Ezelsoren
BOEKHOUDERS & EZELSOREN
Op een dag besloot ik me van al mijn boeken te ontdoen. De gedachte werkte zuiverend. Ik ontwikkelde die terwijl buiten een dooiwind woedde die medio februari de laatste sneeuwresten opat. Vele jaren had ik besteed aan de opbouw van mijn bibliotheken. Mijn collectie boeken bedroeg om en bij de achtduizend exemplaren. Het was alles of niets. Ik had er veel van gehouden, tot in het absurde. Eén uitlening die te lang aansleepte, had me meer pijn gedaan dan de beslissing afstand te doen van de hele mikmak. Zelfs van mijn eigen boeken. Ik bedoel: die ik zelf had geschreven. Alle geschriften waren nu immers wereldwijd digitaal bereikbaar. Waarom zou ik nog papier stapelen en sentimenteel doen over drukwerk? De bijsluiter bij boeken zag er niet goed uit. Er waren te veel nevenverschijnselen: vergeling, gemorste koffie, scheuren, duimen, ezelsoren, vocht, vieze bladwijzers van ontleners, plaatsgebrek… Houdbaarheid, kortom. Het edele boek wankelde op zijn voetstuk.
Jarenlang nam ik afscheid van elk boek apart. Ik liet er een in de trein liggen. Ik zond er een op naar Hongarije. Ik dropte er een in een postbus. Ik liet er een achter op een toilet. Ik legde er een op een wachtstoel in een station. Ik deponeerde er een in een fietstas. Ik vergat er een bij de tandarts. Ik gaf er een onderdak in de rekken van een warenhuis. Ik verzond er een naar Curaçao. Er belandden er in een luchtballon, in een diepvriezer, onder een bed in Parijs, in een taxi… Al deze acties herhaalde ik tientallen keren, dag na dag. Soms meerdere keren per dag. Nooit werd een exemplaar op een of andere manier terugbezorgd. Zelfs al was het gesigneerd. Zelfs al was het door mezelf geschreven.
Gestaag gaven de boekenplanken en de achterwanden zich bloot. De akoestiek in mijn huis veranderde. De aanblik natuurlijk ook. Ik verzachtte de pijn door het afscheid in schuifjes te laten verlopen, zoals de zon langs lijnen van geleidelijkheid wegzakt achter een huis en het niet langer verwarmt.
Soms rezen er wat problemen. Een lijvig woordenboek loste je niet zoals een drol. Het verzameld werk van pakweg Cyriel Buysse in één band kreeg je niet zomaar in een brievenbus gedropt. Een luxueus fotoboek over Harley Davidsonmotoren liet zich niet onopvallend transporteren. Het was soms zelfs uitkijken geblazen voor een omgekeerde wereld, waarin je door je ongewone handelingen ervan verdacht werd een boek ontvreemd te hebben. Raar maar waar, ik zweer het op de Willibrordvertaling (geheel herziene uitgave 1995) van de Bijbel, hoewel ik in de ogen van zogenaamde gelovigen een heiden ben. Ik wou evenmin makkelijke oplossingen, zoals bibliotheken of boekhandels. Mijn boeken mochten niet belanden tussen zovele andere. Ze hadden recht op een uniek eenmalig treffen met een eventueel verraste vinder. Wat er daarna mee gebeurde, interesseerde me niet meer. Het moment van de vondst en het daarmee gepaard gaand gevoel volstonden, ook al was ik er dan zelf niet meer bij. Een adoptie à la Pontius Pilatus.
Elf jaar deed ik over de verdwijntruc van mijn toch wel omvangrijk boekenbestand. Het bleef zuiverend werken. Eindelijk heerste er bladstilte in mijn vertrekken. Ik had ze namelijk allemaal gelezen, sommige meerdere keren. Nu waren ze zowel opgeslagen in mijn hersenen als gewist uit mijn huis. Ik bleef over ze heersen omdat ik ze had verdeeld. De bladeren waren gevallen waar ik ze hebben wou: overal. Mijn systeem was duidelijk: prettige willekeur. Ik genoot telkenmale van de ontlastingen.
Wanneer ik in de loop van deze wegwerkzaamheden (hebbes??) mijn vriend de journalist Everhart B. vertelde over de stand van zaken, kromp hij telkens een beetje ineen. Hij was namelijk niet alleen een hevig liefhebber van boeken omwille van de boeken, maar vooral omwille van hun speciale inhoud. Dat vergt een speciale verklaring. Ter ontmoediging van eventuele inbrekers en uit boosheid op de banken sinds de grote zwendel van 2008 bewaarde Everhart al zijn bankbiljetten thuis, verstopt tussen de bladzijden van vele van zijn boeken. Inhoud dus, zoals ik zei. (Hebbes bis??). En hij had er wat! Het betrof ook een getal van vier cijfers. Ik kon hem zelfs geen plezier doen met boeken van mij. Hij wou alleen maar eigen gekochte nieuwe, waarin hij via speciale getallencodes bankbiljetten verborg. Bladeren bij hem kon je rijk maken. Hij was namelijk een succesvol en goedbetaald cultuurjournalist.
Met nog zo’n negenhonderd boeken te gaan, zat ik op een avond bij Everhart thuis. We dronken bourbon en boomden over boeken, natuurlijk.
‘En ik die ervan droom mijn beste schrijfselen ooit eens in een boek te bundelen,’ verzuchtte Everhart. ‘Mijn journalistenhart bloedt bij elke wegwerpactie van jou, Eric.’
‘Maar ik heb ze alle hier gebundeld.’
Ik tikte even tegen mijn schedel.
‘Dat lijkt verdacht veel op een ander niet mis te verstaan gebaar.’
‘Ha ha. Nee, echt: al mijn boeken zijn hier gerangschikt, in mijn hersenbib.’
‘Dat moet een grote kwab zijn. Wat voor ordeningsprincipe hanteer je dan? Het alfabet? Het formaat? Chronologie? Per schrijver? Per taal?’
‘De wind, Everhart.’
‘De wind?’
‘De willekeur van de wind. Liever de wind die bladeren bijeen bloemleest en weer uiteen waaiert dan een stijve hark die bladeren in een verdomhoekje dwingt.’
‘Mooi gezegd, schrijver. Een hersenstorm dus?’
Ik knikte en nipte van mijn bourbon.
‘En jouw kapitalistische collectie? Wat voor rangschikking kies jij? Winst? Flapjes van twintig op bladzijde twintig en die van vijftig op vijftig? Of omgekeerd, om de dieven te misleiden?’
‘Ha ha.’
‘Heeft elk boek hier zo’n… inhoud?’
‘Alleen de schrijvers wier achternaam met een Y, E, N, O of M beginnen. Jij en Veerle zijn vrijwel de enigen die dat weten.’
‘Maar Y komt bijna nooit… Ach, ik snap het.’
Mijn blikken struinden over de ruim voorziene bibliotheek van Everhart.
‘Munro,’ mompelde ik. ‘Yourcenar. Eliot. Orsenna. Némirovsky. 2500 euro.’
‘Ha ha.’
‘Veerle niet thuis?’
‘Ze is naar de leesclub.’
‘Hou je me nu voor de gek, Everhart?’
‘Nee, echt: de leesclub. En ze noemen zichzelf Met Voorbedachten Rade.’
‘Rare naam. Wat hebben ze gelezen? Iemand die met een X begint?’
‘Ze lezen thematisch. Er is eigenlijk maar één thema.’
‘O. En dat is?’
‘Moordenaressen.’
‘Vandaar de naam dus. Wauw. Goed voor duizenden euro’s.’
‘Ze bespreken zowel fictie als non-fictie. Als het maar gaat over vrouwen die andere vrouwen om zeep helpen.’
‘Maar soms weet de lezer vooraf niet wie de dader is hé. Dader… Daderes… ‘
‘Dat pluizen ze wel eerst uit. Anders is het plezier eraf.’
‘Bekende moordenaressen?’
‘Dat speelt geen rol, zegt Veerle. Sommige kunnen bekend worden doordat de schrijver of schrijfster ze spectaculair of vernuftig ten tonele voert. Fictieve daderessen dus. Er zijn allicht ook wel biografieën over echte huurmoordenaressen bijvoorbeeld. De Columbiaanse literatuur zal in dat compartiment wel hoog scoren.’
‘Zijn er mannen in die leesclub?’
‘Nee. Geen teelballentorsers.’
‘Zit je hele kapitaal werkelijk verborgen tussen al die bladzijden hier?’
‘Ja. En ik heb nog een bibliotheek boven, zoals je weet. Mijn vakbibliotheek. En nog eentje daarboven, op zolder. De bejaarde boeken. Echte beleggingen.’
‘Zijn er veel auteurs met een achternaam die met een moneyletter begint?’
‘Er zijn er genoeg. Het gaat ook over de dikte van een boek hé. Soms deponeer ik meerdere grote flappen in een kanjer. En een auteur die met pakweg een Y begint, kan tientallen boeken uitgegeven hebben. Plaats genoeg, hoor. Ik ben ook niet schatrijk. Lekker poeh aan de banken. Mij lichten ze niet meer op.’
‘Kun je die biljetten allemaal terugvinden dan?’
‘Ik heb een numerologisch systeem ontwikkeld. Een beetje zoals een code in tijden van oorlog. Die hang ik niet aan je neus.’
‘O… even raden. Op de bladzijden die een priemgetal zijn min vier plus zeven gedeeld door twee maal vijf? Of heb je de grote fout begaan simpelweg je geboortedatum te gebruiken?’
Everhart lachte en schonk ons nog eens in.
‘Je leest te veel boeken, mijn beste.’
‘Maar ik ben ze net allemaal aan het wegdoen.’
Rond elf uur kwam Veerle binnen, terug van de leesclub.
‘Ah, Bourbon Street,’ wees ze.
‘Drink er eentje mee,’ zei Everhart.
‘Dat sla ik niet af: drinken met twee schrijvers.’
‘Hoe was het Met Voorbedachten Rade?’ informeerde ik olijk.
‘Myriam, een bibliothecaresse, weidde uit over wat ze in haar bib allemaal aantreffen nadat een geleend boek teruggebracht wordt. Ze gaan er een tentoonstelling van maken. Niet echt appetijtelijk.’
‘Ja?’
‘Nee?’
‘Geef mij maar een flink gedeukt ezelsoor in plaats van kauwgom, vingernagels, haren, papieren zakdoeken met bloedvlekken, lottobiljetten, kattebelletjes, opgedroogd snot, treintickets, bijsluiters van pijnstillers, paperclips, naaigaren, tandenstokers, theebuiltjes, koffiefilters, boodschappenlijstjes… ‘
‘… bankbiljetten die al door honderd handen zijn gegaan… ‘ vulde ik aan.
Ze knikte en keek haar vriend Everhart medeplichtig aan.
‘Ook daar zitten bacteriën op. En het is momenteel nog ons meest gebruikte ruilmiddel.’
‘Lezen is dus gevaarlijk.’
‘Ja, dat moet absoluut afgeraden worden.’
‘Laten we onszelf bij die slotgedachte reinigen met bourbon.’
‘Bottoms up!’
‘Books down!’
We klonken, Veerle inmiddels inbegrepen.
‘Blijft het probleem met ons boekbeleg,’ zei ze dan, haar glas weer neerpotend op de salontafel. ‘We beleggen boeken met papiergeld dat al gecontamineerd is door zovele voorgaande handelingen die het heeft ondergaan. Wat doen we eraan, Everhart?’
‘Moeten we daar iets aan doen dan?’ deed de aangesprokene quasi-verbaasd. ‘Tot nu toe was het toch… ‘
‘De leesclub heeft me de ogen geopend. En Eric hier… Jij ook, Eric. Die gooit zelfs de hele santenboetiek weg.’
‘Ja, maar…’
‘Het is een uit de hand gelopen hobby,’ vervolgde Veerle ongenadig. ‘Vroeger droogde je bladeren van struiken en bomen tussen boeken. Nu… geld.’
‘Het reinigt zichzelf door die quarantaine,’ wedervoer Everhart. ‘Papieren mond-smoeltjes in tijden van epidemie zijn ook de meest aangewezen eh… ‘
Ik voelde een huiselijke rel aankomen in Bourbon Street. Was Veerle zelf besmet geraakt door lectuur van boeken over moordenaressen? Zou ze in staat zijn gif te mengen in de fles bourbon waar ze nu ijverig van meedronk? Lagen we hier straks beiden te zieltogen terwijl zij de numerologische code op de moneyboeken toepaste?
Ik stuurde het gesprek even een andere kant op.
‘Everhart, je collectie doet me eigenlijk ook denken aan The Guernsey Literary Circle et cetera. Ken je die film?’
‘O ja. De aardappelschillentaart… de zelfgestookte gin…de Duitsers… Maar hier is het bourbon hé. Onze vertrouwde geestbedwelmer.’
‘De boeken speelden eigenlijk een bijrol, vind je niet?’
‘Eh… ja. De oorlog… De bezetting… ‘
‘Zoals bij jou.’
‘Eh?’
‘Lees jij je boeken wel? Waar dienen ze voor?’
‘Ja hoor. Hé Veerle? Ik lees heel… Ik las ze allemaal.’
‘Dus je gebruikt ze niet alleen om te ‘beleggen’? Of om je kast mee op te vullen, zoals bij Ikea?’
‘Zeg, Eric: de inhoud is van het grootste belang hé!’
Ik keek hem scherp aan, voor zover dit na de bourbon nog mogelijk was.
‘Tegelijk met die goed bewaarde biljetten tussen de boeken worden ook de bacteriën eh… goed bewaard,’ stelde Veerle, eerder meesmuilend.
‘Die leesclub heeft je echt wel op slechte gedachten gebracht,’ constateerde Everhart.
‘Ik wil zelfs geen boeken uit de bib meer, bàh!’ zei ze. Ze deed alsof ze rilde en nam een fikse slok van haar bourbon, waardoor ze echt ging huiveren.
‘Hebben we daar geen naam voor? Smetvrees?’ opperde Everhart guitig.
‘Ik vrees van wel,’ knikte ik.
Ik gluurde naar Veerle, die ons met de koude blik van een seriemoordenares taxeerde.
‘Wat hebben jullie eigenlijk besproken in de leesclub vanavond, Vé? Het Grote Schoonmaakboek?’
‘Ha ha!’
‘De Sluipmoordenares,’ articuleerde Veerle, ze had moeite met het vijflettergrepig woord. Everhart en ikzelf papegaaiden allebei op hetzelfde ogenblik de titel net zo gebrekkig na, in vragende vorm.
‘De auteur publiceert alleen maar titels die met een S beginnen. Slangenmens, Schorpioen… ‘
‘Schoonmaakboek… ‘
‘Ha ha!’
‘Maar De Sluipmoordenares begint met een D!’ riep ik.
‘Lidwoord!’ pareerde de genaamde Vé scherp. ‘Telt niet mee.’
‘Dat boek ken ik niet,’ zei ik. ‘Van wie… ‘
‘Lara Nescio.’
‘Ah, nooit van gehoord. Jij, Everhart?’
‘Eh… nee… ja… Mijn genre niet, eigenlijk. Ik ken het wel… een beetje. Veerle kocht het met een boekenbon voor haar verjaardag. Je kunt niet alle boeken van de hele wereld kennen hé.’
‘Met een N: kassa!’ riep ik Everhart vrolijk toe. ‘Een kandidaat!’
‘Hm,’ deed hij. ‘Denk je?’
‘Heb je het nu bij je?’ vroeg ik.
Veerle diepte De Sluipmoordenares van Lara Nescio uit haar tas op, die ze bij het binnenkomen bruusk naast de salontafel had neergepoot. Blijkbaar besprenkelde leesclub Met Voorbedachten Rade de gedachtegangen met enig nat. Ze had toen duidelijk al wat op. Net als wij.
‘Voila: ziehier de moordenares.’
Ze plofte de kanjer op het tafeltje. (De meeste whodunits zijn kanjers, want ze barsten van de overbodige bladvulling om de lezers een rad voor de ogen te draaien.) De glazen schrokken; de bourbon wilde eruit. Geen bibliotheekgegevens ontsierden de cover of het achterplat; het was inderdaad haar eigen exemplaar. Ik greep naar de weldoorvoede whodunit en bladerde even willekeurig, eigenlijk totaal zinloos, alsof ik het boek ‘in één ruk’ wou uitlezen. Plotseling begon ik veel gerichter te bladeren: om de vijf bladzijden stuitte ik tot mijn verbazing op ettelijke gekraste loterijbiljetten. De meeste vertoonden geen winnend bedrag. Enkele wel, bescheiden. Het waren biljetten van diverse aard. Was Vé gokverslaafd? Verborg ze grote voorraden biljetten op de wijze van haar man? Wist vriend Everhart… Nescio… de N…
‘Ook een leuke collectie hé,’ zei Veerle. Ze liet haar hoofd achter op de leuning van de sofa rusten en sloot haar ogen. We konden niet met zekerheid constateren of ze aanstalten maakte om in slaap te vallen of als de bourbon haar plotseling geveld had.
Ik legde het boek weer op tafel en peilde de blik van Everhart. Hij was zat; er viel weinig te peilen. Misschien was een slotgesprek nog mogelijk. Ook in mij welde de bourbon vrij hevig.
‘Hé… Everhart: ben je er nog?’
‘Slaapt ze? Zo plotseling?’
‘Het is de bourbon. Eerst de leesclub, nu de whiskey. Literatuur vraagt om drank hé.’
‘Ze moet haar klep houden over mijn beleggingssysteem, verdomme.’
‘Everhart… kijk.’
Ik hield hem haar boek voor en bladerde er uitdrukkelijk in, vlak voor zijn neus. Na enkele hoofdstukken had hij het door. Halfdronken las hij de bloemlezing voor: Presto, Astro, Subito, King of Cash, Fortune, 21, Lucky Star, Magic Numbers, Bingo Hollywood, Money Tree.’
‘Wel?’
‘Wat wel?’
‘Dat ze het zelf doet, verdorie! Dinges verstoppen tussen… ‘
‘Rustig, Eric, rustig… ‘ zei Everhart, terwijl zijn r’en al futlozer klonken en ongedisciplineerd over zijn tong rolden. ‘Dat… Dat is ook deels mijn collectie. Ik eh… Wij… Nou, ik koop elke week zo’n twintig verschillende biljetten. Soms heb ik een bescheiden collectie winnaars. Die bewaar ik ook op dezelfde manier als mijn centen, tot de tijd rijp is om ze te verzilveren in de verkooppunten. Vaker is mijn collectie niet-winnaars groter natuurlijk. Ik verzamel alles in boeken. De ideale bewaarplaats. Maar niet… ’
‘Dus je kent dat boek toch? Daarnet zei je van niet.’
‘Ik bedoelde dat ik alleen de inhoud ken. Ik heb het boek niet gelezen. Niet mijn genre, zoals ik al zei.’
‘Maar Veerle … ‘
‘Ze duldt mijn systeem. Ze meent het niet echt. Ze was teut. Ze is teut, kijk maar.’
‘Vallen je gokbiljetten dan ook onder het money-systeem?’
‘Hier telt de L van Lara,’ zei Everhart. ‘Voornamen.’
‘Eh?’
‘Money is voor cash geld; Las Vegas is voor de loterijbiljetten. Noem ze niet gokbiljetten; dat is oneerbiedig en klinkt ziekelijk.’
‘Las Vegas?’
‘Schrijvers uit onze bibliotheek wier voornaam met een letter uit Las Vegas begint… ‘
‘Ja ja, ik snap het al,’ onderbrak ik, ongewild bot. Ik had het gevoel dat ik plotseling met een paar ezelsoren bezijden mijn kop zat. Onze eigen letters kregen het door de bourbon inmiddels harder te verduren. We belandden in een schemerige mompelfase.
Ietwat bij de neus genomen, zelfs gekrenkt vertrok ik, met achterlating van twee benevelde lijven. Ik probeerde op te staan en het pand te verlaten en in rechte lijn naar mijn thuishaven te varen. Ik denk dat ik al die handelingen heb verricht, maar op welke wijze was me een raadsel, want ik bevond me uiteindelijk in mijn eigen woning met nog ongeveer negenhonderd boeken. Ik bladerde in enkele exemplaren maar in geen enkel hoofdstuk rinkelde de kassa.
De maanden na mijn bezoek aan Everhart B. waren de dodelijkste voor de rest van mijn boeken. Ik bereikte vlugger dan verwacht en gepland totale boekloosheid en bladstilte. Ongeveer een week na deze eindstreep bezocht ik Everhart weer. Hij had breaking news te melden. Het was een pijnlijke opsomming.
‘Veerle is met de noorderzon vertrokken, met medeneming van ofwel aparte boeken ofwel het gehele oeuvre van Harry Mulisch, Alice Munro, Geert Mak, Marga Minco, Margriet de Moor, Doeschka en Geerten Meijsing, Yukio Mishima, Anja Meulenbelt, Marcel Möring, Multatuli, Erik Orsenna, Iris Origo, George Orwell, Michael Ondaatje, Irène Némirovsky, Lara Nescio, Cees Nooteboom, Anna Enquist, Frederik van Eeden, Vince Flynn, T.S. Eliot, Marguerite Yourcenar…
‘Vince Flynn?’ onderbrak ik. ‘Die hoorde toch niet in jouw eh… moneylijst?’
‘Jammer genoeg heb je gelijk,’ zei Everhart. ‘Vince Flynn werd in één klap mijn dierbaarste auteur. Met name de thriller ‘American Assassin.’
‘O: de V van Las Vegas hé… ‘
‘Precies.’
‘En? Waarom nam ze die ook mee? Die… Assassin?’
‘Wat denk je?’
‘Omwille van de inhoud?’ opperde ik.
JORIS DENOO

