Koninkrijk
WANT VAN U IS HET KONINKRIJK
‘Samen kennen wij de mosselman, de mosselman’
Sjors DNO was er zich van bewust dat sterren reeds lang waren uitgedoofd op het ogenblik dat hij ze nog kon zien. Hij keek bij nacht daarom niet met minder vertedering naar boven.
Sjors DNO was er zich van bewust dat wind slechts tijdelijke luchtverplaatsing betrof. Dat belette hem niet in tijden van bries of tempeest zich gelukkiger te voelen dan anders.
Sterren, wind: twee onbetrouwbare grilligheden. Sjors DNO kon ermee om.
Een doorsnee mens zou opmerken: Sjors DNO heeft het allemaal voor mekaar.
Niets was minder waar. Doorsnee mensen waren immers stomweg gelukkig met doorsnee geluk. Stom geluk dus. Dat kleurde hun oordeel over anderen zwart of wit.
Echter! Evenmin was Sjors DNO nog langer aan het worstelen met De Grote Vragen des Levens, Filosofische Kwesties of Prangende Onvolkomenheden op ’s Mensen Pad. We zouden kunnen stellen: niets raakte hem nog, tenzij hij zichzelf erdoor liet raken. En dat moest de moeite lonen. Nou, moeite. Veel dingen dienden zich klakkeloos aan. Je hoefde er zelfs niet eens moeite voor te doen.
Neem nou Gezondheid (vaak vertaald in) (en) Levensduur; Heil (vaak implicerend) (en) Onheil; Veel (vaak uitmondend in) (en) Overschot; Toeval (vaak vermomd als) (en) Lot; Zwart (vaak een mooiere kleur dan) (en) Wit. Voor dat alles toonde Sjors DNO alleen nog geveinsde belangstelling. Genoeg geschaakt, checkmate.
Waar woonde DNO, S.? Zijn verwekkers waren afkomstig uit een streek die weinigen kenden. Oltenië, met name, in Walachije. Ze vluchtten in de jaren ‘50 van de vorige eeuw voor armoede en dictatuur. Hun enige zoon Sjors (Georgiu werd ergens eind jaren ’50 geboren) vertoefde heden in de ouderlijke woning te Moen, Vlaanderen. Zijn pa kwam om in een Waals mijnongeval, op de laatste dag dat er kolen uit de dieptes van ellende werden geschraapt. Zijn ma wisselde een tijd later krijsend het tijdelijke met het eeuwige in een ouderwetse laughing academy ergens in de Vlaamse Ardennen. Eigenlijk verslikte ze zich in een driekoningenboon die in een taart zat verstopt.
(Tot de week vlak voor het mijnongeval hield deze enige zoon op regelmatige basis zijn beide verwekkers in de gaten, teneinde de voortschrijdende rimpeling van de ouderlijke huid nauwgezet bij te houden. Op de plaatsen waar zich deze verouderingen het eerst, het snelst en het ergst voordeden (bij de beide ouders dus), smeerde hij zichzelf meermaals per dag zorgvuldig in. Hielp dit? Dat kon alleen op onbewaakte ogenblikken door eventueel nageslacht of door het eigen voorgeslacht worden geconstateerd. Het was dus uitkijken geblazen naar complimentjes dienaangaande. Was dat smeermiddel doeltreffend? Of betrof het een zoveelste geval van ‘placebo’? Eigen familie was ook verdacht – je mocht die nooit geloven, want als ze het over jou hadden, waren ze eigenlijk over zichzelf bezig, in de mooiste bewoordingen. Soms durfde zelfs het woord ‘genen’ te vallen. Welke familie, overigens, vond van zichzelf niet dat zij ‘the chosen one’ was? Toen deed zich onverwacht de oplossing voor: de beide ouders stierven.)
Het grote voorbeeld van Sjors DNO was Winston Churchill, de man die reeds voor het ontbijt een borrel dronk en, gevraagd naar de lengte van zijn aardse jaren, antwoordde: ‘No sports’.
Sjors DNO was een verkeersslachtoffer en daardoor reeds jaren werkloos. Hij werd namelijk als bediende ontslagen in een grote Brusselse fabriek waar Duitse auto’s werden geassembleerd. Nog even kon hij aan de slag in het gemeentehuis van hoofdgemeente Zwevegem, maar door politieke verschuivingen kwam ook daar een einde aan. Daarna wijdde Sjors zich aan zijn collectie Churchilliana, in het stille ouderlijke huis dat nu geheel van hem was. Een maandelijkse dotatie vanwege de staat belette hem in een kartonnen doos te gaan leven. Soms dronk hij zich lam in café De Ster in Zwevegem, op een boogschot van Moen, bij ontstentenis van vrouw in zijn leven.
Ter zake. Men neme een aantal stille bij wijlen kronkelende secundaire wegen in het opperste zuiden van westelijk Vlaanderen om tot de biotoop Moen (inhabitants: 2 749) te komen. Moen bevindt zich langsheen het kanaal Bossuit-Kortrijk, dat de Schelde met de Leie verbindt. Een waarschuwing bij voorbaat: oudere mensen uit de streek zullen u vergasten op de West-Vlaamse anderhalfliner ‘Moen, waar dat d’ oude meet’n broên’. Vrij vertaald: ‘Moen, waar de oude oma’s leven (broeden)’. Dat slaat natuurlijk nergens op, zo’n rijmdwanggeval. Het is om te lachen. Gedenk bovendien ook even de duivel Moen uit Mariken van Nieumeghen. Maar wie kent die nog. En dat is niet om te lachen.
Sjors DNO, van de regen in de drop. Van Oltenië, Walachije naar Moen, Vlaanderen met name, buiten westen.
In de schaduw van de kerk (als het al eens niet regende) stond een smakelijke hoektand. Hij bewaakte een plein met parkeermogelijkheid en een basisschool. Die hoektand heette Bij Gerarda en je kon er de lekkerste mosselen van West-Europa eten, min of meer à volonté. Die waren zo lekker dat er heuse wachtlijsten bestonden van gegadigden die de Moense mosselen wilden proeven. Bij al dat vreemde gastronomische volk voelde menig Moenenaar (Moenling?) zich somtijds achteruitgestoken. Is mijn geld dan minder waard misschien? Van dat. De rangschikking op die lijsten zette wel eens kwaad bloed. Notabelen, weet je wel. Of van die onnozel kwekkende BV’s, Beroerde Vlamingen die kwamen schnabbelen in de streek. Ook Sjors DNO had goesting in Moense mosselen. Zijn frustratie hieromtrent groeide elk jaar, niet alleen in de maanden met een r, want het woord maand, zo verkondigde hij af en toe luide in De Ster, had verdomme geen r.
Moen lag verre van de zee. Pakweg zeventig kilometer, met de nodige verkeerstrammelant onderweg. Toch waren zijn mosselen gegeerd. In Bij Gerarda betrof het grootste keukengeheim de herkomst van die zeevruchten. Langs Vlaamse wegen trof je immers honderden mosselhonken, met wisselend succes qua verhoudingen smaak/prijs/cholesterol. Hoe slaagde godgenageld een Moense herberg in deze hemelse roeping? Diverse horecaspionnen bleven in het duister tasten. Zeevruchtendetectives stootten op een omertà. Geldleveringen aan banken en warenhuizen hadden verdorie minder mysteries.
Bestond er een verband tussen Sjors DNO en deze lekkernij te Moen geserveerd? Ja en nee.
Ja: Sjors at graag mosselen, die rijkelui-lekkernij die vroeger arme-mensenvoer was.
Nee: Sjors had nog nooit Bij Gerarda van de binnenkant gezien.
Tijd dus dat Sjors uit zijn schulp kwam.
Het begon met een gedicht. Sjors DNO had een mosselgebed geschreven.
GEBED BIJ HET ETEN VAN MOSSELEN
O mossel,
gij die geen vlees zijt,
en eigenlijk geen vis,
gij die alleen bestaat
uit weekheid en pis,
gij die in uw schulp kruipt
en nooit eerste hulp krijgt
terwijl het frietvet druipt:
in uw geest willen wij leven.
Als gij te vreten zijt,
dan zijn wij tevreden.
Al hebben we dan een lookprobleem.
Ons gehemelte is uw zevende hemel,
uw hel en uw eeuwig jachtveld.
Uw dagen zijn geteld.
De onze ook.
Gelukkig zijn er nog de nachten.
Die kunnen ook tellen.
O mossel,
ons koninkrijk voor uw zoute gedachten!
Amen (samen).
In het stille ouderlijke huis vijlde Sjors dagenlang aan zijn mosselgedicht. Een van zijn grootste problemen betrof het al dan niet voeren van een schuilnaam. Bepalend hierbij was natuurlijk de vraag: ‘Wat vang ik met mijn gedicht aan?’
Net als vele mensen te Moen was Sjors DNO ooit doodgewoon ontsproten uit een zaadcel die een eicel besprong. Dat mocht dan wel ver van hier gebeurd zijn (afstand vormt vaak een criterium voor bekendheid), Sjors was met zijn sociaal-realistisch driehoekig Oostblokhoofd verre van een beroemdheid te Moen en omstreken. Men kende hem amper. Hij leidde dan ook een hoofdzakelijk ontslagen leven, op weg naar de herfst van datzelfde leven.
Op 6 juli A.D. 202X schreef hij onder zijn mosselgedicht:
S.J.S. DONOR
Uit tevredenheid met die pennaam zocht hij die nacht straalbezopen zijn bed op. Moen was een mosselman rijker. En een auteur.
Kon het zeevruchtengedicht van S.J.S. DONOR een vrijgeleide betekenen voor toegang tot de tempel der mosselen? Bij gebrek aan een minnares of een vrouw die hij desnoods als een aanhangwagentje met zich meevoeren kon, diende Sjors DNO zich met andere middelen te behelpen. (Veel mannen worden gedoogd omwille van hun vrouw: uit medelijden, soms gecombineerd met schoonheid.) Julidagen lang (de verse mosselen waren nog peperduur, en er waren ondertussen ook al Belgische mosselen op de markt – daar hadden de kooplui uit Holland niet van terug, de zoutwaterkaaskoppen!) tobde Sjors over de bestemming van zijn tekst. Zijn doel betrof niet minder dan een eretafel in Bij Gerarda.
11 juli A.D. 202X klokslag 00:06 postte hij het mosselgebed een beetje wanhopig op zoveel mogelijk internetpoëziesites. Dat bluste al een beetje de brand. Bovendien maakte hij een ouderwetse papieren zending klaar met daarin de handgeschreven versie van zijn gedicht, ook onder pseudoniem. Hij likte de kont van de koning, plakte die in de rechterbovenhoek van de envelop en deed diezelfde nacht nog als een geheimzinnige schim de zending op de bus in het slapende Moen. Bestemming: de eenmansredactie van De Toren, het blad over en onder de kerktoren, tweewekelijks gebust bij elke parochiaan, ook bij die intellectuele postmoderne betwetende elitaire heidenen boven wier postgleuf de waarschuwing prijkte KLEP DICHT VOOR RECLAME- EN ADVERTENTIEBLADEN. Bij nacht en ontij (het sausde natuurlijk weer oude wijven, en een woeste rukwind kamde de boomkruinen tegendraads, balorige Belgische zomers) spoedde Sjors zich grijnzend huiswaarts. Er was gelukkig geen levende mossel te bespeuren.
‘Verdomme, wat is dat?’ vroeg de eenmansredactie, zijnde de pastoor, zich af. ‘En hier in Moen afgestempeld? Is dat om te lachen? Gebed? Mossel? Wie is Donor?’
Hij raakte er niet uit, hoe diep hij ook nadacht door zijn hoofd schuin omhoog richting hiernamaals te houden en zijn blik op oneindig te focussen.
‘Moet ik dat in De Toren zetten? Omdat het woord gebed erin staat? Ik moet opletten daarmee. Het is misschien een weddenschap. Of een truc van een oversekste…’
‘Cut!’ riep het in zijn katholieke hoofd, en hij las het ding nog eens helemaal door.
‘Er zitten veel Bijbelse woorden in, dat wel. Koninkrijk, bijvoorbeeld. Want van U is het Koninkrijk. Maar… mossels, bij God!’
Het was de Quatorze in Frankrijk. De helft van Moen zat in buitenlanden zoals daar zijn Spanje, Turkije, enkele Zwitserlanden en het bijna aanpalende Frankrijk. De andere helft zat te kniezen omwille van de boze buien van de Belgische zomer. De rest zat die avond in Bij Gerarda, zich verkneukelend in het feit dat de Franse mosselen veel kleiner waren dan de Moense. OOK SJORS DNO BEVOND ZICH DIE GEDENKWAARDIGE AVOND ALDAAR. Hij had zijn stoute schoenen aangetrokken en zich telefonisch tot Gerarda gewend in verband met de reservatie voor één persoon op 14/07. Een of andere toogpipo had hem eerst proberen af te schepen. Sjors, reeds wennend aan een schrijverspseudoniem, had beweerd dat hij de burgemeester van Kortrijk was. O, had u dat direct… Zo kreeg hij onmiddellijk verbinding met mosselpatrones Gerarda haarzelf. Neen, hij was niet echt de burgemeester, maar hij had er veel mee te maken, ze zou dat wel zien, en hij zou een heel fijn cadeau voor haar meebrengen, en ze zou het ook interessant vinden hem te leren kennen, de andere gasten waarschijnlijk ook, maar hij zou haar tijd niet in beslag nemen, één persoon dus, op naam van Donor.
‘Donor?’ klonk het verbaasd, gevolgd door een rokershoest.
‘Ja, ik kan dat ook niet helpen.’
‘Van Moen? Van hier?’
‘Ja.’
‘Allez dan… ik heb nog één tafelke naast de toog. Vanaf acht ure.’
‘Dank u wel!’ juichte de heer Donor.
‘Ge weet dat ge hier niet meer moogt smoren hé. Allez: nergens nog. De rook stoort het cliënteel. Natuurlijk wel buiten op het trottoir of op het koertje hier, dat wel.’
‘Ik rook niet!’ juichte de heer Donor.
‘Allez dan,’ besloot de mosselvrouw, en ze plofte zuchtend de pre-gsm-hoorn op het pre-smartphone-toestel.
Nu zat hij daar. Donor. Van kwart voor acht al. Een boerenuur. Ge moest te laat komen wilde ge indruk maken. Niet zo vroeg. Gerarda stond hem van achter het spievenstertje in de keukendeur gade te slaan. Cadeau? Had hij precies niet bij zich. Hij had zich bij het binnenkomen gewoon gemeld. Hij was gaan zitten en had een dubbele wodka besteld. Kende ze hem? Nee. Had iemand van het personeel hem hier al gezien? Mm. Men verdrong zich even aan de deur. Het driehoekige hoofd veroorzaakte geen herkenning. Hij was verdorie wel de allereerste. En alle plaatsen, 43 in totaal, waren vanavond bezet.
‘Het ziet er een seriemoordenaar uit,’ zei een van de zaalmeisjes.
‘Donor. Heet hij echt Donor? Met zo’n naam… Bloed… ‘
‘Hij woont hier allang, maar ik geloof dat hij in Brussel werkte,’ zei de kok. ‘Langs de baan naar St.-Denijs. Hij zat ook op het gemeentehuis in Zwevegem.’
‘Ik denk ook dat ik hem al eens op de fiets heb gezien hier.’
‘Het ziet er mij een eenzaat uit.’
‘Hij zei verdomme eerst dat hij de burgemeester van Kortrijk was, komaan.’
‘Die wordt subiet minister, let op mijn woorden.’
‘Ge moest bij hem zijn om een reispas aan te vragen. In Zwevegem.’
‘Hij zit soms nog in De Ster in Zwevegem.’
‘Welke verrassing zou hij voor u mee hebben?’
‘Ik weet het niet; hij heeft nog van niks gebaard.’
‘Frederika: ’t is uw tafelke hé.’
‘Ja, ge krijgt hier van alles over de vloer,’ zei Gerarda besluitend, en ze kletste haar keukenhanddoek als een flagellant over haar schouder. Ze gluurde een laatste keer naar de gelagzaal.
‘Ah: daar is de pastoor met zijn maten. Tafel zes, Frederika. Ik ga buiten nog een laatste opsteken. Het wordt een lange avond.’
‘Ja madame.’
Sjors DNO zat ietwat grimmig voor zich uit te staren. Aan niets mocht het hem ontbreken. Ook Churchill werd overal waar hij kwam in de watten gelegd. En die schreef ook. Sjors tastte even naar het in vieren gevouwen DINA4-blad in zijn jaszak waarop hij zijn mosselgedicht had gekalligrafeerd. Nu alleen nog het goede moment afwachten.
‘Kan ik nog een dubbele wodka?’ riep hij halfluid naar een ijlings passerend meisje in wit-en-zwart. Zijn woorden waaiden onverrichter zake weg.
‘Meneer pastoor, hartelijk welkom. En heren. Tafel zes is gereserveerd, hoor. Een rustig hoekje.’
‘Een dubbele wodka hé,’ knarsetandde Sjors, toen ze alweer razendsnel zijn eenmanstafeltje voorbij vlinderde, een walmpje van Chanel N° 5 achter latend.
Het kelnerinnetje haperde even in haar vlucht: ‘Hé?’
‘Wodka,’ blafte Sjors. ‘Dubbel.’
Bij wijze van proefondervindelijkheid hield hij zijn lege glas omhoog en wapperde er even mee.
‘O, ja,’ knikte het meisje.
‘Geen ijs. Not on the… ‘
‘Ja ja,’ onderbrak ze.
Ze was alweer verdwenen in de nevelen van de mosselkeuken vooraleer hij de kans gekregen had zich op te winden op een manier alsof hij elke dag in de horeca vertoefde. Boos keek hij naar de pastoor en diens gezelschap van twee mannen. Ook pastoors? Heden ten dage kon je die religieuze lui niet meer van de stervelingen onderscheiden. Een rustig hoekje.
Sjors DNO, die ’s nachts naar de sterren keek en zich gelukkiger voelde als de adem van de wind de bomen tegendraads kamde, had zich de laatste decennia niet meer bezondigd aan kerkbezoek. Het enige religieuze feit in die periode betrof een pisbeurt tegen de sacristiedeur, na alweer eens een avondje eenzaam hijsen in Zwevegem na zijn ontslag omwille van politieke verschuivingen.
De zaak zat nu bijna vol. Men knikte het eenmanstafeltje minzaam toe: het knikje tot de onbekende, waarover men later aan een disgenoot fluisterend en opzij gebogen achter een servet zou vragen: ‘Maar wie is dat daar?’
Die tweede wodka, tot de rand gevuld, werd door patrones Gerarda in hoogsteigen persoon op een schaaltje afgeleverd.
‘Alstublieft meneer Donor. Zonder ijs hé.’
Ze speurde ondertussen nieuwsgierig zijn kleren, handen en gezicht af, op zoek naar een verrassend teken.
‘Dat ik voor u toch nog een tafeltje kon versieren, hé!’
‘Ja, merci daarvoor,’ knikte Sjors plechtig.
‘Van Moen?’
‘Van Moen.’
‘Tiens, ik ken hier geen eh… Donoren… Donors.’
‘Eh… we zijn niet echt van de streek.’
‘Ah ja, zo. Allez… ‘
‘Zijn de mosselen goed?’
‘Prima en… à volonté. Enne… gij hebt iets in petto? Voor vanavond? Een surprise? Aan de telefoon… ’
Sjors DNO lachte geheimzinnig. Even keek hij om zich heen. De gelagzaal was volgelopen.
‘O… mijne tuinman en compagnie!’ riep Gerarda plotseling uit. ‘Ik kom subiet nog een keer langs, meneer Donor. Mijne tuinman… ‘
Sjors knikte kwaad (zijn hoofd eerst met een ruk naar omhoog en pas dan naar omlaag, niet omgekeerd) en zette morsend zijn tanden in zijn tweede dubbele wodka.
Ergens op het grote parkeerplein naast de mosseltaverne van Gerarda, waar de gemeente Moen het beproefde visgraatsysteem toepaste, begon nu een auto paniekerig te loeien, met korte tussenpozen. Alle fijnproevers in Bij Gerarda zaten elkaar vragend aan te kijken. Herkende dan niemand de noodkreten van zijn eigen vehikel? Waren ze dan allen te voet of op de fiets gekomen?
Het personeel, handdoeken aan heupen of over schouders bungelend, kwam nieuwsgierig aan de vensters van de verbruikzaal postvatten.
‘Ziet gij iets?’
‘Neen-ik.’
‘Maar allez, dat er nu niemand… ‘
‘Die gaan ze nooit van z’n leven pakken, die auto bedoel ik, niet de inbreker.’
Het parkeerplein stond vol; het was niet mogelijk van hieruit een protesterende auto te detecteren.
Gerarda draaide zich nu autoritair om, naar de mosselgelederen in haar kaffaat:
‘IS DIE SIRENE VAN IEMAND VAN HIER? DIE HIER ZIT?’
Kort gelach verspreidde zich over de tafeltjes.
Er keken er een paar naar die eenzaat aan de toog. Sjors DNO walste lichtjes zijn tweede wodka en reisde met zijn blikken over alle gezichten die hij kon waarnemen. Ondertussen schudde hij lichtjes van nee, zodat duidelijkheid omtrent zijn vervoermiddel heerste.
Plotseling zweeg het opstandige voertuig als vermoord. Iedereen hees zich weer in zijn rol. Stemmen gingen over in collectief geroezemoes en het personeel haastte zich hoofdschuddend naar Het Land van Kokanje in de ingewanden van Bij Gerarda, waar ettelijke kilo’s mosselen een wrede kookdood aan het sterven waren, à 22 € per persoon, twee glazen Muscadet inbegrepen.
Nog tweemaal ging het voertuig hardop aan het protesteren.
Betrof dit een waarschuwing vanwege de goden? Wraak vanwege generaties mosselen? Had men te Moen tussen Leie en Schelde beter op zijn hoede moeten zijn?
Later zou een overlevende getuige van De Hel van Moen het hebben over een alarmsirene die tot driemaal toe weerklonken had, tweemaal gevolgd door een stilte voor de storm. De derde alarmsirene had heel dichtbij geklonken. Toen was de hel losgebarsten: net op het ogenblik dat die onbekende eenzaat aan het toogtafeltje met een verdacht gebaar naar zijn jaszak had gegrepen.
Dat vehikel had zich plotseling om een onbekende reden uit zijn parkeerplaats losgeweekt en was door de lichte hellingsgraad van het terrein naar beneden gehobbeld, schuin afwijkend, nog wat schuiner afwijkend naarmate het verder hobbelde, tot het uiteindelijk tot stilstand kwam en het voorportaaltje met de voordeur (de enige toegang tot Bij Gerarda) blokkeerde. Dat had niemand van de zeevruchtenlekkerbekken gemerkt. Ze zouden het wel subiet gaan horen.
Zaalmeisje Frederika naderde het toogtafeltje met de dampende mosselpot. Toen gebeurde alles tegelijk. Dat verdomde vehikel buiten begon aan zijn derde tirade, vlakbij en veel harder, iedereen schrok zich een kriek, alle hoofden bewogen zich met een ruk zijwaarts, Sjors DNO stootte zijn wodka om toen hij te haastig naar zijn zak tastte om zijn mosselgebed eruit te halen toen hij zijn portie zeematrasjes zag naderen, Frederika (geschrokken door die autosirene?) dacht dat de kerel (een seriemoordenaar? Donor!) naar zijn mes of revolver greep, struikelde over haar eigen voeten zodat het deksel van de mosselpot middelpuntvliedend weg zeilde vol in het gezicht van een aanpalende klant en de inhoud (nog net onder het kookpunt) vervolgens over het hoofd van Sjors DNO uitgebaggerd werd.
Er veranderden prompt nog dingen en mensen van uitzicht en plaats, begeleid door het loeien en snerpen van dat ellendige autoalarm, dat telkens weer uithaalde als een woedend kind, en dat herhaalde aanvallen op de deur leek te ondernemen. Een achtarmig brandend kaarsenstel was door een brullende Sjors aan zijn onderkleedje van de toog gesleurd en weldra likten de vlammen van deze vurige inktvis gretig aan de wodka, zich vermenigvuldigend via servetten en tafelkleden en mensenharen. Sjors DNO zag vurige sterren en hoorde het woeden van wind. De aanpalende man die het deksel midscheeps zijn gezicht had gekregen, vatte vrijwel onmiddellijk vuur. Onhandige bluspogingen met o.a. alcoholische dranken zorgden alleen maar voor snelle uitbreiding van het vlammenzeetje. Ook het feestelijke textiel van diens drie tafelgenotes stond nu in de fik. Frederika liep met brandend voorschootje gillend de keuken in, waar ze tegen allerlei vuuronbestendigs aan botste. Het keukenpersoneel vatte vuur. De kok stond zelf ook al onmiddellijk in lichterlaaie: hij werd van drie kanten aan zijn mouwen getrokken door helden op zoek naar natte handdoeken, dweilen, emmers met water. Lopende vuurtjes alom: in de gelagzaal, in de keuken. Binnen de twee minuten was De Hel van Moen een feit.
‘Uw dagen zijn geteld.’
Dit vers kon nog worden ontcijferd op het verkoolde stuk papier dat op het geblakerde lichaam van Sjors DNO werd aangetroffen. Daardoor vermoedde men dat de onbekende wraakzuchtige eenzaat aan het eenmanstafeltje de brand uitgelokt en aangestoken had. Vooral Gerarda zelf, die ook het inferno overleefd had, was daarvan overtuigd.
‘Hij zei eerst dat hij de burgemeester van Kortrijk was, en dan dat hij Donor heette. Frederika, God hebbe haar ziel, vond ook al dat hij er als een seriemoordenaar uitzag. Volgens mij was hij gestoord: hij gebruikte zelfs zijn wodka als brandversneller.’
Ook de eenmansredactie van De Toren, zijnde de pastoor, zat met een probleem. Deze heilige man was natuurlijk (beschermd door de katholieke God?) de vurige dans ontsprongen, zij het met tweedegraads brandwonden. Toen hij het nieuws van het vers vernam en de naam Donor hoorde vallen, greep hij andermaal naar het vreemde gedicht dat zich bij hem in de gedaante van een gebed had gematerialiseerd.
‘Wie de ziel heeft van een dichter, heeft ook die van een moordenaar,’ mompelde hij. ‘Misschien leefde de duivel echt hier te Moen. Ik ga op eigen kosten zeven extra mosselmissen opdragen, die elf begrafenisplechtigheden niet meegerekend.’
De pastoor verbrandde diezelfde dag nog het mosselgebed van S.J.S. Donor in de doopvont van de Sint-Eligiuskerk. Op dat ogenblik dreef reeds enkele uren het stoffelijk overschot van de dove gepensioneerde schooljuffrouw Gisela in de dode Scheldearm nabij Outrijve. Zij was de eigenares van het vehikel dat die helse avond de voordeur van Bij Gerarda geblokkeerd had.
Bij Gerarda, de gastronomische hoektand van Moen (inhabitants inmiddels 2 738 – 11 inwoners lieten het leven in De Hel van Moen), werd nooit heropgebouwd. Nadat de stank van verbrande mosselen en verschroeid mensenvlees verdwenen was, gebeurde er het saaiste wat ermee gebeuren kon. De hoektand werd getrokken. Nu staat er een spuuglelijk 21ste-eeuwse gebouw waar aan elk raam de slogan hangt: UW GELD TELT. Niets is minder waar gebleken, godverongelukt. Een godverdomse geldbank in plaats van een mosselbank!
Maar de prijs die de onfortuinlijke lekkerbekken in de avond van 14 juli voor een royale portie mosselen betaalden, te Moen, ‘waar dat d’oude meet’n broên’, was gastronomisch hoog. Hun behoort nu het Koninkrijk.
JORIS DENOO

