Wurgseks
WURGSEKS
Medio jaren zestig van de vorige eeuw werd het middelgrote polderdorp Tiksmonde in Oud-Vlaanderen even uit zijn halfslaap gerukt door de moord op de gemeentesecretaris. Die werd gewurgd met een dode adder. Van de dader(es) werd nimmer een spoor gevonden. Tenzij die dode adder dus: hoe kon dat nou, dat beest kwam toch helemaal van de andere kant van het land? Het was wel een origineel moordwapen. De dorpsbewoners vergaten al vlug de onbekende dader(es). Vooral ook omdat de scène van de moord vanzelf al als louche werd beschouwd: de bar Kanaal II op het platteland ten noorden van Tiksmonde. Maar over die dode adder bleven ze nog lang prakkezeren. En ook even over een mogelijk motief, dat al zo onvindbaar bleef als de dader(es) zelf. Toen gebeurden medio jaren zeventig in Oud-Vlaanderen de fusies tussen steden en dorpen. De groten slokten de kleintjes op. Het stof der vergetelheid daalde over de zaak-Tiksmonde neder. De adder, het bewijsmateriaal, verschrompelde in een plastic zak in de kelders van het voormalige gemeentehuis van het polderdorp.
De eenzaat Walerik Verduyn liet het dorp met rust en het dorp liet de eenzaat Walerik Verduyn met rust. Dat was maar goed ook. Medio jaren zestig trok de taxidermist Verduyn in z'n dooie eentje naar de wondermooie Ardennen bezuiden Samber en Maas. Het was een prachtige okeren herfst. Kruidigheid hing in de lucht. In de slachthuizen klapten varkens open tot festijnen van gastronomie. Vliegend wild werd uit de grijze luchten neergeknald en belandde op welgevulde tafelen. De aandacht van Walerik Verduyn spitste zich echter op iets anders toe. Als taxidermist koesterde hij al lang de droom om eens een adder op te zetten. Hij verliet dus enkele dagen zijn lage palingstreek en toog op jacht naar een adder. Die vond hij. Het beest lag groggy in een wegberm, aangereden door een auto. Walerik stopte het dier in een vuilniszak die hij volspoot met verdovend gas. Bij nader onderzoek bleek de adder het ongeval toch min of meer heelhuids overleefd te hebben. Hij bleef nog anderhalve dag op apegapen liggen en nam daarna weer deel aan het volle leven. Walerik bracht hem onder in een stevig afgesloten glazen kooi en smokkelde hem mee naar zijn palingstreek. Hij hoopte de adder eerst nog enkele jaren in levenden lijve mee te maken. Helaas: toen hij in Tiksmonde arriveerde en thuis de koffer van zijn Simca openklapte, trof hij een morsdode adder aan. Nou, een echt probleem vormde dat niet voor de taxidermist Verduyn. Met dode dieren had hij leren leven.
Leven met een dode mens op je geweten was natuurlijk een ander paar mouwen.
Groot was de ontzetting van Walerik toen hij een dag later constateerde dat de dode adder uit zijn atelier was ontvreemd. En hij kon niets ondernemen, want vermoedelijk, zo dacht hij, was het ontvoeren van adders uit hun biotoop strafbaar. Vooral als ze bij thuiskomst overleden bleken te zijn. Of was de adder schijndood geweest en had hij de nacht afgewacht om de vrijheid te kiezen?
Nog anderhalve dag later werd het ontzielde lichaam van de gemeentesecretaris aangetroffen op het erfje achter de toiletten van het beruchte landelijke herenclubje Kanaal II. Hij was er bij nacht en ontij met de dode adder gewurgd. Na ampele ondervraging van alle stamgasten van Kanaal II werd men niks wijzer. Het herenclubje, voor de helft bestaand uit animeermeisjes die nooit ofte nimmer in het dorp zelf te zien waren, getuigde volmondig hetzelfde: de gemeentesecretaris was die avond, nou, toegegeven: nacht, erg dronken geweest. Ene Selina had hem al ettelijke 'coupkes' afgetroggeld, voor duizenden franken. Op een bepaald moment had de secretaris zijn halfvol coupke op de toog neergeplant. Hij was naar buiten gegaan voor een plaspauze. Dat was het laatste wat ze van hem gezien hadden. Nou: het laatste teken van leven dus. Very Jamaïca Inn. Voor de rest werd op bedekte wijze het onderzoek verder gevoerd, want er waren dorpsnotabelen mee gemoeid en Tiksmonde was niet erg fier op de aanwezigheid van Kanaal II op zijn grondgebied, en het floreren ervan.
Maar die adder, godverdomme!
Men raakte er maar niet uit.
En waarom moest de gemeentesecretaris eraan geloven?
En wie was de moordenaar?
In die dagen brak Walerik Verduyn permanent het zweet uit. Het was verdomme zijn adder. Zijn gestolen adder. Maar aangifte van de diefstal durfde hij natuurlijk niet te doen. Niemand kwam ook op het idee bij hem poolshoogte te komen nemen. MAAR IEMAND MOEST TOCH …
Menige nacht lag Walerik te woelen in zijn bed. Toen het nieuws van de moord niet meer heet van de naald was, begon Walerik Verduyn overal in het dorp zijn oren de kost te geven. Daarbij voelde hij zich altijd scherp in de gaten gehouden door die ene, onbekende dief - moordenaar. Een man, een vrouw? Een slapende vennoot, als het ware, maar die gevaarlijk kon zijn. Stel dat het inderdaad iemand uit Tiksmonde was?
En ja, wat de onderzoekers over het hoofd hadden gezien, deed zich wel eens voor later op een avond in een dorpscafé: een aangeschoten heerschap legde, bij het binnenkomen van de taxidermist Verduyn, even de link tussen de dode adder en de vele andere dooie dieren ten huize van Walerik. Maar die had ondertussen geleerd daar met een schouderophalen annex begrijpende glimlach op te reageren. Hij mompelde dan iets van 'addergebroed', bijbels genoeg om stilte te forceren. Dergelijke dronken bedenkingen gingen gelukkig niet verder dan De Zwaan, Den Ouden Hert, Germinal, Krijt op Tijd en Het Gildehuis. Het parket sliep rustig door in de grotere polderstadjes rond het dorp Tiksmonde in Oud-Vlaanderen. Geleidelijk aan verdween Walerik Verduyn weer uit het dorpsbeeld. De herenclub Kanaal II sloot al vlug definitief de deuren, de dag nadat iemand met een spuitbus WURGSEX op de gevel had gekalligrafeerd. Dit betekende gelijk de intrede van de graffiti in het polderdorp Tiksmonde. In de oudere spelling nog. Met die gevaarlijke X. De grote onbekende.
Toen alles weer in zijn plooi gevallen was, trouwde de weduwe van de gemeentesecretaris nog eens. Dat deed ze met haar grote jeugdliefde. Die moest haar wel beloven (na maanden aarzelen kwam het er eindelijk uit) nooit ofte nimmer een touw rond haar hals te binden of haar ledematen aan de spijlen van het bed vast te binden bij het vrijen. Daar had ze haar buik van vol. En ze knikte, tijdens de trouwbeloftes op het gemeentehuis, veelbetekenend naar beneden, naar de kelderverdieping. Waarop de grote jeugdliefde haar een bevestigende knipoog toegooide. Even later, op de twintigste rij in de kerk, zat Walerik Verduyn als een opgezette uil dat trouwgedoe nauwgezet gade te slaan. Hij herkende de trouwlustige kerel: reiziger in mummificatiebenodigdheden. De eenzaat Verduyn glimlachte en prees zich gelukkig dat noch liefde noch passie hem ooit parten hadden gespeeld. Het werd een serene trouwplechtigheid. De tweede keer doet iedereen het wat kalmer aan. Bij het naar buiten schrijden, glimlachten ook de oude trouwers. Ze glimlachten uitdrukkelijk naar Walerik Verduyn, die ook uitdrukkelijk door hen op de receptie werd uitgenodigd. Op die receptie kreeg hij een enveloppe toegestopt. Gewoonlijk is het omgekeerd op zo'n trouwfeest.
We zeggen en schrijven ondertussen 2020. De 21ste eeuw heeft al een tijdlang zijn plechtige communie gedaan. Polderdorpen zijn nog altijd kampioenen in geheimen.
JORIS DENOO


