zoveel groter, ondanks dubbele opaakheid. Het viel Brandon op dat mensen (ook zij die hem niet persoonlijk kenden) langer naar zijn handen staarden, zo deze al simultaan zichtbaar waren, en daarna ook naar zijn ogen, en dan weer naar zijn handen. Het profylactische middel daartegen was eenvoudig: Brandon gebruikte slechts één van zijn handen tegelijk en verstopte de andere dan tijdelijk. Die tweede ring moest qua gewenning ook de eerste ring ‘inhalen’. Daarom probeerde Brandon een truc: hij verwisselde elke dag de ringen van plaats. Op den duur vergat hij welke ring eerst geweest was, of links, of rechts, of laatst. Dat lukte, en de tweelingringen namen rustig hun plaats in op deze hectische planeet. Sporadisch knikte iemand nieuwsgierig naar zijn handen, op een onbewaakt ogenblik, waarop Brandon dan met een olijk boksgebaar pareerde. Men informeerde dan maar niet verder.

Op zeldzame momenten, wanneer hij er heel zeker van was dat hij echt moederziel alleen was, legde Brandon zijn handen naast elkaar. Minutenlang zweefde zijn blik dan van de ene middelvinger naar de andere, over en weer. Het minste storinkje in de gelijkenis zou hem opgevallen zijn. De ringen waren echter de perfecte klonen van elkaar. Brandon was er tot nu toe in geslaagd de glazen tweeling krasvrij te houden. Nergens viel onevenwicht te bespeuren.
Omstreeks zijn negenentwintigste verjaardag moest Brandon een zekere tevredenheid bekennen betreffende zijn renaissancistische vingerornamenten.

Misschien had hij op dat onfortuinlijke ogenblik ook even zijn beide handen bewonderd? Losjes boven het stuurwiel zwevend? Was de gewenning er na ongeveer een jaar wellicht toch nog niet? Of had de lage septemberzon hem parten gespeeld? Hoe dan ook: de grasgroene Skoda Octavia was aan het slippen gegaan en had zichzelf als een metalen zwachtel om een oude beuk geslingerd. De snelheid moest behoorlijk hoog geweest zijn. De auto was gedesintegreerd tot iets onherkenbaars. Men slaagde erin de bestuurder te bevrijden. Die was er heel erg aan toe. Het was een mirakel dat hij nog een teken van leven gaf. Op de operatietafel hield hij echter stand.

Men stond even later ook voor een raadsel: aan beide handen vertoonde deze man sporen van moedermelk. Dat was gebleken na ampel onderzoek van alle sappen die in en op dit verhakkelde lichaam terug te vinden waren.

De huwelijksreis van Lydia en Férenc ging natuurlijk naar Hongarije, dat toen zijn laatste decennium als Oostblokstaat aan het beleven was. Het werd Salgótarjàn en omgeving, want daar had Férenc nog familiebanden. Ze bezochten er onder andere de glasblazerij, waar drie neven van Férenc werkten. Als trouwcadeau bliezen die twee glazen ringen met de mond. Het waren twee identieke ringen. Jammer genoeg paste noch de ene, noch de andere echt goed op een vinger van Lydia. Die van Férenc schoof wel makkelijk over zijn linkermiddelvinger, maar na de reis stopte hij het ding in het doosje bij de andere ring. Zo’n glazen kleinood viel nu eenmaal niet te combineren met het dagelijks werk dat hij deed, en vooral niet met zijn werkmakkers.

Toen Férenc twintig jaar geleden onder een bulldozer terechtkwam en ter plekke stierf, haalde Lydia enkele dagen later in een opwelling de ringen weer boven. Uit haar linker- en rechterborst tapte ze de laatste droppen moedermelk en ving die in aparte pillenflesjes op. Op het ene etiket had ze L gekrabbeld, op het andere R. Ze bracht de kleine Brandon naar haar moeder voor de oppas en trok naar Goudcentrale Schleiffer, waar ze een afspraak had gemaakt met huisvriend Gregory, die er in het atelier werkte.
Gregory knikte begrijpend en geruststellend toen hij het vreemde verzoek van Lydia voor de tweede keer aanhoorde. Ze had het alleen over ‘substantie’, en omschreef verder de vloeistof niet concreter. Jonge weduwes ondernamen tijdens de rouwperiode soms de vreemdste stappen om hun man toch maar bij zich te houden. Hij monsterde de flesjes en de inhoud even, stelde geen vragen over de geheimzinnige L of R en ging aan de slag. Een halfuur later waren de bovenstukken van de glazen ringen gevuld met moedermelk: één met de inhoud van het ene flesje, één met de inhoud van het andere. In elk flesje was nog wat over. Gregory schroefde de dopjes zedig weer dicht en gaf de flesjes terug aan de eigenares. Die knikte dankbaar, betaalde en ging uk Brandon weer ophalen.

‘Ma… ‘
‘Jongen… Brandon… ‘
Na zes dagen en nachten herkende Brandon in de opake wazigheid om hem heen de omtrekken van zijn ma. Het duurde niet lang of ze bevond zich weer
uitgesproken op de voorgrond.
Op de zevende dag werd hij wakker met zijn handen in de hare. Hij telde stilletjes haar zes ringen vooraleer hij zijn ogen opende, wou openen. Zij van haar kant kneedde zijn vingers, die tot haar ontgoocheling al die jaren ringloos waren gebleven.
Nu weer.

‘Wil het bezoek de kamer even verlaten?’
De dokter kwam binnen, voorafgegaan door een verpleegster. Hij speurde vlug de kamer rond op zoek naar de eventuele rest van het bezoek. Die was er niet.
‘Moeder,’ flitste het andermaal door diens hoofd, ‘er is geen melkmeisje, het is zijn moeder,’ terwijl hij haar vriendelijk toeknikte en voor de zoveelste keer even zijn blikken over haar verborgen borsten liet glijden.
Buiten woedde de wereld door.

JORIS DENOO

Geschreven door Joris Denoo om 09:10 Stuur door

Rouwkop

ROUWKOP


‘Verschoore Jimmy?’
‘Nee: Jimmy Verschoore.’
‘O, de leukste thuis, Jimmy?’
‘De slimste.’
‘Geen broer of zus, zodus?’
‘Nee.’
‘Spreek met twee woorden a.u.b. Vooral in het huis van God.’
‘Nee, nee.’
‘Meneer Charles.’
‘Meneer Charles,’ papegaaide Jimmy.

Drieduizend zevenhonderd dagen na Jimmy’s geboortedag greep deze conversatie plaats in de sacristie van de Sint-Pietersbandenkerk in de provinciestad Torhout.
‘En waarom wil jij misdienaar worden?’ vroeg de baas van het stoelgeld en van de acolieten van de katholieke eredienst.

Jimmy Verschoore vermeed de volgende antwoorden:
- voor het zakgeld;
- voor de miswijn;
- om met toestemming van school sommige voormiddaglessen te spijbelen.

‘Ik zou graag begrafenissen dienen, meneer Charles.’
‘Waarom begrafenissen?’
‘Omdat ze zeggen dat ik een rouwkop heb, meneer Charles.’
‘Rouwkop??’
Jimmy zocht even naar een passende omschrijving.
‘Ja: mijn gezicht is voortdurend in de rouw. Ik kan heel goed kijken alsof ik het doodgewoon vind dat er iemand dood is. En ik zie graag zwart.’
Meneer Charles – een dun vijftigjarig geval van vijfenvijftig kilogram, anderhalve kerkstoel hoog, streng achterover geharkte grijze haren, muisgrijze stofjas met vier zakken in – keek hem door zijn hoornen bril onderzoekend aan. Geen spoor van een glimlach ontwolkte zijn snoet.

‘Ben je bereid wat Latijn te leren?’ vroeg hij dan.
‘Ja. Een heilige taal.’
‘Kun je makkelijk ’s ochtends vroeg je bed uit? Ik wil geen laatkomers.’
‘Ik ben altijd wakker met de haan.’
‘Hoe gaat het op school?’
‘Zesentachtig percent. Alleen Didier van de dokter was voor mij.’
‘Dan is het goed. Ik verwittig meester Daniël en directeur Mestdagh en geef een brief mee voor je ouders. De stage gebeurt tijdens de eerste week van de paasvakantie. Binnenkort dus. Je krijgt nog een brief daarover. Elke maand ontvang je je rooster van de diensten. Soms zul je ook naar de kapel in het bejaardentehuis moeten. Of naar die van het ziekenhuis.’
‘Goed, meneer Charles.’
‘Ik hoop dat je je best doet, Verschoore.’
‘Ja, meneer Charles.’
‘Op het einde van elke maand geef ik je dan een envelop.’
‘Dank u, meneer Charles.’

Jimmy sleurde met beide handen de zware sacristiedeur open tot zijn magere lijf er net door kon en sloeg die met een dreun achter zich dicht. Hij daalde de brede stenen trap af (waarbij hij zich al een beetje heilig voelde) en ademde diep in. Het steegje tussen de kerk en de witgekalkte blinde muren van de stadstuintjes stonk naar kattenpis en natte honden.

‘Mag je dan zomaar de klas uit?’
‘Iedere misdienaar krijgt maar twee missen per week, soms ’s ochtends, soms in de avond. Er kan ook een begrafenis in de voormiddag tussen zitten. De huwelijken zijn meestal ’s zaterdags.’
‘Dus: hoe meer er doodgaan, hoe vaker jij de school uit mag?’
‘Meester Daniël zal verwittigd worden. Er zijn nog misdienaars in de school hé, voor als er veel doden ineens zouden zijn.’
‘En het geld?’
‘We krijgen per maand betaald van meneer Charles. Een kleinigheid.’
‘Van het stoelgeld van al die pilaarbijters zeker? En hoeveel blijft er aan zijn vingers plakken?’
‘Soms geven de mensen een fooi, vooral bij huwelijken, als ze blij zijn.’
‘Met die rouwkop van je zullen ze je vooral begrafenissen laten dienen zeker?’
‘Ik denk dat ook.’
‘Wel wel. Andrea: we hebben een heilige in de familie. We komen nu zeker in de hemel.’
‘Ja, een hele geruststelling. We moeten nu alleszins niet zelf meer in die koude vochtige kerk gaan zitten. Zo sparen we ook stoelgeld uit. En we zijn zo al zeker van onze zaligheid, Georges.’
‘Tenzij jullie doodgaan,’ merkte Jimmy op.
‘Ja, maar dan dragen we een warme houten jas. En jij zendt ons met een Latijnse toverspreuk naar de zevende hemel. Haal nu de plakjes salami maar uit de frigo, Jimmy. Je herkent ze gemakkelijk: ze gelijken op grote rode hosties.’
‘Verloofd zij Jezus Christus, ma! Is ’t weer salami?!’
‘De oude brokkelkaas is op. Ze groeien niet op onze rug. Misschien kun je volgende maand een duit in het zakje doen?’
‘Of doe een mirakel, misdienaar,’ gromde pa Verschoore. ‘Met wijnwater.’

Met zijn allereerste geld dat hij heilige mis dienend en Kerklatijn prevelend had verworven, trok acoliet Jimmy Verschoore op een valavond na schooltijd naar De Lekkerbek – bij Etienne in de Hofstraat. In de witte envelop, die hij als een kostbare relikwie in zijn rechterhand hield, stak ook zijn dienstrooster voor de komende maand.
Aan de voorkant was De Lekkerbek een winkel van koeken en chocolade, waar des winters in de vitrine een ja knikkende Kerstman stond. Aan de binnenkant was het een kleine tearoom waar je koffie, chocomel en bieren kon drinken. Aan de buitenkant was het ook een taxibedrijfje met één taxi. Het was een grote zwarte Plymouth met indrukwekkende vleugels, die permanent voor de zaak geparkeerd stond. Taxi Etienne kon het stadje Torhout met gemak bestrijken. De firmanaam en het telefoonnummer prijkten in een halve cirkel op een van de vitrineramen en op een ijzeren fietsrek dat op het trottoir stond. De Lekkerbek werd niet alleen door theetantes bezocht. Schooljongens doken er na zestien uur onder om stiekem bier te drinken en sigaretten te roken. Winkelier / cafébaas / taxichauffeur Etienne maakte daar geen probleem van. In De Lekkerbek heerste het principe van de vrije markt en de ondernemingslust. De omvangrijke zwangerschap van Etienne was daar het symbool van.

Het was Jimmy’s debuut in de horecasector. Hij was hier nog nooit geweest. Een vrouw met zwart filmhaar stevende op hem af. Hij vroeg een warme chocomel. Er waren geen andere klanten in de tearoom; hij zat alleen aan een kleine ronde tafel. Nieuwsgierig keek hij rond. Dit waren de coulissen van de buitenwereld. Misschien wel het voorportaal tot een onderwereld. Je kon de achterwand zien van de etalage waar in de winter een Kerstman stond die voortdurend ja knikte en soms houterig een arm bewoog. Baas Etienne was er niet. Zijn vrouw veroorzaakte met oorverdovend geraas van een apparaat het gevraagde. Ondertussen peuterde Jimmy na consultatie van de prijslijst twee muntstukken uit de envelop: een hele en een halve. Dat was een kwart te veel. De vrouw zou hem wisselgeld terug moeten geven. Hij legde de munten op tafel en de envelop ernaast.

‘Zo, jongeman. Lekker warm.’
‘Dank u.’
Omheen de hete chocomel waren op het schoteltje nog twee klontjes suiker, een minikoekje en een lepeltje geschikt.
‘Maar buiten is het ook warm hé?’
Ze griste de munten van tafel.
‘Ja… ‘
Onmiddellijk daarna besefte Jimmy dat het te laat was. Hij was voor een kwart bedrogen. De vrouw had zo snel en zo beslist zijn geld bijeen gegraaid en met een vakkundige blik goedgekeurd, dat er van wisselgeld geen sprake meer kon zijn. Zoveel was duidelijk. Verbluft bleef hij haar nakijken, tot ze met een trefzekere worp zijn munten in de kassa mikte. Ze keerde niet naar zijn tafeltje terug. Toen controleerde hij nog eens de prijslijst. Godverdomme.

Jimmy Verschoore werd overmand door een diep gevoel van onrechtvaardigheid, dat al vlug plaats maakte voor woede. Hij nipte van de chocomel; zijn gehemelte schroeide. Hij wierp woedende blikken naar de vrouw achter de toonbank, maar die was in de weer met alles en nog wat. Er kwam nu een vrouw binnen die donkere fondant kocht en een doos cacaopoeder. Jimmy hield de overdracht en teruggave van de gelden scherp in de gaten.
‘Warm hé buiten?’
‘Het is te hopen dat het het houdt.’
‘Zeg dat wel. Wat geven ze uit?’
‘Voor het weekend een graad of twee minder.’
‘Geen regen?’
‘Geen regen.’
‘Alstublieft.’
‘Voila.’
Jimmy nam nu vijf slokjes na elkaar. Daarna ontmantelde hij de suikerklontjes en verdronk die in de beker. Hij plonsde het lepeltje in de bruine oceaan en roerde. Ondertussen at hij het koekje op.
‘De groeten.’
‘Doe ik.’
De vrouw verdween zonder Jimmy aan te kijken. De bazin van De Lekkerbek was weer een en al bedrijvigheid.

Jimmy dronk de rest van zijn chocomel in één keer op nadat hij minutenlang cirkels gemaakt had met zijn lepeltje. Hij zon op wraak. Hoe kon hij zijn woede koelen op deze bedriegster? Hij vernauwde zijn ogen tot spleetjes en beloerde haar als een roofdier. Kauwgom of neuskeutels kwamen momenteel niet in aanmerking. Niet voorradig. Hij voelde evenmin aandrang om te plassen. Anders waren ook hier mogelijkheden geweest. Hij haalde zijn lepeltje uit de lege beker en likte dat schoon. Plotseling had hij het gevonden. Terwijl hij de vrouw nauwlettend in de gaten hield, nam hij het lepeltje met beide handen aan de uiteinden vast, tussen zijn knieën. Een golf van genoegen spoelde over zijn ruggengraat toen hij het ding in een scherpe hoek geplooid kreeg. Het was nu een heroïnelepeltje geworden. Omzichtig legde hij het verminkte schepseltje op de tafel naast het schoteltje, stond op en laveerde vliegensvlug tussen de tearoommeubeltjes door naar de deur. De vrouw keek alleen maar even op, verstrooid ‘mm, ja’ mompelend. Na het getingel van de Lekkerbekbel zette Jimmy Verschoore het op een lopen, de Hofstraat door, diagonaal over de Markt, de Oostendestraat in.

Ter hoogte van bakkerij Clement hield hij abrupt stil, terwijl zijn hart nog bonkte als een drumstel. De envelop!! Hij had de envelop in De Lekkerbek laten liggen!! Zijn naam stond er duidelijk op geschreven, in dat belachelijke schoonschrift van misdienaarbaas Charles: J. Verschoore, acoliet. Nog erger, in de linkerbovenhoek prijkte in drukletters zo klaar als een klontje: DECANAAT TORHOUT – HOOFDPAROCHIE SINT-PIETERSBANDEN. En, allerergst: er zat nog een flapje in plus zeven munten. En zijn dienstrooster!

In Jimmy’s hoofd begonnen de doodsklokken te luiden. Hij zweette het drievoudige van zijn hete chocomel weer uit. Zijn benen weigerden dienst. Hij leunde voorover op de vensterbank en veroorzaakte zelfs bij deze lentetemperatuur damp op het raam van bakkerij Clement. Een mandje met sandwiches verdween even in de mist. De bakkerin met haar torenhoge knoet op haar hoofd balde van achter haar kassa een vuist in zijn richting. Jimmy vluchtte andermaal, het smalle Zwanestraatje in. Achter ondoordringbare heggen en hagen hoorde hij eenden schaterlachen. Een verre pauw schreeuwde spottend
plee-aaa! plee-aaa! plee-aaa!

‘Ewel, Jimmy, twee missen in de hoofdkerk, twee begrafenissen en een vroege kapeldienst: dat moet opgebracht hebben!’
‘Maar de eerste maand was om te oefenen, ma.’
‘Ah ja?’
‘Ja…’
‘Ze kennen er daar wat van, in die kerk!’
‘Meneer Charles is wel streng.’
‘Dus geen dame blanche in De Lekkerbek voor ons? We hadden gehoopt… hé pa?’
Jimmy’s hart sloeg andermaal tilt toen zijn ma het woord ‘Lekkerbek’ bekte, alsof haar mond vol slagroom stak.
‘Ha ja hé! Het moest wel geen vermenigvuldiging van broden worden, maar een dame blanche en een glas wijn zouden er wel in gefietst zijn, Jimmy! Doe volgende maand maar een keer iets wonderbaarlijks voor ons.’
Georges Verschoore vouwde de autokrant op de volgende bladzijde open. Jimmy scheurde moedeloos een hap uit zijn boterham met salami. Hij verwachtte elk ogenblik de lepelpolitie aan de deur.

De hel bestond dus. Die lag in de kerk. Jimmy Verschoore moest door die hel. Op zijn nieuwe dienstrooster stond namelijk alweer een begrafenis, op de eerste donderdagvoormiddag van de maand. Het naderde zienderogen. Hij vermeed ook angstvallig de Hofstraat, toch zijn kortste weg naar school. Dat was zijn vagevuur. Hij beschreef omtrekkende bewegingen. Ook was hij voorbereid om vliegensvlug weg te duiken wanneer die ene gevleugelde zwarte taxi zou passeren. Hij verschanste zich zo goed en zo kwaad als het ging tussen een groepje buurjongens waarmee hij gewoonlijk naar school opstapte, allemaal liefhebbers van de langste weg. Voor echte noodgevallen had hij stiekem zijn winterse bivakmuts diep in zijn broekzak verborgen; hij hield die permanent in zijn rechterknuist geklemd, klaar voor actie.

Geen nieuws goed nieuws? Stilte voor de storm?

Jimmy Verschoore bracht de komende dagen en nachten in angst door. Er gebeurde namelijk niets. Brieven brachten geen doodvonnis; telefoongerinkel betrof alleen tweedehandse auto’s. Zijn angst nam even af. Wat was nou een lepel? Iets wat je achterstevoren kon lezen en waarvan er miljoenen op deze wereld waren? Toch bleef hij het hele weekend veilig binnen in huis. Een nachtmerrie met gekromde lepels en suikerklontjes deed zijn angst weer accelereren. Doodmoe en met kloppend hart arriveerde hij die eerste donderdag van de maand in de sacristie. Het was zover.
Meneer Charles was zijn gewone zelf. De brillenglazen in zijn begrafeniskop flikkerden vervaarlijk. De zwarte ophaalbuidel, bevestigd aan een lange stok, lag gereed. Zo hengelde Charles rij na rij af, tot in de meest onbereikbare uithoeken. Soms ook stak hij gewoon zijn hand uit en stopte hij de centen in een van zijn jaszakken. En soms, als er veel volk was, deden nog extra collectemandjes de ronde.

Jimmy wurmde zich in zijn zwart-witte misdienaargewaden. Geert, zijn medemisdienaar, arriveerde even later ook. Hij was een jaar ouder en had al meer ervaring.
‘Hoi.’
‘Hoi. De wijn al geproefd?’
‘Nee.’
‘Bij begrafenissen is die lekkerder.’
‘Zal wel zijn.’
‘En er is meer ook, omdat er dan soms twee of drie priesters zijn. Je eerste begrafenis, Jimmy?’
‘Mijn derde.’
Ze verlieten de kleedruimte met de gigantische kleerkast en gingen naar de sacristie. Meneer Charles hielp priester Dezeure en deken Camerlynck in hun gewaden. Het wierookvat hing al klaar; er kringelde reeds rook uit.
‘Er zit veel volk in de kerk, meneer de deken, meneer pastoor,’ deelde Charles mee.
‘Ja, Emilie Vanthomme was vrij bekend in de stad hé.’
‘De hele kaartclub is er. Een paar nieuwe gezichten ook. Heb ik gezien.’
‘Dat is goed, Charles.’
‘Geert, Jimmy: klaar?’
‘Ja meneer Charles.’
‘Het is tijd.’

Jimmy haalde opgelucht adem. Van dit front was er alvast geen nieuws. Meneer Charles keek op zijn horloge en knipte met zijn vingers. Ze stelden zich op: eerst de misdienaars, dan de priesters. Charles knipte andermaal en knikte. De kleine stoet zette zich in beweging. Geert trok bij het passeren aan de bel die vlak bij de tussendeur hing. Hierop begon kale Bemol, de koster van Sint-Pietersbanden, zijn onheilspellende gezang in te zetten. Dat klonk stoffig en muf, alsof hij voortdurend gewurgd werd. Priester Dezeure wierp hem een boze blik toe en schudde even het hoofd.

Jimmy Verschoore ratelde net als Geert vlotjes zijn Latijnse zinnen af. Alles verliep zoals het moest verlopen. Misschien zou de maand vlug voorbij zijn, en kreeg hij een nieuwe envelop. Misschien volgden er nog begrafenissen; die betaalden wat beter. Toen deken Camerlynck zijn troosttoespraak hield, keek Jimmy voor de eerste keer echt de kerk in. Dat was niet eenvoudig, en dat had hij de vorige maand moeten leren: naar tientallen, soms wel honderden hoofden tegelijk kijken zonder rood te worden of de slappe lach te krijgen.
Hij begon ze al te kennen. Er waren mensen die naar elke begrafenis kwamen en steeds dezelfde plaats kozen. Zoals wratten immer dezelfde plaats innamen op bekende gezichten, zo dobberden tientallen vertrouwde mensenhoofden op een zee van stoelen.

‘Net als na het zinken van de Titanic,’ dacht Jimmy.

Het was niet licht en het was niet duister in de kerk van Sint-Pietersbanden. De brandglasramen toverden een soort bevreemdende schemer. De bleke vlekken van de gezichten kon je maar echt herkennen wanneer ze ter communie naderden. Bij een begrafenis hoorde eerst nog een offerande. Ook dan zag je ze duidelijk: de stoet van rouwkoppen, hun handen gekruist voor hun geslacht, de ijdeltuiten uit het Leger van God het hoofd geheven, het voetvolk met gebogen schouders. Jimmy vond het alvast een goede oefening dat hij misdienaar was, mocht het ooit zover komen dat ook hij in zo’n offerandestoet vooruit moest schuifelen. Alleen: bij het terugkeren naar je stoel was de afstand tot de honderden gezichten wel benauwend kleiner. Maar misschien bestonden daar trucs voor. Het doodsprentje onderweg bekijken, bijvoorbeeld.

De deken had gezegd. De begrafenismis was in een volgende fase. Jimmy keek naar de kist. Werd er nooit eens iemand wakker in zo’n kist? Was er nooit eens hevig geklop gehoord midden zo’n rouwdienst? Gesmoord gehuil? Een deksel dat – huu!! – onverwacht met krakend gesplinter open vloog? Waren er al oude kisten ontdekt waarvan de wanden en het deksel diepe krabbels vertoonden?
Priester Dezeure legde nu aan de micro uit hoe de offerande zou verlopen. Er moesten twee files gevormd worden, gezien het grote aantal aanwezigen. Kale Bemol begon lichte orgelmuziek te spelen om de geldstroom te begeleiden. Deken Camerlynck knikte naar Jimmy; samen daalden ze de trap af naar beneden. Even verder stelden priester Dezeure en Geert zich op. Meneer Charles kwam zijn misdienaars ieder een vergulde schaal geven. Daarop moesten de centen gelegd worden. De priesters hielden in hun ene hand een wit doekje en in hun andere hand een pateen vast. Dat was voor de kusscène. Twee mannen van de uitvaartonderneming kwamen met de gedachtenisprentjes naast ze postvatten.

Jimmy keek andermaal naar de hoofdenzee, nu vlak voor hem. Hij was klaar voor de grote offergang. De orgelmuziek van kale Bemol klonk nu wat luider. Priester Dezeure schraapte uitvoerig en luidruchtig zijn keel; deken Camerlynck keek verstoord opzij. Toen vloog plotseling het bloed naar Jimmy’s rouwkop, terwijl zijn adem even stokte. Daar zat ze. Op de tiende rij ongeveer. Uitgerekend aan zijn kant. Dat zwarte filmhaar herkende hij onmiddellijk. Wild klopte zijn hart in zijn keel. Bijna liet hij zijn collecteschaal vallen.

Godverdomme.

Had ze hem nu al de hele tijd in de gaten?
Hij wendde zijn blikken vliegensvlug naar de grond en wenste dat hij zelf in die kist lag in plaats van de oude Emilie Vanthomme, opgeplooid als… als… Voor zijn ogen doemde nu dat verwrongen theelepeltje op. Dit was de hel hier.

De eerste offerandegangers kwamen eraan. Dat waren de zwaarst rouwenden. De baas van de uitvaartonderneming begeleidde ze. Jimmy concentreerde zich op zijn schaal. Er kwamen steeds meer munten in te liggen. Van onder zijn half neergeslagen oogleden probeerde hij nu de Lekkerbekvrouw te ontdekken. Overal grijze en zwarte vlekken. En toen gebeurde het, onverwacht, veel vlugger dan Jimmy had verwacht.
Er werd een witte envelop op zijn schaal gedeponeerd. Jimmy keek verbijsterd op. Ze stond vlak voor hem. Ze keek hem even diep in de ogen, drukte haar wang tegen de pateen zonder haar blik van hem los te laten, griste daarna het gedachtenisprentje uit de hand van de uitdeler en stapte dan terug de middenbeuk in. In opperste wanhoop keek Jimmy naar de envelop: J. Verschoore, acoliet – DECANAAT TORHOUT – SINT-PIETERSBANDEN. Naast hem stokte deken Camerlynck even in zijn routine. Hij boog zich wat opzij om met gefronste wenkbrauwen het vreemde voorwerp op Jimmy’s schaal te bekijken. Toen trok hij zijn wenkbrauwen weer omhoog, richtte zich op en kweet zich verder van zijn taak.
Met een bloedrode rouwkop fixeerde Jimmy de enveloppe, tot het wit ervan geleidelijk verdween onder een laag munten. Toen hij na lange minuten weer eens opkeek, zag hij dat de stoel waar de vrouw met het zwarte filmhaar gezeten had, leeg was.
Nu volgde nog de genadeslag voor Jimmy. De offerandegang was afgelopen. Meneer Charles kwam de buit ophalen.

De rest van de begrafenisdienst maakte Jimmy als in een nare droom mee. Meneer Charles had de beide schalen naar de sacristie gebracht en was onmiddellijk teruggekomen via een zijbeuk van de kerk, waar hij de gebeurtenissen van op een afstand volgde. Zijn brillenglazen flikkerden af en toe op in het licht dat door de brandglasramen viel. Had hij de envelop dan niet ontdekt onder de laag munten? Was hij zijn misdienaars gewoon aan het controleren en beoordelen? Moest het ergste nog komen? Gebaarde hij van krommenaas en martelde hij hem tot het uiterste?

Kale Bemol gaf er nu nog een laatste lap op. De mensen stonden op. Emilie Vanthomme zou nu echt ter aarde worden besteld, in een stoet van zwarte auto’s naar begraafplaats De Warande. Medemisdienaar Geert moest nog even met de priesters mee naar de uitgang van de kerk. Jimmy kon beschikken. Toen hij aanstalten maakte om zich snel weer naar de sacristie te begeven, merkte hij dat de stoel waarop meneer Charles daarnet gezeten had, leeg was. Wellicht had die zich ook al naar achter in de kerk gespoed, om het verdere verloop van de plechtigheid in goede banen te helpen leiden. Hier zat nog een laatste kans in.

Amper een dag later werd Jimmy Verschoore beschuldigd van diefstal. Hij werd diezelfde vrijdag na schooltijd door meneer Charles in de sacristie ondervraagd. Meester Daniël had Jimmy in de speeltijd van 10 uur 10 op de hoogte gebracht. Hij had ook al zijn ouders verwittigd. Jimmy Verschoore zat als een rat in de val.
‘Deken Camerlynck zegt dat er een witte envelop op jouw schaal werd gelegd, door een zwarte dame. Is dat waar, Jimmy? De deken liegt toch niet? Hé?!’
Jimmy zweeg.
Hij zweeg over de witte envelop – zijn envelop – die hij de dag ervoor in de verlaten sacristie vliegensvlug van onder de berg munten bevrijd had en vlak voor de middag mee naar huis genomen had. In de wc had hij de envelop onderzocht. Het flapje en de zeven munten waren eruit. Het enige wat er nog in stak, was een lelijke tekening, op de achterkant van zijn heilige dienstrooster: een gekromd koffielepeltje. Tussen de beide verwrongen uiteinden sprong een uitgestoken tong naar voren.

Tot het einde van zijn dagen als acoliet van de katholieke eredienst – en dat duurde welgeteld drieëndertig dagen – hield Jimmy Verschoore vol dat er helemaal niks in die witte envelop gestoken had. Niemand immers – tenzij het schepsel van de Lekkerbek – had ooit zijn naam of het gedrukte opschrift echt goed gezien. En niemand zou ooit de echte geschiedenis van de eerste en enige misdienaarenvelop van Jimmy Verschoore kennen.
Hij werd weggezonden als een dief. Toen de zware sacristiedeur dichtklapte, zaten er twee van zijn vingers tussen. De dokterpa van Didier moest aan huis komen om hem te kalefateren.

‘Wat is er daar allemaal gebeurd, Jimmy? In dat huis van God?’
‘Ik heb een envelop verloren en die Charles is een… een… ‘
‘Woorden schieten te kort, hé Jimmy?’
‘Dat is niets voor jou, Jimmy. Ondanks je rouwkop.’
‘Je zou later in de politiek moeten gaan: met zo’n kop geloven ze dat je voor de kleine man opkomt. Als je dan later verkozen bent, kun je de knop weer omdraaien.’
‘Godverdomme!’ zei Jimmy vol overtuiging.
‘Dat is een goed begin,’ knikte Georges Verschoore.
‘Haal nu maar de salami uit,’ gebaarde ma. ‘Pa heeft de brokkelkaas weer opgegeten.’
‘Uit puur contentement, Andrea. We gaan een autootje kopen, Jimmy. Wat zeg je daar van? En ik betaal alles in een witte envelop.’

JORIS DENOO

Geschreven door Joris Denoo om 08:44 Stuur door

License to drink

LICENSE TO DRINK

(A Mockumentary)

Zijn er nog mensen die van ouderwetse Oxo of Martini houden? Gaan er nog voor een Bloody Joseph, Pink Hound of Sweet Louise? Stirred, not mixed? Mixed, not stirred? Hebben zij een license to drink? Ach, de stumpers.

Het district Madelon/Brîcq-sur-Mer (gelegen in Oud-Ocedanië, waar begin 20ste eeuw Franstalige indianen aangetroffen werden) stond bekend voor zijn slangenvlees, M-shirts en mocktails. Spot nooit met mocktails. Het zou u zuur kunnen opbreken. Het is niet omdat zo’n combinatiesapje geen alcohol bevat dat het u niet de gordijnen in kan jagen. Er zit (letterlijk) een addertje in dit ‘heilig oliesel van de nuchterheid’. U zou het kunnen besterven van de gezondheid. Maar daarvoor moet u dus in het district Madelon/Brîcq-sur-Mer zijn.

Elk jaar werd op M-Day (Memorial Day, gedenkdag van de sperenopstand van de indianen tegen het Franse koloniale gezag) in hoofdstad Madelon een gigantische ton gevuld met alle mogelijke mocktail-ingrediënten. De sappen van alle eilandvruchten vloeiden er samen. Op die dag liep iedereen ook in de bekende groen-en-gele M-shirts, de rituele kleuren en traditionele kleren van de autochtone indianen. Op het eiland leefden naar schatting nog een driehonderdtal Franssprekende indianen. De rest van de bevolking, zo’n tachtigduizend zielen, bestond uit een cocktail van Zuid-Europeanen, Midden-Amerikanen en Atlantische eilanders. De voertaal was er het Ocedanisch: een mix van Frans, Amerikaans en Portugees, ook genoemd: het Franglees.

Op M-Day (sommigen zeiden: Mocktail Day) dronk iedereen uit de ton. Hoewel in deze reusachtige mocktail geen alcohol zat, waren de Ocedaniërs na vijf, zes glazen van het goedje al duidelijk boven hun theewater. Dat kwam door de mespunten slangengif die door de sappen werden gemengd. Elk jaar vielen er daardoor wel enkele slachtoffers. In zo’n grote ton was het ook moeilijk om de juiste verhouding sappen – slangengif te bekomen. Ook in de dagelijkse mocktails, het hele jaar door gedronken, werden kleine, minutieus afgewogen scheutjes slangengif gemengd. Men beweerde dat het bevorderlijk was voor de gezondheid. De niet-alcoholische dronkenschap voortvloeiend uit het nuttigen van diverse mocktails nam men er graag bij. Maar het bleef toch altijd uitkijken voor een ‘slangenbeet’.

Serpent was het bekendste merk onder de mocktails op het eiland. Het was ook de meest te duchten mocktail. Ingrediënten: varkensbes, eilandpruim en passievrucht. Plus wat slangengif dus. Concurrerende merken: Snoa, Mockonda, Comaq en Madelonne. Elk merk had zijn bekende vruchtensappen en geheime verhoudingen, het resultaat van tradities en oude familierecepten. Eén keer probeerde een tapiocaboer (een Thai die op het eiland zijn geluk beproefde) een surrogaat-mocktail op de markt te brengen. Zijn Maniaque, zoals hij het goedje noemde, was gebaseerd op grondwortels, en had dus vrijwel geen smaak. De man, eigenlijk gespecialiseerd in varkensvoer, had ook weinig ervaring met slangengif. De Maniaque was een kort leven beschoren. De allochtone Thaise boer ook: hij werd op een afgelegen plek in het district Madelon/Brîcq-sur-Mer door onbekenden gewurgd met een dode eilandadder.

Ooit had een schildpad op M-Day een lek ontdekt onder aan het grote feestvat. Nadat ze zich rijkelijk te goed had gedaan aan de feest-mocktail, viel ze op het strand een liefdeskoppel aan (… dat ook al onder invloed van de mocktail duchtig aan het rollebollen was). Tussen haar kaken verbrijzelde ze achtereenvolgens de linkerenkel van de vrouw en de rechterelleboog van de andere vrouw. Volgens de slachtoffers was de schildpad hen op haar twee achterste poten genaderd, en had ze voor de aanval haar schild afgegord en opzijgelegd. Het koppel hield er vreselijke tatoeages aan over.

Op een van die jaarlijkse M-Days, ongeveer een halve eeuw geleden, greep er ook een chic society verlovingsfeest plaats in een dure wijk net buiten hoofdstad Madelon. Langsheen de rivier Bricqatte begaf zich die namiddag contrabassist Damien Y. te voet naar de villa in die wijk. Dat gebeurde ietwat moeizaam omwille van het aantal mocktails dat hij die dag reeds achter zijn kiezen had gegoten. Hij was samen met nog enkele bevriende muzikanten uitgenodigd om daar ’s avonds het verlovingsfeest op te luisteren. Hij torste zijn instrument in een hoes op zijn rug. Plotseling stootte hij op een slapend meisje. Ze was ongeveer twintig jaar. Ze was ingedut bij haar vislijn, op de oever van de Bricqatte. Of was ze ook al gemocktaild en kwam ze hier haar roes uitslapen? Even bekroop hem de lust haar wakker te maken. Maar hij bedacht zich plotseling. Hij kreeg een schitterende inval. Hij zocht een beschutte plek en ontdeed zich van zijn contrabas. Daarna van zijn kleren. Toen ging hij het bosschage en de weide in om een zomertuil bloemen bijeen te plukken. Die bond hij samen met wat twijgen. Vervolgens ging hij voorzichtig te water, zwom onzichtbaar tot bij de plek waar het meisje lag te dutten en bevestigde zijn bloementuil aan haar dobber. Omzichtig en zonder geluiden te maken zwom hij weer van haar weg. Toen hij weer aan land klauterde en naar de beschutte plek sloop, merkte hij tot zijn verbijstering dat zijn kleren weg waren. Gelukkig lag zijn contrabas er nog!

Wat nu gezongen? Minutenlang speurde hij de omgeving af. Niemand te zien. De vogels waren gevlogen. Af en toe controleerde hij ook of het meisje nog sliep. Uiteindelijk besloot hij dat er maar één iets op zat: onder het dichtste bruggetje over de Bricqatte de duisternis afwachten en dan… Zo gezegd, zo gedaan. Een poedelnaakte Damien Y. haastte zich met zijn contrabas op zijn rug tweehonderd meter terug naar zo’n beschermend bruggetje. Daar verborg hij zich onder.

Intussen werd het meisje wakker. Toen ze haar vislijn in wou halen, lukte dat niet. De dobber was onder water verdwenen. Ze voelde dat er iets zwaars aan de haak hing. Haar hart bonkte. Een grote vangst? Een… een lijk? Een stomme autoband? Ze speelde haar kleren uit, gleed in het water en dook om te zien wat er gaande was. Tot haar verbazing hing er een kleurrijke bundel bloemen aan haar lijn. Het (intussen verwarde en door water verzwaarde) kluwen begon door te wegen en uiteindelijk te zinken, de dobber met zich meetrekkend. Hoe kwam dat nou? Wie had dat gedaan? Met enige moeite slaagde ze erin het probleem op te lossen. Toen ze weer op de oever klauterde, bonkte haar hart dubbel zo hard: haar kleren waren foetsie. Eerst gleed ze onmiddellijk het beschermende water weer in. Minutenlang kamde ze met haar ogen de omgeving af. Er was geen kat te zien en geen kik te horen. Behoedzaam hees ze zich andermaal uit het water. Alles bleef rustig. Dieven? Arme mensen? Bedelaars? Zwervers? Een hond? Maar hoe moest het nu verder?

Plotseling werd Damiens aandacht gewekt door vlugge voetstappen. Het was intussen al wat donkerder geworden. Hij stond op en zag twee schimmen over de weg lopen, ieder een bundeltje dragend.
‘Hé!! Hela daar!!’ riep hij, molenwiekend met zijn armen. De schimmen keken geschrokken om en zetten het op een lopen, het binnenland in. Damien zette poedelnaakt de achtervolging in, maar na honderd vijftig meter gaf hij het op: de dieven waren pijlsnel door de weiden gevlucht en verdwenen.

Toen hij even later aanstalten maakte om op een beschut plekje te gaan zitten en uit te blazen, viel zijn mond wijdopen van verbazing: in het gras aan de oever van de Bricqatte zat een spiernaakt meisje!
‘Ugh!’ deed hij verbouwereerd.

Het meisje besloot te wachten op de duisternis om verdere stappen te ondernemen. Ze verborg zich tussen het hoge gras. Toen het halfduister al hier en daar het daglicht weg begon te vlakken, gebeurde er iets vreemds. Eerst was er ver geschreeuw, dan waren er de geluiden van rennende voeten, daarna doemde eensklaps een poedelnaakte man voor haar op.
‘Eék!’ riep ze verbijsterd.

De twee naakten deden elkaar hun verhaal. Het voorval met de bloemen vormde het centrale thema natuurlijk. Waren de bloemen er niet geweest… dan hadden ze allebei hun kleren nog aan. Ze konden er nog om lachen. De muzikant nodigde het meisje onder ‘zijn’ bruggetje uit, tot het volledig donker was geworden. Zo gebeurde. Zedig zaten ze naast elkaar voor zich uit te kijken en wat te praten. Het werd echter ook kouder. Daarom ontdeed Damien zijn contrabas van zijn huid en nodigde hij het meisje uit om in de hoes te schuiven en als slaapzak te gebruiken. Ze stemde toe. Ze was immers erg moe omdat ze die middag ook aan de mocktail gezeten had, bekende ze. Haar hoofd deed er nog pijn van. Damien ritste de hoes dicht en ze sliep in. De contrabas zette hij rechtop tegen het binnenste brugmuurtje. Over een uur zouden ze in het donker bij het eerstvolgende huis aankloppen en hopen dat ze er geholpen werden.

Na een halfuur hoorde Damien weer geritsel op de weg. Omdat hij het slapende meisje niet alleen wou laten, hees hij de hoes op zijn rug en sloop de berm op. Waren het misschien weer de onverlaten van vanmiddag? Weer op zoek naar buit? Of daagde er mogelijks hulp op? Hij legde de hoes even in het gras aan de zijkant van de weg om zich vlugger voort te kunnen bewegen en liep richting villawijk, van waar de geluiden gekomen waren. Geen levende ziel te bekennen. Na tien minuten week hij van de weg af en dwarste hij enkele weiden. Op die manier een grote boog beschrijvend, liep hij terug naar het bruggetje. Hij had niemand gezien. Misschien begon hij zich dingen in te beelden onder invloed van de mocktail waar hij die dag ook al rijkelijk van geproefd had?

Intussen begaven zich vanuit hoofdstad Madelon twee bevriende muzikanten naar de dure villa in de buitenwijk. De fluitist en de klarinettist keken hoogst verbaasd toen ze op hun weg de bekende hoes van Damien zagen liggen.
‘Zou Damien te veel mocktail gedronken hebben en zijn contrabas hier achtergelaten hebben?’ vroegen ze zich af.
‘En waar is de man zelf?’
‘Nou, als hij vanavond wil spelen op dat verlovingsfeest, zal hij dit hier nodig hebben.’
En ze torsten om de beurt het ding op hun rug en begaven zich naar het feest.
‘Zwaar hoor, dat ding. Hoe doet die Damien het toch.’
‘Ik zou ook niet op zo’n gevaarte willen spelen. Geef mij maar mijn fluit.’

Onverrichter zake keerde Damien dus terug. Zijn haren rezen te berge toen hij de plek opzocht waar hij het meisje in de hoes had achtergelaten. Ze waren verdwenen: het meisje én de hoes. Paniek maakte zich van hem meester. Wat was hier toch allemaal gaande? Urenlang waadde hij door struiken, weiden, water, bosschages. Waren die dieven teruggekeerd om meer buit? Het hoesmeisje bleef spoorloos. Toen viel het hem in dat hij niet eens haar naam wist. Hij had er niet naar geïnformeerd. En omgekeerd had zij evenmin naar zijn naam gevraagd. Zo gaat dat als je naakt bent. Uiteindelijk ging Damien weer onder het bruggetje zitten, rillend en treurend, bij zijn geliefde, hoesloze contrabas, die het ook al koud kreeg.

De twee muzikanten arriveerden met hun instrumenten en de hoes op het feest. Toen de heer des huizes, als groot muziekliefhebber en bewonderaar van de contrabassist Damien Y., (ietwat verontrust door de ongewone contour) de hoes openritste, snoerde collectieve opperste verbazing minutenlang alle geluiden en kelen in de dure villa. Het werd er angstaanjagend stil.
Vele door de mocktail verdoofde mensen zagen toen hoe een contrabashoes een volwassen meisje baarde, dat zich ogenblikkelijk na haar geboorte met een vreselijk snerpende schreeuw uit de voeten maakte en door de weide naar de rivier liep, haar baarmoeder met gapende keizersnede achter zich latend.

Nu nog vertellen de Oud-Ocedaniërs de legende van de kleine weeklaagbrug boven de Bricqatte. Van onder dat brugje ontsnappen bij valavond twee weken voor en twee weken na M-Day klaaglijke klanken, door een naakte gedaante aldaar aan zijn contrabas ontlokt. Het schijnt de treurende verloofde van een evenzeer naakt meisje te zijn, dat geboren werd uit een contrabashoes, maar daarna nooit meer werd gezien. Sceptici schrijven het verhaal toe aan de kracht van de mocktail, en wat die – ondanks zijn nul percent aan alcohol – bij de mensen kan aanrichten. Uitkijken voor serpentengif!

JORIS DENOO

Geschreven door Joris Denoo om 08:58 Stuur door

Rach 3

RACH 3

(EEN PIANO VERHUIZEN)

Was aan deze wirwar van hamertjes en snaren en blokjes hout en luchtledigheid ooit Rachmaninov ontlokt? Everart zonk door zijn knieën op de koude vloer en overschouwde wanhopig het slagveld. Schaakspel was kinderspel. Een tot in al zijn vezels gedemonteerde piano was een kunstramp. Dissectie was voor beroeps. Everart had geen zicht meer op de nochtans zo secuur gevolgde volgorde, zo secuur dat het wanorde werd door één onverwachte mep met zijn linkervoet in de mikmak van onderdeeltjes. De zo fraai op de vloer uitgestalde golvende beweging van de hamertjes, the right thing in the right place, geconstrueerd zoals Rachmaninov het gewild zou hebben, vormde nu een krijsende puzzel. Ook andere onderdelen, klein en groot, hadden in de mep gedeeld. Deze piano zou nooit meer zichzelf zijn. Het was een ex-instrument geworden. Een pijnlijke snaartheorie.

Iets vernietigen kon zoveel vlugger en grondiger dan iets op te bouwen.

Everart zuchtte diep; stof van de vorige eeuw wolkte van een van de ontmantelde zijwanden van de piano. Hij steunde met zijn linkerhand op zijn linkerknie en krikte zichzelf weer op mensenhoogte.
Een moeilijke partituur, waarvan de noten en alles wat ertussen hoorde weggeblazen waren door een verbolgen vertolker.
Een bomaanslag ter hoogte van de navel van de Koningin-Elisabethwedstrijd.
Een antiek meubel dat weer struikgewas geworden was.

Everart had nooit van zijn leven pianogespeeld. Vader, jaren geleden op een mistige nazomerochtend voorgoed van zijn solex weggeplukt in het moorddadige verkeer, was vinkenzetter geweest. Moeder zong heden ongecomponeerde noten in Stella Maris, onderdak voor oudere ontheemde geesten. Everart, vrucht van dit alles, zevenendertig, zuchtte nog eens diep. Hij mepte de Humo open. Boos zocht hij zich een weg naar de televisieprogramma’s van die avond. Een onvolkomen voorwerp in zijn biotoop maakte hem altijd boos. Bijvoorbeeld een klok die het exacte tijdstip niet meer verklapte. Wrong time in the right place. Het watervalletje in de toiletpot dat verdacht ruisen bleef. Die godverongelukte piano.
‘Het gezin Van Paemel’, Vlaams familiedrama, 20 uur 45. Er was een minuscuul fotootje bij: een vader en een zoon zaten dreigend tegenover elkaar aan tafel pap te lepelen. Eronder stond: ‘Een landbouwersgezin uit Vlaanderen’. Everart staarde nog even droevig naar de ingewanden van het muziekmeubel en zonk daarna in de kuipfauteuil neer, zapper in de aanslag.

Men wil wel een piano in huis, gezellig, artistiekerig, zo daar plaats voor is. Ook al veroorzaakt men daar nimmer een zinvolle notenvolgorde op. Als het muzische meubel zich dan ook nog eens gratis aandient – alternatief: het stort, de kringloopwinkel, een haard – hapt men natuurlijk toe.

‘Hier – gij krijgt de piano, mij krijgt ge niet meer – ge moet ‘m wel zelf komen ophalen, en nu uit m’n ogen.’

Everart hokte al jaren met zichzelf samen, driehoog in Vrijzicht, S. Stevinstraat 18/3B. Met de badmintonmaten Jan en Wouter en diens in laatste instantie nog opgevorderde vader hadden ze de piano naar boven proberen te zeulen. Noch de lift, noch de trap boden uitsluitsel daaromtrent. Het ging niet. Een verhuisfirma met desbetreffende lift kwam niet in aanmerking: het appartement 3B bevond zich aan de onbereikbare achterkant van Vrijzicht, met zicht op zoiets als een tuin. Uitgesloten. Bovendien stond het onding al overmoedig beneden in het halletje te wachten op zijn hemelvaart naar de derde verdieping, iedereen hinderend. Dus: koe bij de horens, ontmantelen, demonteren, verdelen en heersen. Daartoe werd het meubel weer naar buiten gerold, waar het voor het aanschijn van de mensheid op het trottoir verkaveld werd en vervolgens in partikels naar boven gedragen. Nadat de vrijwilligers weer vertrokken waren – koffie, cola, bier, boudoirs, maar er waren grenzen aan vrijwilligheid – zat Everart met de gebakken peren. ‘Ze zouden wel weer eens aanlopen met wat meer tijd’. Onvoorziene omstandigheden. De bezitter van het nieuwe oude meubel moest het stellen met een vlugge reconstructie van de moeilijkst uitziende onderdelen van het ingewikkelde karkas.

‘Hier – gij krijgt de piano, mij krijgt ge niet meer – ge moet ‘m wel zelf komen ophalen, en nu uit m’n ogen.’

De piano moest weg ten huize van Micheline Bracke, lerares Frans, bijna vijftig, eeuwen al gescheiden, geen nageslacht, zang- en pianohobbyiste. Het ding was al geruime tijd een doorn in haar oog; het palmde de plaats in van een zonnebank die er nog niet stond. Wie anders dan haar oud-leerling Everart kon zich ontfermen over het artistieke ruimte verslindende meubel? Ettelijke keren had hij haar Rach 3-uitvoering meegemaakt op het ding. Ettelijke keren ook hadden ze de liefde bedreven bij een cd-versie van Rach 3; Micheline had er vijf verschillende van. Ze beweerde van zichzelf dat ze het stuk beheerste. Everart, filistijn waar het muziek betrof, kon daar niet over oordelen. Wel twijfelde hij aan haar muzikale capaciteiten, na het bekijken van een film over een gek geworden vertolker van Rach 3. Bleek ook dat bijna niemand het aartsmoeilijke stuk meesterlijk onder de knie kon krijgen, en als dat al het geval was, werd men gek. Het enige wat Everart overigens met het stuk associeerde, was seks. Hij reageerde op Rach 3 als een Pavloviaanse hond op een belsignaal. En Micheline ‘beheerste het stuk’. Toen hij op een avond zijn oud-lerares ‘eventjes eerlijk’ kond deed van zijn twijfel over haar Rachmaninov-uitvoering, verloor en won hij in een klap een minnares en een piano.

‘Hier – gij krijgt de piano, mij krijgt ge niet meer – ge moet ‘m wel zelf komen ophalen, en nu uit m’n ogen. Trouwens, ik ga hier een zonnebank zetten.’

Everart was tipsy geweest. Zij had ook gedronken. Hij trok zijn half afgepelde kleren weer aan en hoopte dat het een van haar bekende kuren was.
‘Maar allez Micheline… !’
‘Weg zeg ik u! Onmiddellijk! De sleutel zal op de gewone plaats liggen, nog twee weken. Bel mij op om te zeggen wanneer ge dat ding daar (ze knikte minachtend naar het meubel) komt ophalen, ge moet maar voor volk zorgen, ik zal maken dat ik er dan niet ben, ik moet u niet meer zien.’
Hij deed zijn bovenste knoopje dan ook maar dicht.
‘Maar Micheline, ik… ‘
‘Eruit, Everart!’
Ze kwam niet meer op haar beslissing terug. De dronken oprisping was de lava geweest van een borrelende berg. De donkere Rachmaninov-hoek ten huize van Micheline Bracke zou binnenkort blakeren van kunstmatige zon. Everart: afwezigheid, ontstentenis, ontbreking.

Drie weken na elkaar schudde Everart mistroostig en schouderophalend nee toen Jan en Wouter in de kleedkamer informeerden naar de piano. Toen dat de vierde week nog zo was, sloegen ze eerst gewoontegetrouw anderhalf uur shuttles naar elkaar en vergezelden ze daarna vriend Everart naar Vrijzicht, S. Stevinstraat 18/3B. Ze troffen er het slagveldje aan zoals ze het een maand daarvoor verlaten hadden: een heksenketel van ongeordende moleculen.
‘Do-re-mi-fa-sol-la-si-do,’ zong Wouter vals.
‘De Negende van Beethoven ondersteboven en achterstevoren,’ zei Jan.
Everart glimlachte wrang. De Negende, wat een cliché.
Koffie, cola, bier, boudoirs: ze togen aan het werk, alle beschikbare kunstlichten aan. Het liep al tegen middernacht toen het muzische ding weer in elkaar stak, met uitzondering van een geheimzinnig stukje hout dat was overgeschoten.
‘De appendicitis, ha ha.’
Bij aanraking van de meeste toetsen ontwaarde men klank.
‘De patiënt heeft het gehaald.’
‘Jij speelt toch geen piano hé, Everart?’
‘Nee, het is mij om het meubel te doen.’
‘Jaja.’

Na gedane zaken bleek echter dat het meubel waar het Everart om te doen was nergens paste in het interieur. Overal was het te groot voor, te breed, te lomp, te lang. Geen nis, geen hoek, geen erker, geen vrij stuk muur bood nestmogelijkheid. Noodgedwongen bleef het ding als een dronken geparkeerde auto haaks op alles en nog wat in deze biotoop staan. Een vreemd, thuisloos voorwerp, niet van hier, op zoek naar asiel. Het was er eindelijk in, maar nu kon het er ook helemaal niet meer uit. Nadat de laatste desbetreffende metingen en constateringen definitief achter de rug waren, begon Wouter een treurmars te fluiten. Jan plantte een badmintonshuttle op zijn neus en trommelde pijnlijke klankenreeksen op het oude gebit van het muziekmeubel. Everart zonk zwetend op een stoel neer en trok met een plofje zijn derde blik cola open.
‘Die godverdommese piano,’ zei hij, er ontsnapte daarbij wat cola van tussen zijn lippen.
‘Die lerares wou zeker dat ding dringend buiten,’ merkte Jan op. ‘Ze heeft alleszins de goedkoopste verhuizers gevonden.’
‘Jammer dat er geen obligaties in de kast verborgen zaten.’
‘Ze vertrouwt jou wel zeg, Everart, dat je daar zomaar binnen kunt als ze niet thuis is. Boontje? Beste van de klas? Lievelingskindje geweest? Al die jaren gebleven?’
‘Ja, en die sleutel onder de mat is ook wel een klassiekertje.’
‘Verre familie,’ loog Everart. ‘En die sleutel ligt er niet altijd hoor.’
Drie minuten na de klok op de nabijgelegen Sint-Medard-toren gaf ook zijn lelijk Iers wandhorloge in de keuken met licht gekras het middernachtelijke uur aan.
In een aanval van ernst verklaarde Wouter: ‘Je zult er maar mee opgescheept zitten, met zo’n oud meubel.’
‘Bedoel je de piano, Wouter?’ informeerde Jan.

Na zijn dagtaak aan de balie van de Stedelijke Parkeerdienst Parko vermeed Everart angstvallig het Minneplein, waar mevrouw Micheline Bracke een ruime rijwoning betrok. Dat wil zeggen: hij maakte bij het naar huis gaan allerlei andere omwegen en kronkels, niet zoals gewoonlijk, zodat hij heel zeker geen gebruik van het Minneplein hoefde te maken, maar misschien toch de kans liep gezien te worden door Micheline. Of zelf te zien, maar daar durfde hij maar huiverend aan te denken. Everart ‘beschreef’ dagelijks ‘omtrekkende bewegingen’ die gedicteerd werden door een cocktail van liefdessmart, weemoed, verlangen naar geborgenheid, gemis aan vertrouwde seks.

Op donderdagvalavonden zocht hij zijn vrouwelijke verwekker in Stella Maris op. Dat betekende een grote omtrekkende beweging.
‘Dag ma!’
‘Gerard, jongen.’
‘Hoe gaat het ma? Het is Everart.’
‘Zo’n Spaanse hofdame had voortdurend een aapje bij zich, om toch maar de mooiste van de twee te kunnen zijn.’
‘Ik ben je toegewijde aapje, ma. Er is niemand anders. Heb je alles? Krijg je voldoende te eten?’
‘Meer dan twee soorten bloemen op tafel: fout. Dan denken ze dat je die nog vlug uit de winkel bent gaan halen, neen: die moeten uit je tuin komen.’
‘Groot gelijk, ma.’
‘Te veel slagroom.’
‘Ik heb nu een piano, ma.’
‘ - - - ‘
‘Natuurlijk niet om op te spelen.’
‘God zweeg ook van het moment dat ze er in de Bijbel over gingen schrijven.’
‘Het was een hele klus om die te verhuizen. Zo’n puzzel zeg!’
‘Ik wilde wel helpen.’
‘Duurt de siësta hier wel lang genoeg, ma?’
‘Een inktzwarte neger die uit een paarse auto stapte, graaide naar een duif in de lucht en kukelde – plets! – met gespreide handen voorover. Het was op de Italiaanse markt in Kortrijk. Ze moesten het stadsbestuur een proces aandoen. Overal bulten, drempels, uitsteeksels.’
‘Als je iets extra’s nodig hebt, mag je me dat altijd vragen.’
Moeder en zoon zwegen een wijle. Het duister begon het licht aan het raam weg te duwen. Everart knipte enkele lampen aan.
‘Zo, ik denk dat ik binnenkort maar weer eens opstap, ma.’
‘Verre, verre is hetgeen u wordt beloofd, Gerard.’
‘Everart, ma, Everart.’
‘Ja Gerard.’
‘Dag ma.’
‘Gerard.’

Toen Everart zich door de gangen van Stella Maris naar buiten spoedde, viel zijn blik op een piano in een van de ontspanningszaaltjes. Hij stapte op het lelijke bruine meubel af – er was niemand te zien – en onderwierp het vlug aan een vergelijkend onderzoek betreffende het stukje hout dat was overgeschoten na reconstructie van Michelines piano. Dat bood geen uitsluitsel. In een opwelling ging hij op het krukje zitten en duwde zacht op enkele tanden van dit reusachtige gebit. Hij hoorde geschuifel van voeten achter zich, maar voor hij zich kon omdraaien werd met een doffe dreun de klep van de piano dichtgeklapt. Everart gilde het huizenhoog uit van de tienvingerige pijn, terwijl een ontheemde geest met haar volle kontgewicht op de neergeslagen klep ging zitten.

In het Andreas-ziekenhuis staarde een stevig ingepakte Everart droevig voor zich uit. Zijn beide gipsen ledematen, waarvan alle uiteinden gebroken waren, rustten ten westen en ten oosten van hem als vreemde voorwerpen op stutplankjes. Een ijsteddybeer met ontroerend onhandige hagelwitte grijpvuistjes. Een ledenpop die amper kon applaudisseren. De meeste voorwerpen om hem heen blonken uit door ironie en overbodigheid: het telefoontoestel met de toetsen, zijn eigen mobieltje, de zapper van de beeldbuis, de druiventros van de badmintonclub, de biografie ‘Rachmaninov, Rus van ijs’, zijn badkamerspulletjes hem toegeleverd door een behulpzame Wouter, de vele rollen toiletpapier die om een of andere geheimzinnige reden hier net in zijn kamer in een kast hoog stonden opgetast.

In ’s hemelsnaam, mama.
Voortaan, als ik hier ooit weer als een ongebroken zoon weer uitkom, bezoek ik je op donderdagen alleen nog gewapend.
Wat heb ik toch met piano’s?
Met de Stedelijke Parkeerdienst Parko moet nu ook nog gezondheids- en afwezigheidsadministratie worden verricht, verhippeltjes.
Meer dan twee soorten bloemen op tafel, godverongelukt, zotte mama, aanschouw mijn druiventros en verder niets. Beste groeten vanwege uw aapje Gerard.
Het is mij om het meubel te doen.

Dat overgeschoten stukje pianohout was een vuist groot en had de vorm van een wig waarmee men vampiers het hart pleegt te doorboren. Of het onontbeerlijk was voor de gevooisdheid van het muziekinstrument? Everart tobde er lang over, terwijl hij daar toch maar hulpeloos te liggen lag in het Andreas-ziekenhuis. Hij had het Fremdkörper dat er geen was, afgestoten door het moederlijf, dat ook nog eens zelf als een onaanvaardbaar orgaan zijn interieur ontsierde, in een bruine envelop gedeponeerd, erop PIANO (?) gekalligrafeerd en de zending bij de andere raadselachtigheden uit zijn elementaire bestaan op deze materiële aarde toegevoegd.

Vele weken duurde het tot zich een begin van wederingebruikname aankondigde van duim, wijsvinger, middelvinger, ringvinger, pink, maal twee. Grijpreflexen werden middels menigvuldige revalidatiesessies weer bijgebracht en getraind. Er dienden zelfs nog een paar mini-chirurgische ingrepen te gebeuren, omdat op twee plaatsen beenderscherfjes waren gaan ‘zwerven’ ter hoogte van de gewrichtjes. Everart onderging ergere kwellingen dan de verzamelde tandpijn die hij ooit al had gehad.
Badminton? Parko?
Donkere flarden Rach 3 warrelden door zijn hoofd. Na vijf dagen Andreasziekenhuis ging hij zich noodgedwongen wekenlang driehoog in Vrijzicht verschansen. Ondertussen leerde hij via allerlei hulpstukken weer wat kleine vaardigheden aan: vlees snijden, patience spelen, tandenpoetsen, broek dichtknopen. Alleen bezoeken aan de kinesist brachten hem even buiten onder de mensen. Het waren telkens kruiswegen voor hem, want de pijnen die de oefeningen veroorzaakten, waren hels. Dat klopt, zei de kinesist, heel veel gevoeligheden zijn immers geconcentreerd in de vingers, vooral in de uiteindjes ervan, tastzin nietwaar, tactiliteit. Na twee weken mochten er nog enkele ondersteunende pinnetjes uit de vingergewrichten verwijderd worden. Dat gebeurde in een der ondergrondse folterkamers in het ziekenhuis. Everart gaf er tot driemaal toe de geest. Na deze ultieme pijniging wou men hem nog een duur zelfhulptoestelletje aansmeren, een soort vinger-perpetuum mobile, de ziekenkas zou wel tussenkomen, maar Everart schudde heftig nee, tekende moeizaam zijn dossier af en vluchtte het ziekenhuis met zijn vele martelkamers uit.

In die tijd zocht hij een enkele keer de daderes in Stella Maris op. Als een gekruisigde hief hij zijn gespalkte vingers ten hemel, maar ze staarde door zijn handpalmen heen naar een verre verte. Zijn Golgotha was voor haar een molshoop. Haar neurosen bloeiden aan de einder.
‘Waarom, ma??’
‘ - - - ‘
‘Besef je wel dat ik al weken … ‘
‘De kerfstok van de vinken, de krassen op de muur, de tralies voor het venster, de … ‘
‘Eh?’
‘ … tanden van de piano.’
‘Wablief? Kijk naar mijn vingers! Mijn handen!’
‘Gerard?’
‘Ja?’
‘Ga weg.’

En de zoon ging zijns weegs, vermijdend een blik te werpen op het meubel in het ontspanningszaaltje, haastig schrijdend, mompelend zwerend hier nooit meer een voet binnen te zetten, in deze laughing academy, deze fruit company.
‘Hé manneke! Kijkt naar omhoog, de kat pist in uw oog!’
‘Hij heeft ook witte pootjes.’
‘Nee, sokjes aan.’

Ten huize Vrijzicht, S. Stevinstraat 18/3B rinkelde de oude vaste telefoon dwingend. Everart schrok op uit ongecontroleerd gepeins en griste naar het toestel. Pijn, au, pijn.
‘Ja?’
‘Wat: ja? Everart Vanholm?’
‘Jaja.’
Zijn hart jumpte; hij herkende de stem van Micheline.
‘Ben je wel zeker dat je toen alleen maar de piano verhuisd hebt?’
‘Eh?’
‘Weet je van niks dan?’
‘Eh … Ik eh … ‘
Everart drukte het toestel bijna door zijn hoofd heen.
‘Ik begin hier precies wat te missen in mijn interieur, constateer ik nu.’
‘Hé?’
‘Val ik met de deur in huis misschien?’
‘Wat bedoel je eigenlijk, Micheline? Ik weet totaal niet waar … ‘
‘Heb je geen vreemd voorwerp bij de piano gevonden? Misschien per ongeluk meeverhuisd?’
‘Eh … nee.’
‘Je hebt toch wel hulp gekregen, neem ik aan?’
‘Ja. Wouter en Jan en Wouters vader.’
‘Weet je zeker dat die niks extra meegenomen hebben hier? Op diefstal met inbraak staan straffen hé.’
‘Maar waar hèb je het toch over, Mi … ‘
Een zware zucht aan de andere kant van de lijn.
‘Allez dan.’
Klik. Verbinding verbroken.
Everart fronste verbaasd zijn wenkbrauwen. Toen dacht hij plotseling aan dat stukje hout, het stukje dat bij heropbouw niet door de piano van Micheline geadopteerd wou worden. Was het dat wat ze bedoelde? Hij stapte naar de kast in het berghok en haalde de envelop tevoorschijn.
PIANO (?)
Hij bestudeerde het vuistdikke, wigvormige ding grondig. Er zaten kerven op. Met wat verbeelding kon je daar van alles in zien. Even dacht hij aan de vinkenkerfstok van vader zaliger.

Na twee dagen twijfeltijd vormde Everart met een van zijn langst ingepakte vingers Michelines nummer. Niet thuis. Hij jongleerde nog een uurtje met het stuk hout, liet het diverse keren vallen en probeerde dan opnieuw. Daarbij ontdekte hij toevallig dat het voorwerp van zijn aandacht recht kon blijven staan op zijn breedste onderkant.

‘Ja, hallo, ik ben het hé, Everart.’
‘Everart. Wat voor nieuws? Laat het goed zijn.’
‘Waarom belde je me onlangs over dat verdwenen ding? Bedoelde je dat stuk hout? Waar had je het eigenlijk over? Het is maanden geleden dat … ‘
‘Stuk hout, stuk hout: dat is verdorie een handgemaakte Polynesische schaakkoningin! Is het dan toch bij jou misschien?’
‘Had dat dan eerder gezegd, toen je de eerste keer belde. Wist ik veel … Waarom … ’
‘Ik begon het pas onlangs te missen. Dacht dat ik het per ongeluk ergens anders had gezet. Maar… hoe komt dat bij jou terecht? Je hebt het toch hé?’
‘Ja, ja. We dachten dat het een onderdeel van je piano was; het schoot gewoon over.’
‘We?’
‘Wel: de pianoverhuizers.’
‘Maar die moeten dat dan hier mee gejat hebben.’
‘Eh … ja zeker?’
‘Ewel … ‘
‘Een Polynesische schaakkoningin zeg je?’ Everart draaide het ding om en om. Zette het weer neer. Inderdaad. Primitief, maar toch.
‘Ja zeker. Drie jaar geleden bracht ik het schaakspel mee van ginder. Wist je dat niet? Je moet het toch nog hier bij mij gezien hebben?’
‘Nee. Zijn er nog stukken van dan?’
‘Natuurlijk. De hele set. Wie koopt er nu één stuk. Ik merkte pas onlangs dat een van de hoofdstukken foetsie was. Jouw vrolijke vrienden … ‘
‘Stond het dan uitgestald toen ik … toen we … ‘
‘In mijn logeerkamer, ja.’
‘Ah ja, zo.’
‘Wel?’
‘Ik kwam toch nooit in die kamer?’
‘Ja, en?’ klonk het dwingend.
‘Eh… Wouter of Jan wilden zeker een grap uithalen. Ik ken ze.’
‘Grap, ja, grap. Mannen onder elkaar, hé. Zeg, ter zake: wanneer breng je het terug?’
‘Eh… zo vlug mogelijk zeker, Micheline? Eh… en valt er nog even te praten?’
‘We zullen zien. Verrassingen zijn niet uitgesloten. Zit je nog thuis momenteel?’
‘Ja.’
‘Kun je woensdagnamiddag?’
Everarts hart sprong op van vreugde: ‘Ja!’ riep hij zowat.
‘Woensdag dan. Verlang niet te hard.’
Klik.

‘Ja, Wouter, ik ben het hé.’
‘Ah, Everart! Hoe … ‘
‘Zeg: je wordt bedankt hé!’
‘Eh… waarvoor, Everart?’
‘Voor eh … ‘
Everart zweeg plotseling. Hij wist niet hoe hij ‘het’ verwoorden kon: het voorval, het ding.
‘Wel, wat ligt er op je lever?’
‘Heb jij … hebben jullie bij die pianoverhuis iets meegenomen van bij Mi… van bij mevrouw Bracke? Je weet het nog wel: we hadden een stuk hout over hé?’
‘O dat. Ha ha. Ja… eh… Dat lag al van bij het begin bij de hele reutemeteut hoor. Enkele weken later … ‘
‘Het is een koninginnenstuk van een schaakspel uit Polynesië.’
Everart bekeek de schaakdame teder; ze stond rechtop naast het vaasje op het telefoontafeltje. Eigenlijk was hij onverwacht blij dat zijn badmintonmaten …
‘Ja… we namen het mee om… wel, je weet wel hé… grapje… ‘
‘Het kwam uit haar logeerkamer. Een heel schaakspel stond er daar uitgestald.’
‘… maar de aandacht ging toen vooral naar waar je die piano zou kunnen zetten, hé. Onze grap lukte niet zo best meer. Je gedachten waren … ’
‘Ja.’
Everart keek om naar de piano, die nog altijd als een vreemd voorwerp haaks op alles en nog wat stond.
‘Hallo … ? Ben je er nog, Everart?’
‘Eh … ja, tot binnenkort. Ik kom … ‘

De bel rinkelde schel in appartement 3B. Everart schrok zich een bult. Hij draaide zich bruusk om, wou gelijk de hoorn weer in het vaste telefoontoestel inhaken, haperde daarbij met een tros pijnlijke vingers aan de rand van het tafeltje, snerpende vlammenwerpende pijn flitste door al zijn kootjes, hij vloekte, struikelde, viel over het tafeltje heen. De handgemaakte Polynesische schaakkoningin boorde zich met haar fijnste wigpunt in zijn hart. Als een vampier met witte klauwen op zoek naar zijn doodskist strompelde Everart op weg naar de deur nog tot bij de scheef geparkeerde piano, waar hij languit overheen viel, terwijl uit het grijnslachende gebit een doodsdreun opsteeg. Achter de deur van appartement 3B keek Micheline Bracke verbaasd op.

JORIS DENOO

Geschreven door Joris Denoo om 09:29 Stuur door

Raaf

RAAF

1 Oude Engel

De kou rook naar grijs, maar de lucht zat blauw als wintermelk toen Oude Engel zin kreeg in een bord erwtensoep. Even later baadde hij in de kunstmatige warmte van kaffaat Rokade. Net voor Otto zijn tafeltje naderde, besloot Oude Engel het op een donker bier te houden.
'Erwtensoep,' zei hij dan toch maar tegen Otto, uit pure gewoonte. Die knikte niet verbaasd, want Rokade stond bekend om zijn erwtensoep.
'En voor Eliott graag twee partjes oude kaas.'
Otto glimlachte naar de raaf op de linkerschouder van Oude Engel.
'Kaasje! Kaasje!' kraste die.
'Juju, ik rep me al, pluimvee.'

In Rokade was het rustig. Een jonge copywriter prepareerde een trompetje wiet voor straks buiten en klapte dan zijn laptop open. De vrouw aan het raam die elke voormiddag twee whisky's dronk, bladerde door totoformulieren.
'Haasje-repje!'
'Snavel dicht, ongedierte,' mompelde Oude Engel zijwaarts. 'Gedraag je.'
Soep en kaas kwamen eraan. De vogel en de man verdiepten zich in spijs en drank. Zoopjesman Otto ging gedachteloos op zijn tapkranen leunen.

Het was donderdag 29 februari, 1 minuut voor 10, in Maranga, de hoofdstad van het broekland langsheen het Duivelslint. 30 kilometer westwaarts lag de zee. Achter dit hinterland was Maranga de eerste grote stad die het binnenland ontsloot. Daartussen had je dorpen en veel drassigheid, aan de kust wat stadjes met esplanades om te flaneren, schreeuwende meeuwen en aanslibbing van dagjesmensen in het hoogseizoen.
Oude Engel keek op zijn horloge. Hare Witte Merelachtigheid kon nu ieder ogenblik opdagen.
'Zo tegen tienen,' had ze gezegd, totaal overbodig, want elke donderdag kwam ze naar kaffaat Rokade op hetzelfde uur.

2 Witte Merel

Elf jaar lang was Witte Merel de frontvrouw geweest van de rockgroep ACE. Daar kwam een abrupt einde aan toen de voltallige groep bij een fotosessie door de plankenvloer van de vliering van de Duivelsmolen zakte en ettelijke meters naar beneden kukelde, materiaal inbegrepen. Dankzij die foto's werd ACE even echt beroemd, maar met de muziek was het definitief gedaan: twee van de vijf groepsleden hielden aan de val levenslange letsels over en één overleefde het zelfs niet. Voor de frontvrouw viel het nog mee; haar lijf kon met redelijk succes worden opgelapt met enkele stukken kunstmatige materie.
Witte Merel likte haar wonden. Boeken, wodka en sigaretten hielpen haar daarbij. Ze hield zich ook schrijvenderwijs overeind. Alle ACE-'lyrics' die ooit op alle 315 ACE-concerten werden meegebruld, waren van haar hand. Na de Duivelsmolencrash annex noodgedwongen opdoeken van ACE bedreef ze gedichten, reclameteksten en al vlug ook een wekelijkse column in AHA! Maranga's Magazine (popunaampje: de Ahmama!), wat ze aan hoofdredacteur Oude Engel te danken had. De AHA! Maranga's Magazine was gezellig ouderwets en nieuwlichtend. Elke vrijdag konden zowel de underdog als de grijze meerderheidsmuis er zich in vinden. Met zijn oplage van 40 000 exemplaren voor stad en omgeving had de Ahmama! zich al 18 jaar lang een vaste stek verworven tussen de klassieke landelijke kranten met hun streeknieuwskaternen en de andere magazines. Vandaag, donderdag 29 februari om halfelf, kwam Zwart Hart solliciteren naar een plaats in de kernredactie van de AHA! Dat zou gebeuren in kaffaat Rokade, waar Witte Merel klokslag 10 uur de deur openduwde, zoals elke week. Mick Mauser, haar partner en fotograaf voor onder andere de AHA!, kon er pas later bij zijn wegens persconferentie.

3 Zwart Hart

Zwart Hart zat ooit in de gemeenteraad van Maranga, eind jaren 80 en begin 90. Zijn toenmalige partij, de Maranga DefusioneringsPartij (MDP), leverde niet minder dan vier raadsleden. Driekwart van de stemmen kwam natuurlijk van de omliggende, opgeslorpte dorpen. Die zagen dat gedachtegoed wel zitten. Sinds 1977 waren ze door Maranga 'gefusilleerd', zoals ze het noemden. Zwart Hart en zijn vreemde partij ijverden voor nieuwe kleinschaligheid. De fusioneringen overal te lande, daterend van 1977, waren volgens hem nefast voor zowel het stads- als het dorpsleven. De vreugde was van korte duur. De MDP viel uiteen door geruzie tussen kleine dorpsgodjes die allemaal weer burgemeester wilden worden en amoureus gescharrel. Bij de daaropvolgende verkiezingen werd vrijwel iedere MDP'er verruimingskandidaat op een andere politieke lijst. Zwart Hart zelf slaagde erin stadsdetective van Maranga te worden. In de bloeiperiode van de MDP had hij die functie weten te creëren, helaas niet fulltime invulbaar. Hij zwierf betoelaagd over pleinen en in straten en genoot voor de rest ook nog wat geldelijke steun van staatswege. Zo kon ie wel weer. Een fijne kerel, maar de stadskas kon hem onmogelijk het volle pond betalen. Ze waren ook wel een beetje pissig daar in het stadhuis omwille van zijn MDP-verleden.

En dus stapte op donderdag 29 februari om 10:30 Zwart Hart handenwrijvend de warmte van Rokade binnen. Zijn ogen zwiepten even als een vuurtorenlicht door het interieur. Dan zag hij de AHA!-drievuldigheid aan een van de verste tafeltjes zitten: Eliott de raaf, Oude Engel en Witte Merel. Mick de fotograaf was alsnog afwezig. Zwart Hart schraapte zijn keel en wuifde ten teken van herkenning.

4 Mick Mauser

5 voor 12 kwam fotograaf Mick Mauser binnen. Hij drukte zijn lippen tegen die van Witte Merel, gaf Oude Engel en Zwart Hart een hand, aaide Eliott over de kop en schoof een stoel bij.
'Saai?' informeerde Oude Engel. Mick Mauser knikte.
'Welkom bij Ahmama!' zei hij tegen Zwart Hart.
'Dank je,' deed die verrast.
'Hij komt er toch bij, hé?' vroeg Mick, zich tot de anderen wendend.
'Dat beslisten we vorige week al,' glimlachte Oude Engel.
'Ahààhh,' kreunde Zwart Hart gemaakt.
'Blijf je ook stadsarend?' informeerde Mick.
Zwart Hart knikte: 'Stadsarend en onderzoeksjournalist. Ik heb er alles voor over om van AHA! Maranga Magazine een goedlopend blad te maken. Het is ook een gedroomde fusie: ik loop beroepshalve al jaren met ogen op mijn rug in de stad rond. Met andere woorden: voor Ahmama! kan ik zowat de goede bron zijn waaruit alles wordt vernomen.'
'En mag dat van je andere patron?'
'Geen probleem. Er is over gepraat.'
'Nou,' zei Oude Engel, 'dat is dan rond. Het kan wel vaker gebeuren, Hart, dat we je op pad sturen voor het werven van advertentie.'
'Ik wil zelfs de kust afschuimen in verband met afgeprijsde behaatjes of een zonnebrandcrème-actie,' declareerde Zwart Hart nogal plechtig. 'Mag ik jullie een goed glas offreren? Een oude porto bijvoorbeeld? En wat drinkt de raaf?'
'Porto fietst er nu wel in,' knikte Oude Engel. 'Maar Eliott drinkt niet.'
Mick Mauser wuifde naar Otto, voor Zwart Hart aanstalten kon maken in dezelfde richting.
'Journalisten laten alles aanrukken,' glimlachte hij.
Zwart Hart knikte begrijpend.
'Elke donderdag hebben we hier in Rokade een tweetal uur een zittend beroep.'
'Die zit,' zei Hart. 'Zoiets had in de column van Witte Merel kunnen staan. Ik lees die elke week, jaren al. Dat is verdomd niveau!'
'Tussen de regels staat het belangrijkste,' merkte Mick Mauser op. 'Zoals bij een foto: het echte verhaal gebeurt net buiten beeld. Er is altijd wel iemand die net op dat ogenblik even met de ogen knippert of opzij kijkt.'
'AHA!' kraste Eliott. 'AHA!'
Otto bracht de porto en begaf zich daarna naar het tafeltje van de vrouw die elke voormiddag twee whisky's dronk.
'En, Marie-Lena?'
Die hief een krijtwit gelaat naar hem op.

5 Marie-Lena

Zes, nee: zeven kruisjes konden je leven veranderen. Het lot had toegeslagen. Met ogen groot van verbijstering staarde Marie-Lena beurtelings naar haar glas en naar Otto. Die graaide in het bundeltje totoformulieren.
'Nee, hier,' wees Marie-Lena. Een velletje lag apart. Otto greep naar zijn bungelende bril en zette die op.
'4, 7, 9, 18, 23, 27, (5). Ja, en?'
Marie-Lena wees naar de krant: 'Onderaan links.'
Otto boog zich voorover en tuurde vergelijkend naar het totovelletje en het linkerhoekje in de krant.
'Wel heilig Toledo!' mompelde hij dan, terwijl hij zich met een gezicht bol van verbazing tot het andere volk in kaffaat Rokade wendde.
'Welhebjevanje… '
Marie-Lena trok aan zijn mouw: ''t Is toch . . . 't Is toch zo, hé?'
'Maar ja!' riep Otto uit. 'Maar ja! Of… Dit gaat toch over de trekking van gisteravond, hé? En dat is wel degelijk de krant van vandaag?!'
Marie-Lena knikte stom en barstte dan in snikken uit.
'Ochheregodtoch!'
Iedereen in kaffaat Rokade keek nu naar de huilende vrouw met het lege glas voor zich. Otto staarde als van de hand gods geslagen beurtelings naar haar en naar de anderen, opende zijn mond, sloot die weer, en zei toen: 'Een dubbele whisky, Marie-Lena?'
'Tournée générale,' snikte ze ontredderd.

'Een drankprobleem?' opperde Zwart Hart, toen Otto hun tafel passeerde.
'Eh…' deed Otto. Zijn hart bonkte als een drumstel. 'Marie-Lena daar heeft…'
'O!' wees Witte Merel. Ze sloeg een hand voor haar mond. 'Vlug!'
De vrouw die elke voormiddag twee whisky's dronk, zakte met uitpuilende ogen opzij. Haar hoofd bonkte met een doffe klap op de houten zitbank. De copywriter en de uitgebreide Ahmama!-redactie sprongen op en snelden ter hulp. Eliott klapwiekte verschrikt op en ging verontwaardigd op de schenktoog postvatten. Otto bleef als aan de grond genageld staan.
'Ze is dood,' constateerde de copywriter.
'Was er iets met haar?' vroeg Oude Engel, zich tot Otto wendend. 'Ik merkte…'
'Ik snap het niet,' antwoordde Otto schouderophalend. Hij naderde het tafeltje nu ook. 'Ze voelde zich onwel. Ik wou haar helpen, maar ze vroeg nog een whisky. En toen begon ze plotseling te huilen.'
'Je bent geschrokken, hé?'
'Zeg dat wel,' knikte Otto met een hoofd als een biet. 'Eh… ik bel Spoedgevallen. Iedereen nog wat te drinken ondertussen?'
Ze knikten. Otto graaide de krant en de totoformulieren bijeen en haastte zich naar de telefoon. Hij zat met een probleem.

6 De copywriter

Thuis liep mama in de weg. Daarom verliet hij elke voormiddag enkele uren zijn 'kantoor' in de ouderlijke woning te Maranga.
'Klanten werven, mama: noodzakelijk.'
'Om twaalf uur eten we, jongen.'
'Tot straks, mama.'
Soms reed hij doelloos in het hinterland rond. Soms hield hij halt ergens langsheen het Duivelslint. Soms ging hij schuilen.

In kaffaat Rokade nam hij zijn karige correspondentie door.
'Uw schrijven d.d.' 'We hebben in goede orde.' 'Onder onze aandacht.' 'In de toekomst een beroep op PROPACAMP te doen.'
Omzichtig en geruisloos scheurde hij envelop na envelop middendoor, bang dat de andere kaffaatbezoekers het zouden merken. Zuchtend klapte hij zijn laptop open. Hij roerde even in zijn koffie en staarde naar de pictogrammetjes. Gelijk passeerden op het scherm in zijn hoofd indrukwekkende lichtreclames.
PROPACAMP NU OOK BEURSGENOTEERD.
UW PRODUCT VAN A TOT Z BEGELEID.
PROPACAMP MAAKT HET VERSCHIL VOOR U.
Ach, het was elke dag weer opbiggen tegen overbodigheid. Tekenaars en ontwerpers hadden zich meester gemaakt van de reclameschrijverij. Knoeiers met letters; tovenaars met lijnen. De copywriter loerde even naar de zwarte vogel op de schouder van de man.
'Haasje-repje!' riep die plotseling. De man mompelde iets en de vogel zweeg. Ze kregen soep en kaas. Witte Merel, de ex-zangeres van ACE kwam binnen. Ze ging aan het tafeltje van de man zitten, de hoofdredacteur van AHA! Natuurlijk, ze had er een column in. Hij concentreerde zich weer op het scherm. Daarna, om zijn ogen wat rust te geven, observeerde hij de vrouw aan het raam. Die had hij hier al vaker gezien, net als die vogel en de man overigens. Ze hield zich onledig met een stapeltje totoformulieren en een onwillige krant waar ze blijkbaar onverrichterzake in bladerde. Even later kwam de stadswacht binnen, ex-MDP'er Zwart Hart. Hij begroette het AHA!-tweetal en voegde zich bij hen. Verdomme, moest hij, de copywriter, daar niet zitten? Met gefronste wenkbrauwen gebaarde hij om nog een koffie en staarde dan weer naar zijn scherm. Ingespannen peuterde hij aan een saaie tekst over mogelijkheden met aluminium. Rond kwart voor twaalf besloot hij balorig niet tijdig thuis te komen; hij wenkte met voorbedachten rade om een sherry. Mama kon even de pot op. Toen kwam die persfotograaf binnen; het werd nog gezellig in Rokade. Hij bracht leven in de brouwerij, vooral aan dat AHA!-tafeltje. Nog wat later viel er een dode in kaffaat Rokade. De copywriter was er als eerste bij, want hij had de jongste benen.

7 Otto

Marie-Lena was echt wel doodgewoon dood. Hemelsblauw zwieplicht kleurde de ramen van kaffaat Rokade. Terwijl Eliott de raaf als een sfinks toekeek, werden vragen gesteld aan de donderdagklanten. Otto droeg met bevende handen drankjes rond.
'Regelrechte kopij vlak voor onze neus,' mompelde Oude Engel. 'Maar AHA! is geen pulpblad. Jammer, voor een keer.'
Mick Mauser daarentegen wond zich stevig op omdat hij geen foto's mocht nemen. Witte Merel suste haar kerel: 'Je moet toch geen doden vereeuwigen,' zei ze. 'Dat kun je niet maken.'
Hij moest er uiteindelijk om lachen. De copywriter kon maar dezelfde antwoorden geven als de anderen: twee whisky's, de tranen, een krant.
'Misschien had ze wel iets ontzettends in de krant gelezen, iets wat haar persoonlijk een opdoffer gaf?'
'Misschien.'
Die krant werd doorbladerd. Otto zweette water en bloed.
'Je ziet er echt niet goed uit, Otto. Zet ik de deuren wat open? Ga daar even zitten.'
Otto knikte en zonk op een bank neer. Ambulancedeuren klapten open en dicht.
'Hm. Zou ze te veel gedronken hebben?'
Rampnieuwsgierigen troepten op het trottoir samen.
'En ze maakte plotseling zoveel misbaar, en toen begon ze hardop te huilen, en vlak daarna… '
Otto vreesde dat zijn hart het ook zou begeven. Pas nu besefte hij dat hij zijn brilletje nog op had. Vlug rukte hij het van zijn neus en liet het ter hoogte van zijn pompend hart bungelen. Het schemerde hem voor de ogen.
'Gaat het wel, Otto?' informeerde Zwart Hart, hij kapte een whisky achterover.
'Pff… '
Toen het waas van voor zijn ogen weer verdween, hield hij angstvallig die krant in de gaten. Die lag opengespreid op de ronde tafel midden in het café. Ginds naast de telefoon lagen de totoformulieren, met bovenop het stapeltje het bewuste velletje. Maar niemand schonk daar enige aandacht aan. Had nu echt niemand…? Het duizelde hem weer. Toen vloog die verdomde raaf plotseling op.
'Haasje-repje!'
Iedereen schrok zich een bult.

8 Eliott

In de boeken over onze gevederde vrienden staat geschreven dat de laatste raaf die in onze contreien broedde gesignaleerd was omstreeks 1919. Maar het ravenvolkje was gedurende de turbulente 20ste eeuw zo slim geweest zich terug te trekken in voor mensen onbereikbare en onzichtbare biotopen. In te veel oorlogen sneuvelden immers te veel vogels door verdwaalde kogels. Dus besloten de raven zelf verdwaalde vogels te worden, met voorbedachten rade. Een enkele raaf, nazaat van die raaf uit 1919, zocht in alle stilte het gezelschap op van een begrijpende ziel in een mens van goede wil. Zo haalde Eliott de raaf zelfs de 21ste eeuw. Hij landde ooit in de tuin van Oude Engel. En algauw werd diens linkerschouder zijn vertrouwde thuishaven. De vrienden van zijn baas werden ook zijn vrienden.
Hij leerde zelfs wat spreken. Eliott beheerste gaandeweg de getallen, enkele zelfstandige naamwoorden, een paar scheldwoorden en noodzakelijke bevelen. AHA! Maranga's Magazine had er natuurlijk al eens een uitvoerige reportage aan gewijd. Eliott was er zowat de mascotte van geworden.

De inktzwarte vogel scheerde rakelings boven de onthutste koppen, griste bij de telefoon de bovenste totovelletjes in zijn bek mee en verdween door de openstaande achterdeur in het weidse zwerk boven Maranga.


9 Allen

- OE: Eliott! Getverderrie!
- Otto: MAAR ALLEZ!!!
- WM: Wat krijgt die nu?
- OE: ELIOTT!! ELIOTT!!
- ZH: Straks wordt iemand getroffen door een verdwaalde vogel, haha!
- MM: Subiet gaan er zich een paar een ongeluk schrikken, ja.
- Copy: Heb je dat gezien? Hij graaide verdorie die lottoformulieren mee! In zijn bek!
- Otto: Eksters staan verdorie bekend als dieven!!
- OE: Maar Eliott is een raaf. Getver, da's nu echt de eerste keer dat…
- ZH: Eliott is Marie-Lena achternagevlogen.
- WM: Hij heeft de hele tijd op de toog gezeten.
- Copy: Waarom moest die eh… die vrouw zo plotseling huilen? Ze leek helemaal van slag.
- MM (mompelend): Het belangrijkste gebeurde natuurlijk weer nààst de foto. Zoals gewoonlijk.
- Otto: Eh… ze had er weer een te veel op, denk ik.
- WM: De vogel is gevlogen. Wat een voormiddag.
- ZH: Zouden we de stad niet gaan afzoeken op zoek naar die lottodinges? Jouw raaf kan toch lezen en rekenen hé, Oude Engel? Volgens mij heeft hij iets ontdekt.
- Copy: Dit wordt weer een verhaal met een open einde.
- Otto: Geen sprake van, jongeman! Kom eens allemaal nader. Ik heb jullie wat te vertellen. Er is geen tijd te verliezen.

Vier minuten later haastten Oude Engel, Witte Merel, Zwart Hart, Mick Mauser, de copywriter en Otto zich kaffaat Rokade uit. De kou rook naar grijs, maar de lucht zat blauw als wintermelk.

Eliott de raaf wiekte over Maranga met het miljoenenpapiertje in zijn bek. Boven de winkel van kaasmeester J. Vos liet hij los. Het totoformulier zeilde langzaam en een beetje gek naar beneden. Eliott scheerde het in duikvlucht voorbij en zette als een kamikaze koers naar kaasmeester Vos, waar hij postvatte op de trottoirband. De mensen stoven geschrokken uiteen. Zo'n grote zwarte vogel hadden ze nog nooit gezien. Niet hier. Het winnende totovelletje dwarrelde iets later en iets verder op een immer groen perkje neer.

De zoon van kaasmeester Vos maakte het af met zijn lief. Dat gebeurde in het perkje niet ver van de ouderlijke woning. Het was voor veel jongelui uit Maranga de geëigende biotoop voor ontluikende en afbladderende liefdes. Pubers harpoeneerden er hun tong in meisjesmonden. Scholieren frunnikten er aan elkaar op banken en tussen struiken. Het meisje fietste huilend weg. Arne Vos stond op van de bank. Toen enterde zijn blik een neerdwarrelend velletje papier. Hij keek verbaasd omhoog en raapte dan het vodje op.

JORIS DENOO

Geschreven door Joris Denoo om 10:47 Stuur door

Tearoom Tilly

TEAROOM TILLY

Een aanval van koopwoede afslaand (boeken, cd’s, dvd’s, chocolade, balpennen, een agenda voor de pare dagen, een agenda voor de onpare dagen) stevende ik ogenschijnlijk resoluut op koffiehuis TILLY af. De titel van het koffiehuis was TEAROOM TILLY (o la la, die beide T’s!), maar ik verkies het woord ‘koffiehuis’ omdat het zwarter en warmer klinkt. Een bakje inktzwarte troost kon me misschien op andere gedachten brengen en redden van de koopdood. Ik verkeerde alweer in een benarde situatie, want ik had daarnet behoorlijk veel extra cash uit de muur gehaald. Het brandde in mijn zak en ik voelde een gat in mijn rechterhand.

Ieder kwartaal ongeveer diende ik een dergelijke aanval het hoofd te bieden. Die kon dagenlang duren. Hij deed zich altijd voor krek na het betalen van mijn kwartaalbijdrage als zelfstandige aan de Sociale Zekerheidskas. Ooit was ik eens zo koopwoedend tekeergegaan, dat ik er maandenlang de gevolgen van moest dragen – weliswaar flanerend in nagelnieuwe dure kleren.
Ik heb nog altijd het passende woord niet gevonden voor dit verschijnsel. Compensatie? Wraak? Genoegdoening? Opgestoken middelvinger? Ik gunde Vadertje Staat geen rooie duit van mijn inkomsten als verhalenschrijver.

In koffiedrankhol TILLY werd ik het slachtoffer van een sluipmoord. Het was amper voormiddag, omstreeks aperitief-uur. Dat betekende weer eens een andere variatie, maar wel stevig beklijvend dit keer. Bij elke koffie die ik liet aanrukken (en het waren er eerst enkele, dan vele) verordende ik ook telkens een Ricochet-pur-Sang: zo’n liquide bloedverwarmer en aderopener van zeker alcoholisch gehalte en van Corsicaanse makelij. Een brandversneller, voorwaar.
Zie: dat had ik niet moeten doen.
Onder dezelfde maan waren er al velen doodgegaan.
‘Het lot dat op de deur klopt’: de 5de van Beethoven werd toen in TILLY ten gehore gebracht – waarschijnlijk eerder toeval, want net zo goed leverde de radio er behangmuziek die bij koffie & thee & koekjes hoort. En ik dus intussen maar troost nippen en ricocheren.

Van een Tilly viel niks te bespeuren. Evenmin van een of ander meisje van het vrouwelijke geslacht. Nee: achter de koffieverschansing stelde een man zichzelf te werk. Zijn gezicht stond op ‘voormiddag’ en ‘onveranderlijk’. Een andere kerel van hetzelfde tearoomgeslacht legde de afstanden tussen de tafeltjes af. Er zaten zes klanten. Een halfuur geleden was de zesde binnengekomen, een klein kereltje met strak achterover geharkt haar. Hij schermde onmiddellijk zichzelf af met Het Laatste Nieuws, zijn kranten-palissade.

Naarmate ik meer Ricochet-pur-Sang innam, groeide de behoefte aan communicatie. Bij mij althans. Want niemand (m/v/x) deed alsnog zijn klep open. Zowel de beide heren als de Tilly-nippers waren on non-speaking terms en staarden eindeloos en voormiddagwijs voor zich uit. Rechts van ons regende het mottig; hierbinnen heerste een eilanderig klimaat. Alleen Beethoven doorbrak de oorverdoving.
Ik rommelde dan maar wat in mijn plastic shopping bag. Ja, reeds had ik diverse kleine voorwerpen, zegge en schrijve: dingsigheidjes, uit diverse winkels betrokken. Ze zouden me alle helpen bij het schrijven van verhalen. Dus bij het betalen van mijn kwartaalbijdragen.

Een kleine bloemlezing, een greepje:

* een minimixertje om cappuccino te veroorzaken. (Maar momenteel opteerde ik voor zwart; alleen in mijn schrijfhonk bedreef ik de scheikunde der cappuccino’s);

* een dure Cross-vulpen met een voorraadje zwarte navulhulsjes. (Slechts in één zaak hier in de stad verkrijgbaar);

* een zoveelste klein opschrijfboekje. (… Waarvan de blaadjes onveranderlijk weer op zouden krullen als ik er iets op noteerde… );

* een stalen dobbelsteen de grootte van een vuist die ik als presse-papier zou gebruiken. (Mijn aanmaning tot het betalen van mijn kwartaalbijdrage mocht geenszins in de vergetelheid weg warrelen bij het openen van een raam!);

* een slof papieren zakdoekjes die aan een kant bedrukt waren als briefjes van 50 euro. (Geen commentaar);

* dvd’s: Band of Brothers (4 schijven, 2 aaneen geplakte doosjes);

* een aardige kurkentrekker;

* een alleraardigst oestermes.

Sommigen denken dat ze zomaar mogen jatten omdat een winkel uitverkoopt. ’t Is hier New Orleans na de zondvloed niet, begot. Ik zag het zo gebeuren. Achteloos gelonk naar de bewakingscamera’s. Drie, vier keer aan het rek met het Begeerde Voorwerp passeren. Vastpakken en terugzetten of -leggen. En dan dé truc: twee van die dingen ineens nemen, eentje ervan in de ene hand lang genoeg draaien en keren en keuren zodat de andere hand niet weet… en hopla: een schuivertje in de diepte van een of andere jas- of broekzak, zogezegd scharrelend naar een zakdoek. Slotfase: het Begeerde Ding terugzetten, neus snuiten… en doen alsof die neus bloedt. En dan, kroon op het werk: naar de kassa sloffen en daar een onnozele en goedkope prul ter betaling deponeren, bv. zo’n minuscuul schrijfboekje waar niks in kan. Dat noemt zich dan schrijver, begot!
En hij had al ‘inkopen’ gedaan in een andere winkel, want de shopping bag was van ergens anders. Inkopen? Of had hij daar ook… ?
Na deze koffie sta ik op en ga ik zijn kasticket vragen en zijn shopping bag controleren. Op dat ticket van de KADOOSHOP zal een notitieboekje staan. Niks geen dure vulpen. Shit, die gast zet het uit puur contentement op een zuipen. Hoeveel van die Ricochets-pur-Sang heeft hij nu al binnen?
‘k Had veel zin om hem in de KADOOSHOP al staande te houden. De gerante belette het me. Een edel gebaar in barre tijden van uitverkoop.
‘’t Is een bekende schrijver,’ fluisterde ze. ‘Ga d’er gewoon achter aan en klamp hem op straat aan. Niet hier, niet in mijn winkel. Ben je wel zeker van je stuk? Heeft hij echt die vulpen gestolen? Hij weet wat hij pakt, zeg!’
‘Op de camera’s kun je niks zien. Maar we kunnen hem nog op heterdaad betrappen, zo lang hij hier binnen is… ‘
‘Nee, nee, laat maar. Volg hem. Los het op straat op. We geven hem dan later wel aan voor diefstal. Als hij echt iets gestolen heeft tenminste. Ik wil hier geen scène, ook al sluit de KADOOSHOP. Hij is te bekend in de stad’.
‘Oké dan, u bent de baas’.
We lieten hem dan maar zijn ding doen aan de kassa. Maar die kerel stapte plotseling verduiveld hard door. Ik speelde hem bijna kwijt. Hij dook zo TEAROOM TILLY binnen.

Dat kereltje, weggestopt achter Het Laatste Nieuws, had ik nog ergens gezien. Na enig gepeins wist ik het weer: in de KADOOSHOP. Hij had mijns inziens nogal verdacht staan doen tussen de rekken. Vond ik. Wie in een winkel of warenhuis voortdurend schichtig om zich heen kijkt, is iets van plan. ‘Ritselaars’, ‘organisatoren’ en ‘regelneven’ haal ik er zo uit. Wedden dat hij iets achter zijn krant verborg? De buit van daarnet in de SHOP? Zie: ik kreeg hard zin om op te staan en dat stomme tabloid voor zijn gezicht doormidden te scheuren. Ik weet niet waarom, maar woede steeg in mij op. Ik werd woest op een gezicht dat ik niet kon zien. Ik haatte die schuttingkrant plotseling zo hard dat ze bijna vuur vatte. Nog enkele minuten gaf ik mijzelf. Dan zou ik opstaan en dat kereltje op een niet mis te verstane manier iets zeggen of vragen. Ik wist nog niet wat. Ik wist wel hoe.

‘Hij is nu waarschijnlijk toch al wat zat.’
‘Die gast zit me echt wel van achter zijn krant voortdurend in de gaten te houden.’
‘Daar moet je een bekende schrijver voor zijn, om een vulpen te jatten.’
‘Ik voel het.’
‘Bekend? Ik heb hem alleszins nog nooit op tv gezien.’
‘Dan nog zo’n populistische snertkrant.’
‘Hij moet zich niet proberen te verschuilen achter zijn bekendheid.’
‘Zijn ogen branden zowat door die gazet heen. Ik ruik de schroeiplekken.’
‘Hij heeft nog niks in de mot. En dan maar zelf verhaaltjes uitvinden, ha ha!’
‘Dat begint hier duchtig op mijn zenuwen te werken.’
‘Nog vijf minuten en ik ga eropaf.’
‘Heb ik iets van die kerel aan misschien?’
‘Hij zal nogal opkijken.’
‘Psychotische steelse blik telkens als hij een blad omdraait – lijkt op een seriemoordenaartje.’
‘De vuile dief.’
‘De kloothommel.’
‘Bah, schrijvers.’
‘Dat onderdeurtje.’
‘Hij zit nu constant in die winkelzak te grabbelen.’
‘Ieder kwartaal weer krijg ik zin om zo iemand op zijn smoel te timmeren.’
‘Zie je wel dat dat geen echt beroep is: schrijver. Verhaaltjes uitvinden, pff… Brengt geen brood op de plank. Shoplifting dan maar! Mijn botten!’
‘Ik vraag me af of hij daar misschien in de SHOP iets in zijn zakken weggemoffeld heeft.’
‘Nu kan hij eindelijk eens echt in de krant komen, die kloteschrijver, hihi!’
‘Een krant is altijd verdacht. Nee, correctie: het gebruiken van een krant als verschansing. De verbergtruc van slechte detectives of kruimeldieven.’
‘Nu is het het moment!’
‘Verdomd, hij houdt mij echt wel in de mot. Ik ga dat kereltje een bezoekje brengen. Eerst vereffenen.’

In TEAROOM TILLY stak een klant een hand omhoog teneinde de aandacht van de rondbaggerende kelner te krijgen.

In TEAROOM TILLY worstelde een klant met een krant die niet onmiddellijk in de gewenste opvouwstand getikt wilde worden.

‘Godver.’
‘Miljaarde.’

In TEAROOM TILLY bereikte de woede van de algehele mensheid, geconcretiseerd in twee vertegenwoordigers van die mensheid, een kookpunt. Het was een voormiddag in Vlaanderen, in een koffiehonk met Engelstalige titel. Op de achtergrond: de 5de van Beethoven. Vijf klanten en twee obers keken met stijgende verbazing toe hoe (op een wederzijds misverstand berustende) woede van twee kanten kwam aanrollen, botste en uitbarstte. Een kleine woedende man sprong op en graaide in de shopping bag van een andere woedende man. Deze laatste woedende man beende naar diens tafeltje en scheurde de krant van de kleine woedende man gewoon middendoor. Dan keken ze elkaar enkele seconden misprijzend in de ogen en mompelden vinnige dingen. Daarna vlogen ze elkaar in de haren.

Intussen, even bezijden de scène op de hoofdbühne (het lot en het noodlot doen zich altijd buiten het kader van de foto of het schilderij voor, maar niemand mag opzij kijken van de fotograaf of de schilder): de verscheurde krant viel op een theelichtje en vatte natuurlijk onmiddellijk vuur. De mobielste ober kreeg het plotseling in de gaten. Hij ondernam een onhandige bluspoging: hij plukte de brandende vellen van het tafeltje en gooide die op de grond. Een van de vellen kwam daarbij op het tafeltje terecht waar intussen al behoorlijk wat Ricochet-pur-Sang gemorst was. Een tweede vuurzeetje ontstond en greep ijverig om zich heen. Op dat ogenblik tuimelde de kleine winkeldetective over dat tafeltje heen. Zijn overjas stond onmiddellijk in vuur en vlam. Diverse klanten sprongen nu op, stootten stoelen en tafels omver, en veroorzaakten nog meer vlammen.

TEAROOM TILLY: een aanvankelijk microscopische casus van hoe de wereld zich bijwijlen in kampen verdeelt en in brand kan vliegen?

‘La plupart des occasions des troubles du monde sont grammairiennes’ (Montaigne)

TEAROOM TILLY: een uitdijende casus van hoe woord – wederwoord – woord – ant(i)woord – een (wereld)brand kunnen doen ontstaan?

Hoe dan ook: die voormiddag ging de hele straat in vlammen op. De 5de van Beethoven – de begeleidende ondergangsmuziek – smolt in de cd-gleuf en de brandweer kon pas na ‘verwoede pogingen’ de brand ‘omschrijven’ en beperken tot een straat, zijnde enkele handelspanden, vijf burgerhuizen en een belendend perceel waarop een onbemande woning stond, gestaan had. De vleselijke balans: twee obers en twee personen van het mannelijke geslacht (waaronder een verhalenschrijver) lieten hierbij het leven. Ze werden alle vier onderling verstrengeld en verkoold teruggevonden, als een lugubere rattenkoning in een val.

Wekenlang nog gaapte de zwartgeblakerde straat de voorbijgangers vreselijk grimlachend aan. Elk afgebrand pand vormde een holle, rotte tand van dat doodsgebit. Deze straat zou nooit meer glimlachen.

JORIS DENOO

Geschreven door Joris Denoo om 09:13 Stuur door

Percussie

PERCUSSIE


Perikles Vandewoestijne gooide zijn kap over de haag, ging ’s avonds deeltijds lesgeven aan volwassenen die vroeger op hun schoolbanken nooit goed hadden opgelet (eufemismen dienaangaande: Avondonderwijs, Open Universiteit, Tweedekansonderwijs, Tweede-Levensschool, Levenslang Leren, van dat gesubsidieerd verbaal fraais) en huurde een sociale woning op het woonerf Koornbloem, waar hij een van de ongeveer 300 randstedelingen werd, voldoende onbekend, voldoende bekend, zoals het een bewoner van zo’n woonerf betaamt. Splendid suburban isolation.

Een nieuwe auto veroorzaakte in zo’n biotoop even een rimpeling van nieuwsgierigheid; een nieuwe bewoner sorteerde eenzelfde effect: een rimpel, wat gemompel, een gordijn dat even bewoog. Voor de rest betekende een bestaan op de Koornbloem een leven op later en dood. Je had er altijd het gevoel een beetje levend begraven te zijn, in een massagraf wel te verstaan: de Koornbloem was vooral een slaapwijk aan de rand van veel drukte. Veel piepjonge gezinnen (twee ex-kinderen, twee ukken) hokten er niet. De Koornbloem leek eerder voorbestemd om onderdak te bieden aan nieuw-samengestelde gezinnen met oudere weekendkinderen, veertigers en vijftigers in de wacht gezet op het komende grootouderschap, failliete yuppies met een ‘lange arm’ bij stad en bouwmaatschappij en een aantal partnerloze pechvogels. Een seriemoordenares, een spijtoptant in een beschermingsprogramma of een kroongetuige from out there zouden er een perfect anoniem leven kunnen leiden.

Ex-priester thans leraar Perikles Vandewoestijne was op zoek naar zo’n leven: rustig, gelijkmoedig, dicht genoeg bij een stad (apotheker, bieb, wassalon, tearoom), op schootsafstand van de boezem van moeder natuur (wandelingetje, stilte, maïs, leeuweriken). Hij wou zich oefenen in anonimiteit, grijsheid, veiligheid, doorsnee, onbekendheid, na het verzaken aan de roep des Heren en aan het haken van scholieren naar kennis van Frans en Latijn. Perikles Vandewoestijne wou boeken lezen, een aperitiefdrank brouwen en later misschien zelfs een boek schrijven.

Hij had echter buiten de vijftienjarige Yuroslav Vanwijnsberghe gerekend, die zich ook wou oefenen: in lawaai op ritme, percussie met name. Onder de inwoners van de Koornbloem gezegd en niet gezwegen: drums. Die woorden alleen al! Percussie perforeerde je trommelvliezen; drums deed iets met je grondvesten.

 

Uitzondering op de Koornbloem-regel: Yuroslav was levendig lid van een kroostrijk eenoudergezin. Het vijfkoppige stammetje werd geleid door een moeder: een veertigjarige ‘goedbewaarde’ vrouw wier man een tijdje geleden in een Midden-Oostelijke Golfoorlog verdwenen was. Deze moeder torste nog altijd lange, ravenzwarte haren en twee prachtige vooruitzichten.

Elke dag, op vakantiedagen tot twee-, driemaal toe, weerklonk omliggend het geroffel, gebonk en gedreun in de beste traditie van vele drummers ter wereld: die van eeuwigdurende egostrelende zelfbevlekkende solo’s. De jongen wist van geen ophouden. Het ging crescendo, samenvallend met het opdagen van een moedervrijer in het huis. Blijkbaar nam Yuroslav ook lessen: geleidelijk verfijnde zich zijn geklop. Keerzijde van de medaille: de sessies verlegden zich nu naar de ochtenden en de avonden.

Toen leek er plotseling een kentering te komen. De middelste juliweken verliepen geluidloos, althans wat deze vorm van muziek betrof. Perikles Vandewoestijne, en met hem een aantal wijkbewoners, haalden opgelucht adem. Deze opluchting was echter kortademig: tijdens de ochtenden en de avonden van deze rustige midzomerweken werd de buurt, althans de binnencirkel omheen het dekselse drumhuis, vergast op een partituur van gekreun, geschreeuw, gehijg en somtijds gegil. Waar dit nodig was, lokten de mensen hun kinderen weer naar binnen, want ze hadden al vlug door dat het hier de nagelnieuwe minnaar betrof die tekeerging met zijn kersverse buit. Beiden onderschatten blijkbaar de kwaliteit van de isolatiematerialen op de wijk Koornbloem.

‘Of net niet,’ weidde een dichte buur verder op dit thema uit. ‘Omdat ze weten dat iedereen hier altijd alles hoort. Ze kunnen zich gewoon niet inhouden tot de jongen terug van zomerkamp is. Die werd verplicht om drumlessen te nemen en elke ochtend en avond van bil te gaan op zijn trommelvellen. Valt het jullie niet op dat dat geklop begon met de intrede van dat nieuw lief van haar? Enfin: harder geklop toch. Uit goede bron (mijn stiefdochter volgt fagot in de academie hier) weet ik zelfs dat hij maar 55% haalde voor zijn boenke-boenke examen. Maar hij moet ermee doorgaan van de moeder en haar nieuwe vent, en wel op deze tijden van de dag, want ze kennen de bedenkelijke kwaliteit van de isolatie op de Koornbloem, en ze weten allebei ook dat ze zich onmogelijk… ‘

Voor een keer schaterde een buurtkliekje het uit, Perikles Vandewoestijne (die ook voor de eerste keer naar buiten was gekomen) inbegrepen, midden in de zomer, midden in het verhaal van de dichte buur, terwijl ze op het binnenpleintje genoten van de avondzon. Voor een keer barstte geschater los op de Koornbloem, en geen geklop of gedreun of gebons. Daarna werd het weer stil en spitste iedereen de oren met een brede glimlach om de mond, ex-priester thans leraar Perikles Vandewoestijne inbegrepen.

‘Wanneer komt de jongen terug uit vakantiekamp?’ vroeg hij dan, om het ijs te breken.


JORIS DENOO

Geschreven door Joris Denoo om 09:05 Stuur door

De vogel

DE VOGEL

In het holst van de zomer flakkerden de populieren als kaarsenvlammen. Een zweefvliegtuig hing in spreidstand onder de zon te drogen. Getroffen door een verdwaalde vogel ritselde wat gruis van de nok van het dak naar omlaag, tot in de goot. Onder dat dak spitste Palfijn zijn oren; de vogel bleef met open bek roerloos zitten, vlak naast de bliksemgeleider. Volslanke Palfijn lag diep weggezonken in een groot boerenbed op de broeierige zolderverdieping. Zijn kleren waren in een dronken puzzel over de plankenvloer verspreid. De hitte drukte op zijn lijf; de hitte broeide van onder uit de matras; de hitte walmde om hem heen. Palfijn had een appel gegeten, een gerimpelde appel uit de vorige herfst. Het klokhuis had hij met voorbedachten rade in een verdomhoek gemikt. Hij richtte zich even op. Zijn lul lag als een purperen slakje bezijden zijn zweterige balzak. Hij monsterde de plooien in zijn pens.

'Een vette Duitse sekstoerist in Azië', mompelde hij ongearticuleerd. 'Der - die - das. You have a light for me? Fire? Match?'
'You very strong man. Very big. Also very much dollar?'
'Dollars und Marken', zei Palfijn hees, en hij klapte met zijn rechter vleeshandje op de buidel in zijn kontzak. Ondertussen verdronk hij even in de Oost-Indische inkt-ogen van de exotische hinde naast hem aan de bar. Dat schepseltje zat op haar perfect geronde hammetjes op een barkruk. Ten zuiden van de dikke Duitse sekstoerist zou dat purperen slakje gaan zwellen tot de afmetingen van een Dom van Keulen in een Derde Rijk en daarna zou dat lelijke dikdooraderde ding de beide hammetjes van de hinde splijten en aarzelen voor een van beide mogelijkheden, soms genoemd de hemel en de hel, beter ware gezamenlijk: het vagevuur. Maar eerst nog de tietjes.
'Je hebt mooie borsten,' zei Palfijn, wijzend met zijn ogen, 'en zo veel!'
Hij sprak in drie talen tegelijk en lachte hardop. Soms waren zijn kloten groter dan de tietjes van deze oosterse en vele andere hindes. De malse prooi lachte ook hardop om de mop die ze niet begreep.
'Ik val ook op bovenarmen,' riep Palfijn, en hield haar even met zijn kleffe worstenvingers in een houdgreep.

Palfijn, lelijke vetzak, hield eigenlijk het meest van meisjes en vrouwen met lenzen en brillen. Als ze niet goed zagen, was hij dik tevree. Maar dat aspect viel dus niet mee bij deze lekkere brok hier. Geen enkele vetbobbel, rimpel, spatader en zweetpuist zou aan haar aandacht ontsnappen. Godverongelukt, daar geilde Palfijn stevig op. Hij kreeg nu zelf een waas voor zijn ogen. Hij keek naar niets en alles tegelijk, zonder iets te registreren. Zijn linkerhandje zocht de slak tussen zijn benen. Weer richtte hij zich even op. Hij werd voorwaar nog geiler bij het aanschouwen van zijn eigen buik, ballen. Terwijl het zweet over zijn voorhoofd gutste, groeide in zijn geoefende hand zijn ongedierte tot een purperen kardinaal. Veel te vlug rukte hij de hin-de in zijn hoofd de kleren van het lijf. Toen Palfijn met scherpe pijnscheuten vanuit zijn lendenen miljoenen Palfijntjes uitstootte, likten de vlammen reeds gretig aan de zolderverdieping van de boerderij. De vogel was allang gevlogen.

JORIS DENOO

Geschreven door Joris Denoo om 09:21 Stuur door

Meer van VRESELIJKE VERHALEN

↑ Terug naar de berichten