Naar de inhoud

VRESELIJKE VERHALEN

JORIS DENOO
akke.beakke.be

Archief

BMI

HET BUREAU DER MEEWARIGE INZICHTEN

 


Het Bureau der Meewarige Inzichten was gevestigd aan de Sidney Reillylaan, een stadsboulevard met aan weerskanten hoge bomen en een brede middenbeuk met nog hogere bomen. Het leek wel een kathedraal. Dag- en zonlicht kwamen er alleen gefilterd door. Misschien kwam het daardoor dat Maureen Durant een gespikkeld voorkomen vertoonde, zijnde een legertje sproeten op haar gezicht, hals en schouders (… en misschien wel de rest… ). Een maliënkolder van gouden spatten. Ook de geparkeerde auto’s in de laan waren vaak bespikkeld, door de kakbommetjes die de vogels vanuit de boomkruinen dropten. Op de meeste benedenverdiepingen of in sommige souterrains van de grote huizen langsheen de Sidney Reillylaan bevonden zich allerlei kantoren, bureaus, firma’s en kabinetten: een landmeter, een notaris, een Bijbelvaste sekte, enkele advocaten, een koekjesfabrikant, het Franse consulaat, een gynaecoloog, een ontwerper van logo’s, het eenmansbedrijfje Koppie-Koppie voor copywriting, een bescheiden uitgeverij van heemkundige boekjes, het hoofdkwartier van een professioneel toneelgezelschap, een familiaal tandartsenkabinet en dus ook het Bureau der Meewarige Inzichten, op het nummer 47, in de souterrainverdieping met aparte verzonken toegang in de ruime privéwoning van directrice Maureen Durant.

Zij runde al een poos het BMI, dat ze zelf had opgericht, na een beheersbaar fiasco in de ouderwetse papieren uitgeverswereld. Haar personeelsbestand bestond uit Birgit Vandaele, secretaresse en frontvrouw aan de balie. Maureen had een zoon van acht, Paul-Edouard, en een ongevaarlijke man, Carl, die iets vaags en administratiefs voor de stad betekende. Birgit had haar zesde en laatste masculiene vriend wandelen gezonden, verdrong haar kinderwens (er bleven wel nog mogelijkheden over) en bleef verder permanent twijfelen aan haar geaardheid en amputatie of behoud van haar asblonde paardenstaart.

Ja: naarmate de nieuwe eeuw haar plechtige communie had gedaan en ras vorderde, groeide de behoefte aan Begrip. Maureen, een kraan in Bevattingsvermogen, vooral na haar avonturen in de letterkundige uitgeverswereld, had dat Begrip van in den beginne heel fijnmazig hergedefinieerd. Ze stopte de ingrediënten Medelijden en Luisterbereidheid in een maalmolen, hutselde er daarna nog Eerlijkheid en Inleving doorheen en kwam na nog een omwegje via Empathie en Tolerantie uit op een positieve variant van Medeleven. Maar dat klonk te begrafenisachtig. Dat zat in de categorie klamme handdruk, bedrukt gezicht en innige deelneming. Omdat het emo-gehalte in de loop van deze nieuwe eeuw alsmaar toenam, paradoxaal genoeg in de hand gewerkt door de vele realityshows op de beeldschermen, en nadat Maureen te rade was gegaan bij de copywriter in de laan, een knap taalkundige, ging ze over tot de naamgeving. Ze koos onbeschaamd voor ‘Bureau der Meewarige Inzichten’.

Judas (ja, zo heette hij, zijn verwekkers hadden jarenlang hun tanden geknarst wanneer ze een kerk voorbijliepen) van het schrijfbedrijf Koppie-Koppie had haar aangeraden het ouderwetse ‘der’ te (durven) gebruiken in plaats van ‘van de’ en ook voluit te gaan voor het geladen ‘Meewarig’, in de letterlijke zin van het woord. Een beetje zoals het Eenzame Hartenbureau, de naam van een radioprogramma in het laatste decennium van de vorige eeuw, ook zo’n gedurfde doodeerlijke keuze. 


‘Maar klinkt ‘meewarig’ niet te negatief?’ had de taalgevoelige Maureen aanvankelijk nog geopperd. ‘Ik moet hierbij precies aan hondenogen denken.’
‘Het is inderdaad ietwat verdacht,’ had Judas toegegeven. ‘Maar dat is het ‘m juist. Het klinkt wel goed. Heden ten dage kunnen ‘ze’ dat hebben. (Wie dat ‘ze’ waren, legde hij niet uit). Overigens zal niemand je op de taalkunde van dit gegeven aanspreken, geloof me. Het zal letterlijk en vrij autistisch geïnterpreteerd worden: mee-warig, mee-gewarig. Het is een omhulsel voor medeleven en medelijden tegelijk, snap je?’
‘Snap je?’ vragen aan Maureen was een belediging.
‘Ja ja,’ zei ze kregel.’Maar zit er toch niet een element van spot in, Judas? Of eh… een soort berusting, of fatalisme? (Ze haakte haar citaatvingers de lucht in). Jammer voor jou dat je kutlikkertje verdronken is? Pijnlijk om te horen hoe je sportieve man die hele meisjesvolleybalploeg bezwangerd heeft?’
‘’De mensen willen bedrogen worden. Nee. Ze zullen blij zijn met de term ‘meewarigheid’. Ze hebben er namelijk nog nooit van gehoord. Het is iets nieuws voor ze.’
‘Goed dan. We gaan ervoor.’
‘En overigens: de afko BMI klinkt ook goed. Beetje als BMW. Alleen durvers winnen.’
‘Een meewarig inzicht, Judas. Ik rij met een simpele Skoda.’
‘Eerder een holle slogan, maar ik meende het. Clichés worden te weinig naar waarde geschat. En Skoda is eigenlijk Volkswagen, onder de motorkap.’
‘Een wijze les. Zend je de factuur naar nummer 47?’

Iets later, thuis nog wat nadenkend over haar Meewarige Inzichten, overtuigde Maureen Durant uiteindelijk zichzelf doordat plotseling, waarschijnlijk door het permanente hersenhozen, het begrip ‘Merkwaardige producten’ in haar hoofd opdook, uit de schimmige tijd van de lessen algebra en wiskunde die ze ooit ‘genoten’ had. Kijk: als zoiets kon, in die wereld van no-nonsense, dan moesten ook Meewarige Inzichten mogelijk zijn. Welja.

Een van de eerste toepassingen van haar Meewarige Inzichten betrof niet een kat (al zou dat gekund hebben), maar een mens. We verklaren ons nader.

Jawel: het was 1 april. Maar dat deed echt niet ter zake. Niks vis, grap, grol, dijengeklets of onderbroekenlol. Een heus allereerste geval voor het Bureau der Meewarige Inzichten. De genaamde Leila Schepers deed een beroep op de splinternieuwe diensten van Maureen en Birgit. Vooraleer ze haar verhaal vertelde, wees ze er uitdrukkelijk op dat het niets met 1 april te maken had. Want, zo verwittigde ze vooraf, dat zou men kunnen denken. Birgit noteerde dit plichtsbewust en zonder ook maar te glimlachen in haar logboek aan de balie. Daarna verwees ze Leila naar de Waarheidskamer.

Ter zake. Een man haastte zich in ijltempo door het warenhuis heen. Hij had weinig tijd, maar belandde – geheel volgens het Wetboekje der Meewarigheid – in een lange file aan de kassa. Terugkrabbelen en opnieuw kiezen was inmiddels uitgesloten. Het was overal even erg. Als een echte man-alleen in een warenhuis sleurde hij gedurende de hele strooptocht zijn winkelwagentje achter zich aan, als een onwillige minnares of een koppig kind. Hij duwde het niet als een huismoedertje braafjes voor zich uit. Ook in de file aan de kassa hield hij het achter zich, alsof het niet van hem was. In zijn wagentje bevonden zich enkele blikken kattenvoer, papieren zakdoekjes, toiletpapier en een fles jenever. Zuchtend om zich heen kijkend merkte de man dat de vrouw achter hem uitdrukkelijk naar zijn winkelwaar staarde. Een paar extra oogopslagen bevestigden dat: ze kon haar ogen niet van de inhoud van zijn wagentje af houden. Het begon zelfs anderen op te vallen. Op den duur kon de man zich niet meer inhouden. Hij haalde diep adem, liep rood aan, draaide zich bruusk om en zei met luider stemme tegen de vrouw: ‘Ja, ik weet het, mevrouw: mijn kat is aan de drank. Je hebt dat goed gezien. En heb je nu genoeg in mijn kar gestaard?!’   

Dat zou allemaal niet veel betekend hebben, mochten zowel de vrouw als de man (die elkaar totaal niet kenden) een ander temperament gehad hebben. Er volgde namelijk nog een hele rel. Doelvrouwe Leila Schepers (F.C. Sparta, Eerste Nationale) had zich niet onbetuigd gelaten. Walter Stroef, gehaaste, pas gescheiden kleine ondernemer en baas van de jeneverkat (die heette Whisky, maar dat kwam in het hele verhaal niet voor), evenmin. De harde woorden waren over en weer gevlogen, er kwam zelfs enige fysiek aan te pas, totdat de file zich door dringende tussenkomst van het warenhuispersoneel ontbond en de kassa gesloten werd verklaard. Leila werd trillend van woede naar het kantoortje van de warenhuisdetective gebracht, waar ze tot bedaren werd gebracht. Walter had uiteindelijk vloekend zijn wagentje van zich af geduwd en was dan warenloos door een Uitgang Zonder Aankopen verdwenen. 

Een uur lang had Maureen zich in de Waarheidskamer van het Bureau der Meewarige Inzichten met Leila beziggehouden. De warenhuisdetective had Leila de weg naar het BMI gewezen:
‘Haal uw gram daar, mevrouw, ergens anders ga je bot vangen. Psychologen vragen het ei uit uw gat en houden daarna grote kuis in uw portemonnee. Psychiaters zijn zelf zot – niet dat ik nu omgekeerd zeg dat gij zelf zot zijt, nee nee. Het BMI licht voor de helft van de prijs het pak van uw hart.’
‘Maar ik heb al Woedebeheersing gevolgd bij de Belgische Vrouwen Voetbal Bond.’
‘Maar nog geen Omgang met Misverstanden waarschijnlijk?’
‘Nee, dat was de bijscholing achteraf.’
‘Wel: in het BMI krijg je het hele pakket ineens. Geen briefje voor de Ziekenbond nodig; het is vanzelf al goedkoop.’
De warenhuisdetective had er niet bij verteld dat Maureen zijn zus was.
‘Ik kan het weten,’ loog hij er verder dapper op los. ‘Ik was de eerste die een beroep deed op hun diensten en ik ben er bijzonder tevreden over. Ik veranderde zelfs van beroep. Kijk waar ik nu sta. Hier is het adres. Doen!’
‘Dank u,’ zei de doelvrouwe. Ze was helemaal niets meer van plan.
Een week later stond ze aan de balie bij Birgit.

Er was in de Waarheidskamer inderdaad een conclusie gegroeid, met inzicht annex helend effect: doelvrouwen staren intens bij penalty’s en kijken bijzonder scherp toe bij naderend doelgevaar. Negentig minuten lang zijn ze zowel uil als arend. Hun concentratie is legendarisch.
‘Ik werd ruw uit mijn overpeinzingen gerukt,’ klaagde Leila Schepers. ‘Voor mijn ogen ontrolde zich weer een prangende fase uit de recente bekermatch tegen Eendracht Broekzele. Het begin van de strafschoppen, namelijk. Het was erop of eronder. Nou: erin of ernaast, eerder. De match bleef namelijk na verlengingen ook nog onbeslist.’
‘Het is dus eigenlijk uw beroep om eh… te kijken, zogezegd,’ knikte Maureen. ‘Zeg maar: staren.’
‘Zo red ik het als doelvrouwe in Eerste Nationale. Ik kan strafschoppers hypnotiseren. Ik moet door ze heen kijken. Ik moet voorspellend kijken. En die winkelkar van die kerel vlak voor mij… was gelijk een doel.’
‘Aha. De kooi van de keeper hé.’
‘Ja! Weet je: vogels reageren zestien keer vlugger dan mensen; doelvrouwen (en doelmannen natuurlijk ook) doen dat ook vlugger dan anderen. Maar dat vraagt doorgedreven staren.’
(Leila concentreerde zich hierbij even op één volwassen sproet op Maureens linker neusvleugel).
‘En een doorsnee vent in een warenhuis vat dat verkeerd op… ‘
‘Ik was strafschoppen aan het stoppen. Zijn winkelkar interesseerde me geen bal.’
‘Een interessante uitspraak,’ glimlachte Maureen, maar Leila vatte het niet.
‘Het was een lange file. Het schoof maar niet op. Op het ogenblik dat er weer beweging in kwam, stond die hufter voortdurend om zich heen te kijken.’
‘Je hebt dus ook iets terug kunnen zeggen nadat hij…  ‘
‘Ja ja. Dat hij beter zou opschieten met zijn snuit- en schijtpapier.’
‘En hij werd kwaad?’
‘Zijn jeneverneus werd bloedrood.’
‘En dan?’
‘Wel eh… een beetje woorden over en weer hé. En duwen en trekken. Ik ben een sportmens. Ik laat me niet doen door een jeneverslurper.‘
‘Er volgde een relletje?’
‘Eet nog een wafel!’ riep die ballendrager.
‘Eet nog een wafel??’
‘Ja. En hij blies er zijn kaken bij op. Als een kikker. Hij deed er van die eh… brede gebaren bij. Begrijp je. Ik duwde dan zijn kar tegen zijn… in zijn… ‘
‘… ballen?’
‘Ja. Ik ben niet voor niets doelvrouwe hé.’
‘Ha ha. Dat luchtte zeker op. En dan?’
‘Hij deed natuurlijk hetzelfde, als een klein kind. Zijn kar tegen mijn kar. Maar mijn kar zat boordevol flessen water.’
‘En?’
‘Maar ik ben keeper hé. Ik pareerde, maar moest toch een stap of twee achteruitzetten, door het gewicht. Daardoor ontstond er achter mij wat chaos. Een beetje een kettingreactie, zeg maar. De mensen trapten elkaar op hielen en tenen. En dan greep het personeel in.’
‘Maar die man vluchtte?’
‘Ze sloten onmiddellijk de kassa af. Iedereen moest achteruit manoeuvreren en opnieuw aanschuiven, ernaast. Die vent duwde vloekend zijn winkelwagen weg en beende door de uitgang zonder aankopen naar buiten.’
‘En jij… ‘
‘Ik eh… Ik stond op ontploffen. Kreeg geen adem. Ik werd opgevangen in een kantoor.’
‘Ietwat van je melk?’
‘Nee, mijn kar met water hadden ze netjes opzijgezet.’
‘Ik bedoel… ‘
‘Die warenhuisman verwees me dan naar hier.’
‘Ah, mijn br… de detective. Ben je… Voel je je vlug uitgedaagd? Gewoonlijk?’
‘Dat valt nog mee. Ik kan zelfs tegen schijnbewegingen.’
‘Het vrouwenvoetbal is waarschijnlijk een harde wereld hé?’
‘Bah ja.’
‘Nu verwacht je van mij dat ik scoor hé?’ glimlachte Maureen.
‘Zou ik dan een slechte doelvrouwe zijn? Dat ik er ene binnen laat?’
(Leila keek weer pal op die sproet. Bull’s eye!).
‘In dat geval… ware het eens niet mis.’
‘Ja, en? Ga je nu scoren?’
‘Dat was maar om te lachen hé. Ik laat je netten niet trillen, zoals ze zeggen. Maar praten kan ook scoren zijn. Het kan je inzicht geven.’
‘Ah ja,’ deed Leila wantrouwig.
‘Mocht je die man opnieuw tegenkomen, wat zou je dan doen? Die kans zit erin hé.’
‘Weet niet… Naar hem blazen als een kat? Hem achtervolgen om te zien waar hij woont?’
‘Het Bureau der Meewarige Inzichten kan wel even meegaan in deze… overwegingen. Een psychiater zou hier zwijgen, of vaag knikken, terwijl hij iets op zou schrijven. Ik niet. Zou je hem ook aanspreken, die… ?’
‘Die teelballentorser? Misschien wel.’
‘Iedere man is een niet-vrouw. Eigenlijk zijn ze bang voor ons. We laten ze de baas spelen. Maar als puntje bij paaltje komt… ‘
‘ … dan staat de keeper er hé!’
‘Eh… ja. Ziezo: het uur is om. Tenzij je nog een… ’
‘Nee. Nee. De tijd is voorbijgevlogen.’
‘Voel je je beter?’
‘Ja. Maar eerlijk gezegd, nu ik hier toch ben: ik had bijna opnieuw hommeles die keer in het warenhuis.’
‘O?’
‘Ja. In het kantoor, met die bewaker. Of detective.’
‘Hoe kwam dat?’
‘Wel, hij verwees me dus door… naar het BMI.’
‘Je hebt ons toch gevonden?’
‘Ja. Maar eerst dacht ik dat hij Body Mass Index bedoelde, je weet wel. Hij vermeldde eerst gewoon BMI, zonder verdere explicatie. Ik dacht… Mijn postuur hé… Allez… Ik dacht… ’t Is verdomme weer van dat… Ik had net aan de kassa die opmerking over wafels eten geïncasseerd… ‘
‘Je dacht dat het weer van dat was?’
(Hoe kon ik, oud-letterkundige uitgeefster, zo stom zijn!)
‘Van dat?’
‘Wel… ‘
‘Mijn lijf, bedoel je? Ik ben keeper hé! Vergeet dat niet. Mijn Index is in orde. Ik sport.’
(Weer zo stom! Dat loopt hier niet goed af!)
‘Nee, nee, ja. We zitten in de Waarheidskamer.’
‘Wat bedoel je dan met ‘van dat’?’
(Stomme copywriter Judas! Jij verklaarde de afko BMI taalkundig heilig!)
‘O… eh… eigenlijk niks speciaals.’
(Klinkt een beetje als BMW!).
‘Toch wel hé! Vind je me te dik?
(Stemverheffing. Leila sprong verrassend kwiek maar ook heftig van haar stoel op en gaf zichzelf een klap op de ene bil van haar zitvlees).
‘Ziet mijn gat er te dik uit in die broek? Is het ‘van dat’, ja?’
‘Maar Leila… ‘
(Ze heeft zitvlees – dit is geen zitvlak in de ware zin van het woord. Hoe kun je daar nu behoorlijk mee keepen!?).
‘De waarheid, madame! Ik moet hier de waarheid horen, in uw Waarheidskamer!’
(De waarheid??? Je ziet er als hangbuikzwijn uit, zoals je daar nu staat).
‘Maar… Zeg maar Maureen. Maar… ‘
‘Daar betaal ik ook voor, Madeen… Maudame… Eh… Mau… Voor een Waar Inzicht.’
‘Het is eigenlijk: Meewarig Inzicht.’
(Ze kan nog niet eens een naam onthouden).
‘Ja ja… Inzicht… Uitzicht… ‘
‘Nu word je weer een beetje boos hé, Leila? Wil je niet weer gaan zitten?’
‘Pff… ‘
‘Misschien moet je toch ook even naar die bijscholing. Overweeg dat… ’
‘Is dat uw Inzicht? Overwegen? Weer een gewichtig woord, ja? Valt het woord ‘gewicht’ ook subiet? Ja? Van dat?’
‘Eh… ‘
‘Ga je misschien ook nog mijn dieet bepalen? Mijn calorieën tellen?’
‘Maar… ‘
‘Ik tel toch ook uw sproeten niet?!’
‘Wat zeg je nu toch… Leila… ‘
(Dat laatste klonk als een echo van een stukje klaagzang uit het oeuvre van De Kreuners en Eric Clapton - Layla).
‘Ik ben hier weg. Zend de rekening maar naar… naar… hier!‘

Leila Schepers plukte haar omvangrijke handtas van de grond, grabbelde er even in, deponeerde een half verfrommeld flapje van 20 euro op het bureaumeubel en verdween met de snelheid van een doelvrouwe, Maureen beduusd achterlatend.

‘Wauw, die is ook overgeschakeld op andere medicatie zeker?‘ zei Birgit, drie seconden later binnenkomend. ‘Is er wat gebeurd? Het ging er hier zo alsmaar luider aan toe… ’
‘Zei ze nog wat misschien?’
‘Wel… eh… ja.’
‘Ja? En?’
‘Ik heb het maar half gehoord, het was zo meesmuilend in het passeren… ‘
‘Wat zei ze?’
‘Iets van Bureau van Mislukte Individuo’s of zo… ‘
‘Individuo’s!?’
Maureen kon het niet helpen, maar ze zag plotseling weer de kont van Leila voor haar. De dubbele portie.
‘Heb jij iets… Is er iets… ?’
‘Nee, nee nee,’ deed Maureen verstrooid.

Dat geval catalogeerde Birgit op haar computer onder de naam Jeneverpoes. De warenhuisrel kwam ook in het logboek van het Bureau. Maureen had de bedoeling haar ervaringen ooit te boek te stellen. Het relaas deed ietwat denken aan indoor verkeersagressie, althans: het stuk dat zich in het warenhuis afgespeeld had. Deel twee betrof eigenlijk het verslag van hoe taalkunde voor misverstanden kon zorgen. 'La plupart des occasions des troubles du monde sont grammairiennes.' Schreef Michel Eyquem de Montaigne. Maureen Durant bracht diezelfde dag nog een bezoek aan Koppie-Koppie. Ze leerde hem het woord ‘individuo’.

JORIS DENOO

Geschreven door Joris Denoo om 10:46 Stuur door

Wodansdagen

WODANSDAGEN


Onverhuld door omschrijving, onverbloemd door schaamte, onbelast door goede smaak en onomwonden door uitweiding vertel ik u het verhaal van de man met de vossenrode toiletborstelbaard en de vrouw met de parelgrijze watervalharen, bewoners van een villa in bruidstaartstijl, op wodansdagen het toneel van onbeschrijfelijke taferelen. Ik moet hierbij een beroep doen op zowel mijn eigen woordvindingrijkheid als taaleksterschap om de juiste woorden te vinden en die daarna in de correcte verhoudingen en in de gepaste rangordes onder te brengen. Het spijt me bijvoorbeeld al dat ik eerst de man vermeldde. Of moet ik hier schrijven: niet eerst de vrouw? Een oude kwaal. Andersom zou ook kunnen duiden op uitsloverij. Of politiek-seksuele correctheid. Woorden schieten dus vaak te kort. Of voorbij.

In tegenstelling tot veel bruidstaartvilla’s die in de interbellumjaren van de vorige eeuw in ons druilerig koninkrijkje verrezen, staat Malgré Tout er heden ten dage (de 21ste eeuw is ondertussen al flink meerderjarig) nog monter en smakelijk bij, niet aangetast door het wegsmelten van familiefortuintjes of de terreur van hedendaags design. Geen brokkelgebit van stenen, roze schilfers of grasbehaarde tuinpaden te bespeuren, waar filmregisseurs en whodunitschrijvers zo verlekkerd op zijn. Het glazuur lijkt niet aangetast door benzinedampen, zure regen, zilte zeewinden of fijn stof. Moderne materialen met ingebouwde korte levensduur komen hier niet voor.

Heeft het woeden van de wereld geen invloed op het gezicht van villa Malgré Tout, dan zorgen opeenvolgende wodansdagen wel voor hevig gerommel en beduidend hoge scores op diverse schalen in de ingewanden van het pand. De beide bewoners hebben er van die vintage karakterkoppen door gekregen. Tijdloosheid heeft zich meester gemaakt van ze en uit zich in een versteende grimlach die door groeven met eeuwige vergunning gestut wordt, parelgrijs en vossenrood omkranst. Hun beider wallen onder de ogen kunnen als lauwerkransen doorgaan, niet als treurige jaarringen of onverbiddelijke aanslibbing na zoveel steile nachten. Parallel met deze vege lijven vertonen ook de interieurs van de villa sporen van hevig leven, die op niet-wodansdagen als waardige littekens getuigen van dingen en daden waar men van kan dromen. Zo gaan weken, maanden, jaren voorbij.

Hun namen. Men is vaak benieuwd naar namen. Namen zijn bepalend. Namen definiëren. Namen bieden een houvast. Geraldine Roslare, dochter van een Brits militair weerkundige die na de Tweede Wereldoorlog in België bleef hangen. Eric Otonne, beginnend aannemer van bouwwerken, in de zomer van 1970 op Corsica liefdevol weggekaapt door de pas afgestudeerde en gedoctoreerde geologe Geraldine R. Hun liefde voor diepe putten bracht hen samen. Eric volgde Geraldine een jaar later naar Vlaanderen, De Panne, Noordzeekust. Na een half decennium in een appartementenblok dat nog lelijker dan een bankgebouw was, kochten ze villa Françine, gaven die een grondige facelift met degelijke materialen uit de goede tijden en veranderden de naam in Malgré Tout. Eric bouwde verder de duinen van de Vlaamse Westkust vol; Geraldine begeleidde doctorandi aan de universiteit en gaf er als assistente enkele uren per week college in Aard- en Bevingskunde. Beiden zijn inmiddels van de arbeidsmarkt verdwenen. Een zoon, Frank, verbouwt wijn in Suid-Afrika. Dochter Annick runt met haar man een bungalowpark in Cornwall. Aldus heerst rust in villa Malgré Tout in De Panne, maar niet op wodansdagen.        

 

Het is Béric Bardolijn, vast wekelijks bezoeker aan Malgré Tout en weekenddichter, die het op een nacht voor het eerst over de wodansdagen heeft. Hij verwijst naar Wodan en Odin en poëzie en licht en inzicht en pennen als speren en woordkunst en kennis en magie en raven en wolven in een lange verwarde monoloog, tot witte heks Bartelijne Boens (ook genoemd: Wiccapedia) hem met schrille stem onderbreekt en officieel de wekelijkse bijeenkomsten omdoopt tot wodansdagen door het opeten van een in whisky verzopen spin en daarna als een dronken derwisj met de fles aan de mond Odin te aanroepen (sommigen menen ‘Godin’ te horen) en rondjes te zwieren tot ze zichzelf met ontblote linkerborst de keuken in katapulteert. Béric en Bartelijne schuiven die ochtend dauwtrappend in de tuin van de villa nog in elkaar, want er is ondertussen al ruzie ontstaan. Ze claimen allebei de naam. Uitwisseling van lichaamssappen bezegelt de dronken verzoening. De wodansdagen, althans de naam, zijn door BBBB bedacht. Iedereen tevreden. Gedaan met Mittwoch of woensdag.

Elke wodansdag valt er iets beleven in villa Malgré Tout, elke week opnieuw. Jezebel Clockwork drinkt per ongeluk een fles aftershave leeg bij een poging tot vuurspuwen. Luitenant Fokschaap scheurt een oude collectie vuistdikke telefoongidsen in tweeën na inname van een halve liter Calvados. Spartakut laat zich als ijslammetje slachten met de nodige hoeveelheid ketchup en het mes op de keel. Lompje Marmani komt op een wodansdag toe in eetbaar ondergoed en chocoladen bovenkleren. Smullen geblazen. Béric Bardolijn brengt zijn litanie van 180 verzen ten gehore, getiteld Doemsdag, en eet daarna de uitgeprinte versie op. Bartelijne Boens maakt netelsoep in een gigantische ketel, kiept die met de hulp van sterke mannen in de badkuip en neemt er onder luid gejuich een bad in. Lazarus vult nog wat bij met zijn eigen vocht, die hij met een sierlijke bocht uit zijn plasser laat stroelen. Op verzoek van Wiccapedia krijgt hij daarna de gevreesde pek-en-verenbehandeling, waarbij hij ook tot aarsbisschop wordt gewijd. Dirkje Dollekervel is maar één wodansdag present. Hij maakt het zo bont dat het zichzelf verder verbiedt. Het heeft met projectielbraken en galopkak te maken. Nee, Dirkje mag niet meer komen, ook al zal hij wellicht zijn mond en kont voorbijpraten over wat er allemaal gebeurt op wodansdagen in villa Malgré Tout. O ja: en ook Geraldine Roslare en Eric Otonne doen hun duit in het zakje. Geraldine roept geregeld de klopgeesten op, waarbij ze hevig hijgend buiten zichzelf treedt, terwijl Eric zich als erotische vampier te goed doet aan menige vrouwenhals. Veronderstel hierbij de hardcore versie van deze brave taferelen.          

Maar het einde van de wodansdagen is nabij.

Ranja Wednesday Del Motte, een pseudoniem (alle bezoekers aan Malgré Tout gebruiken op wodansdagen een schuilnaam), glijdt op zo’n nacht in haar geboortepakje in een blauwe wasmand gillend de trap af. Ze dondert in stuitligging vooruit, verrast door zichzelf versnellende snelheid na een abrupte stop onder aan de trap, en belandt met een grote boog en nog hoger gegil tegen een van de feesttafels, waarvan Luitenant Fokschaap inmiddels het kleed in brand heeft gestoken. Ranja, wier blote lijf her en der rijkelijk beschilderd is door de bodypainter Lazarus, vat onmiddellijk vuur. De vlammen likken gretig aan de verf. Diverse pogingen tot blussen ontaarden in nog meer brandjes, verspreid over een van de salons. Een combinatie van grote openstaande ramen, een nachtelijke zomerbries en breed uiteen waaiende gordijnen werkt als brandversneller. Lompje Marmani, Spartakut, Luitenant Fokschaap, Ranja Wednesday Del Motte, Trismarck en Wiccapedia moeten met brandwonden afgevoerd worden. Voor Ranja etc. betekent dit het einde. Ze haalt de spoedeisende afdeling van het ziekenhuis niet. Vlammende verf heeft zich diep in haar huid en haar organen een weg gebaand. Trismarck en Wiccapedia zijn hun haren kwijt door het dansen der vurige tongen boven hun hoofd. Lompje Marmani, Spartakut en Luitenant Fokschaap zijn over een beduidende oppervlakte van hun huid in een ernstige graad verbrand. Ze worden als menselijk gebraad naar het brandwondencentrum bij de hoofdstad overgebracht.

Zo worden de wodansdagen bij de bevolking bekend. De vrouw met de parelgrijze watervalharen, Geraldine Roslare, en de man met de vossenrode toiletborstelbaard, Eric Otonne, houden de eer aan zichzelf, verkopen via een bevriend tussenpersoon de bruidstaartvilla Malgré Tout en verhuizen met de stille trom (toevallig op een wodansdag) naar Cornwall.

Echt gebeurd.

JORIS DENOO   

Geschreven door Joris Denoo om 10:53 Stuur door

Horlogemaker

DE HORLOGEMAKER VAN SINT-PIETERSBANDEN

De Belgische kwartjes van 75 cent met het gaatje middenin waren nog in omloop. Op de maan had nog geen sterveling de fameuze grote stap voor de mensheid gezet. En het regende vaak, zoals het alleen in Vlaanderen en in de herinnering regenen kan: eindeloos en grijs.

Het straatje was zo smal dat je er amper met z'n drieën naast elkaar kon lopen. Het had ook geen eigen naam. Het was een vergeten kasseisteegje in een provinciestad, dat de Oude Burg met de kerk Sint-Pietersbanden verbond. Het straatje ontleende dan maar zijn naam aan die Oude Burg. Het bestond uit blinde muren en achterkanten van opslagplaatsen en ateliers, met hier en daar hoge, opake ramen. Daartussen weggemoffeld woonde en werkte de horlogemaker: een deur, een venster. Het was het enige zichtbare teken van leven in het steegje. Het huisnummer hadden kwajongens uit de jaren vijftig afgerukt en meegenomen. Na de zondagcinema drukten kauwgompubers er hun bakvissen tegen de blinde muren en harpoeneerden hun tong tegen hun gehemelte. Op dat tijdstip had de horlogemaker al zijn voorbehoedmiddel gebruikt: hij liet zijn rolluik voor zijn raam neer. Hij benutte overdag namelijk de schaarse lichtinval die het steegje toeliet door vlak achter zijn raam zijn minuscule werk te verrichten, versterkt door de lichtplas van een extra lamp.

Wat doet een horlogemaker nog anders dan vermoord worden in een klokkentorenverhaal van Simenon? Met de regelmaat van een, nou: klok, sloop ik door weer en wind het steegje in om stiekem poolshoogte te nemen. Ik weet niet hoe oud de man toen was. In de ogen van jonge snuiters is iedere volwassene oud. Misschien ben ik nu al ouder dan hij toen was. Hij droeg een onwerelds eierbrilletje op zijn neus, lang voor de Lennonmode. Op dat brilletje waren extra kleppen en glazen gemonteerd. Ik tipteende tot vlak bij de lichtbundel die uit het raam naar buiten viel, ondertussen ook de steeg in de gaten houdend. Het gebeurde namelijk dat een avondlijke kerkganger of een boodschappend kind er zijn fiets stalde. Maar alleen de honden en de katten uit de provinciestad hadden het steegje niet vergeten; voor de rest passeerde er zelden een sterveling. De horlogemaker was op kleine schaal altijd druk in de weer. Ik kon me voorstellen dat hij elke dag opnieuw een uur werktijd goed moest maken, doordat hij voor en na schooltijd glurende en joelende deugnieten met nijdig getik tegen het raam om de haverklap weg moest jagen. Waarna hij zich weer geconcentreerd over zijn miniheelal boog, moeilijke formules tegen zichzelf mompelend. (Misschien heeft hij zich mettertijd ook over de horloges van die kwelduivels ontfermd, toen ze de leeftijd bereikt hadden waarop ze meenden dat ze de tijd aan hun pols moesten binden en aldus het statuut van 'sterveling' verkregen).

Ikzelf deed het dus stiekem, want ik had alle Pim-Pandoerboeken gelezen: een spannende detectiveserie van een Hollandse schrijver, zich afspelend in Arnhem. Ik was een schimmige, geheimzinnige ‘speurder’ met een duister verleden, wiens schaduw slechts één van zijn vele vermommingen was. Onder mijn waakzame maar ongeziene oog opereerde en construeerde de horlogemaker. Hij kende de oude geheimen van de tandjes en de raderwerkjes die de Tijd met een trage, ongeziene, maar massieve kracht vooruitduwden, fractie per fractie, vaak splinter per splinter. Hij had verjaardagen in de hand, gedenk- en doemdata. Op zijn bevel was er geen oud- of Nieuwjaar. Onder zijn loep kon hij de tijd fragmenteren en de geschiedenis even halt laten houden. In het stadje speelde de film; in zijn stulpje maakte hij de stills van die film. Hij zou de tijdmachine uit kunnen vinden. Of het perpetuum mobile, zoals de oude Douwe Tjaarsma uit een verhaal in het Hollandse prachtjeugdblad Taptoe, jaargang 1959. Zo bespiedde ik hem vele malen, terwijl ballonnen gevuld met fantasie zich uit mijn jongenshoofd losweekten en in de steeg bleven zweven, naast de warme-bakkersgeurtjes. Time was on my side. In de schaduw van de klokkentoren van Sint-Pieters­banden kende ik vele onbewaakte ogenblikken. Ik had die liever dan samenzweerderig kattenkwaad met andere deugnieten.

Op een gure valavond zat de horlogemaker ingespannen maar volslagen roerloos achter zijn raam. Hij was dood. Regende het? Ik weet het niet meer. Jaren later zit ik hier zelf, op zijn plaats, over hem te schrijven. Dit is ons verhaal. Tussen de regels moet u zich een gure wind uit de jaren vijftig inbeelden.

Laat ik eerst even wat medespelers introduceren.

Jaak was op Caroline en trok elke valavond met wapperende jas ('paletot') de wacht op achter het standbeeld van het Heilig Hart tussen de twee gazons aan de achterkant van de kerk Sint-Pietersbanden. Om de haverklap had hij daardoor een fikse verkoudheid te pakken. Hij verbeet die telkens weer dapper, in liefdesnaam. Danny's ma werkte in het dameskapsalon op de hoek van het Beerstraatje. Ze assisteerde er op drukke dagen de kapster, die veel jonger dan haar was. Danny was een vroegrijpe teddyboy, met een beroepsmilitair als mannelijke ouder. Didier-van-de-dokter was verslaafd aan chocola. Het beroep van zijn pa en zijn lieve krullen bezorgden hem om de twee jaar een van de hoofdrollen in de Credostoet, die zich religieus murmelend en mompelend door de straatjes van de stad voortbewoog. Hij beeldde dan het heilig kindje Achas uit, wiens beenderen in Sint-Pietersbanden als relikwie werden bewaard. Toen hij wat groter werd, was hij de hoofdherder, een echt lammetje om zijn nek gedrapeerd. Geert leefde al van jongs af in de wolken, wazig door straffe brillenglazen starend. Al heel vroeg kocht hij zich een rode jekker, bekeerde zich tot het hippiedom en spoelde enkele jaren later levenloos aan de oostkust aan. Jef was de klassieke kleine van de bende. Hij fokte ook, brak ettelijke brilletjes, wekte overal medelijden, kreeg als eerste van ons een heuse 'grote' fiets en verongelukte mettertijd stomweg in de omgeving van een ‘Thier-Bräu-Hof’. (Dat trema wisselde om de haverklap, na elke storm. Er heerste twijfel hieromtrent).

Met die vijf kornuiten lag, zat of stond ik na schooltijd gewoonlijk op de loer in de aura die het Heilig Hart over de duistere kerkgazons uitstraalde, vlak bij dat kapsalon. Aan de overkant gaapte de donkere Ben-Hurachtige spelonk van cinema Ons Huis: ideaal voorgeborchte en perfecte uitvalsbasis voor ons, halfgewassen schooljongens van twaalf.
Die 'coiffeuse' waar Danny's ma werkte, had 'moeten' trouwen. Oorzaak: de blinde muur in het steegje van de horlogemaker. We slopen als indianen over het kerkgazon en bespiedden de volslanke silhouetten die aan de ramen passeerden. Af en toe werden we door belgerinkel van een schoolmeester of felle stralenbundels van een auto als een klad kraaien uiteengedreven. Dan waaierden we opgeschrikt uiteen, om na vijf minuten weer ergens anders samen te zweren.

'Ze heeft tieten als warmwaterkruiken,' zei Danny.
'Weet je dat je niet kunt pissen als je vrijt?' merkte Jaak op. 'Je kunt dus niet missen. Het komt er zo uit, en het is geen pis.'
Jef glimlachte ongemakkelijk en verlangde naar bedtijd en zijn geheime collectie filmster-chromoprenten tussen de lakens. Geert en Didier kietelden mekaar af als kleine kinderen. Ikzelf wachtte met een hart als een drumstel tot de Drie Musketierinnen van de Liefde op de fiets in het Beerstraatje zouden passeren: Bea, Liliane, Ria. Ondertussen, op schootsafstand van ons, zat de horlogemaker ingewikkelde mechanismen te dissecteren.

'Hela daar! Van dat gras af, Kongolese slingerapen!'
Geschrokken veerden we op. 'Kongolese slingerapen' was het ons welbekende scheldwoord, gebruikt door vijandige scouts. Wij waren allemaal K.S.A., Katholieke Studenten Actie. Het was Sapperloot, de leraar aardrijkskunde van de 'grote' school én aalmoezenier van de stedelijke scouts. Een pestkerel.
'En vlug wat!'
Dreigend hield hij halt op zijn solex, waardoor zijn lichtbundel op slag fletser werd. Wij krabbelden recht en stormden naar de vijf windstreken uiteen, ons gezicht zoveel mogelijk afgewend. Sapperloot wrong weer aan zijn handvat en de solex verdween pruttelend en knallend.

Het was diezelfde gedenkwaardige avond waarop Danny verbaasd gezegd had: 'Tiens, ze is er niet.'
'Wie?'
'Ewel, mijn moeder. Ik zie ze niet.'
We hadden gezamenlijk extra gespioneerd, en inderdaad: geen vrouwelijke ouder van Danny in kapsalon Lucrèce te bespeuren. We kregen alleen de fraaie vormen en de veelbelovende rug van de jonge kapster in ons vizier. Na Sapperloots steen in de kikkerpoel zochten we elkaar die avond niet meer terug op. Ik lanterfantte wat op de Oude Burg, wachtend op de drie fietsende gratiën, die ik later, zeker weten, ooit zou neuken, maar die daagden niet op. Toen sloop ik nog maar eens het duistere kasseisteegje in.

Mijn hart begon te bonzen als een pendule. Met ogen als schoteltjes keek ik toe. De horlogemaker was in de achterkamer geen klok of horloge maar wel Danny's mama aan het dissecteren. Met zijn onwerelds brilletje op zijn neus zat hij, gespreid geknield, in aanbidding voor al dat blanke mamavlees. Waar Tigris en Eufraat in Tweestromenland samengutsten, daar stak hij keer op keer zijn tong in, minutieus getimed, met de regelmaat van een buigende, geile boeddha. Daarna richtte hij zich op, heerser over de microkosmos der wieltjes en radertjes en tandjes, een indrukwekkende zonnewijzer als voorbode voor zich uit torsend. En hij nam liefdevol de temperatuur van al dat prachtig mamavlees.

O ja, dat was een still uit de vettige film van de werkelijkheid.
Ik heb het nooit iemand durven te vertellen.

Anderhalve week later trof ik hem dood achter zijn raam aan. Ik liep naar de pa van Didier, de dokter. Die verschafte zich met de hulp van de brandweer toegang tot het kleine pand, trof er de horlogemaker op zijn vertrouwde werkterrein aan, broek op de enkels, en constateerde hartstilstand. De tikker had opgehouden te tikken.

Niemand van de vijf kornuiten is nu nog in leven: verkeer, drugs, de grote K. Ik heb het gevoel dat ik moest overschieten om ze nog eens te memoreren. Maar de echte hoofdpersonages in mijn herinnering zijn de jaren vijftig, de gure wind, het smalle steegje en de horlogemaker.

Ik heb later het pandje gehuurd om te schrijven: ik verkies de pen boven polshorloge en pendule om de strijd met de Tijd aan te gaan.

JORIS DENOO

Geschreven door Joris Denoo om 09:36 Stuur door

Waterstaat

BESCHAVING WATERSTAAT

Het was niet op een dag of een nacht gebeurd. Er was wel al jaren voor gewaarschuwd. Zelfs decennia. Het ging om een sluipmoord die pakweg een kort mensenleven in beslag nam. Eén politieke partij had in dat verband altijd het voortouw genomen, af en toe omwille van stemmingmakerij in tijden van verkiezingen gesteund door opportunistische milieusnobs van ‘traditionele’ partijen. Maar men had noch nationaal noch internationaal deze onheilsprofeten van het klimaat ernstig genomen. En toch.

Alladin, de Alliantie van Adinkerke, een groene stroming die om de twee jaar een klimaattop in het uiterste westpuntje van de Vlaamse kust hield, had gelijk gekregen. Hun laatste vier ‘tops’ van de 21ste eeuw vielen zelfs enigszins in het water, letterlijk. Dobberend op een groot klimaatvlot hielden ze hun allerlaatste colloquium vooraleer de Lage Landen definitief overspoeld werden. Hun ergernis vertolkten ze toen via de slogan KUST ZE.  

Anno 2098 bestonden Nederland, Vlaanderen en Noord-Frankrijk uit paalsteden en drijvende dorpen. Er was geen land meer te bezeilen, alleen water. De Waalse en Franse Ardennen lagen nu aan zee.

Straten werden waterwegen; pleinen en pleintjes werden meren en poelen. Auto’s waren vervangen door vaarwagens en boten en bootjes van divers pluimage. Naast de nieuwe drijvende steden en dorpen stak hier en daar nog een kerktorenspits of de top van een appartement uit oude tijden als een vingerwijzing boven het wateroppervlak uit. Daar was het opletten geblazen voor het huidige waterverkeer. 

De Alliantie van Adinkerke, zegge en schrijve Alladin, had de macht gegrepen nadat de overspoeling alom een feit was geworden. Er was geen sprake meer van de oude landen of hun benamingen. Ook de traditionele zuilen en partijen waren verzwonden. Alladin bestuurde nu Waterstaat. Hun munteenheid was de aquarel. Je betaalde ongeveer drie aq. voor een halve kilogram vis. Zoogvlees, kippen, konijnen en grondgevogelte waren delicatessen die op grote grasvlotten gekweekt werden. Alleen Alladinaren konden zich die veroorloven. Ofwel moest je er lang voor sparen. Zwanen, eenden en ganzen verschenen weer op de spijskaarten. Op waterduiven, beverratten en allerlei ander watergespuis werd stiekem gejaagd. Stroperij werd oogluikend toegestaan, als onderdeel van een zwarte markt die de officiële economie gaande hield. Fruit en groenten waren het monopolie van Waterstaat, die over het eigendomsrecht van alle platte daken beschikte. De regering-Alladin kweekte er fruitbomen in potten en groentebedden. Alleen Waterstaatsdrones werden tot de daken toegelaten. Via aandelen, bonnen en inschrijvingen kon je van de oogst of de teelt genieten, maar de wachtlijsten waren lang, vooral wanneer een seizoen tegenviel. De woorden ‘witlof’ en ‘champignon’ bijvoorbeeld waren al uit de woordenboeken verdwenen. Zwemmen leerde je al vlak na je onderwatergeboorte. Het officiële Waterstatuut kon je vanaf je veertiende verwerven, wanneer je minstens drie maanden per jaar in een van de vele waterzuiveringsstations ging werken.

Waterstaat was een no-nonsense democratie. Wie het niet eens was met de meerderheid en zich daar slecht bij voelde, kreeg de kans te emigreren naar Zoutenisse, een gigantische lap zoutwater ter hoogte van het oude Polderland zonder ook maar één enkel zuiveringsstation. Op Zoutenisse dreven een vijftal dorpen die alle verankerd waren met de paalstad Zilte, de hoofdplaats van Zoutenisse. Verzouten was er de doodsoorzaak bij uitstek. Het krioelde er ook van de criminelen, want Waterstaat gebruikte het district Zoutenisse als verbanningsoord en openluchtgevangenis. Je raakte er niet ouder dan 103 jaar. Toch was overpopulatie er een groot probleem.

Joplini Van Wesemael zat op zijn plankier aan de Polenpoel zijn aquarels te tellen. Binnenkort zou een stuk zoogvlees mogelijk zijn. Rood vlees. Misschien zou hij eerst nog een paar waterduiven proberen te schieten. Dat leverde ook voedzaam vlees op. Of hij kon die op de Aquamarkt in Wrakijna verkopen, zodat zijn voorraad aquarels aangroeide. De gedachte aan rood vlees deed hem het water in de mond komen. Maar er waren nog andere kosten waar hij rekening mee moest houden.   

Er gleed een chique vaarwagen voorbij, bestuurd door een Alladinaar. Hij herkende haar aan de staatstatoeage op haar wangen (een stel kieuwen) en de codeplaat aan de zijkant: BW-WA3AL. Het was bovenwaterminister Marie-Solfège De Pourq. Joplini bracht de verplichte Waterstaatgroet, een soort golvende beweging vooruit met de rechterhand, maar Marie-Solfège bleef hooghartig voor zich uit staren en beantwoordde de groet niet.

‘Stomme vissenkop,’ mompelde Joplini. ‘Kieuwenkut’.

De vaarwagen verliet gelijkmoedig puffend de Polenpoel. Marie-Solfège De Pourq had in deze armenbuurt niets te zoeken. Het betrof haar dagelijkse kille passage naar het Waterstaatconclaaf op het Blûûrmeer in deelhoofdstad Middenwater. Haar vaarwater was altijd eender. Alleen in verkiezingstijden beantwoordde ze de Waterstaatgroet, die voor elke inwoner verplicht was. Sporadisch, wanneer ze met het verkeerde been uit haar waterbed was gestapt, liet ze haar vaarwagen stoppen om een Waterstater te straffen die de groet niet had gebracht, ondanks het feit dat zij zelf zeer zelden groeten beantwoordde. Dan rilde ze de onderwaterminister Yadisro op, die prompt een afgezant stuurde en korte metten liet maken met de niet-groeter: die werd zonder pardon naar een van de koraalmijnen verbannen, waar hij/zij zeven waterjaren lang onder beperkte zuurstofvoorwaarden tewerkgesteld werd. Maar meestal bleef Marie-Solfège stuurs voor zich uit staren, want het was onmogelijk om onderweg alle Waterstaatgroeten te beantwoorden. Je kon er een lamme arm van krijgen. En ze had haar rechterhand en –arm nodig om haar vaarwagen te sturen. Het vaarwater in de Polenpoel was onstuimig.

‘Elf,’ telde Joplini hardop, maar verder kwam hij niet. Met hevig geproest en geplets dook plotseling Danny Darcq uit het water op. Hij schudde de druppels van zich af terwijl hij zich aan de stangen omhoog hees tot op Joplini’s plankier. Zelden kwam Danny met goed nieuws af. Hij leek zelfs op te beuren bij het ontdekken van onheilstijdingen.
‘Danny. Hoe gaat-ie? Ik schrok me een zeepaardjesbult.’
‘Joplini, sorry dat ik zo bruusk bij je aanmeer. Heb je het al gehoord? Er is weer massale vissensterfte op komst.’
‘Verdomme!’
‘Het is menens. Een heleboel bevoorrechte Waterstaters heeft al emigratie naar de Ardennen aangevraagd.’
‘Zoutenisse komt natuurlijk niet in aanmerking voor ze. Die emigranten zijn Alladinaren, wellicht?’
‘Je raadt het.’
‘Slecht nieuws voor de everzwijnen.’
‘Het asbest uit de ondergrond van vroegere tijden speelt de vissen in Waterstaat parten. En bij uitbreiding ons, natuurlijk. As op z’n best, snap je hem? Dood, Joplini, dood!’
Danny Darcq maakte een gebaar alsof hij zijn eigen keel oversneed.
‘Ik was net van plan weer waterduiven af te knallen.’
‘Beverratten zijn ook lekker.’
‘Dat wordt wennen, Danny. Kom erin. We drinken een Brûm.’
‘Dat sla ik niet af. Laten we alvast wat jaagplannen opstarten.’

Overal in Waterstaat werden gelijkaardige jaagplannen gesmeed. En dat was nou net het punt waarover de bovenwaterministers vandaag aan het vergaderen waren. De ene helft van de dierenpopulatie was besmet; de andere helft kwam daardoor in gevaar. De contaminatie betrof een euvel van lange duur. Dat betekende absoluut geen goed nieuws voor de regering-Alladin, die al meer dan een eeuw lang milieu als speerpunt had. Maar hun monopoliepositie verrechtvaardigde uitzonderlijke standpunten, harde ingrepen en ongezouten meningen. Er keek dan ook niemand echt verbaasd op toen plotseling bovenwaterminister Ermin Debruwaene, Afstandelijk Gouverneur van Zoutenisse, Waterschout van Zilte, opperde:

‘Laten we mensenvlees op de kaart zetten. Lekker gezouten, zoals de prés salés van weleer uit de delta van de Somme. De schapen die vooraf bij leven en welzijn door omstandigheden al gezouten waren. Ik heb een voorstel, collega’s.’

Marie-Solfège De Pourq bolde haar kieuwen op, knikte goedkeurend en dacht aan het etentje dat ze binnenkort zou geven voor collega’s van het Ministerie van Vlees noch Vis. Een carpaccio van menselijke prés salés reepjes met ouderwetse mayonaise en worcestersaus zou er zo in fietsen. Misschien opende dit dan perspectieven betreffende het ministerschap van Amfibieën en Reptielen. Er zat muziek in dat departement. 

Alladin was oppermachtig want alleenheersend. De mensenjacht was dus open. Zilte en de vijf verankerde strafdorpen werden ogenblikkelijk tot jaagkolonie uitgeroepen. De Afstandelijk Gouverneur Ermin Debruwaene loste er het probleem van de overbevolking aldaar mee op. Aan dat asbest en die vissensterfte zou later nog wel iets gedaan worden. Zilte kon veel slikken. Het zou een borrelende doofpot worden.

Nog diezelfde dag vernamen Joplini Van Wesemael en Danny Darcq het nieuws.
‘De vaarwateren naar Zoutenisse zijn zelfs reeds vrijgegeven,’ zo klonk het uit de Waterstaat Cloud. ‘De vergunning voor een halve dag mensenjacht kost 6 aq. Die is aan te vragen bij de Zuil van Topus op het Dobbermanmeer of bij uw persoonlijke Straatwaterverantwoordelijke. Na Waterdag wordt dat 8 aq. Jagen op vissen wordt voorlopig nog toegelaten op eigen risico. Er kunnen gezondheidsproblemen rijzen na het nuttigen van vis. Ook de levendbarende soorten.’
‘Mm… Voor mij een bil van een ouderwetse katholiek,’ zei Danny likkebaardend. ‘Traag gegaard, met za’atar bereid.’
‘Doe mij maar een portie schroeivlees van zo’n caravansocialist,’ zei Joplini. ‘De beide lendenstukken graag. Geflambeerd in Brûm. Op naar de zoute wateren! Ik ruik menschenvleesch!’


De jacht in Waterstaat was open.

JORIS DENOO

Geschreven door Joris Denoo om 08:50 Stuur door

Sluis!

SLUIS!

‘Verzaken aan je plicht kan een held van je maken. We zeggen en schrijven 1606, tijdens de kermisdagen in Sluis. Jantje van Sluis, de klokkenluider, was dronken geweest. Hij versliep zich die volgende ochtend. Zo vergat hij de klokken te luiden. Bij dat eerste klokgelui wilden de Spanjaarden ten aanval trekken. (Sluis was hun voorheen weer ontfutseld door de Hollanders. Ze wilden het terug). Dat bleef dus maar uit. Zo redde Jantje Sluis. Als dank mocht hij voor altijd de klokken in het Belfort van Sluis bespelen.’

Ik hield van water en wind. Daarom zocht ik vaak plaatsen op waar deze combinatie zich voordeed. Toen ik ontdekte dat er in deze woestenij ook aardige mensen woonden, frequenteerde ik meer en meer Nederland. Dit geschiedde bijvoorbeeld in Alkmaar, Amsterdam, Utrecht, Volendam, Leiden, Harlingen, Rotterdam, Dordrecht, Zwolle, Vlissingen, Breskens en het vaakst Sluis: we woonden immers een tijdlang in het nabije Brugse Vrije.

Andermaal was ik in Sluis, het immer drukbeklante voorportaaltje tot Zeeuwse landschappen. Ik zat vanuit drankhuis Jopie naar het stadswater van Sluis te staren. Een man in oranje werkplunje dompelde middels een touw twee emmers in dat water, haalde die op en verdween ermee in een straatje waar vroeger sexshops (met die gevaarlijke x) waren. Werkte zijn voorbeeld aanstekelijk? Ik vroeg onmiddellijk hierna mijn derde whisky. Omdat ik gedachteloos wenste te blijven, stelde ik me ook geen vragen over de zin van zijn bezigheden. Misschien waren zijn hersenen zo groot als die van een kip, en kaderde hij in een sociaal rampenplan van het stadje Sluis. Misschien had ik een visioen dat zich medio jaren zestig in de vorige eeuw afspeelde, toen mijn ouders nog maandelijks naar Albert Heijn in Sluis trokken om proviand in te slaan. Misschien betrof het een spookbeeld van een Spaanse krijgsgevangene, die ooit mee het kanaal had moeten graven. De kerel kon zich ook te veel te goed gedaan hebben aan ‘Kanaalspuug’, een jenevervariant die in Jopie werd geschonken. Hij wou bijvoorbeeld zijn maaginhoud terug. Schraperige Hollanders. Ach, ik en mijn whiskygedachten.

Er passeerden twee vreselijk mooie schoolmeisjes. Het was bladervakantie. Ik duwde mijn gedachteloosheid weg en bestudeerde de deernen tot ze uit mijn zicht verdwenen waren. Een appeltjes- en een peertjesfiguur. Dat had ik onthouden uit een modegrillig programma op de vrouwvriendelijke zender Vitaya. Die sjablonen waren best bruikbaar. Trek je van kleren maar niks aan, schat.
Dode bladeren waaiden over de straat weg en mijn gedachten sloegen evenzeer een hoekje om. Het stadswater rimpelde; mijn verse whisky knisperde. Op een flink boogschot van hier stond het gedenkbeeld van de ‘Dikke van Dale’, in levenden lijve een ziekelijke, schriele man (Johan Hendrik) die in oude tijden elke ochtend veel te vroeg opstond en ondanks diverse aanbiedingen zijn Sluis niet wou verlaten. Ik zou om hem te eren gaan tafelen in viersterrenrestaurant De Dikke Van Dale, net buiten het centrum gelegen. Maar gezeten in het alleraardigst drankhuis Jopie kreeg ik veel meer zin om onder te duiken in een van de vele kleinere mosselrestaurantjes. In Sluis woekerden ze met ruimte. Er kon er nog altijd wel eentje bij, ongeacht de reservaties.

Aldus geschiedde. Ik veroverde een plaats aan het venster in restaurantje A tot Z, waarbij ik enkele ouden van dagen te vlug de pas af was. Mijn vergelijkende studie van de vigerende mosselprijzen in de Sluisse horeca (de wet toepassend die oppervlakte per klant, aantal klanten, gezelligheid, kwaliteit en prijs combineerde, kwaliteit (Jumbo?) echter vooralsnog onbekend) deed me kiezen voor de 15,50 € per 1 ½ kilogram Zeeuws ziltig schelplekkers in A tot Z. Ik had her en der goedkopere mogelijkheden gezien, en ooit had ik hier in Zeeland ook nog 22€ per kilogram neergeteld. Alles was mogelijk. Heden echter verkoos ik rust en (ietwat) ruimte om de gegeerde zeematrasjes naar binnen te werken. A tot Z leek me die te bieden, ten belope van 15,50 € voor het vaste voedsel. Mijn bereidheid strekte tot 20 € per kilogram, maar dit jaar konden de mosselboeren de prijzen blijkbaar binnen de perken houden. Misschien had het spookbeeld van Belgische mosselen hier een hand in. Of het succes van de kleine Franse mosselen (bouchots) in het nabije Auchan, Roncq.

Eerst zette ik dapper mijn whisky-cruise verder. Ik was immers zeer tevreden over mijn keuze en besluitkracht. Was ik niet doelgericht op deze plaats afgestevend? Alles liep gesmeerd. Ook al zat het restaurant eivol ouwelui die van alles wilden, niet hadden of te kort kwamen. Het verwonderde me niet dat er – naast bejaardentehuizen – op gezette tijdstippen restaurants in de fik vlogen. En dat koks vroeg stierven. Naarmate mijn ogen meer en meer wenden aan het interieure duister, ontwaarde ik meer en meer ouden van dagen, alle hoeken en kanten van A tot Z bevolkend. Ze doemden naast me op als djinns uit flessen en kruiken. Enkelen hadden zich al achter bekers dessertijs verschanst.

Voor een keer – o goed gevoel, o welbevinden – voelde ik me niet opgenaaid omdat kelners/obers/garçons (how do you call these people?) me voortdurend voorbijliepen, links lieten zitten of al helemaal niet opdaagden. Ik hoefde alleen maar wat met de overgebleven ijsschotsjes in mijn glas te rinkinken (die kregen niet echt de tijd om geheel te smelten) en de hele ouwe reutemeteut keek op, waardoor één dier kelners/obers/garçons niet anders kon dan toesnellen en bijvullen. Aldus hevelde ik vlotjes nog eens drie gouden zuiltjes geluk naar mijn inwendige mens over en verordende dan een portie mosselen.
‘Daar zijn we net van uit,’ deelde een ober me droogweg mee. ‘Maar er zijn nog sliptongetjes, en… ‘
Hij keek met gefronste wenkbrauwen naar een wandklok, waarna zijn bedenkelijke blik over de ouwelui-desserten zwiepte.
‘Gevorderd uur, meneer,’ vulde hij verder aan.

Ik zei niks. Ontzetting was mijn deel. Ik had de Sluisse horeca middels zes whisky’s welvarender gemaakt en nu dit. Een bittere, nuchtere vaststelling.
‘Daarnet nog zag ik een kerel mosselen uit het kanaal vissen,’ merkte ik op. ‘Hoe kan dat nu dat… ‘
‘Pardon?’
‘Ja: een man in oranje. En in Zeeland… ‘
‘Meneer: ik kan u de sliptongetjes aanbevelen. Zo klaar, hoor.’
‘Twee volle emmers. Met twee volle emmers verdween hij. Volgens mij… ‘
‘Maar ik volg u niet, meneer,’ onderbrak de ober kregelig. ‘De mosselen zijn op. Op is op. Toch?’
Woede welde in mij op.
‘Ik wil A tot Z zelf spreken.’
‘Wat?!’
De ober schoot in een lach (hoorde ik intussen niet ergens vlakbij ‘Die kokkelkop is ver heen’ mompelen?) en wenkte zijn twee kompanen.
‘Bent u een stand-upcomedian? Is er misschien een candid camera in de buurt? U bent Belg, nietwaar? Is het niet?’
‘Dat zijn veel vragen ineens, Jantje. En woon je misschien in Leiden? O, je hebt je pinguïnmaten erbij gehaald, zie ik. Versterking. Sterkte. Dikke maatjes, hé? Staan jullie al in De Dikke?’
‘Ik heet niet Jantje, meneer.’
De andere twee bekeken me met medische belangstelling.
‘Jawel, en je zag pruimen hangen.’
‘Zou u niet beter… ‘
‘Ik ben geen lustobject. Ik wil zeevruchten afwerpen.’
Ik merkte plotseling dat ik een hele zaal toeschouwers had, die me met open gebitten aanstaarden.
‘Getverderrie!’ deed ik. ‘Kom ik van zover en krijg ik… ‘
‘Meneer… ‘
‘A tot Z: mijn voeten. Jullie wilden allicht het haantje-de-voorste in het alfabet zijn, hé? Waarom niet ‘Van’ A tot Z? Hé?’
‘Meneer… ‘
‘Of Coq-au-Vin? Vol-au-Vent? De Wind Vanachter? Een nederig plaatsje achter in de Vette Van Dale?’

Flitsherinnering aan zachte dwang grenzend aan hardhandigheid manu militari. Ik trof mezelf even later op straat aan, die zich om mij heen bewoog als een darmkanaal. Alles deinde, zette uit, kromp. Het gedenkbeeld van De Schriele Dikke op het Walplein in de verte bood me een houvast.
‘Kies een vast punt in de verte als je optreedt, boven de hoofden heen.’
(Een of andere betweter uit mijn verleden.)
Ik hield de woordenboekachtige workaholic star in mijn vizier en stapte aldus geleid op onvaste benen naar de parkeergelegenheid à 2 €/dag… alwaar ik opgewacht werd door de Koninklijke Marechaussee. Dat betekende mijn redding.
‘Dikke, red mij!’ mompelde ik nog, terwijl ik – alweer met zachte hardhandigheid – in een voertuig werd gestopt.

Redding, jawel.

Ik werd gespaard van een auto-ongeval dat welhaast aan zekerheid grensde.
Ik werd bovendien gespaard van de collectieve voedselvergiftiging die op die dag bij de mosseleters in restaurant A tot Z toegeslagen had. Niet minder dan drie ouwelui verwisselden daardoor het tijdelijke met het eeuwige; de rest hield dagenlang het bed in diverse ziekenhuizen in de Zeeuws-Vlaamse grensstreek.

Ik gedenk uit boetedoening Johan Hendrik van Dale in mijn toekomstige tafelgebeden.

Ik drink tevens op de gezondheid van Jantje van Sluis. Immers: ook ik werd van vreselijke dingen gered door drankmisbruik en het overslaan van een middagmaal.

JORIS DENOO/SJORS DNO

Geschreven door Joris Denoo om 17:09 Stuur door

Knokke

KNOKKE

(Een vakantieverhaal)

Een zomerse dollemanswind blies zelfs grote bloempotten op trottoirs omver en veroorzaakte tijdelijk een zwarte stuifsneeuw in de winkelstraten en op het Van Bunnenplein in badstad Knokke. Het was een ongewoon tafereel begin juli – de eerste dagen van het nieuwe hoogseizoen aan de Belgische kust. Kromgebogen gezinnen haastten zich worstelend tegen de stormwind in weer naar hun veilige vierkante meters. De haren van een dappere enkeling werden beurtelings naar achteren geëlektrificeerd en weer naar voren gerukt.

Arend bestelde op het Van Bunnenplein – niet binnen, niet buiten, onder een luifel met wapperende flapperende zeildoeken – een portie Hollandse Nieuwe.  Hij had zicht op het tempeest: schuin gegeselde regenstriemen die in volle zwiepvaart vanuit de zee de stad in gejaagd werden, bijwijlen begeleid door gierend gefluit. Dat vond hij best gezellig, voor de duur van een paar uur.

Vlak naast hem, aan zijn linkerzijde, was een gezelschap geland van twee oma’s en twee piepjonge kinderen, geheel verpakt in lange windjacks. Het donkerblauw overheerste. De kinderen schoven naast elkaar aan op een bank. Nog net voor een stoute windvlaag de menukaart uit de oma-handen rukte, werd beslist er een broodjesfestijn van te maken. Zo had de ene leidinggevende oma het hardop voorgelezen op verordenende toon. Americain. Tonijn. Kaas. Ham. Zelfs kaas én ham. Enzovoort. Zoveel keuze.

‘Wat is tonijn?’ vroeg een van de kinderen.
‘Een vis,’ antwoordde de menu-oma.
‘Konijn!’ riep het andere kind.
‘Sst!’

Inmiddels waren Arends maatjes opgediend. Het tonijnkind zei hardop ‘bah, vis!’ en wees naar zijn bord. Enkel de koppen van de maatjes waren zichtbaar onder de laag snipper-ui. Arend had het gehoord, maar vertikte het te reageren, ook al geleek het per ongeluk op het woordspelerige ‘bakvis’. Hij had er met de oma’s een leuk dialoogje over kunnen ontwikkelen. Of met die leuke vakantiekindjes. De hoofd-oma zei rustig-vermanend: ‘Dat zeg je niet’. Ze lieten hem verder ongemoeid. Misschien dachten ze dat hij doof was. Waarom niet.

Niet erg? Niet erg. Toen voelde Arend nog niet de dwingende behoefte het aanpalende grut te wurgen. Nog niet.

Maakt wind kinderen onrustig? Dat is een wijdverbreid cliché in de lagere scholen. Als bij hevige wind bomen al buigen en takken al zwiepen, wat kan die dan ook niet met kleine kinderen uitspoken? Knokse wind bijvoorbeeld zorgt ervoor dat kinderen willen knokken. De wurgbehoefte groeide bij Arend toen het ene kind – dat van bah, vis! – koppig niet wou opschuiven nadat het duidelijk en opzettelijk al driekwart van de bankruimte had ingepalmd. Het. wou. van. geen. wijken. weten. Het eerder onzichtbare kind werd daardoor verder naar het linkerhoekje toe geperst. Plaatsvervangend kregelig ging Arend het grote aantal bonen te lijf dat de onder de uien verscholen maatjes omringde. Meer kon hij niet doen: hij was van dit alles de grimmige getuige door zijn aanpalende positie. Nauwelijks een halve meter scheidde zijn tafel van de hunne. En één mes. Dat al naar vis rook. Een armlengte verwijderd van de plaaggeest.

Toen ging de ene oma buiten roken, in de kolkende wind op het plein. Bijna werd ze opgetild. Haar donkerblauwe lange windjack bolde op als een zeppelin. De andere oma, die tot nu toe vooral gezwegen had, siste de kinderen streng toe. Had ze op dit ogenschijnlijk onbewaakte moment gewacht? Ze werd onderbroken door de komst van de planken met het broodfestijn op. Americain. Tonijn. Kaas. Ham. Kaas én ham. Enzovoort. De keuze. Ze wenkte de rookster met een dwingend handgebaar.

De op de menukaart aangekondigde ‘broodjes’, verkleinwoord, waren zo groot als kinderhoofden. Ze werden rijkelijk begeleid en omkranst door allerlei roods en groens en ander gezonds en ongezonds-in-minikuipjes. Op de vier planken prijkten eigenlijk vier niet-warme volle maaltijden. Toen de uitgerookte oma weer aan tafel kwam, slaakte ze zowel bewonderende als verbaasde als verontruste kreetjes hierover. Daarna vertaalde ze wat ze bedoelde:

‘Hadden we dat geweten, dan hadden we er maar twee besteld hoor. Zoveel!’
Oma Twee knikte medeplichtig.

Onmerkbaar zij-kijkend naar het verdere spektakel begon Arend nu zijn Nieuwe te opereren. Het was even zoeken, want het vette lekkers lag werkelijk bedolven onder een grote hoeveelheid versnipperde ui. Aan de belendende tafel barstte de voedingsstrijd in volle hevigheid los. Kinderhoofden werden ontrafeld; groenten opzijgeschoven.

Arend concentreerde zich weer op het tempeest en de maatjes. Een gezellige combinatie. Een kwartier later had het wonder zich voltrokken: na zogezegde beëindiging van de maaltijd lagen er op de planken van de kinderen grotere hoeveelheden voedsel dan er aanvankelijk geleverd waren, weliswaar nu in stukken en brokken. Het festijn was een voedsel-piramidale ruïne geworden.
‘Zie je wel! Kijk nu!’ (Oma Eén)
‘Kijk nu!’ (Oma Twee)
Zelfs Arend keek nu even écht. Ook Oma Twee kwam in aanmerking voor een wisse wurgdood. De broodplanken van de oma’s waren pijnlijk blank. Er viel geen blaadje, scheutje of kruimel meer te bespeuren. Alles was op.
‘We hadden er twee kunnen delen.’
De ene oma zei alles duidelijk hardop, zich tegelijk tot iedereen aan tafel richtend. De andere oma herhaalde en knikte alleen maar en keek bedenkelijk – bijna bestraffend – naar de kinderhoofden, de echte. Op de planken prijkten de ontzielde uiteengerukte broodhoofden.
Arend grinnikte onzichtbaar en scheidde van zijn laatste maatje de staart van de romp.

Een nieuwe windvlaag die vanuit de zee kwam, joeg nog twee luifelklanten naar binnen. Ze hadden naast een verwarmend nepvuurtje met gasvlammen onder een stolp gezeten, maar vonden het nu blijkbaar te bar worden. Twee asbakjes kletterden op de grond en tolden een eind gek weg over het plein.

‘Het was heel lekker,’ zei de rook-oma, toen de dienster kwam afruimen. ‘Maar een beetje veel. Goed om te weten voor een volgende keer. De rekening graag.’
‘Een beetje veel,’ papegaaide Oma Twee.
De dienster glimlachte de eeuwige horeca-glimlach. Ze toverde alle troep op één plank en ging jonglerend met de andere planken op één arm terug naar binnen.
Arend grinnikte andermaal onzichtbaar. Het gewrik, geduw en geschuif op de kinderbank begon weer. Het aangevallen kind bood meer weerwerk, wellicht gesterkt door het broodjesfestijn en het suikergehalte in de zero-cola.
‘Nu is het genoeg!’ kraste de zwijgzame oma. ‘We zijn weg.’

Nadat het viertal na de geldelijke plichtplegingen vertrokken was, een donkerblauwe armada met volle zeilen, landinwaarts gejaagd door de wind, bestelde Arend nog een glas jenever. Pas achteraf besefte hij het cliché van het geslaagde huwelijk tussen Hollandse Nieuwe en jenever ofte ‘klare’. Tot zijn voldoening kwam de jenever eraan in een groot rond glas, niet in zo’n pietluttig neutjesgedoe, zodat van een ‘bel’ jenever sprake kon zijn, zoals bij een ‘bel’ cognac.

‘Bah, vis,’ mompelde hij, ‘bah, rotkind.’

Hij nipte van zijn bol/bel en leunde behaaglijk achterover. Schuine regen striemde onverdroten in wijde waaiers over het Van Bunnenplein. Dat kon niet blijven duren zonder ernstige schade. Het chique Knokke kon dit niet bolwerken. Urenlang al waren de korte broeken, bruine benen en dure shopping bags uit het straatbeeld verdwenen. De economie van die dag werd op z’n minst gedecimeerd. De zonnecrème-industrie was in gevaar.

Ter rechterzijde van Arend, tegen de enige onbeweeglijke wand aan, zijnde de eigenlijke gevel van het eethuis, zaten nog drie luifelklanten: een duidelijk nieuw samengesteld koppel (oudere man, jongere vrouw) en vlakbij een tegen zichzelf pratende vrouw met een hondje aan de lijn/tafelpoot – dat zich ook al kefferig onrustig gedroeg door de wind. Het dribbelde voortdurend – met zijn tafelpootje als as – van hot naar her.
‘Van de vierhonderd studenten Psychologie zijn er maar drie geslaagd,’ zei de vrouw plotseling hardop, waarbij ze vier vingers omhoogstak. Arend keek opzij. De mededeling was blijkbaar niet tot hem gericht. Het duo keek ook opzij. Het was evenmin voor hen bedoeld. Na deze proclamatie, waarop ze blijkbaar geen antwoord verwachtte, verviel de vrouw opnieuw in innerlijk getater, zich soms ook tot het hondje richtend. Al die tijd (het grut, de oma’s, de maatjes, de bel) had ze haar koffie onaangeroerd gelaten. Op het tafeltje van het gelukkige paar verderop prijkten twee klassieke halflege streekbieren. Al net zo klassiek bogen zich af en toe de twee hoofden voorover om van deze heerlijke kelken te nippen: een krullerig grijs en een ravenzwart.

Het peil van de jenever daalde, hoe zuinig de slokjes ook waren. Net toen Arend de bodem van de bel had bereikt, gebeurde het. Waarom zou het chique Knokke niet in aanmerking komen voor rampspoed? Waarom denken we altijd dat we zelf immuun zijn en dat de catastrofes zich ergens anders voordoen? Betekenen art galleries, witte villa’s, strandligzetels en gestreepte badhokken dan geen verzekering voor een lang luxueus leven en vormen deze dan geen voorhoede tegen alle vormen van mogelijk ongeluk? Neen.

Arend pootte zijn lege bel weer op tafel neer net op het ogenblik dat een dolle windhoos het hele zeildoeken santenkraam beetnam, optilde en de lucht in zwierde. Het onvolkomen tentgevaarte (twee wanden, één dak) zeilde even als een ongeleide parazeiler boven het Van Bunnenplein, zijn vier dakloze luifelgasten aan hun stoelen genageld op de begane grond onthutst achterlatend. Met wapperende flappen sputterde het daarna als een losgeslagen ballon de grote winkelstraat in, waar het in duikvlucht landde op een donkerblauw kwartet van twee oma’s en twee kleinkinderen, die net de straat overstaken. Een gigantische grijpgrage hongerige vleermuis had zich meester gemaakt van vier broodjeseters.

In het uiterste linkerhoekje van zijn blikveld had Arend de grillige nederdaling van het gevaarte gedeeltelijk gezien. Die veroorzaakte een onaards plofgeluid, dat niet thuishoorde in een winkelstraat. Er waren ook wat nevengeluiden: geschuur, gesleep, geschraap, gekraak, gerinkel. Omdat hij geen ramptoerist was, bleef hij zitten, ook deels uit verbijstering, onder de blote hemel, tussen het aanhoudende gekef van het mormel door opgewonden woorden met de resterende drie gasten wisselend. Uit de zaak zelf kwamen klanten en personeel naar buiten gehold. Enkelen haastten zich over het plein naar de winkelstraat – de landingsbaan van het projectiel –, voortgestuwd door niet-aflatende windstoten. Arend en het koppel volgden nu ook, terwijl de psychologie-vrouw, worstelend met het keffertje, zichzelf ook per ongeluk aan die tafelpoot vastsnoerde.

Ondanks het aanhoudende tempeest verschenen de korte broeken en de bruine benen weer op straat, meertalige exclamaties uitend. Er werd openbaar getwijfeld en geweifeld in verband met het binnenbreken of openrijten van het kaduke zeildoeken landingsstel. Het lag er onheilspellend hopeloos bij, vormeloos, terwijl men van uit de buik van het monster stemmen hoorde – bange kinderstemmen, schorre oude keelklanken –, tot sirenegeloei en blauw gezwiep van zwaailichten eraan kwamen en alle twijfel wegveegden. Gered.

De wedergeboorte van twee oma’s en twee kleinkinderen werd opgelucht begroet. Arend nam een foto van het tafereel en wiste die een dag later weer. Het leven was niet alleen knokken. Niet alleen een lotto. Het was ook vergetelheid. Die mantel, weet je wel.

De Knokse economie plooide die dag nogmaals dubbel onder deze onverwachte obstructie, want de winkelstraat (zowat de aorta van de stad, de hoofdader van de welvaart) werd nog urenlang afgesloten voor het verkeer. Van shopping bags was in deze opgelegde sperperiode evenmin sprake.

De helft van het donkerblauwe kwartet leefde nog lang en gelukkig.   

Door een ongelukkige samenloop van omstandigheden en knooppunten wurgde het keffertje op het terras zichzelf, onder een blote grijze hemel. Er waren geen getuigen.

JORIS DENOO

Geschreven door Joris Denoo om 16:49 Stuur door

Vaert wel

VAERT WEL

Op een mooie zomervalavond in de West-Vlaamse Mandelstreek stegen er reuzenzuchten uit het Varenpark op. Op de middenstip van het grote gazon kwam een enorme paddenstoel langzaam overeind, alsof hij uit een diepe slaap ontwaakte. Er prijkten twee verfpotten op de luchtballon, met erboven de slogan

AAN DE LIJN… KLEUR… START!

Verspreid over het park troepten duiven en mensen samen.

‘Niet morsen met die verf!’
‘Ha ha ha!’

Hoeveel keer had de vaste bemanning in de mand dat al niet gehoord?
De mensen in het Varenpark werden poppetjes; de luchtballon een stip, die weldra uitgegomd werd.

Francine (de sponsor van de vlucht)  van de verf- en kleuradviesfirma Colorado checkte a lighter ship aboard: een picknickmand in de ballonmand. Alles was er. Over een halfuur zouden ze met z’n vijven picknicken, hoog boven in het zwerk. Johan Debal, de echte ballonvaarder en eigenaar van het luchtschip, ontkurkte alvast een fles Prosecco. Hij overhandigde de passagiers, de recent verkozen Mandelprinses en haar twee eredames, ieder een plastic bekertje. (Ooit lieten dronken medevaarders hun glas ter aarde neer, gevolgd door een lege fles – met verstrekkende gevolgen voor vluchtverantwoordelijke Johan Debal. Sindsdien heerste het plastic in de mand).

Het was helaas hommeles in de recreatieve mand. De eerste en de tweede eredame waren niet alleen boos op elkaar, maar ook stikjaloers op de verkozene. Het was eergisteren een turbulente verkiezingsnamiddag en -avond geweest. Toen de prijzen uitgedeeld werden, scheelde het geen haar of er braken zowel op als naast het podium schermutselingen onder de diverse volgelingen uit. De lokale pers had de grootste moeite om een interessante sfeerfoto te nemen, laat staan een interview te hebben met een van de drie: ook de winnares was namelijk volledig over haar toeren. De Mandel, een in de loop der tijden teloorgegaan riviertje dat gaandeweg tot Midden-West-Vlaams riool gedegradeerd was, kreeg waar hij recht op had: een onwelriekende Drievuldigheid die elkaar het licht in de ogen niet gunde. Een hemelvaart ontsierd door de moeder van alle onheil: jaloersheid.

‘Gezondheid.’
‘Santé.’
‘Hm.’

Er heerste dus een verstikkende, zelfs onheilspellende sfeer in de mand hoog boven de Mandel, die zich nu ondergronds een weg zocht door de naar water smachtende West-Vlaamse bodem. De beklemmendste vraag was: wie gooit er hier eerst wie uit?

‘O, krabsla!’ riep Francine geforceerd enthousiast uit. ‘Wie wil er straks krabsla?’
‘Ik eet geen vis.’
‘’t Zal wel van die namaak zijn.’
‘’t Is geen echte krab.’
‘Dat heb ik al gezegd.’
‘Zeg… ‘
‘Er is ook zalm en heilbot. De broodjes zien er eh… kiplekker uit.’
‘Santé meisjes, op de verkiezing!’
‘Pff… ‘
‘Ja… ‘
‘Noem jij dat een verkiezing?’
‘Kijk: we naderen Iseghem.’
‘Moet er geen ballast overboord gegooid worden?’
‘Jullie hebben precies wat kiespijn hé?’
‘Ja: niet content?’
‘Zij daar… !’
‘En jij dan! Met je tante Pollewop in de jury!’
‘O ja? En je nonkel Dré dan met zijn stom begeleidingsorkest! Doorgestoken kaart!’
‘Moest dat per se… met dat waterpologedoe? Zo zonder water, verdomme?’
‘Hadden we wel door hoor!’
‘Iedereen kan zo zijn hobby op het toneel brengen!’
‘Wie heb je daarvoor moeten pijpen?’
‘Meisjes! Meisjes! Gezondheid! We varen boven Iseghem nu!’
‘Je zou er beter uit springen.’
‘Ben jij content met dat lint? Een jaar lang? Amai!’
‘Hiér moest dat lint hangen! Om mijn… ‘
De eerste eredame sprong plotseling naar voren en rukte aan het overwinningslint van de Mandelprinses. Haar bekertje stuiterde over de bodem van de mand.
‘… mijn schouder!’
‘Hela!’
‘Kutwijf!’
‘Jij bent maar tweede eredame hé, tietloze teef! Af!’
‘Ik zal je door dat lint laten gaan, bitch!’
‘Wauw! Het kind kent Engels!’
‘Ik was eerst met de Mandelmove!’
‘Afgekeken van tv!’
‘Jij pikte het van mij!’
‘En jij van haar!’
‘Niet waar!’
‘Niks heb je zelf gedaan!’
‘Ah! Nee?! En wat heeft nonkel Dré dan allemaal niet gedaan voor jou?! Hé??’
‘WIE WIL KRABSLA?’
‘Blijf van mij!’
‘Je scheurt het nog, tuitkoe!’

Johan Debal stond met open mond op de prinsessen toe te kijken. Francine probeerde de gemoederen te bedaren en jongleerde ondertussen met lege, halfvolle en gesneuvelde plastic bekertjes.
‘Meisjes! Meisjes!!’
De olijke verfpotten van de sponsorende firma Colorado zeilden nu boven het platteland rond het stadje Iseghem. Francine kreeg midscheeps een elleboogstoot toen ze in een broodje krabsla hapte. Ze plooide voorover van de pijn.
‘Ik heb het horen kraken!’ (Johan, ontzet).
‘Godvermilaarde… !!’
 Francine gooide haar broodje weg.
‘Waar zijn we?’
‘Boven Iseghem-Bosmolens.’
‘Ah! Een bos! Dat valt zacht!’
‘Maar… !’
‘Hupla!’
‘Hop!’
‘En hops!’
Francine, getraind door ettelijke jaren lang ettelijke verfpotten te versjouwen, kiepte de ene na de andere Mandelkut met een snelle duw tussen hun tieten annex judogreep overboord, drie in getal.
‘EN NU KRABSLA!’
‘Maar hieronder is geen bos meer!’ stamelde Johan Debal.
‘Het waren ook geen echte verkiezingen’, repliceerde Francine grimmig. ‘En de Mandel is een ondergrondse riool geworden. Ze zijn door hun ruzie door de mand gevallen. Jij was getuige. En het was ook valse krabsla.’

Johan Debal knikte verbijsterd en nam een grote hap uit een broodje heilbot.

JORIS DENOO

Geschreven door Joris Denoo om 10:34 Stuur door

Geen genade

GEEN GENADE

(‘Door hem, met hem en in hem’)


‘Als ik mijn baard een paar dagen laat staan, voel ik me vuil,’ zei Daniël E.
Veelbetekenend monsterde hij mijn tronie. Meer dan dertig jaar later zou ik me laten ontdopen. Daniël E. was toen al dood, maar hij zat daar toch voor iets tussen, zonder dat hij dat ooit had durven of kunnen hopen, geloven of zelfs maar beseffen.

Als een gevangene hield ik streepjes bij in een notitieboekje. Eigenlijk doorstreepte ik streepjes. De voldoening was groter. Het leek op schrappen. Van de 22 moest ik er nog 5 schrappen. Ietwat voorbarig deed ik dat met het laatste maandagstreepje.
Ik stopte boekje en potloodje weg en vroeg:

‘Baard?’
De maandagtrein wiegde ons richting Brugge. Daniëls dubbelhartige opmerking vatte ik eigenlijk als een compliment op. Ik was een laatbloeiende jobstudent van 20 met een onweerstaanbare drang om een baard te hebben, wat maar dunnetjes lukte. Twee weken al had ik me niet geschoren. Het werd dus blijkbaar al iets.

‘Ach, de jeugd,’ meesmuilde Daniël E. Hij begon droevig uit het raam te staren, weg van mijn kingewas, naar niets, naar het niets dat hij al decennialang voorbij zag glijden, op weg naar Brugge-de-Dode, het Venetië van het Noorden.
‘Che Guevara!’ lachte ik. Geknars van wisselsporen smoorde mijn woorden. Daniëls grijsblonde lok hupte geschrokken op zijn voorhoofd toen hij even naar mij keek.

Op perron 9 van Brugge splitsten zich onze wegen elke ochtend klokslag 07:45. We mompelden wat en spoedden ons heen. Hij haastte zich met gebogen rug te voet naar een kantorencomplex waar het waanzinnige woord ‘kadaster’ heilig was. Aan zijn rechterhand zwiepte een kleine tas heen en weer: de pendel van de administratieve underdog. Ikzelf holde zo de sissende muil van een stadsbus in, die me naar een muffe kantorenverdieping in de Clarastraat bracht. Wat ze daar in hemelsnaam uitvraten, heb ik nooit goed geweten. Ik werd er in de zolderarchieven ondergebracht en sleet er een maand lang de dodelijkste uren van mijn leven. Daar leerde ik mijn heilige woord van die zomer: ‘compensatiekas’. Van al het roemrijks dat Brugge eeuwenlang was overkomen, ontwaarde ik alleen maar welgeteld 46 dakpannen, tenminste als ik al op de tippen van mijn tenen stond. Voor de rest staken honderden ladekasten om de haverklap hun tong naar mij uit, telkens als een bediende naar boven kwam om een dossier op te halen of weer af te leveren. Een praatje kon er zelden af, want op elke verdieping hokten kapo’s, gewapend met polshorloges.

‘Welk lot is treingezel Daniël E. beschoren, al die jaren al? Is dat het bestaan op aarde, leven genoemd?’ dacht ik soms, wanneer de gruwel van stofsneeuw in namiddagzon en een secondewijzer in slow motion midscheeps toesloegen. ‘Wat doet hij daar om den brode op die kadasterdiensten? Waarom wil deze oude vrijgezel op die manier zijn geld verdienen? Ik heb er hier omwille van de centen een maand opzitten en sterf bijna ter plekke.’

De laatste drie werkdagen van augustus diende zich een bloedmooie vervangster voor mij aan. Ik kreeg instructies om haar in te wijden in de geheimen van het zolderarchief. Ze zou daar de maand september doorbrengen, want ze was een vooralsnog werkloze pas afgestudeerde politicologe, wier pa iets beduidends betekende ter hoogte van het begrip ‘compensatiekas’. Ze had geld nodig voor een grote reis. Plotseling wemelde mijn zolder van mannelijk ongedierte.

‘Twee-, drieëntwintig, schat ik,’ deelde ik Daniël E. op mijn voorlaatste werkdag mee, als antwoord op zijn vraag naar de leeftijd van mijn vervangster.
‘Een politicologe zonder werk. Blond.’
Ik keek hem onderzoekend aan, om te controleren welk effect dat laatste woord bij hem sorteerde, maar hij deed weerkaatsend krek hetzelfde, zodat we geen van beiden een spier vertrokken.
‘Ja, het is moeilijk om werk te vinden heden ten dage,’ zei Daniël dan zuchtend. ‘Ook voor vrouwen, zelfs met een diploma.’
Hij wendde zich naar het raam teneinde er weer eindeloos droevig doorheen te staren. Of monsterde hij stiekem zijn eigen weerkaatsing? Zoals ik dat vaak deed? Kon Daniël E. op zijn leeftijd nog op ijdelheid worden betrapt?

De zomer denderde voorbij ‘als een trein geurend naar hout en teer’. Ik scheidde van mijn studentenwerkplek en van de werkloze politicologe als een hond van zijn drol. Op de allerlaatste heenreis met bestemming Brugge drukte ik op perron 9 Daniël E. de hand ten afscheid. 22 augustusochtenden hadden we tegenover elkaar in de trein gezeten. Ondanks het verschil in leeftijd en een totaal andere leefwereld hadden we het best wel met elkaar kunnen vinden, al bespeurde ik af en toe wat wrevel bij hem. Tot mijn eigen verbazing deed het me wat toen ik zijn gebogen rug en grijsblonde hoofd dobberend op de pendelaarszee zag verdwijnen. Vanavond zou hij net zo gebogen terugkeren, op weg naar zijn thuis: een kamer in het huis van zijn zus, die drie kinderen had en een man met een druk beroep.


Bij mij thuis kenden ze Daniël E. ook. Mijn ma had ooit nog met die zus van hem in een naaiatelier gewerkt. Ze waren vriendinnen gebleven. Het publieke geheim van Daniël betrof het feit dat hij ooit voor priester had ‘gestudeerd’, maar dat er zich onderweg een ernstige kink in de kabel had voorgedaan, zodat hij de studies verbroken had. Wat die carrièreknobbel juist inhield, kwam ik niet te weten. Zijn zus kwam nog geregeld bij ons aan huis: een supernerveuze vrouw die razendsnel sprak en schichtig bewoog. Haar broer daarentegen had ik leren kennen als de kalmte zelve.

Door het aanbreken van het nieuwe academisch jaar verdween Daniël E. al vlug uit mijn gedachten. Ik associeerde hem immers vooral met een saaie eindeloze maand studentenwerk. Er lagen leukere dingen in het verschiet. Ik begon aan een actief leven met alle bekende ingrediënten. Beroepshalve kwam ik nog in mijn geboortestadje, maar wonen deed ik er niet meer.

Enkele decennia later las ik Daniëls overlijdensbericht bij mijn bejaarde ouders thuis. Het was een wereldlijke kennisgeving, waarop elk spoor van een kruis ontbrak. Ik woonde in naam van mijn ouders de afscheidsdienst in het crematorium bij. Ze keken opgelucht toen ik het ze voorstelde, want een teraardebestelling moest volgens hen eerst een kerk passeren. Ook met verassing hadden ze problemen.

De reeds fel door de tijd getekende zus van Daniël deelde gedachtenisprentjes uit. Op de foto was Daniëls grijsblonde lok niet meer zo uitdrukkelijk aanwezig. Toen iedereen de keerzijde van het prentje begon te lezen, golfden er schokken van ontzetting door het kleine gezelschap. Gelijk begon de zus hartverscheurend te wenen; ze werd onmiddellijk door haar zoon naar de auto geleid. We bleven met een twintigtal nabestaanden als aan de grond genageld achter.

Daniël E. had in een zelfgeschreven summiere tekst de Kerk en haar dienaars met enkele pijnlijke welgemikte slagen aan het kruis genageld. Hij kende geen genade voor de rukkende biechtafnemers, kwijlende huichelaars, zwartgerokte verkrachters en met bloed en zaad bevlekte soutanedragers die de mensen verplichtten op de mooiste ogenblikken van de week naar hun kille kerken te komen om boete te doen en die op de topmomenten van zovele mensenlevens met hun geile poten de zaak meenden te moeten bekruisen in de naam van een vage god. Hij besloot met de publieke ‘bekentenis’ dat herhaalde verkrachting door een zwartrokdocent aan het seminarie er de oorzaak van geweest was dat hij ooit zelf de priesterstudies gestaakt had. In naam van de mensheid en de menselijkheid walgde hij van het beroep van eredienaar van de heer, waarbij hij geen heilige hoofdletters gebruikte.

Daniël E. had zijn daad gesteld toen er nog geen sprake was van de misdaden die de Kerk met vals zalvende bezweringen en mantels van huichelarij en vergoelijking en vergetelheid en ontkenning en verjaring toedekte.

Elk jaar bezocht ik de nieuwe begraafplaats in mijn geboortestadje. Die lag vier kilometer buiten het centrum, op weg naar de kust. Honderden identieke witte grafstenen stonden er in een streng gelid, als het gesneuvelde leger van god. Ik had de gewoonte mijn doden eens per jaar te gaan groeten. Toen ik de zomer na de verassing van Daniël E. op weg naar de kust weer even halthield ter hoogte van de stedelijke begraafplaats, stond ik andermaal voor een verrassing. Op zijn gedenkplaat in een van de vele zuilen prijkte in duidelijke hoofdletters die tegen weer en wind bestand waren:

GEEN GENADE

‘Goed zo, Daniël,’ mompelde ik, en ik wreef grinnikend over mijn stoppelbaard.

Enkele jaren later liet ik me ontdopen. Ik deserteerde met volle verstand en bewustzijn uit dat ridicule leger van god met zijn dubbelzinnige metaforen, hautaine retoriek, valse nederigheid en gelijkhebberige voorschriften. Het was in de tijd van algehele ontreddering. De golf van seksueel kindermisbruik door priesters deed de samenleving gruwen en rillen tot op het bot. De minister van Justitie kwam maanden te laat met maatregelen, het land was politiek uiteen aan het vallen (waar zat ‘mijn’ politicologe om dat te verklaren?), de kardinaal slaagde er niet eens in volmondig openbaar mea culpa te slaan en de bisschop van Brugge (of all places, Daniël!) was ver weg gevlucht ‘in het verborgene om zich te bezinnen over zijn leven en toekomst’, want de zaken waren verjaard. Onkunde, pretentie, valse nederigheid: hoog wapperden ze in de nationale tricolore.

België stevende ijlings op ontbinding af. Het druilerige driehoekje met zijn zovele regerinkjes van paljassen en charlatans werd onregeerbaar, terwijl het in het buitenland vooral bekend stond voor zijn zedenschandalen. Het werd een leeuwenkuil, waarin mensen als Daniël levenslang aan het sterven waren, een bestaan op later en dood uitzittend.

To do.
Voor mezelf staat het vast: na het ontdopen volgt het emigreren.   

JORIS DENOO

Geschreven door Joris Denoo om 10:42 Stuur door

Lullaby

LULLABY

Het hiernavolgende manuscript werd Schrijfster Dezes in bistro De Ongegeneerde Telurelekker in het centrum van de Belgische hoofdstad bezorgd door Honeysuckle B’eremba, aanvankelijk correspondentievriendin, later raadsvrouw van Adenike. Laatstgenoemde verdween anno 2016 spoorloos, via een koelwagen op weg naar Zeebrugge. De vlucht van Adenike was waarschijnlijk mede door Honeysuckle opgezet. Het ‘logboek’ van Adenike (zoals zij en haar vriendin het noemden) met haar wederwaardigheden in de Brusselse luxeprostitutie, geschreven in het Engels, moet nog steeds in haar bezit zijn, als zij tenminste nog in leven is. Dit is er één fragment uit. Het laatste. Schrijfster Dezes (die door omstandigheden in contact kwam met Honeysuckle B’eremba) vertaalde de tekst naar het Nederlands.


Men weze ervan verwittigd dat het relaas van de feiten de spuigaten uit loopt. Men beseffe ook dat ZazaZ een schuilnaam is voor een Belgisch toppoliticus. Dat pseudoniem werd door Adenike zelf bedacht. Honeysuckle beloofde Schr. Dezes diens naam te onthullen indien zij erin slaagde dit verhaal te publiceren. Die man loopt al geruime tijd met een fel gehavende roede rond. De wonde wil moeizaam genezen, en dat is maar goed ook. In het verhaal gebruikt Adenike haar eigen voornaam als derde persoon. Om begrijpelijke redenen verkiest ze niet het ik-vertelstandpunt. Schrijfster Dezes heeft dit, in samenspraak met Honeysuckle B’eremba, gerespecteerd.

Duimzuigen bij het aanhoren van slaapliedjes.
Dat kon. Dat mocht. Dat hielp.
Het gebeurde over ter wereld.
Werd men echter vijf jaar, dan kon, mocht of hielp dat niet meer.
Dan werden de tandjes namelijk geslepen.
Ai duim!
Nog eens vijf jaar later gebeurde dat nog een keer.
En na nog eens tien jaar andermaal.
Een brede volwassen glimlach ontblootte bijgevolg een slagorde van scherp aangepunte tanden.
Een grimlach van stalagmieten en stalactieten.
Het was wennen voor buitenstaanders, toeristen of bezoekers.
De stamleden zelf vonden het mooi. En nuttig bij het kauwen van allerlei taais.

ZazaZ rukte het condoom af en harpoeneerde zijn lul in de mond van Adenike. Na amper vier, vijf lendenstoten kookte de mannenmelk over. Nageslachtsap droop van haar kin. Adenike gorgelde, kokhalsde, hoestte en spuugde. Dit was de afspraak niet. Nadat ze de vermoedelijk laatste stroomstoot had ondergaan, klapte haar gebit onverbiddelijk dicht. Het gekreun van genot ging eensklaps over in een ijselijk klinkend gebrul. ZazaZ had er geen rekening mee gehouden dat men in het thuisland van Adenike de tanden messcherp liet slijpen. Adenike spuwde het vleselijke ding uit en kokhalsde andermaal. Vlak na het gebrul keek de bijna-geamputeerde verbijsterd naar zijn hevig bloedende worm, die een kort eigen leven begon te leiden en fluks ineenkromp. Met hernieuwd gebrul stortte hij daarna te gronde. Adenike deinsde keelschrapend en spuwend achteruit, veegde haar mond af aan het overgordijn en graaide haar kleren bijeen.


Dit is dus het laatste fragment uit Adenikes logboek. Schrijfster Dezes hoopte er na vertaling een einde aan te kunnen breien door verdere getuigenissen van raadsvrouw Honeysuckle. Wat was er daarna gebeurd? Waar was Adenike naartoe gevlucht? Hoe had ZazaZ de pijnlijke zaak opgelost? Welke informatie kregen zijn thuisfront en zijn werkkring hierover? Waar greep het helende vleselijke deel van dit verhaal plaats? Wie hielp hem? Wie hielp Adenike?

Honeysuckle B’eremba bleek echter alsnog onbereikbaar te zijn. Schrijfster Dezes publiceerde het verhaal dan maar zoals het haar gegeven was (maar ondertussen vertaald) in een literair magazine dat als belangrijk wordt beschouwd. Het fameuze ‘logboek’ gaf immers blijk van letterkundige kwaliteiten. Sindsdien is van Honeysuckle B’eremba echter helemaal geen spoor meer te bekennen, noch van het ‘logboek’ waar ze vermoedelijk nog altijd over beschikt, hopelijk in levenden lijve. Daardoor ook is de identiteit van de politicus niet bekend geraakt.
Schr. Dezes vreest het ergste. Dit is immers België, het landje van de surrealistische, groteske, hallucinante ‘mogelijkheden’.

Getekend:
Schr. Dezes


JORIS DENOO

Geschreven door Joris Denoo om 09:37 Stuur door

Encyclopaedia

ENCYCLOPAEDIA BRITANNICA

01

VANDAM, James (°Windhoek, 1953, sedert 1966 in België woonachtig).

Gedreven kunstenaar. Na performances en landart legt hij zich toe op het ongrijpbare en het onzegbare. Fluctuerende werken aangekocht door en in het bezit van Waterstaathuis Nederland, Kuuroord Esterhàzy Hongarije, privécollectie Aquavit, Maffia Memorial House Chicago, Zeemachtmuseum ministerie van Defensie Oostende, privécollectie Villa Tuscolana Frascati, Italië en Church of Noise in L.A., U.S. of A.
Prijs van Edinburgh 1999 voor multidisciplinair project Windy City/Life Underground/(No-)Noise Shadowaddywaddy.
Boekpublicatie: Beyond Things & People: Noises, Shadows, Submarine Art.
Sec. Lit.: Prof. Dr. P. Bellemans, De Dali in Vandam, uitg. Au Secours, Brussel, 1992.
Diverse bijdragen in vakbladen.


Er kwam veel volk afgezwommen op de onderwaterexpositie van de beeldend kunstenaar James Vandam, die na vele stille jaren eindelijk weer eens exposeerde. Op de vernissage waren de glazen altijd vol. Uit de monden van de gelegenheidssprekers ontsnapten bellen. Persmensen snorkelden ijverig heen en weer. De daaropvolgende dagen liep het stedelijk zwembad zowat over van de belangstelling. Vooral in de 'drie meter', zoals de dieperik in de volksmond werd omschreven, was het een borreling vanjewelste.

Vandam exposeerde ruimtelijk werk (op de bodem), schilderijen (aan de zwembadwanden), aquarellen (ondersteboven op het wateroppervlak drijvend) en juwelen (zwevend). Een flink deel van zijn oeuvre was dus permanent in beweging. Iedereen ging tevreden en badnat huiswaarts; een enkeling spuugde onderweg nog een klodder verdunde verf uit.

Twee volle manen na deze geslaagde manifestatie broedde James Vandam al op een vers idee. Dat kwam waarschijnlijk doordat hij nog in de remsporen van zijn vorige heksentoer vertoefde. Je moet het pakken als het zich aandient.
Hij zou schaduwen en geluiden etaleren. Oorspronkelijk wou hij geuren tentoonstellen, maar in een magazine had hij een artikel gelezen over een geurkunstenaar ter gelegenheid van de Zomer van Watou: dat compartiment was al bezet. Als je er niet als eerste bij was, kon je het wel schudden.
Vandam begon zoals gewoonlijk met het opschrijven van vragen, een zijns inziens interessante vorm van hersenhozen.

1. Heb ik altijd licht nodig om schaduwen te veroorzaken?
2. Zo ja, hoeveel soorten licht zijn er?
3. Kunnen schaduwen onzichtbaar zijn?
4. Worden geluiden altijd door beweging veroorzaakt?
5. … ook al is die beweging soms onzichtbaar… ?
6. Kunnen schaduwen schrikken van geluiden?
7. Is stilte gelijk aan ontstentenis van geluid?
8. Zijn er soorten stilte?
9. Hoe verkoop ik dit alles?

Na deze negenproef kwam James Vandam tot de slotsom dat hij voor een bijzonder moeilijke opgave stond.

Lawaai & Donkerte
Gerucht & Deemstering
Muziek & Aura

Was zij hier nog maar.

Waar bijvoorbeeld hield muziek op en begon lawaai? Vanaf wanneer kon je geluiden muziek noemen? Was een vochtvlek op een muur een schaduw met een voorgeschiedenis, een nagelaten voorwerp of een contour? Waren silhouetten familie van schaduwen? Welke duistere figuur kwam in aanmerking om zijn expositie voor geopend te verklaren? Welke geluiden mocht die dan wel voortbrengen? Zouden de bezoekers bij aanschaf van een werk niet geneigd zijn alleen maar met de klank van muntstukken of het geritsel van bankbiljetten te betalen? (In het zwembad hadden ze met zwevende munten en watermerkbiljetten betaald. Maar nu had James graag klinkende munt gehad).

James Vandam zuchtte zo diep dat de overgordijnen meebewogen.
'Ik heb wat anders dan kutschetsen of houtskooltekeningen aan mijn fiets hangen', gromde hij grimmig, terwijl hij een halve jaargang Weekend Knacks in de open haard bonjourde. Het vuur doofde ogenblikkelijk, maar daar sloeg de kunstenaar geen acht op.
'Er zijn ook schaduwen onder water'.
'Zet dat water nu even uit je kop. Hebben we dus al gehad'.
James spoelde een slaappil met een half glas wodka door en zapte naar National Geographic Channel op zijn breedbeeldtreurbuis. Een toeristenschip naderde de Zuidpool. Een luxesloep werd uitgezet. De gegadigden gingen even aan land, namen een foto van de stank van pinguïnuitwerpselen en keerden met flappende oorbeschermers vlug terug.
'Nonnen ruiken naar nootmuskaat', mompelde James met lui articulerende lippen.
'Russen pletten hun frambozen in spierwitte melk. Hoera, de wereld een feest. Het is gezien. Het is niet onopgemerkt gebleven'.
Daarop ging de kunstenaar slapen. Hij tuimelde in fluctuerende dromen. Het werden nachtmerries bevolkt door vaststaande dingen. Hevig zwetend werd hij wakker, omdat hij dacht dat hij modder in zijn mond had.
Hij had drie kwartier geslapen. Toen sliep hij weer in, droomloos. Iemand, een naam, uit de Encyclopaedia Britannica sliep droomloos weer in. Een vrouw naast zich had J.V. al lang niet meer. Vandam, James: noise (snurkend). Een schaduw schrok zich een bult.

'Aan de schaduw leest men het karakter af'.
'En de voorwerpen dan? De dingen?'
'Die bewegen ook, als de mensen het niet zien. Onbewaakte ogenblikken. Wanneer de mens weer opduikt, houdt het voorwerp zich gedeisd'.
'Noem je dat karakter?'
'Je moet karakter hebben om onzichtbaar te bewegen'.
'Was jij hier nog maar'.

De gesprekken die James hardop met Vandam voerde, vormden na de vragenhersenhoos een tweede voorbereidende fase op een project. Zo ook nu.
'Het schaduwkabinet heeft de touwtjes in handen'.
'Schimmen bij nacht en ontij'.
'De schaduwbokser vechtend tegen zichzelf'.
'Alleen heiligen gooien geen schaduwen af. Of moet het zijn: 'werpen'? De eerste mens zonder schaduw moet nog geboren worden. Dode mensen wordt hun schaduw afgepakt'.
'Des nachts zijn alle dingen zwart of onzwart. Kleuren ontwaken door licht. Zijn die ook als familie van de schaduwen te beschouwen?'
'Genoeg zo, Vandam'.

James stak een Sherlock-Holmespijp op die hij nooit buitenshuis mee durfde te nemen. Hij vond dat er al genoeg artiesten waren met de kleren van de keizer. Ze probeerden allemaal door één dingetje op te vallen. Zat God in het detail? Nee, de duivel begot. De grootste egotrippers trokken godverongelukt naar Tibet, waar het godverongelukt net de kunst was je ego wég te cijferen, niet op te poetsen godverongelukt. Of neem nou New York. Of pakweg de Romeinse heuvels. Ach. Bah.

'Il faut cultiver son jardin. Hiér gebeurt het'.

Vandam wrikte het deurtje van de kooi van Vandam open. Vandam hield zijn kopje even schuin en koos onmiddellijk daarna de vrijheid. Hij fladderde tegen de wandspiegel op, monsterde zichzelf ondersteboven en landde even later op de linkerschouder van baas Vandam.
'Goeiemorgen, Vandam. Beter een tevreden vogel op de schouder van een kunstenaar dan een ontevreden vogel in een kooi, pakweg een slavink'.
'Evelien! Evelien!' kwetterde het beest.
'Evelien is dood. Al een heel eind', riep Vandam. 'Tien jaar!'
'Evelien! Tien! Evelien! Tien!'
'Tien'
James blies barokke rookwolken voor zich uit.
'Huispluimvee', mompelde hij. 'Nog net geen ongedierte. Maar het brengt wat leven in de brouwerij'.
De gedreven kunstenaar J.V. legde een schijfje Rachmaninov op en begon aan zijn dagtaak, na eerst nog enkele pastilles ginseng, look en biergist doorgeslikt te hebben.

02

Het was mei 2025, zevenenvijftig jaar nadat de verbeelding aan de macht kwam. Het donderde en bliksemde. Eric hoopte dat het zo bleef. Maar dat kon niet. Het zou jammer genoeg Vlaams weer worden, blijven: weinig wind, weinig regen, weinig zon, geen lange hittegolven, geen avontuurlijke koudefronten, van tornado's geen sprake, aardverschuivingen evenmin. Regen op een dinsdag in Rome was beklijvender dan een heel jaar Vlaamse weerberichten. Goed dat er politie was. Blij dat Celsius niet vreemdging. Dit was Vlaanderen.

In Erics auto lagen een rode badhanddoek en een fles rode wijn. Hij was op weg. Maar eerst zou hij nog even halthouden. Hij monsterde zijn hoofd in de achteruitkijkspiegel. Het was het zijne niet. Maar het kwam wel bekend over: tien jaar lang had hij kunnen oefenen, zwaarbewaakt maar ongestoord. Wennen hoefde niet meer.

Eric, 65. Er was al zoveel in zijn leven gebeurd, dat hij het gevoel had twee levens geleefd te hebben. Nee, hij zat niet met kuitkramp in de verlengingen, na de echte match. Vooralsnog niet. Hij leefde volop, momenteel. Vanavond, mei 2025, voor hij naar hier reed met zijn rode handdoek en zijn rode wijn, zag hij een meisje in een café worstelen met zo'n ellendige vintage puzzelkubus. Haar man, haar kinderen (2,8 per Vlaams huisgezin, het klopte) en haar schoonouders (statistieken hieromtrent ontbraken) waren al voorgegaan naar huis. Zij bleef koppig zitten. Sympa. Doorbreek die sleur. Gun jezelf elke dag een cadeau, hoe klein ook.
'Je moet nooit iets zoeken', zei ze op een bepaald ogenblik, terwijl ze net wel aan het zoeken was. Ze vond het niet, met die klotekubus.
'Alles komt vanzelf'.
Even later flankeerden twee jonge mannen haar, toevallig binnengewaaid. Maar Eric verliet het café. God zat in het detail. De duivel ook. De verbeelding kon geen zevenenvijftig jaar lang aan de macht blijven.

Zouden ze zijn nummerplaat en zijn auto kennen? De rode draad in hun herinnering weer opnemen? Eric zocht een parkeerplaats onder de boomkruinen op het Conscienceplein, een saaie stalplaats voor tientallen gezinswagens, type Happy People/No Stories/Two Kids/One Nervous Breakdown/No News/We'll Call You//
De in de handdoek gewikkelde fles bonkte op de grond omdat hij over een boomwortel reed die door het asfalt omhooggeduwd werd.
'Godverdomme'.
Een laatste bliksemserpentine doorkliefde de loden lucht.
Conscience? Daar dacht Eric niet over na. Daar dacht hier nooit meer iemand over na. Stel dat iemand over pakweg honderd jaar op een naar hem genoemd plein zou…
'Alles is ijdelheid', mompelde Eric. Hij ontgordelde zich en stapte uit. De fles en de handdoek had hij nog niet nodig. Het was zeven minuten stappen naar cultureel centrum 't Yserleiepand. Hij zoog zijn longen vol met na-onweerslucht. Iemand moest er vanavond aan geloven, maar Eric vertoonde een zekere bereidheid tot uitstel. Het slachten van varkens en passionele meimoorden hield hij voor straks, voor in zijn dromen. Want heden liep hij los. Hij was vrij, na tien jaar. Hij had zeer intens geleefd, samengebald op vier bij vier. Hij had geen graffiti gepleegd, tenzij dit ene: Evelien. Voor het overige waren zijn muren gedecoreerd met schimmen en schaduwen uit het verleden. Een decennium lang hokte Eric tussen vier muren, terwijl de rest van de wereld leed aan het motherfucking-complex (had hij gehoord, vernomen, gelezen). Evelien was al tien jaar niet meer van deze wereld. Eric had daar toen daadwerkelijk zelf de hand in gehad. Zijn vrouw was niet meer.

03

Zevenenvijftig jaar nadat de verbeelding aan de macht kwam, vond in cultureel centrum 't Yserleiepand de expositie Schimmen & Schaduwen van de bekende kunstenaar James Vandam plaats. Vlak voor de vernissage donderde en bliksemde het drie kwartier lang. 't Yserleiepand was, zoals gebruikelijk in Vlaanderen, een 'polyvalent complex'. Je kon er zowel voor kiekens kaarten als een postmodern gemompeld stuk theater met drie keer hetzelfde Engelse woord in de titel bijwonen.

Er liepen oude jonge mannen rond met kunstzinnige sjaaltjes om hun nek, klaar om gewurgd te worden door vrouwen en vriendinnen die ze als aanhangwagentjes met zich meevoerden. James Vandam luisterde met een half oor naar wat de bekende kunstherkauwer Jan Lunet, drie dagen opzettelijk ongeschoren, articuleerde. Steenkoolfilosofie, lammetjespap. Daarna bestudeerde hij de hem omringende aura's en schaduwen, abstractie makend van de tegen elkaar op botsende parfums van de kunstkippetjes die een plaatsje in de pikorde hadden veroverd. Toen, plotseling, overviel het hem, dit besef: hij had beter voor de geurkunsten gekozen. Zijn aanvankelijke idee was het beste geweest. Want hoe meer James Vandam de Schimmen & Schaduwen bestudeerde, hoe intenser hij moord rook. Moord met voorbedachten rade. Moord zo rood als bloed. James inhaleerde diep. Zo rook het in de vitrine bij de slager. Hij werd bevangen door een gevoel van vage angst. Het werd hem vreemd te moede. Hij verkende de aanwezigen met chirurgische blik. Schimmen, schaduwen. Konden schaduwen onzichtbaar zijn? James Vandam plukte een glas van een blad, het startsein voor nog menig ander. Bewonderaars van zijn ongewone werk benaderden hem na de toespraak.

Toen de hanen op de mestvaalten het eerste gregoriaans uit hun strot persten, en de conciërge van CC 't Yserleiepand alle restjes grondsop uit de flessen naar binnen klokte, dreef James Vandam op baren van welbehagen huiswaarts. Hij gooide een handdoek over de kooi van James Vandam en ging, vermoeid tot in zijn ruggenmerg, in de sofa zitten.

04

Waren er soorten van stilte? Had stilte een kleur? Konden schaduwen schrikken van geluiden? 'Aan de schaduw leest men het karakter af'.
En de voorwerpen dan? Konden die zonder tussenkomst van de mens in beweging…

Een arm rees, een arm daalde: KRAK.

Als een Rode Zee spleet de schedel van James Vandam open. De donkerrode wijn vermengde zich met het kunstenaarsbloed. Schedelsplinters en glasscherven gulpten mee op rode golven over de rugleuning van de sofa, over het sneuvelende lijf van Vandam, op de grond. Net als bij zijn eerste moord een decennium geleden sloeg Eric nogmaals toe, om het karwei af te maken. Hij dreef, voorovergebogen over de rugleuning, de kapotgeslagen buik van de fles met beide handen diep in het wezenlijk gelaat van de kunstenaar en liet dan los.
De vogel kwetterde angstig.
'Evelien! Tien! Evelien! Tien!'
Verbaasd keek Eric naar de handdoek over de kooi.
'Godverdomme, spelbreker, ongedierte'.
Hij grabbelde onder de handdoek, opende het deurtje en greep de vogel beet. Die verhuisde naar een nieuwe bestemming. Eric duwde op enkele knoppen van de magnetron en haastte zich dan naar de badkamer. Daar onderging hij een metamorfose. Hij kalefaterde zich grondig, droogde zich zorgvuldig met de rode handdoek af en propte die in zijn jaszak bij de pruik en de ontschminker. Op een snipper papier paste hij de biografie van de kunstenaar aan:

VANDAM, James (°Windhoek, 1953 - Kortrijk, mei 2025).

Daarna verdween hij in de meimorgen.


05

BOUCQUET, Rita (Oostende, 07-07-1963).

Tijdens het Belgisch economisch debacle huisvrouw. Later (jaren negentig) via internetsollicitatie stadswacht te K., middelgrote provinciestad. Hobby's: geen. Tijdgebrek (2,8 kinderen). Of toch: kleine collectie olifantjes, alle materialen (rommelmarkten). Liefde: anderhalve man. Eerste man verongelukt op terugweg van een rommelmarkt, op haar verjaardag. (Dead Male One). Daarna relatie met getrouwde Living Male Two: E. Kinderen ondertussen wat gestudeerd, samenhokkend, uiteindelijk 'het huis uit'. E. ondanks getrouwd erg jaloers. Zelf geen kinderen. Eigenlijk ook alleen op haar lijf uit. Wekelijkse zaadlozing. Mannen! Gaandeweg voet van oorlog. Weerwraak met de tong, onder niet-mannen: telefoontje (in opwelling) naar Evelien. Vreemde reactie. Over and out. Wrange herinnering.

Een warm onweer had Rita altijd al met kleuren geassocieerd: loodgrijs, katholiek paars. Toen ze haar stadswacht-regenhesje (dat ze vanavond net niét nodig had gehad) over de leuning van een stoel drapeerde, vond ze de paarse kleur ervan opeens schreeuwlelijk. Misschien moesten ze met z'n allen solliciteren naar een andere outfit voor de stadswachters, en vooral: een wat vrolijker, rustgevender kleur die verder af stond van de kleuren van de eenheidspolitie en, pakweg, de bonnetjesagentes. Per slot van rekening boden de stadswachters een dienst aan de bevolking. Rita haalde haar schouders op. De laatste twee jaar merkte niemand het als Rita in huis haar schouders ophaalde: Tim en Ann-Sophie waren de deur uit en leidden een eigen leven. Vierhoog in het appartement aan het Palfijnplein was het nu gewoonlijk zo stil als op de maan, terwijl diep beneden haar het leven op aarde zijn gang zijn. Ach: gewriemel, geroezemoes. Hoelang zou het geleden zijn dat een levende ziel zich hier vierhoog aanbood?

Voor de derde moord van zijn leven gebruikte Eric zijn doodgewone gezicht, zoals het hem door de natuur toebedeeld was. Onvermomd ging hij in de vroege meimorgen op zijn doel af, anderhalf uur na zijn tweede moord. Het vorige lichaam was nog warm toen Eric op het Palfijnplein de glazen deuren van residentie Clinton openduwde en zich voor een reeks brievenbussen, namen en knoppen boog. Op deze menselijke ochtenduren bewoog zich hier en daar al een schaarse levende ziel.
Rita werd uit haar slaap gerukt voor een dringende aangetekende zending. Dat tante Pos al van bij het krieken van de dag zo actief was!

Enkele dagen later, na frequent vergeefs gerinkel vanwege Tim en Ann-Sophie en de dienst Stadswachten, trof men haar ontzield in haar appartement vierhoog aan. Ze was gewurgd met haar paarse regenhesje. In de krul van de slurf van een porseleinen olifant stak een stukje papier waarop stond:

BOUCQUET, Rita (Oostende, 1963 - Kortrijk, mei 2025).

JORIS DENOO

Geschreven door Joris Denoo om 09:12 Stuur door

Meer van VRESELIJKE VERHALEN

↑ Terug naar de berichten