Driekoningen
DRIEKONINGEN
‘Dat moet toch allemaal stukken van mensen kosten,’ merkte Rapunzel zuchtend op, terwijl ze zich weer omdraaide.
‘Eh?’ deed Attila verstrooid.
Hij was ver heen, hoewel hij vlak bij haar was. Nu weer in haar, met name, en niet in de stadsschouwburg, waar hij vanavond eigenlijk hoorde te zijn.
‘Dat dat toch allemaal veel moet kotsen … eh … kosten,’ herhaalde Rapunzel gesmoord lachend.
‘Wat?’ hijgde Attila.
‘Wel: al die vreemde groepen die hier komen spelen, en dat moet toch ook eten en slapen?’
‘Welke vreemde groepen?’ vroeg Attila, terwijl hij onvolkomen in haar klaarkwam.
‘Wel, waar gij vanavond naartoe moest gaan luisteren.’
‘O, die.’
Hij deponeerde de laatste druppel haastzaad in Rapunzels lijf en hoorde gelijk een flard tziganemuziek die hij vanavond moest missen. De Stedelijke Plantsoendienst had gratis gesponsorde tickets voor het optreden uitgedeeld. Boomchirurg Attila had geen zin om op een maandagavond in de pluche van de schouwburg zijn tijd te gaan verdoen. Als hij al rood en fluweel en schemerlampen wou, dan moest hij bij Rapunzel zijn. In Rapunzel.
Aldus was geschied. Zijn lid floepte weer uit haar liefdesgrot.
Het was vijf voor negen. De tziganes in de schouwburg waren al bijna drie kwartier bezig op hun vreemde, weemoedige instrumenten.
‘Attila?’
‘Ja?’
‘Hoeveel maandagen komt ge hier nu al bij mij?’
‘Dat zou storen zeker moest ik nu nog naar dat optreden gaan?’
‘Hé?’
‘Mijn baas zal daar misschien ook zitten.’
Ze grepen allebei naar hetzelfde pakje sigaretten en bliezen even later zoals elke week hun post-coïtale rook naar het plafond.
‘Zo’n schouwburg heeft iets hoerachtigs hé, vind je dat ook niet?’
‘Pardon?’
‘Wel, ge weet wel: dat duister, die lampen, die zetels … ‘
‘Ik zou het niet weten. De laatste keer dat ik … ‘
‘Zouden ze me missen?’
‘Wie?’
‘Roderick en Tatjana gingen gaan. Anseeuw misschien ook. Van de anderen van de Groendienst weet ik het niet.’
‘Ge mocht gerust gegaan zijn van mij, hoor. Mijn badkamer is lijk een Spaans bordeel. Ik wist wel wat gedaan.’
‘Wat wil je daar nu mee zeggen?!’
Attila stulpte boos een rookpluim uit.
‘Was het niet goed misschien?’
‘Jaja, daar niet van, maar mijn badkamer moet nodig een keer … ‘
Attila ging half rechtop zitten en overschouwde het slagveldje kleren in de slaapkamer. Hij inspecteerde ook sluiks zijn liefdesslakje, dat zich als een verloren voorwerpje tussen zijn dijen weg probeerde te stoppen. Het gerimpelde ding had daar ontstellend weinig moeite mee, constateerde hij. Moest hij ook niet aan de pil?
Rapunzel monsterde haar loverboy vanuit haar ooghoeken en deed er even het zwijgen toe. Ergens in de omgeving signaleerde iets dat het negen uur was.
‘Wat was dat?’
‘Mijn elektronische agenda. In mijn tas.’
‘Waar staat je auto?’
‘Zoals gewoonlijk.’
‘Begint dat niet op te vallen?’
‘Mijn auto staat altijd overal in de stad.’
‘Maar nooit onder een boom, hé?’
‘Nee, nooit onder een boom. Vogelschijt.’
Plotseling rinkelde de deurbel lang en indringend. Iemand wou blijkbaar echt wel dat er open werd gedaan. Attila keek vragend naar Rapunzel, die recht geveerd was.
‘Verwacht je iemand misschien?’
‘Niet dat ik weet.’
Kort daarna snerpte andermaal driftig gerinkel door het huis. Attila veerde nu ook recht.
‘Wie mag dat zijn. ’t Is negen uur.’
‘Weet niet.’
‘Ga je serieus opendoen? Je bent niet eens gekleed.’
‘Toch even loeren hé.’
Rapunzel wikkelde haar tietjes en haar bips in een geruite deken en ging nieuwsgierig postvatten aan het venster. Als ze op haar tenen stond en de rechter gordijnhelft twee centimeter naar links bewoog, kon ze een stiekeme blik werpen op het territorium beneden aan haar voordeur.
Toen ontspande zich de sfeer als vanzelf: vage flarden driekoningengezang woeien de overspeligen één hoog tegemoet.
‘Godver, ’t is ook nog waar. ’t Is weer de tijd van ’t jaar.’
‘Wat ga je doen? Je gaat toch niet naar beneden zeker?’
‘Maar allez … ’t zijn de driekoningen.’
‘Dat hoor ik ook wel, tiens.’
‘Komaan, voor ene keer,’ pleitte Rapunzel, terwijl ze haar lijf al steviger insnoerde. Een boetekleed.
‘Doe wat je niet laten kunt,’ zei Attila knorrig. Hij greep alweer naar een verse sigaret en liet zich weer achterovervallen op bed. ‘En wat geef je aan drie … eh … aan die schooiers?’
Rapunzel haalde haar schoudertjes op. Ze stommelde de trappen af, graaide in de keuken een geopend pakje zoutkoekjes uit de schaal mee en liep naar de voordeur.
‘Drie-ko-ningen/drie-ko-ningen/geef mij ne nieu-we-noet … ‘
Rapunzel zette grote ogen op toen ze de deur opende. Ten eerste waren de driekoningen met z’n vieren. Ten tweede waren ze alle vier minstens een meter tachtig en al geruime tijd geen kind meer.
‘… mijnenouden is ver-sle-ten … ‘
Ten derde waren de drie vierkoningen allemaal zwart.
Het enige wat klopte: het waren allen mannen.
‘Maar ge hebt geen ster mee,’ constateerde Rapunzel, toen het gezang abrupt stopte. De acht witte oogballen flitsten even van het wijze oosten naar het verre westen. Een vreemd, onbehaaglijk gevoel overmande Rapunzel. Ze verkruimelde per ongeluk de zoutkoekjes in haar rechterknuist en probeerde herkenning te vinden in een aantal van die gecamoufleerde gezichten.
‘Zijt gij alleen thuis, meiske?’
‘Hebt gij iets over voor de driekoningen?’
‘Heb je niet koud, zo met bijna niets aan?’
Onderdrukt gegrinnik en gegrimlach. Een walm van alcohol waaide haar tegemoet.
‘Sla de deur toe!’ flitste het door Rapunzels hoofd. ‘Attila!’
‘En wat houdt gij daar in uw handje?’
Een van de koningen deed een stap naar voren. Hij rook naar vrouwenparfum.
‘En ge zijt met vieren … ‘ piepte Rapunzel nog.
‘We zouden nog een koningin kunnen gebruiken,’ fluisterde hij hees in haar linkeroor. ‘We gaan van u een koningin maken. Ge hebt al uw koningsmantel aan zie ik. Weet ge hoe ze het lief van een boomchirurg noemen? Nee? Een takkewijf. Wilt ge liever geen koningin zijn? Hé?’
‘Is Attila hier?’ vroeg plotseling een koning die nog niets gezegd had.
Rapunzel schrok. Het was gevaarlijk om zowel ja als nee te antwoorden. De herkenning kwam van de andere kant, en werd een dreiging.
‘Attila!’ riep ze plotseling, terugdeinzend. Het pakje zoutkoekjes was nu geheel verpulverd. In een gekke opwelling van verweer gooide ze het naar de koningen.
‘Ah, gaan we geweld gebruiken, ja? Dan hebben wij recht op zelfverdediging hé!’’
Het pakje zeilde de donkere, verlaten straat in.
Rapunzel wou de deur dichtdoen, maar een koninklijke voet belette dat. In een oogwenk stonden ze allemaal in het halletje, nadat de laatste koning nog even vlug de straat afgespeurd had.
Andermaal veerde Attila recht toen hij het ongewone gestommel beneden aan de voordeur hoorde. Hij drukte zijn sigaret plat, griste zijn broek van de grond en hupte richting trap. Op de bovenste trede al bukte hij zich om zich te vergewissen van de toestand.
‘Rapu … !’
Meer kwam er niet uit. Fracties van een seconde later lag Attila als een halfnaakte gebroken ledenpop een verdiepinkje lager, tussen tien voeten die toebehoorden aan vijf verbouwereerde gezichten.
De stedelijke boomchirurg was dood. Zoveel was zeker. Doder kon niet. Dat zag je zo. Op het ogenblik dat Rapunzel aanstalten maakte om een huizenhoge gil te slaken, vluchtten de vierkoningen ijlings het huis uit. Verbijsterd keek ze hun wapperende gewaden na, terwijl haar eigen dekentje van haar lichaam op de grond gleed. Ze greep ernaar, om te beletten dat het in bloed werd gedrenkt. Toen kwam die gil er, lang en snerpend, want in een laatste zichtbare kramp had het dode lijf van Attila nog even bewogen.
Worden er bomen gesnoeid in de duistere periode waarin des avonds tientallen driekoningen hun opwachting aan deuren, portieken en poorten maken? Welzeker.
De enige boom in het tuintje van Rapunzel dijde inderdaad breed uit, zo breed dat enkele zware takken zelfs al de ramen van de eerste verdieping betastten. Zodus.
De slaapkamer van Rapunzel bevond zich daarom aan de straatkant. De kamer aan de achterkant gebruikte ze voor andere doeleinden. Tja.
Zitplaats M – 10 (rechterkant) in de stadsschouwburg was die avond onbezet gebleven. De boomchirurg Attila V. van de Stedelijke Plantsoendienst (een vrouw, twee kinderen) had deze gesponsorde plaats niet ingenomen, noch voor, noch na de pauze. Zijn auto werd aangetroffen op de grote parkeerplaats van het oude douanedepot, ver van de schouwburg, maar nergens echt dichtbij.
Rapunzel, ondergebracht op de loonlijst van de onderhoudsdienst van het stadhuis, kon op de meeste vragen afdoende antwoorden en op enkele opwerpingen schouderophalend reageren. Alleen de volwassen vierkoningen baarden de autoriteiten zorgen. Ampele navraag bij de bewoners in de betrokken straat leverde helemaal niks op: het was een steenweg buiten de Oude Ring om de stad, waar om de tweehonderd meter een huis stond. Wat zouden in ’s hemelsnaam driekoningen daar uitvreten? Zo ver van het centrum verwijderd? Deze bedenking pleitte zowel helemaal tegen als helemaal voor Rapunzels verhaal. De stad splitste zich in believers en non-believers op.
Viér koningen? Zijt gij dat wel zeker, Rapunzel?
Ge zijt aan iets vreselijks ontsnapt, Rapunzel.
Attila’s weduwe verbeet haar woede en verdriet thuis. Het begraven van haar hoogtewerker liet haar koud, maar omwille van de kinderen liet zij alles zijn gewone, zwarte gang gaan.
In de kerk bleef een zitplaats onbezet. Rapunzel was tijdelijk of misschien voorgoed ondergebracht in De Brede Veertien, gebouw C, Observatie. Later kon het nog gebouw E worden. Over de gelederen van de Stedelijke Plantsoendienst daalde stilzwijgen neer. Blikken werden vermeden; uitdrukkingen werden gemonsterd; elk detail werd scherp geobserveerd en geanalyseerd. De last van de zwijgplicht was zwaar om dragen. Die veroorzaakte wantrouwen, argwaan, depressies, ziekte, langdurige afwezigheden.
Twee jaar later ging een ploegje van de Plantsoendienst verse boompjes planten in de Steenovenwijk. Op het middaguur kregen ze een sixpack aangeboden van een van de buurtkinderen, gereed geopend. Diezelfde dag meldde zich een vrouw aan de balie in gebouw E van De Brede Veertien. Ze had een driekoningentaart-met-boon gebakken. Wie bij het eten de boon trof, was de koning. Of de koningin.
JORIS DENOO

