French Fries
FRENCH FRIES
De oude weg tussen Bredene (zijn naaktslakken op het strand!) en Brugge (zijn arsenicum en kant!) lag bezaaid met goede voornemens. Die vergden tijd voor overpeinzingen. Die had hij niet. Het heilige middagtijdstip naderde. Daarom nam Morre een omweg. Bijgevolg ontwaarde hij niet de pastorale dorpskernen van de lieflijke biotopen Houtave en Meetkerke, ieder toegerust met een brasserie onder de klokkentoren, ook genoemd eetcafé of praatkroeg, maar helaas ontriefd wat slagerij en bakkerij betreffen. Hoera voor het poldermodel, maar er was te weinig tijd voor. Hij koos de omslachtige toegangswegen tot de snelweg die de reiziger vliegensvlug van de Vlaamse kust weg brengt naar het Venetië van het Noorden, zijnde Bruges-la-Morte. In een mum van tijd bevond Morre zich in de westelijke voorportalen van de aloude stad. Na diverse omleidingen, op oranje barricades aangekondigd als ‘wegwerkzaamheden’, vond hij een gratis visgraatparkeerplaats bij een middelbare school aan de periferie van het stadscentrum. Die informatie was hem nog bekend, van toen hij jaren geleden, in de middeleeuwen van zijn leven, meer noordelijk in de provincie woonde, op twintig kilometer van Brugge. Nieuwe gebouwen en gerenoveerde straten drukten oude indrukken weg. Zelfs die school had een ingrijpende facelift ondergaan.
Daar wachtte hij. Het was, letterlijk, vijf voor twaalf. Ieder ogenblik konden de bellen rinkelen ten teken dat de school uit was. Het zou dubbele drukte worden, want het was woensdag: vrije middag voor alle scholieren. Hij wachtte, maar hij was niet geïnteresseerd in de school in zijn achteruitkijkspiegel. Hij maakte alleen gebruik van hun handige gratis parkeermogelijkheid. De afspraak was kwart over twaalf, hier, wanneer de grootste vloed van vertrekkende scholieren voorbij zou zijn. Dan kwamen er extra parkeerplaatsen vrij voor haar auto (maar hij had er alvast eentje veroverd, toevalstreffer voor de lucky bastard). Het was op dit tijdstip van de middag ongeveer een kwartier rijden van haar eigen school tot hier, neutraal terrein, geen pottenkijkers, de camouflage van honderd vijftig auto’s.
De schoolbellen klonken gedempter dan in Morre’s middelbare middeleeuwen. In kleine en grote gulpen spuwden de ingangen die nu uitgangen waren geworden honderden pubers uit, fietsend, stappend, uitkijkend naar vader Volvo of moeder Mercedes. Gedempte stemmen met soms scherpe uithalen passeerden zijn auto. Het bleef duren, want het was een grote school. Morre probeerde in zijn achteruitkijkspiegel te detecteren wie nu precies leraar Latijn of lerares Fysica was tussen die grote hordes. Bestonden die vakken nog wel? Zat er een bepaalde orde in het vertrek van de leerlingen? De grootste het laatst? Plotseling dwarste het witte autootje van Penne zijn achterwaarts panorama. Hij veerde wat op. Nu al. Potverdorie. Ze had zich gehaast. Het was nog maar zeven over twaalf. Vijf minuten te vroeg. Hij wuifde, half achteromkijkend, maar ze zag het niet. Geconcentreerd turend met haar kin bijna op haar stuur en met twee handen erbovenop speurde ze naar een parkeerplaats. Morre wrikte zijn portier open om eruit te wippen, maar trof zichzelf nog ingesnoerd aan. Vloekend ontgordelde hij zich, gelijk nog wat kruim van een donut van zijn jas kloppend.
De bomenrij die de visgraatparking aan één kant afzoomde, veroorzaakte door een windstoot een sneeuwbui van kleine okerkleurige blaadjes boven Penne’s hoofd. Ze opende haar koffer, bukte zich en verrees weer met een fles wijn in haar rechterhand. Morre glimlachte. Hij ontdekte haar coupe garçonne met de rode haren, even verderop dobberend op een zee van vooral grijze en zwarte autodaken. Even dacht hij dat ze naar hem wuifde, maar het was de arm die het kofferdeksel weer dichtklapte. Nu kwam ze naar hem toe. Ze moest hem dus al opgemerkt hebben. Hij knalde zijn portier dicht en stapte op haar af, zigzaggend tussen gebochelde scholieren, aan boekentassen en rugzakken vastgebonden, de bultenaren van de schoolkennis. Wijn, zag hij. Waarschijnlijk rode. Hij had vroeger wel eens over rode wijn tegen haar geluld. Afdronk, bouquet, tannine, Bordeaux. Er fladderden oranje blaadjes om haar rode haren. Verdorie: hij had zijn boek in de auto laten liggen. Nog voor hij haar een zoen op haar wang had kunnen geven, drukte ze hem de fles in zijn handen.
‘Penne, ik heb… dank je… o, rode, leuk… ik heb… ‘
‘Mm… Morre… ‘ deed ze, een beetje gesmoord door de zoen die nu werkelijk doorging. Ze probeerde er een terug te geven.
‘… heb mijn… eh… mijn boek in jouw… eh… mijn auto liggen… jouw boek, het boek voor jou natuurlijk.’
‘Je ziet er goed uit.’
‘Jij ook.’
‘Hoelang?’
‘Negen jaar?’
‘Zo voelt het niet aan.’
‘Nee hé?’
Ze waadden tegen de uitdunnende stroom scholieren in naar zijn auto.
‘Het is die groene daar.’
‘Die grote?’
‘Wat je groot wil noemen.’
‘In vergelijking met mijn wagentje… ‘
‘Wit is altijd schoon.’
Ze doken zijn auto in. Morre deponeerde de fles wijn op de achterbank en reikte naar het boek. Hij had het niet willen inpakken. Te kerstachtig. In de achteruitkijkspiegel stonden nu alleen nog enkele achtergebleven scholieren op aankomende auto’s te wachten, hun tassen en zakken als waakhonden aan hun voeten of tussen hun benen geklemd. De meerderheid was al op fietsen verdwenen.
‘O, dank je wel. Spannend?’
‘Ik hoop het.’
‘Een goed idee om hier af te spreken.’
‘De beste plaats om onder te duiken is de massa.’
‘Opgaan in de menigte, ja hé?’
‘Ja.’
‘Gaat het boek daar ook over?’
‘Dat… verklap ik je niet.’
Penne bladerde even in Hartzondig, de eerste thriller van haar oud-leraar Creatief Schrijven Morre.
‘Doe jij er zelf in mee?’
‘Ha! De minister zal ten stelligste ontkennen!’
‘Je publiceert wel onder je eigen naam.’
‘Ja. Het is de mode niet meer om van die romantische, exotische of geheimzinnige schuilnamen te gebruiken.’
‘Zoals?’
‘Ruyslink, Westerlinck, Mandelinck, Van Wilderode, den Doolaard… ‘
‘Linke boel hé? Maak je brandhout van hé?’
‘Ha ha! Nee, alleen goochelaars doen dat nog. Rasti Rostelli, of Gili… Als het maar op een illusionistische i eindigt.’
‘Of charmezangers. Wally. Voor mij blijf je Morre.’
‘Merci, Penne. Dank je om me in één adem met Wally te parkeren.’
‘Jij hebt het nooit durven zeggen hé, zoals de meeste deden: Rostepenne.’
‘Rostepenne? Klinkt puberaal. Schoolpleinachtig. Penne is beter. Mooier. Verwijst naar schrijven. Probatio pennae. Weet je nog wel. Pen.’
‘Ja ja, snappie. Exact 200 bladzijden. Erom gedaan?’
Ze bladerde even van achteren naar voren.
‘O nee, zoiets kun je als schrijver niet echt… De uitgever en de drukker bepalen…‘
Met wild gefladder crashte plotseling een vogel tegen de voorruit van de auto. Morre en Penne schrokken zich een bult, beiden bijna identieke afweergebaren makend.
‘Eèèkk!!’
‘Wauw!!’
Na enig onbehouwen gespartel op de motorkap dook de vogel verdwaasd de struiken aan de straatkant in.
‘Was me dat… !’
‘Moeten we hem niet redden?’
‘Wat wil je dan doen?’
‘Weet niet… ‘
‘We vinden hem nooit terug in die struiken.’
‘Wat voor vogel was het?’
‘Een zwarte.’
‘Ja, zeg… ‘
‘Ik ken niets van vogels. Ze maken me bang.’
‘Hitchcock.’
‘Een merel, misschien. Een mus, Een kraai. Weet ik veel. Iets zwarts met vleugels. Een pechvogel alleszins.’
‘De Luftwaffe.’
Penne legde het boek naast de fles wijn op de achterbank.
‘Dit mag ik dus niet vergeten straks.’
‘Nee, zou hartzondig van je zijn.’
‘Eh… kom ik erin voor?’
‘Mm… ‘
‘De romige roodharige… Een alliteratie… ‘
‘Mm… ‘
‘Zal de minister weer met klem ontkennen?’
‘Mm… ‘
‘Weet je vrouw van dit uitstapje, excellentie? Of heb je… ’
‘Fictie, Penne, fictie. We zullen het nooit echt weten.’
‘We?’
‘Het algemene we. Niet het majestatisch meervoud. Eerder men.’
‘Is er schade aan de ruit? Drek? Krassen van een bek?’
‘Nee. Maar aan die vogel zal er wel schade zijn.’
‘Mijn auto staat bij die bomen ginder. Wat zal ik vanavond allemaal op mijn dak aantreffen? Een papje van herfstbladeren en vogelschijt? Deuken van vallende boomvruchten? Een dode eekhoorn? Een dronken steenmarter?’
‘Jij moet dringend aan je eerste boek beginnen.’
‘Vind je?’
Morre startte de auto.
‘Heb je het schrift mee?’ vroeg hij, achteruit manoeuvrerend.
‘Ha, je bent het dus niet vergeten. Ja. En jij een leesbril? Ik herinner me van op de schrijfacademie jouw collectie brilletjes in handige kleurrijke kokertjes.’
‘Affirmatief.’
‘Het is al negen jaar geleden.’
‘Je bent maar enkele haren veranderd.’
‘Vind je het mooi?’
‘Ja hoor. Zo… roaring twenties.’
Morre tikte op zijn borstzakje.
‘Hartzeer? Hartzonde?’ vroeg ze.
‘Nee nee: brilletje.’
‘O.’
Penne toverde nu van tussen twee herfstlaagjes op borst- en buikhoogte een dun schriftje tevoorschijn en wapperde ermee. Haar garçonnecoupe schrok even mee op.
‘Waarheen? Daarnet nam ik de snelweg. Nu is het tijd voor gezellige secundaire weggetjes zeker? Hoe dan ook zeewaarts hé?’
‘Wenduine? De Haan? Zeebrugge?’
‘Goed. We zien wel waar we uitkomen. Maar kan dat ook via de fraaie dorpjes Meetkerke en Houtave? Ik heb die nu nog nooit eens…’
‘Die liggen niet aan zee hé.’
‘Nee, maar onderweg… En ik had daarnet geen tijd om… ‘
‘Liever niet. In Houtave heb ik een ex wonen. En Meetkerke barst van mijn leerlingen.’
Penne gooide zonder om te kijken het schriftje op de achterbank.
‘Wanneer zal ik ooit… haakjes… zucht… recht naar zee dus... haakjes… glimlacht,’ zei Morre.
‘Mooi scenario, meester. Goed vertolkt. Affirmatief.’
‘Pikken we onderweg nog een frietje?’
‘Oké.’
‘Je hebt al iets geknabbeld hé?’
Ze plukte een kruimel van zijn jas en stak die in haar mond.
‘Kon het niet laten.’
‘Niets blijft verborgen, master of suspense. Die vogel dook op die kruimel af.’
Maurits Brandhoudt (jawel: dt) had op weg naar zijn dertigste twee dunne dichtbundeltjes gepubliceerd waar de bescheiden uitgeverij zich telkens pijn voor deed, zelfs met een kleine financiële injectie door de dichter, op verzoek van de uitgever. Op zijn zesenveertigste zag een middelgrote uitgeverij hem plotseling zitten als thrillerauteur: ‘Hartzondig’ verscheen. Een misdaadroman. Natuurlijk. In het piepkleine Vlaanderen met dat gekke voertaaltje konden alleen nog de misdaadromannetjes gedijen en concurreren met de vloedgolf aan kookboeken. Op de Boekenbeurs overheersten de dramatiek van de pollepel en de tics van de rechercheurs. De grote vragen waren: wat eten we? En whodunit? Maurits Brandhoudt (parttime leraar Nederlands bij de dienst Inburgering en Integratie en zaterdaglesgever Creatief Schrijven aan de Academie voor Muziek, Woord en Voordracht) had met vele tussenpozen jaren aan zijn manuscript gesleuteld. Sommige periodes was hij zelfs vergeten dat hij aan zoiets bezig was. Tot hij, opgejaagd door andermans boeken, de laptop dan maar weer ter hand nam. Een uitgeverij die ook de opwellingen van Bekende Televisie Vlamingen publiceerde, nam naast enkele vrouwenboeken van fel gebekte jonge schrijfsters (in de serie ‘Franke Muilen’) ook Hartzondig op in haar fonds. Het was de laatste wanhoopspoging van Maurits geweest, na bij diverse andere uitgeverijen in de wacht gezet te zijn zonder een hoopvol begeleidend deuntje. Hij liet zijn overgebleven haren groeien en harkte die kunstzinnig achteruit.
Op de schrijfacademie mochten ze hem met Morre aanspreken. Dat was het gevolg van een geslaagd rollenspel ter gelegenheid van een eindejaarsevenement, waar hij met zijn toenmalige groep een zelfgeschreven verhaal mee hielp vertolken, geruggensteund door de afdeling Voordracht. Zijn vrouw Judith en dochter Lise weigerden hem zo aan te spreken. Ze vonden dat het te veel op morren geleek. En dat deed hij soms. Het Vlaamse volk morde wel vaker wanneer er iets niet klopte aan hun misdaadromans. (Zo liet een thrillerschrijver per ongeluk eens zijn eenarmige hoofdpersonage ijverig zijn handen wassen in de toiletten van een café – het gretig lezende diet was pas enkele bladzijden ver gevorderd in die misdaadkanjer – wat een hobbel in de vaart der volken!). Morre kon morren omdat zijn roman niet opschoot. Of omdat hij alweer geweigerd werd. Maar zie: plotseling was Hartzondig er dus. Morre, ondertussen al op weg naar de herfst van zijn bewuste leven, werd in dat verband weer voluit Maurits Brandhoudt. Op de Academie voor Muziek, Woord & Voordracht bekeken ze hem weer even met andere ogen. En via Facebook liet plotseling Penelope iets van zich horen. Na jaren. Ze had iets geschreven. Hun wederzijdse correspondentie werd daardoor zo druk dat hij volledig gedocumenteerd raakte over haar recente leven, werk, vrienden, auto, liefdes, coupe en lectuur. Hier moest iets in levenden lijve worden afgesproken. Het drong zich op. Negen jaar was door zoveel informatie samengebald tot een te verwaarlozen overgangsperiode, zo overbrugbaar als de negenproef. Morre en Penne: een boek en een schrift.
Frituur Angelique Steeds Beter was een gammele barak op weg naar de kust. Een verwarmde veranda als voorportaal en een ruim dinerachtig interieur boden soelaas voor de innerlijke mens aan het werk on the road.
‘Godverdomme,’ mompelde Morre, toen hij de ongeordende file aan de bestelbalie zag.
‘We hadden het kunnen merken aan het aantal auto’s hé.’
‘Wat doen we?’
‘We zijn hier nu eenmaal… ‘
‘Ja… ‘
Ze gingen, bij voorbaat al wat kregelig over het tijdverlies, bij het ongeregeld kladje hongerige lieden staan. Sommige hadden al een blik bier of frisdrank in de hand, in afwachting van het vast voedsel. Toen wees Penne plotseling naar het dispensertje op de toonbank.
‘We moeten een nummer trekken.’
De misprijzende wolk over Morre’s gezicht verdween.
‘Eén nummer? Voor ons tweeën?’
‘Ja hé. We zijn een individuo.’
Penne ging haastig een flinter uit het ding trekken, want er knarsten nog autobanden op de kiezelsteenparking.
‘28’
‘Amai.’
Twee led display bordjes in de hoge hoeken van de kraam signaleerden 20.
‘Nu nog acht te gaan,’ zei hij, zijn telling achter zijn hand camouflerend. ‘Of zeven.’
‘Misschien zijn er enkele samen, zoals wij.’
‘Maar dat duurt even lang.’
‘Ook waar.’
Tenenkrullend en hielwiebelend aanhoorden ze andermans bestellingen.
‘Zou ze echt Angelique heten?’
‘Ze torst twee indrukwekkende vooruitzichten.’
‘Ha, ben je een borstenman?’
De vermoedelijke Angelique klemde haar mobieltje tussen haar kin en haar schouder, terwijl ze de telefonische instructies realiseerde door het gevraagde Lekkers van Beckers uit de vitrine te plukken, dat soort bij soort te deponeren en om de haverklap ook bevelen gebaarde naar de jonge kerel (zoon Angel?) aan de ziedende frituurmanden.
‘… En hoeveel moeten dat dan zijn, Jaak? Drie… ja… Grote hé… en nog een keer drie middelmatige… Mag daar zout op? Overal? Nee, apart kan ook… Ja… Dat is dan… Nee: dat kan ook, ja… Kipcorn? Ik ga eens kijken… Niet pikant… Of berenklauw… De mexicano is ook lekker… Mag dat samen verpakt worden? Eh… ja, dat hebben we ook. Frisdrank. Blikjes. En bekertjes. Ook bier in blikjes. Ook wel flessen hier. Maar die kunt ge niet meenemen. Sauce americaine? Of bedoelt ge… Oranje, ja ja… Americaine? Eén of twee keer? Daarjuist zei je… ah… cocktail… Nu snap ik het. Dus zes viandellen hé? En één frikadel. Ik ga dat… Zeg, Jaak, we hebben ook iets nieuws: varkenshart. Tamelijk pikant. Beetje zoals Bicky, maar scherper. Eentje? Proberen? Oké… varkenshartje dus… Twintig minuten? Dat is goed. Dat gaat gereedliggen. Nog een kipcorn? Nog… een… kipcorn. Dat staat erop. De merguezes hebben we ook… brochetten hé… En hoeveel middelmatige bakskes is dat nu? Zes? Eh nee, dat was drie hé… Mag dat per drie? De drie grote apart? Allez… apart samen bedoel ik hé. Amai, ik waai hier bijna uit mijn kot. Zo’n waaiweer. Nog iets? Ja, de light hebben we ook. Twee cola light dus. In plaats van… de gewone weer weg? Ja, per zes is dat, de bitterballen. Wil je er maar vijf? Dat is… De mayonaise kan ook in aparte potjes, ja ja, meneer…Weet ge wat? Ik zet cijfers op de verpakking, zo weet uw buurvrouw… ‘
Aanzwellende wind deed frituur Angelique Steeds Beter kreunen en rammelen. Slierten rook en damp sloegen eerst aan het verandaportaal neer vooraleer ze dolgedraaid de lucht in tolden, vermengd met dode bladeren. Een dozijn hongerige inwendige mensen stonden uitwendig grimmig hun beurt af te wachten. Angelique was een telefonische bestelling aan het opnemen. En wat voor één. Dat bleef maar duren. Die verdomde gsm bleef onafgebroken in een waterval van ravenzwarte krullen aan haar linkeroor plakken. Werkzoekende Frieda Vandenbroucke stond op ontploffen. Om de vijf seconden keek ze woedend op haar horloge. Meneer Rooseboom kneedde verbeten zijn kleingeld tot zijn knokkels wit zagen. Bediende Janne Maeseele wipte onafgebroken van haar hielen op haar tenen. Medisch vertegenwoordiger Karel Heyman ergerde zich daar grondig aan, want hij stond vlak achter haar. Meester Attila viel ten prooi aan een langgerekte onsmakelijke rokershoest die bij iedereen de eetlust wegnam. Mevrouw Furore van de pelswinkel zuchtte en mompelde binnensmonds de lelijkste dingen. Frank Six van de firma BuBoMo Buitenboordmotoren knarsetandde onophoudelijk. De Hollandse Boren-in-Betonvertegenwoordiger Hans Pepelaar pierde om geen tijd te verliezen drie, vier sigaretjes die hij daarna zorgvuldig in een gerecycleerd doosje van sprietsigaartjes klasseerde. Penelope Devriese en Maurits ‘Morre’ Brandhoudt wisselden wanhopige blikken. Assistent-bibliothecaris Georges d’Hainaut, schoenmaat 45, probeerde millimeter per millimeter een plaats vooruit te schuiven, tot grote ergernis van de gepensioneerde meneer Rooseboom, die vreesde voor de correcte rangorde: Angelique stond niet bekend om haar snuggerheid en het systeem van volgnummertjes trekken was nog niet echt een succes gebleken in deze kathedraal van friet en vet en vlees. Vaste klanten vroegen zich zelfs af of Angelique wel tot twintig kon tellen.
Naarmate het vet harder siste en de wind in kracht toenam, groeide de woede in frituur Angelique. Er kwam geen einde aan de frietmonoloog, terwijl de frietbazin staalhard boven en naast ze heen keek, alsof ze lucht waren. Het cijfermatige ledsignaal in de beide bovenhoeken negeerde ze volkomen. Het stond nu al eeuwenlang op 21. Af en toe boog ze zich voorover om in grote hanenpoten iets op een vel vet papier te krabbelen. De batterij knijpuiers met de sauzen hing uitdagend werkeloos voor de neus van al die hongerigen. Aan een van die uiers hing een druppel cocktailsaus. Die frieten moesten ondertussen na al dat gesis wel zwartgeblakerd zijn. De jonge Angel wierp af en toe verstolen een verontruste blik op de hongerige samenscholing.
De eerste die wat zei, was mevrouw Furore:
‘Als dat hier nog lang duurt… Mijn winkel…‘
De tweede was Karel Heyman: ‘Godverdomme.’
Daardoor groeide er een samenhorigheidsgevoel. Meneer Rooseboom keek Janne Maeseele aan; beiden zuchtten wederzijds diep: een connectie.
Georges d’Hainaut stond meewarig nee te schudden.
‘Dat brandt hier allemaal aan!’ riep Frieda Vandenbroucke plotseling halfluid. ‘Het is al bijna kwart voor één!’
Even keek Maurits verschrikt op. Attila knikte en greep balorig naar een sigaret die hij niet opstak.
‘In ’t vervolg ga ik ook eerst bellen,’ mopperde hij, terwijl hij deed alsof hij opstandig zijn rook richting Angelique blies.
‘Godver, wil je die rook niet in mijn gezicht of in mijn eten blazen!?’ foeterde Angelique. Ze mikte haar gsm in haar schortzak en maakte plotseling weer contact met de bende voor haar.
‘En mag je hier wel roken? Hé? Zie je die stickers daar? Buiten en binnen? Speciaal voor diegenen die niet kunnen lezen… !’
‘Hela hela!!’
‘Maar het waait hier toch zo doorheen!’
‘Of wil je dat ik mijn kot moet sluiten?’
‘Als je zo voortdoet, zul je ’t rap mogen sluiten!’
‘Zo voortdoet? Zo voortdoet? Heb ik niet voortgedaan, misschien?’
‘Nee!’
‘Weet ge hoeveel dat kost als ze hier… ‘
Iedereen moeide zich nu.
‘We staan hier met zeven, nee, kijk: negen, elf in weer en wind… !’
‘… te luisteren naar andermans bestelling… !’
‘Ja! Da’s zeker voor een hele kolonie?! Zijn dat manieren, zo voorkruipen!?’
‘’t Is zeker voor een heel nonnenklooster?’
‘Ik ga in ’t vervolg ook bellen. Gemakkelijk! Er mogen er nog twintig voor zijn.’
‘Ik moet toch opnemen! Ze weten dat ik open ben, verdomme!’
‘Hoe kunt gij die gsm horen met al dat sissend vet?’
‘En is uw vet ververst?’
‘Wat!?’
‘Met al die zwarte frieten er nu in!’
‘Ha ja!’
‘Je verdient een gasboete!’
‘Ha ja!’
De Hollandse hongerige stak in al dat tumult nu daadwerkelijk een sigaretje op.
‘Zeg, paljas met je stinksigaret… !’
‘Au! Je staat op mijn tenen!’
‘Ik was wel al voor jou binnengekomen hé.’
‘Neem je nu nog op of neem je vanmiddag niet meer op?’
‘Eerst die bestelling afwerken.’
‘Wat!?’
‘Eerst die… ‘
‘Ben je zot? Meen je dat?’
‘Ik kom hier nooit meer!’
‘Wacht maar tot ze komen!’
‘Heb je dat nog geweten… ‘
Penne en Morre hadden niet aan de multiloog deelgenomen. Onthutst maar ook lacherig hadden ze de escalatie van gevoelens zien groeien. De tijd was volledig fout voorbijgevlogen.
Angelique draaide zich minachtend snuivend om naar haar borrelende friteusemanden, mompelde iets in het oor van de kerel en concentreerde zich op de microgolfoven, met haar rug uitdagend naar haar cliënteel.
‘Ping ping!’
Frieda Vandenbroucke waadde in een opwelling naar voren, griste het bekrabbelde vel met de telefonische bestelling van de toonbank, scheurde dat middendoor, maakte er twee proppen van, stapte driftig naar de schuifdeuren van de veranda, rukte die uiteen en gooide de proppen weg. Die verdwenen terstond in de warrelwinden omheen de keet. Op de terugweg kegelde ze bijna Penne omver.
‘Voila. Per omgaand aan huis besteld.’
‘Ha ha!’
‘Wel besteed!’
‘Ze heeft erom gevraagd!’
Angelique draaide zich om.
‘Waar is… Waar is die bestelling?’
‘Dat vet stuk papier zul je bedoelen?’
‘Dat lag hier… ‘
‘Ha ha ha!’
De frietbazin liet haar woedende blikken over de samenzweerders zeilen.
‘Weet je ’t niet meer van buiten? Zeventien frikadellen en drieëndertig middelmatige bakskes met zeven liter cocktailsaus waren het, ha ha ha!’ riep Georges d’Hainaut.
Morre en Penne schoten samen met het zootje ongeduldig ongeregeld in een lach.
‘Apart verpakt!!’
‘Ha ha ha!’
‘Geef dat blad weer!’
‘Ha ha!’
‘Geef dat blad weer, hufter! Of ik bel… ‘
‘Wie zegt dat ik het ben?’ riep Attila.
‘Ik was het niet!’ riep ook Hans Pepelaar, die zich mede aangesproken voelde door het ietwat loensende linkeroog van Angelique.
‘Ze bellen wel zelf naar u!!’
‘Ha ha ha!!’
Penne trok Morre aan zijn mouw. Ze deinsden enkele passen achteruit. Het zag er immers niet naar uit dat er nog Lekkers van Beckers besteld zou worden. De volgnummers bleven ook bevroren op 21.
‘Frituur Angelique? Hè hè: dictatuur Angelique!’
‘Ja! Ja!’
De wind wakkerde nog aan. Frituur Angelique kon al die opstandigheid en woede niet meer omvatten. Van friet was geen sprake meer, of die zou al met veel vergif erin toebereid worden.
‘Pas op hé! Ik ken jullie allemaal van zien! Bijna allemaal!’
‘Dat zal wel. We komen elke week. We zijn je beste klanten!’
‘Ja, maar er zijn blijkbaar nog betere: die bellen!’
‘Ja: de Jaak! Wie is dat? Uw lief? Een friethijger?’
‘Ha ha ha!!’
‘Die Jaak moet grote honger hebben!’
Morre had zin om te roepen: ‘En wij dan?!’
‘Laatste keer: geef dat blad terug! ’t Is gij daar hé, met die grijns om uw mond!?’
‘Wie? Ik?’
‘Nee, ’t was zij!’
‘Nee: ik!’
‘Nee! Wij hier! Wij samen!’
‘Maar ge kent mekaar niet eens, leugenaars!’
‘’t Waaide weg, ondanks al dat vet!’
‘Ha ha ha!!’
Grauwe humor sloeg ongenadig toe. Niemand had nog honger. Iedereen ging in de aanval tegen deze frietdictatuur. De jonge kerel bij de frietmanden keek verbijsterd op het tafereel toe. Meneer Rooseboom en meester Attila hielden de schuifdeuren dicht om nieuwe klanten te beletten binnen te komen, met vriendelijk-dwingende gebaren de noodtoestand uitbeeldend. Daardoor ontwikkelde zich ook buiten een kleine hongerige samenscholing, die maar half begreep wat er aan de hand was. Van frietpeace was geen sprake meer. Het voorportaal was inmiddels leeg; alle opstandige magen troepten nu aan de bestelbalie samen. Het nummer 21 grijnsde hun in de beide bovenhoeken roodgloeiend toe.
‘Broodroof!’ gilde de frietbazin. ‘Broodroof!’
‘Hongersnood!’ riep Janne Maeseele. ‘Frietsnood!’
‘Ik bel NU de politie!’
Woedend mepte Angelique zichzelf met een geblokte keukenhanddoek, die ze als een flagellant over haar schouder zwierde.
Toen de gehate gsm weer tevoorschijn kwam, rukten Attila Vanneste en Oscar Rooseboom de schuifdeuren weer open. Een felle windgolf nam onverhoeds bezit van de vrijgekomen ruimte, via de luifel die toegang gaf tot de veranda. Het voorportaal van frietkathedraal Angelique werd als een luciferdoosje opgetild en even verder naast de kiezelsteenparking en deels op een scheidingsgrachtje en een kaal maïsveld neergekwakt, begeleid door naargeestig kraken en splinteren. De dolle wind smulde verder van de prooi en rukte diverse spaanders en plastic onderdelen los, die hij vervolgens de straat op joeg. Auto’s remden gierend en toeterend. Angelique gilde huizenhoog, hupte verschrikt achterwaarts en plofte hierbij met haar rechterhand in een ziedende frietmand. Kermend draaide ze om haar eigen as en viel te gronde.
De opstandige hongerlijders keken verbijsterd op de diverse taferelen toe. Daarna stoven ze als op één teken uiteen. Penne en Morre renden naar de parkeerplaats.
‘Kom!’
‘Ik wil hier niets mee te maken hebben!’
‘Dat kunnen we best missen. Ik heb al geen honger meer!’
Ze doken in hun auto en bleven met open mond toekijken op het puin van de kraam en de pijn van de mens.
Een paar verse krachten van buiten geassisteerd door een drietal teruggekeerden uit de eerste gelederen probeerden klimmend via de toonbank de kermende frietbazin te bereiken, want de zijdeur van de barak bleek gesloten te zijn. Een reeds weldoorvoede hongerige viel hierbij pardoes door het rechter vitrineglas en belandde met splinterend geweld tussen de merguezes, mexicano’s, kipcorns, bitterballen, berenklauwen, frikadellen, bouletten en viandellen. Toen besloot de jonge kerel te bellen. Dat zouden ze hem waarschijnlijk niet kwalijk nemen.
Enkele nieuwkomers die de situatie verkeerd beoordeelden en in de waan waren dat frituur Angelique geplunderd werd, hupten ijlings uit hun auto’s en trokken en sleurden de klimmers weer op de begane grond. Door dat misverstand ontstonden schermutselingen. In het spitsuur mengden zich nog meer bemoeials, want op een boogschot bevonden zich ook een aantal firma’s die pas om halfeen pauzeerden. Een complete dagploeg arriveerde te voet en nam onmiddellijk deel aan de debatten. Het werd een warrig kluwen, waar niemand nog kop of staart aan kreeg. Uiteindelijk vluchtte de nog immer kermende Angelique zelfs in de nog ongeschonden linker vitrinekast, in de koelte boven op al het Lekkers van Beckers, haar gehavende rechterpoot als Superman voor zich uit stekend. Van op een veilige afstand, verspreid in en naast hun auto’s, keken de frietgetrouwen alweer verbijsterd toe. Pas toen zwieplichten naderden, werden de contactsleutels omgedraaid. De jonge kerel had waarschijnlijk alarm geslagen.
‘Met minstens tien waren ze!’ krijste Angelique, die, gestut door twee ambulanciers, met uitgestoken gefrituurde rechterpoot naar de ambulance werd geleid.
‘Met tien! Titus kan het getuigen!’
Haar zwarte krullen werden door de hevige wind nu eens pal achterover geharkt, dan weer vooruit geblazen, alsof ze voort werd getrokken door een onzichtbare kracht.
‘De politie maakt er werk van, mevrouw Angelique,’ suste een hulpverlener. ‘Ze komen zo bij u. Eerst moet uw hand verzorgd worden. Hebt ge nog andere kwetsuren?’
Hij probeerde tussen de massa krullen door in haar ogen te kijken.
‘Ik heet geen Angelique! Het is Monique!’
‘Titus?!’ riep de andere begeleider uit, terwijl hij verbaasd naar het aan spaanders gewaaide voorportaal van de frietkeet keek, en daarna naar de ravenzwarte Angelique met de indrukwekkende vooruitzichten. Er hing varkenshart op haar linkerborst, met het prijsetiketje in schoonschrift er nog aan: Nieuw! 2,30 €.
‘Mijn zoon, verdomme!’
‘De politie arriveert subiet. Dan kan hij het hen vertellen.’
‘Het vervolg interesseert me niet meer,’ zei Morre. Hij startte de auto en draaide de weg weer op. Een doffe klap volgde. De auto werd weer op de kiezelparking gezwiept en knalde nog eens extra tegen een houten zitbank-met-tafel aan. Een hongerige en gehaaste Jaak Moeneclaey kwam zijn telefonisch verordende drie grote en drie middelmatige ophalen.
‘Godverdomme! Dat had ik net nodig!’
De negenkoppige dagploeg van Zagen in Beton keek onthutst om. De rest van de frietstrijders maakte zich nu ijlings uit de voeten. Niemand had gegeten. Voer voor een thriller.
JORIS DENOO

