Kid Katanga
KID KATANGA
De moord op thrillerauteur Rick Syracuse was natuurlijk gloeiendheet nieuws. De man had immers zelf een aantal papieren moorden op zijn geweten. Zijn kerfstok was zijn schrijfstok. Het was bekend dat Rick Syracuse zijn moordverhalen in ouderwetse inkt drenkte en koppig weigerde zijn manuscripten digitaal of zelfs maar getypt bij zijn uitgeverij in te leveren. Men leerde ermee leven bij uitgeverij PlotPlus, want de moorden van Syracuse betekenden kassa.
Nou, in levenden lijve was hij nu dus zelf vermoord.
De eeuwenoude vragen luidden: wie, hoe, waarom?
Rick Syracuse had 49 jaren, 6 misdaadromans, 2 huwelijken en 3 zonen op zijn naam staan. Zijn schaapjes waren op het droge en zijn huis bevond zich op de buiten. In zijn laatste boek liet hij een bokser om allerlei extrasportieve redenen naar de andere wereld helpen.
Boksbeugel noch kogel hadden de auteur het tijdelijke met het eeuwige doen wisselen. Nee: hij was ten huize van zichzelf met een ingenieus lussensysteem van sporttape (merk Artihand) blijkbaar eerst overrompeld, daarna ingetapet en vervolgens gewurgd. Zijn Cross-vulpen stak tussen zijn dodelijke halsband en had als wurgdommekracht gefungeerd. Donkerblauwe inkt kleurde de achterkant van de halsband. Het was net alsof een spin haar slachtoffer had ingewikkeld en daarna geïnjecteerd met verlammend gif. Het leek ook een beetje op een boek met een wikkel rond…
Sid Maranga: ik hoorde minstens twee van zijn ribben kraken toen mijn rechter vol op zijn karkas inbeukte. In mijn gedachten schoot mijn vuist zo door zijn vlees heen, een zwart gat met rode sliertwanden veroorzakend. Beeldde ik het me in of wolkte er stof uit zijn vege lijf? Of was het een zwerm van zweetdruppels, zoals je wel eens vertraagd in een boksfilm ziet? Zijn ene nog niet dichtgetimmerde oog lichtte verbaasd even op. Ik voelde de weerslag van mijn aanval tot in mijn schouder en nek. Elke uithaal sloopte ook mijn lichaam. Verbazing werd razernij bij mijn tegenstander, maar vooraleer Sid Maranga daar gebruik van kon maken om me op zijn beurt een pandoering te geven, vertrok zijn gezicht zich in een pijngrimas. Hij reikte met zijn beide boksstompen tegelijk naar zijn kaduke ribbenkast en zakte vervolgens onder luid gejoel door de knieën.
Even later pakte de scheidsrechter mijn rechterarm en stak die omhoog: ik had mijn vijfde kamp gewonnen, op punten. Sid Maranga zat me in zijn hoek met zijn ene oog te vermorzelen. Het zag geel van haat en nijd. Ik grijnsde naar hem en stapte dan malende met mijn armen de ring rond. De ebony-ivory-trofee in de middengewichtklasse was dit jaar voor mij, Moe d’Arta.
‘Proficiat, meneer Moe d’Arta. Excuus dat ik zo kort na de kamp binnen kom vallen.’
‘Geen probleem,’ glimlachte ik. ‘We hadden afgesproken hé. De pers is alweer weg en het feest begint pas over anderhalf uur. Mijn manager, Marcus, bracht me op de hoogte. Dit hier is Marcus Camberledge.’
Auteur Rick Syracuse drukte ons de hand. Ik merkte dat de toppen van zijn rechterduim en –wijsvinger donkerblauw waren.
‘Mooie kamp,’ zei hij. ‘Echt van genoten.’
‘Ja hé? Champagne?’ zei Marcus.
‘Graag.’
‘Gaat u zitten, meneer Syracuse.’
‘Zeg maar Rick.’
Terwijl ik de laatste hand aan mijn toilet legde, en Marcus een fles ontkurkte, bekeek ik de misdaadschrijver in de spiegel. Waarom kwam deze grijze midlifer naar ons toe? Situeerde hij ons, boksmensen, misschien per definitie in de wereld van de misdaad?
Ik glimlachte even toen zijn spiegelbeeld me betrapte.
‘Vlug opgeknapt, meneer d’Arta!’
‘Zeg maar Moe.’
‘Moe.’
‘Ja, ik recupereer vlug.’
‘Is Sid Maranga nog in de omgeving?’ informeerde Rick Syracuse.
‘Nee, die is onmiddellijk na de kamp naar St.-Aloysius gebracht, voor een check-up,’ antwoordde Marcus met enig leedvermaak.
‘Ach zo.’
‘Oké, nu, ter zake: wat schuift dat, meneer Syracuse?’
Mijn manager wond er nooit doekjes om.
‘U valt wel met de deur in huis, meneer Camberledge.’
‘Dit is de wereld van het boksen hé. We bevinden ons in de ring. Hebben we het over vier of over vijf nullen? Hoeveel rondes?’
‘Aha.’
Rich Syracuse wreef zijn donkerblauwe duim- en vingertop over elkaar: het strijkorkestje van de kassa. ‘Mijn uitgever voorziet 3 000 euro als aanbetaling voor drie sessies van ongeveer een uur. Ik mag alles tapen en gebruiken. Ik neem ook notities met mijn beste vriend hier… mijn peperdure Cross-vulpen … (Syracuse toonde hen even het kleinood waaruit al vijf boeken waren gevloeid) … en wanneer het boek verschijnt, volgt nog eens 4 000 euro. Dat is, al zeg ik het zelf, goed betaald.’
‘Hm.’
Marcus Camberledge verkende even vluchtig mijn gezicht, terwijl hij de flûtes vulde. Ik was per slot van rekening de echte kostwinner, en dat besefte hij goed.
‘Prosit!’
‘Op de overwinning. Gezondheid.’
’7 000 dus hé? Eh… in een witte enveloppe telkens?’
‘Dat kan ik maken.’
‘Moe?’
‘Akkoord,’ deed ik, mijn glas in hun richting heffend. ‘Als niemand maar te weten komt wie… en hoe en zo… enfin… je weet wel… Het is geen biografie hé. Ik wil niet in een boekje terechtkomen. En zeker al niet in een misdaadboekje. Mijn leven is… Ik geef alleen info.‘
‘Nee nee: puur fictie,’ haastte Rick zich te zeggen. ‘Ik gebruik alleen de informatie uit het wereldje om alles echt en aanvaardbaar te maken. Research, hé. Kwestie van geloofwaardigheid.’
‘Frictie?’ echode Marcus verkeerdelijk.
‘Nee: fictie. Fantasie. Een onbestaande wereld.’
Ik ontdekte een zweem van minachting en spot om de lippen van Syracuse.
‘Ah ja… papier hé.’
‘Precies. Papier is gewillig. Ik schep een onbestaande, maar geloofwaardige wereld. Ik documenteer me daartoe ter plekke. De beste schrijvers doen het zo. Professioneel. En dat mag wat kosten.’
‘Hm. We hebben een deal, nietwaar Moe?’
‘Ja,’ knikte ik. ‘7 000.’
Auteur Rick Syracuse had vervolgens, gespreid over twee weken, drie gesprekken met mij. Over ‘het wereldje’. Ik was immers Moe d’Arta, de jonge beloftevolle half-blanke bokser die nu eens niks te maken had met achterbuurten, gevangenissen of schemerzones. Ik was de zoon van een jeugdboekenillustratrice en een tandarts. In en buiten de ring noemde men mij daarom Best Bite, wat de vrouwen natuurlijk vertaalden als Lekkere Brok. De pers nam dat graag over; het scheelde weer twee woorden in hun kolommen: Moe ‘Best Bite’ d’Arta. Het klonk wel aardig, zelfs met een mondstuk in.
In de interviews met Rick Syracuse vertelde ik honderduit. Eén van de hamkwesties was natuurlijk ook: waarom kiest iemand voor de bokssport? Een bijna-blanke buitenwijker dan nog wel? Zoals wel vaker in dergelijke gevallen – ik ben een doodgewone jongen – kwam ik bij een van mijn oude scholen terecht. De twee jaren terreur van Bully hadden bij mezelf en mijn afstuderende klasgenoten sporen nagelaten. Bully: een combinatie van (in deze milde volgorde) studieopzichter, leraar rooms-katholieke godsdienst, priester, passief sportfanaat (‘een gezonde geest…’ etc.), vopo, kapo, gestapo en volgens hardnekkige geruchten ooit legionair bij het Vreemdelingenlegioen. Bully’s mond spuwde grote gevaarlijke woorden: discipline, orde, tucht, opvoeding, geloof, gezin. Zijn r’en rolden bovendien gebrekkig en veroorzaakten waaiers van speeksel. Zijn handen en sleutelbossen zwierden los in het rond; hij had het vaak op de oren van de scholieren gemunt.
Twee jaar lang was hij onze tiran. Twee jaar lang teisterde hij onze afstudeergeneratie. Tijdens het allerlaatste trimester spookten we dan toch van alles uit: we reden met moto’s in het trappenhuis van de school rond, we vermaalden ijs in de rekenmachine van de schoolbar, we gooiden lampen en ramen aan diggelen, we spoelden Bully’s regenjas door het toilet, we trokken zijn dwaze posters van de studiezaalmuren en verscheurden die of we gingen in grote groepen in zitstaking tijdens de verplichte studie-uren, onder het kwelen of fluiten van protestsongs.
Zou hij mijn keuze in de hand hebben gewerkt? Ik incasseerde meerdere keren een loeiharde draai om mijn oren van hem. Hij was ook een niet-pratikerend sportfanaat. Het deed de ronde dat hij stiekem trainde, in zijn rooms-katholieke ondergoed. Waarschijnlijk belette (verbood?) zijn officiële priesterplunje hem aan openbare blote sporten deel te nemen. In mijn toenmalige gedachten zag ik hem altijd als een worstelaar, judoka of… bokser. Die vlezige nek… Die worstenvingers… Van gevechtssporten had hij echter (alweer omwille van dat geloof?) geen hoge pet op.
Toch kregen we toen af en toe boksles. Dat gebeurde door Piet Miel, een piepjonge gymleraar van amper anderhalve meter. Die voelde zich opperbest in de vierkante ring. Piet Miel was in die jaren ook nationaal kampioen aan de turnringen, wat hem bij ons de bijnaam Lord of the Rings opleverde. Die Piet zat zelf ook onder de knoet van Bully, zoals de meeste jongere leraren toen. Tijdens een van die bokslessen liep ik een bloedstorting in mijn voet op. Te enthousiast ‘gedanst’, weet je wel, à la Cassius Clay. Misschien dat daar ook…
‘Kan ik dat gegeven gebruiken in mijn boek?’ onderbrak Rick me.
‘Eh… ja. Die Bully moet het maar weten.’
‘Dat is ook al een tijdje geleden hé. En er passeerden zoveel leerlingen door eh… door zijn handen.’
‘Ja,’ beaamde ik, ondertussen proberend met het huidige gezicht van Bully voor te stellen, een decennium later. Dat lukte niet; ik kwam telkens op een dodenmasker uit. Wellicht een wensdroom.
‘Zolang als je mij dus maar buiten schot laat.’
‘Je hoeft je geen zorgen te maken, Moe. Je zult onherkenbaar zijn, als ik je al nodig zou hebben.’
‘Misschien is Bully al dood, wie weet.’
‘Misschien. Hoe dan ook: hij krijgt een andere naam in mijn verhaal, mocht hij al opduiken natuurlijk.’
‘Natuurlijk.’
En daarmee was het lot van Bully bezegeld. Bully, van wie ik me niet eens meer de echte naam herinnerde.
‘Dat je vader tandarts is… ‘
‘Ja… Vreemd hé?’
‘Stond… Staat hij achter je keuze?’
‘Ik ben eerst diëtist geworden. Om hem gerust te stellen. ‘Iets achter de hand’, ken je wel. Daarna ben ik mijn gang gegaan. Mama vormde geen partij; die zat en zit met haar neus in de prentenboeken.’
‘Zit het misschien al van vroeger in de familie?’
‘Mijn voorvaderen waren voermannen en landbouwers. Een betovergrootmoeder vermoordde haar eerste man, Bernard. Dat was in Amerika. Het is nooit bewezen en ze werd nooit veroordeeld, maar het is wel een publiek geheim.’
‘Aha, dus toch… ‘
‘Haha.’
‘Je ziet, Moe: het werkelijke leven is soms eh… intenser dan het in de boekjes wordt beschreven hé.’
‘Frictie,’ zei ik, met een gemene grijns naar Marcus kijkend, die tijdens de sessies met de misdaadauteur geen seconde van mijn zijde week.
‘Ik heb ooit een echte priester-bokser gekend,’ vertelde Marcus, mijn opmerking negerend. ‘Hij reed ook op de moto. Kwam ’s zondags pardoes zo zijn kerk binnengetuft. Organiseerde bokstrainingen voor probleemjongeren. Hij is al dood.’
Dat laatste zinnetje kwam er zeer vreemd uit, haaks op de vorige mededelingen.
‘Priesters zouden prima sporters zijn,’ zei Rick.
‘Ja? Waarom?’
‘Geen vrouwen omtrent.’
‘Meestal toch hé.’
‘En kinderen dan, godverdomme,’ mompelde Marcus, maar daar luidde de bel al. Deze ronde was afgelopen. Einde interview II. Nog één te gaan, overmorgen.
Na het derde gesprek, dat absoluut geen diepte-interview meer was, of een hengelen naar informatie en verhalen, maar meer een gezellig onderonsje met alweer champagne, namen we voorgoed afscheid van Rick Syracuse. We waren het erover eens dat verder contact overbodig was: in het belang van de boeken, in het belang van het boksen. Per slot van rekening had Rick niet de bedoeling een boek over de bokswereld te publiceren. En wij waren tevreden met de centen en de rust. Hij beloofde dat hij ons het boek zou laten zenden. Een titel wou hij liever nog niet kwijt, maar volgens Marcus had hij nog helemaal geen titel.
Misdaadroman nr. 6 van Rick Syracuse was een uppercut vanjewelste… die vol uiteenspatte in mijn gezicht en in dat van mijn manager Marcus Camberledge.
Het leek erop alsof de schrijver letterlijk uit de biecht en uit de school klapte, waarbij hij inderdaad – zoals hij gestipuleerd had – fictie gebruikte. Die namen alleen al, godverongelukt!
Zo werd er ene Giel Mylle ten tonele gevoerd, een pedofiele gymleraar die ene Lou Harpa tijdens diens scholierenjaren zonder succes benaderd zou hebben, waarna hij hem uit wraak enkele rake klappen tijdens het jiujitsu verkocht zou hebben, met o.a. een blauw oog als gevolg.
Ene Sully, priester-studieopzichter in dezelfde school, bleek Lou Harpa ook al gemolesteerd te hebben, nadat hij een soort biecht van hem had afgenomen over de praktijken van Giel Mylle.
Het hield niet op. De grootvader van Lou zou in de cel zitten wegens doodslag op een boekhouder. Klap op de vuurpijl: de manager van de beloftevolle half-blanke middengewichtbokser Lou Harpa zou tegenstander Kid Katanga hebben omgekocht om in de vijfde ronde van de nationale titelstrijd neer te gaan. Uiteindelijk zou deze Kid Katanga nog omgebracht worden.
Ik las KID KATANGA, misdaadroman nr. 6 van Rick Syracuse met kolkend bloed. Nog nooit had ik zo vlug een boek uitgelezen. Diezelfde avond belde ik Marcus op.
‘Alles opzij en eraan beginnen!’ gebood ik hem.
Rond middernacht belde hij me op.
‘Vreselijk… ‘ zei hij. Hij klonk gevaarlijk kalm. ‘Dat kan niet door de beugel.’
‘Maar wat doen we eraan?’
‘Nachtje over slapen?’
‘Dat wordt dan een onrustig nachtje. Verdomme: heb je dat nu nog meegemaakt? Die… die hypocriete pennenlikker!’
Anderhalve maand later werd Rick Syracuse dus ten huize van zichzelf netjes ingetapet en weggewurgd uit dit leven op aarde, deze misdadige planeet, onder andere met behulp van zijn dure vulpen, die hem uiteindelijk van alle zin voor realiteit afsnoerde.
De misdaadauteur werd door een van zijn eigen lezers vermoord. Aanvankelijk had men dat personage over het hoofd gezien. Een lichtgewicht, zogezegd. Maar eigenlijk was de ring de schrijver fataal geworden.
JORIS DENOO

