Naar de inhoud

VRESELIJKE VERHALEN

JORIS DENOO
akke.beakke.be

Archief

Eindelijk heiden

EINDELIJK HEIDEN

Eindelijk heiden. Het was eenvoudig. Had Mauwerik dat geweten, dan was het al veel eerder gebeurd. Om je te laten ontdopen, tikte je op de zoekmachine ‘ontdopen’ in. Een website, standaardformulering en mailadres wezen je verder de weg naar ontslag uit het leger van God met een hoofdletter. Twee dagen later al ontving Mauwerik een bevestigingsmail uit de provinciehoofdplaats, waar de administratie van het bisdom huisde. Men wilde alleen nog weten waar zijn ouders hadden gewoond ten tijde van zijn geboorte, om het juiste parochieregister terug te kunnen vinden. Dat was niet moeilijk: het was het huis waar hij nu zelf woonde, alleen en van geen mens gestoord.

De timing voor dit afzwaaien zat goed. Het hart van Mauweriks vader had ongeveer een jaar geleden geweigerd verder bloed op te pompen en zijn vrouwelijke verwekker had ondertussen immer duidelijker de hyena’s in de verte horen lachen, zodat ze kort daarna op de derde verdieping van de laughing academy in het nieuwe ziekenhuis aan de rand van de provinciestad haar intrek mocht nemen. Van dit oude front viel dus geen weerwerk meer te verwachten. Mauwerik had er zijn oudjes ook niet over geüpdatet, bang voor aanvallen van het hart en opstoten van waanzin. Een nobel gebaar, dat hij evenzeer niet had kunnen maken. De natuur ging zijn gang. Voldongen feiten van lijf en leden hielden met niets rekening.

Hoe ouder Mauwerik werd, hoe meer hij besefte dat een religie van zonde, schuld en boete, gestut door een schijnheilig en corrupt systeem, generaties en samenlevingen kon besmetten, verstikken, vergiftigen en demoniseren. Van in de baarmoeder tot in het graf of de urne bemoeiden ze zich met je. Mauwerik vond het bij nader inzien jammer dat de term ‘ontdoping’ werd gebruikt. Die klonk alweer te negatief, zoals ‘bijgeloof’, ‘ongelovigen’ of ‘atheïst’. Misschien was het meest misbruikte woord wel ‘geloof’. In de Westerse wereld hadden katholieken en consorten het zich onrechtmatig toegeëigend. Andersdenkenden (weer zo’n woord!) leken voortdurend iets te ontkennen, tegen beter weten in.

Mauwerik was dermate een humane mens dat hij de ijdele monopoliepositie van de geloofsbelijders en –verspreiders niet nodig had. In zijn jeugdjaren had hij in een magazine een geïllustreerd verhaal gelezen waarin een zekere Oude Hein bij een gevaarlijke put in de weg eigenhandig een petroleumlamp had gezet zodat er des avonds geen voorbijgangers in vielen. Vanuit zijn nederige stulpje hield deze Oude Hein vervolgens een oogje in het zeil. Mauwerik vond dat zo prachtig dat het zijn hele verdere leven bleef bepalen. Op den duur had hij er zelfs dat hele kerkgedoe niet meer voor nodig, en figuren in lange zwarte rokken die je op de mooiste of diepste momenten van je leven hun koude kerken in joegen om je met een verse portie schuldgevoelens op te zadelen. Alles wat op een dwarshout of een kruis leek, veroorzaakte splinters van woede in zijn aderen. Hij verafschuwde de sadistische en masochistische metaforen waarin ‘bloed’ en ‘lichaam’ de hoofdrol speelden. Hij vond het puur kannibalisme: ‘Drink Mijn bloed, eet Mijn lichaam.’ En moest zo’n god per se een man zijn? ‘In Hem, met Hem en door Hem’? ‘Ik ben die ben.’ Betekende dit waarachtig de ‘verlossing’? Waarvan moest de mens dan wel verlost worden? Van het fabeltje van de erfzonde? Waarom die ijdele hoofdletters? Die vage bezweerpraat? Nou: Mauwerik had uiteindelijk zichzelf verlost van zijn opgelegde lidmaatschap van het leger van God met een hoofdletter. Klare taal. Zuivere syntaxis. Eindelijk heiden.

Vroeger moeiden ze zich vooral met de scholen. ‘Vrij’ onderwijs betekende decennialang ‘onvrij’ onderwijs. Hun invloed was overweldigend en verstikkend. Naarmate er in de loop der jaren minder zwartrokken (m/v) en kruisheren en –vrouwen waren, en de overgebleven kerkkompanen ouder geworden waren, verlegden ze hun aandacht naar de senioren. Hun klauwen en tentakels strekten zich nu uit naar bejaardentehuizen, serviceflats, seniorieën en andere instituten waar mensen op hun dood zaten te wachten. Ze zagen er ondertussen ook anders uit: undercover, in ‘gewone’ verpakking. De bevlekte soutanes en de muffe kappen waren afgegooid. Soms flikkerde er ergens nog een verborgen kruisje op van tussen wat textiel. Toch kon Mauwerik nog altijd van op een verre afstand een non of een priester herkennen. Het waas van bekeerdrift en een bepaalde tint van bemoeienisgrijs waren onmiskenbaar. Soms had hij dan zin om zo iemand die ene vraag te stellen: ‘Waarom laten jullie in godsnaam de mensen niet met rust?’

De grote katholieke gezinnen van na de Tweede Wereldoorlog telden veel zonen en dochters. Zeven was een heilig getal. Statistisch gezien moest daar veel onheil uit voortkomen. Met zulke aantallen liep je een grotere kans mettertijd misdadigers, andersdenkenden, rare kwieten of schuinsmarcheerders gekweekt te hebben. Aldus geschiedde. Driekwart van Mauweriks generatie verhuisde later uit de provinciestad, uit ongenoegen met of in onmin met gezin, kerk, school, vereniging of club. Soms noodgedwongen. Wie er overbleven, hokten met elkaar en pasten ervoor op niet meer dan het ondertussen moderne gemiddelde aantal kinderen van 2,3 te nemen. De kerkstoelen bleven vrijwel leeg. In dat verband deed alweer een negatief woord zijn intrede. Kerken werden bij gebrek aan volk ‘ontwijd’ – die deden verder dienst als kunstgalerij, discotheek, bibliotheek of restaurant. Of ze vlogen in de fik.

Mauwerik hielp daarbij een handje toen hij de toren van de hoofdkerk in brand stak.

Morgen zou hij weer ‘zwaar haar’ hebben. Dat wist hij nu al. Hij werd er ook niet jonger op. Het werd namelijk een steile avond in zijn stamcafé De Heerlijkheid, tot diep in de nacht. Zoals vaak het geval was met geslaagde gebeurtenissen, werd niets vooraf gepland. Ze hadden er zelfs niet eens afgesproken: Geachte Heer, Heerschap, Heer God, Heerlijke Vlinder en Heerschaar, in het echte leven buiten De Heerlijkheid zijnde Dirk, Stefaan, Mauwerik, Carmen en Peter, allen gescheiden, voorlopig vrijgezel of aan een volgend huwelijk bezig. Iets na middernacht was zelfs Allerheiligen nog binnen gekomen. Die was getrouwd, maar ging vreemd. De pret kon niet meer op. Vooral door de gedachte aan de volgende dag, die officieel vrijverklaard was als Dag van de Arbeid. Er werd dus dapper gedronken en geklonken. Vooral Mauweriks ontdoping sprak tot de verbeelding. Ze zouden het allemaal doen, zeiden ze. En ze zouden voor de laatste keer in hun leven een kerk binnengaan. Morgen. Afgesproken. Jammer dat het vannacht niet meer kon. De deuren zouden nu wel gesloten zijn. ‘Als van een kerker,’ zei Mauwerik. ‘De vergrotende trap van kerk’. Dat was een goeie. Daar moest nog een beker des verbonds op gedronken worden. Omstreeks halfdrie in de ochtend leidde bazin Myrtille met zachte aandrang het gezelschap naar buiten, de grauwe werkelijkheid in, waar ze weer hun doopnamen aannamen.


Mauwerik en Stefaan rammelden die nacht toch nog aan enkele deuren van de hoofdkerk. Tot hun stomme verbazing gaf er een mee: in het zijportaal waar het het ergst naar pis stonk.
‘Verdomme!’
‘Halleluja!’
‘Bellen we de rest nog?’
‘Maar die zijn nu al… ‘
‘Wacht… ‘
Mauwerik probeerde Carmen, daarna Peter, maar geen van beiden reageerde. Hij haalde zijn schouders op.
‘Allerheiligen zal Heerlijke Vlinder wel weer het heilig oliesel toedienen.’
‘Laat maar. Gaan we… ?’
‘Ja.’
‘Sanctuary!’

Het was niet helemaal donker in de kerk van Sint-Pietersbanden. Door de brandglasramen likte zich wat roze schijn naar binnen, net genoeg om het niet oudtestamentisch duister te laten zijn. Helemaal vooraan smeulde ook een rood lampje. Toch gebruikten ze het licht van hun smartphone om zich een weg te banen door de stoelenrijen. Hun dronkenschap leek plotseling gehalveerd. Zonder dat ze het hadden afgesproken, schuifelden ze in de richting van de deuren die aan weerszijden toegang tot de toren verschaften. Ze gingen voor rechts. De deur was open. In de ruimte erachter was een indrukwekkende hoeveelheid adembenemende rommel uit vroegere tijden opgeslagen. Molm en walm deden ze even naar adem happen. Een volgend deurtje gaf toegang tot een smalle stenen wenteltrap: het opstapje naar de hemel. Die was op een natuurlijke wijze miraculeus verlicht, zonder dat er een spoor van elektrisch licht was. Een soort schietgaten diep in de muur, afgewisseld met ronde kijkgaten, zorgden daarvoor.

‘Doen?’
‘Doen.’

Mauwerik stak een sigaret op. Ze vatten de steile tocht aan. Onderweg passeerden ze twee kerkerachtige ruimtes met een plankenvloer. Gefladder en geritsel verraadde de aanwezigheid van gevogelte en knaagdieren. Misschien werden hier vroeger heidenen opgesloten en gefolterd tot ze het ware geloof uitschreeuwden. Mauwerik en Stefaan dwaalden even in zo’n torenkamer rond. Ze schrokken zich een ongeluk toen de klok drie uur sloeg. Mauweriks sigaret belandde per ongeluk tussen de kieren in de vloer, onbereikbaar.

‘Verdomme.’
‘Die dooft vanzelf wel. Kom.’
‘Toch even checken.’
Door zijn gepeuter zocht de peuk nog diepere oorden op, nu onzichtbaar geworden.
‘Dedju. Kan er niet meer aan.’
‘Pis dan in die kier.’
‘Moet niet. Kan nog niet.’
‘Kom.’
Ze klommen verder, tot in de frisse ochtendlucht.
‘De hemel is in zicht.’
‘Harba lori fa!’

Mauwerik stak een verse sigaret op; Stefaan volgde zijn voorbeeld. Minutenlang staarden ze naar oneindigheid. Daarna deed zich het onvermijdelijke voor, wanneer twee zatte mannen op een meinacht een kerktoren beklommen.

‘Aahh, dat deed deugd.’
‘Leeglopen: veruit het leukste wat er is.’
‘O ja?’
‘Veruit, zei ik.’
‘Hoog en droog. Met een peuk tussen je lippen. Zo zondig.’
‘Ik krijg een aanval van hoogtevrees.’
‘Opzouten dan.’
‘Straks krijgen we weer zo’n dreun van die klok in onze oren.’
Zacht wiegend op zoek naar wankel evenwicht ritsten ze hun gulp weer dicht. Hoewel het niet geregend had daarboven, vatten ze de spiraalvormige afdaling aan met bespikkelde schoenen, steun zoekend tegen de muren.
‘Waarom deden we dat nu eigenlijk?’
‘Om eh… daarboven te zijn?’
‘Ja, en dan?’
‘Of eh… om voor de laatste keer in een kerk te verschijnen?’
‘Ik vrees dat dit niet onze laatste keer zal zijn.’
‘Is dat weer die hoogtevrees van je?’
‘Ha ha.’
Stefaan veroorzaakte een vuurwerkje door zijn peuk tegen de muur af te schrapen en weg te schieten.
‘Hé, pyromaan!’
Mauwerik deed hetzelfde.
‘Vurige tongen.’

Zo stond anderhalf uur later de complete inboedel en het binnenwerk van de toren van de kerk Sint-Pietersbanden in lichterlaaie. Tegen de glorieuze meiochtend bleef alleen nog een reusachtige holle kies over, zonder kroon en zwartgeblakerd. Het middenschip van de kerk liep vooral nevenschade op, door de gedrevenheid van de brandweer.

‘Wat bezielde jullie toch?’ vroeg Geachte Heer.
‘Niets, dat was het nou net,’ antwoordde Heer God. ‘En we hebben ook helemaal niets gemerkt. Niets gezien… Niets geroken… ’
‘Eindelijk heiden hé,’ mompelde Heerschap dapper.
‘Ik ben gelukkig al twee maanden gestopt,’ zei Heerlijke Vlinder. ‘Je ziet wat ervan komt.’
‘Maar is het wel jullie schuld?’ opperde Heerschaar.
Allerheiligen knikte: ‘Zo’n kerk barst toch van de kaarsen?’
‘… en die zijdeur was eigenlijk makkelijk open te krijgen. Die gaf zo mee. Het kon… kan iedereen geweest zijn.’
‘Dat geloven we, Kinderen Gods,’ zei Myrtille. ‘God beware jullie.’

De toren van Sint-Pietersbanden kwam er nooit meer bovenop. Een oorzaak voor de brand werd niet gevonden. Bij zo’n vuurzee tastte men in het duister. Maar eigenlijk lag een eenvoudig geval van ontdoping aan de basis van dit heilig vuur.


JORIS DENOO

Geschreven door Joris Denoo om 09:31 Stuur door

Split

SPLIT


Op het ogenblik dat Erica Blankenbergh op vrijdagavond in sfeercafé De Woede der Noormannen een tomatensap aan het uitschenken was voor de schepen van Sport, begon de aarde in tweeën te splijten. De aarde, synoniemen: wereldbol, aardkloot, blauwe planeet, wereld, Moeder Aarde, het ondermaanse. Dat ging aanvankelijk gepaard met een onhoorbaar gekreun uit de diepste ingewanden van deze Moeder, dat alleen op de schaal van een dichter te registreren zou zijn.


Die vrijdag vloeide ongemerkt over in een zaterdag, zoals dat al eeuwen het geval was geweest. Maar die zaterdag woei het overal ter wereld opvallend hard, ongeacht of het daar dag, nacht, zomer of regenseizoen was. Het was een teken aan de wand. Achtenveertig uur later liep er een totale breuklijn over de gehele aardkorst, van oost naar west, heen en terug de wereldbol omspannend. De breedte ervan bedroeg vijftien centimeter. Alsof de Grote Kaasmeester van het Heelal met Zijn kaasmes door de klont was gegaan en Noord- en Zuidkaas onherroepelijk van elkaar had gescheiden. De breuklijn liep zelfs dwars door Maagdenburg, of all places. IJlings werden peilingen uitgevoerd. Die wezen op het onvoorstelbare: de aardbol was inderdaad middendoor aan het splijten. Over een week zou men een polsstok nodig hebben om van de ene naar de andere helft te huppen. Weldra zou men aan beide kanten van een brede grand canyon naar elkaar staan schreeuwen.


Reeds kolkte in bepaalde streken een kleine hoeveelheid magma naar boven. De aarde kookte inwendig hevig. Het eigenaardige was dat zeeën en oceanen als kokend water in de diepte verdwenen, hoe smal die breuklijn aanvankelijk ook was. Gigantische lege kommen bleven achter, althans: leeg van water, want ze waren voor een derde volgestouwd met menselijk afval van een paar eeuwen welstand, vooral plastic. Ook die kommen vertoonden op hun bodems craquelé, tot ze uiteindelijk net zo goed in tweeën spleten en de aldus ontstane geul (… in het verlengde van de aardgeul… ) geleidelijk alle afval opslokte dat in die richting af gleed. Oceaanwater en eeuwen afval verdwenen voorgoed in de kosmos, losgelaten door de aarde, waarvan de beide droge helften zich steeds verder van elkaar verwijderden. De blauwe planeet was compleet in de war wat zwaartekracht betrof.


‘Zo, dat is dus het fameuze einde van de wereld,’ constateerde Erica Blankenbergh nuchter. Ze was een van de miljarden mensen op aarde die niet in god of ‘een’ god geloofden. De ovenwarme kloof van de aarde liep als een evenaar door De Woede der Noormannen. Erica hupte over de inmiddels dertig centimeter brede spleet, sigaret in de ene, glas rode wijn in de andere hand. Eigenaar Ernie zat mistroostig naar de scheuren in zijn muren te staren. Hij geloofde wel in de ene God van hemel en aarde.
‘Waarom moet uitgerekend De Woede der Noormannen getroffen worden?’ vroeg hij zich hardop af.
‘En zeggen dat die breuk ook door de Colruyt loopt,’ antwoordde Erica. ‘Uitgerekend hier door De Woede en door ‘mijn’ Colruyt verdorie.’
‘Zelfs door Maagdenburg, heb je het gelezen?’ zei Ernie droevig. ‘Dit is erg.’


De wereldpers bivakkeerde natuurlijk overal ter wereld langsheen de breuklijn, aan beide kanten ervan. Elke extra centimeter opening werd nauwlettend geregistreerd en becommentarieerd, in alle denkbare meeteenheden van de wereld, nou: werelden. Mensen die langsheen of op de aardbreuk woonden of werkten, werden geïnterviewd. Vooral Maagdenburg kreeg de persmeute over zich heen. De halve bollen zaten nog onlosmakelijk in het collectieve geheugen.
‘De kloof wordt steeds groter,’ rapporteerde men wrang, een cliché opduikelend uit de non-profitsector, die het vaak had gehad over de welstandskloof tussen Noord en Zuid.


Ook barmeid Erica Blankenbergh was al ondervraagd, in drie verschillende talen. Of zij voorheen in de omgeving van De Woede der Noormannen iets eigenaardigs opgemerkt had? Iets gehoord ondergronds? Een raar gevoel had gehad? Voorgevoel misschien?
‘Nee, no, nein,’ had Erica schuddend geantwoord. ‘Only the sudden wind on that Saturday, that global wind, you know. Es war so… ’
‘And you are a waitress?’
‘Yes I am.’
‘Do you think this is the end of the world?’
‘I think it’s the beginning of two worlds.’
‘May we have your full name for the records?’
‘Erica Blankenbergh.’
‘Thank you, Erica Blurgh.’ 
Sfeercafébaas Ernie werd met rust gelaten, want die beheerste alleen maar zijn dialect.


Toen de breuklijn via de spleetfase echt een kloof van anderhalve meter breed was geworden, werd het verbijsterend duidelijk dat Moeder Aarde op een bestaan in twee werelden aan het afstevenen was. De Woede der Noormannen en de Colruyt een kilometer verder werden ongenadig in tweeën gesplitst en dienden onverwijld hun lucratieve werkzaamheden te staken. Dat gebeurde overal ter wereld in de concreet getroffen etablissementen en op openbare plaatsen: kerken, musea, scholen, parlementen, ziekenhuizen, kazernes, markten, sportterreinen, vliegvelden…

In Maagdenburg vergaderde ijlings een Wereldraad van Wetenschappelijke Wijzen; de afko WWW kreeg hier een andere dimensie. De helft van de geleerden werd er per vliegtuig aangeleverd. Die WWW had geen goed nieuws te melden. Doemdenkers voorspelden dat de aarde verder in kwartjes opgedeeld zou worden, zoals een sinaasappel. Vooralsnog echter bleven op de beide helften apart de consistentie en een deel van de zwaartekracht zich handhaven. Bijgelovigen gooiden munten in de spleet. Verzekeringsmaatschappijen van een ene helft richtten ijlings filialen op de andere helft op. Die geloofden ook nog in een god: die van het geld. Geologen gooiden trapladders naar beneden, maar werden op een bepaald dieptepunt gepocheerd, gebraden, gekookt of geroosterd. De kloof spuugde ze geradbraakt weer uit. Langsheen de hele breuklijn verrezen aan beide kanten hoge afrasteringen, want meer en meer hopelozen bestelden hun vege lijf ter diepte.


Werd het tijd voor overbruggingen voor de beide werelden? Rekbare of rekkelijke bruggen in de hoop dat de kloof op een bepaald punt of ogenblik niet te breed werd, stagneerde, ja: zelfs weer minder zou worden? Kon deze aardreet weer fatsoenlijke afmetingen aannemen? Meetbaar worden? In Maagdenburg was dat een van de vele discussiethema’s onder ingenieurs, geologen, fysici en chemici, naast de panieksessies van de humaan-wetenschappers. Misschien moesten de beide helften zelfs met grote middelen weer aaneengehecht worden, middels giga harpoenen bijvoorbeeld, of reuzenenterhaken, of een mega nietjesgedrocht, of miljoenen kiepwagens ‘colle tout’.


Erica Blankenbergh (ondertussen niet meer werkzaam in sfeercafé De Woede der Noormannen wegens noodgedwongen gesloten, nou: gespleten) dacht thuis na over een mogelijke redding van de werelden, die weer één bol moesten worden. Bestond er een ei van Columbus tegen deze vreselijke splitsing? Erica was niet zo kinderlijk dwaas om, zoals Albert Einstein, Gods gedachten te willen kennen. Diens zogenaamde schepping was immers gespleten. Van relativiteit gesproken. Ging het hier dan toch om een partijtje dobbelen?


Uit Maagdenburg – nu gesitueerd op één welbepaalde wereldhelft; de halve stad was ijlings geëmigreerd – kwam nog altijd geen goed nieuws. Er kwam zelfs helemaal geen nieuws. De wereldbol was als een okkernoot netjes doormidden gekraakt en niemand leek daar iets aan te kunnen doen. Had de inhoud van deze beide helften genoeg van elkaar? Moest de remedie dan ook daar worden gezocht? Kon een kosmopolitische chef-kok een bindende saus bedenken hiervoor?


Diezelfde avond – de kloof was al achtenveertig uur lang niet meer breder geworden – begon niet alleen Maagdenburg op zijn grondvesten te daveren. De hele halve werelden deden dat. Ook Erica’s borsten lilden eensklaps duchtig. De beide wereldhelften bleken plotseling voortdurend door elkaar aangetrokken en van elkaar afgestoten te worden. Zwitserse onderzoekers van CERN (Europees Centrum voor Nucleair Onderzoek) hadden namelijk in een uiterste wanhoopspoging een hoeveelheid zo moeizaam verkregen antimaterie in de kloof gegooid. Er bestond een waterkans dat een ontploffing energie vrij zou maken, waardoor helend wereldcement aangemaakt zou kunnen worden Die antimaterie gedroeg zich echter helemaal niet zoals verhoopt. Er volgde geen ontploffing. Wel bonkten nu de werelddelen onophoudelijk tegen elkaar, tweemaal per seconde. Alsof een grappige god de twee helften van een okkernoot tegen elkaar klepperde. Dat was nefast voor alles en iedereen. Wat bonkt, maakt brokken. Erica Blankenbergh ging op een bewaakt ogenblik ten onder in vuur en vlam, samen met 8 886 266 753 aardbewoners.


JORIS DENOO

Geschreven door Joris Denoo om 09:24 Stuur door

NX

NX

‘De muren van de kamer sluiten me niet in, maar omarmen me. Een hoek kan altijd verder verkleind worden tot kleiner en kleiner en dan nogmaals telkens gedeeld door twee zodat die een oneindige uitweg wordt, net zoals het nu-moment een eeuwigheid is, want verleden en toekomst kunnen niet bestaan: ze waren het of ze worden het. De troost van tijd en ruimte zit ‘m in het verwoorden van tijd en ruimte, misschien wel in een formule, want tijd noch ruimte bestaan. We menen die zelf te creëren. IJdelheid. Je kan de begrippen alleen maar benaderen. Misschien moet je er zelfs aan twijfelen. Tijd moet steeds zichzelf vermenigvuldigen en het heelal dijt alsmaar uit in een verregaande onvatbaarheid. Dit alles gaat ons denk- en bevattingsvermogen te boven. Op dit punt zullen sommigen het religie noemen, of God: de troost van het onbegrijpelijke, ook nog genoemd: geloof. Zoethoudertjes voor de zogenaamd ongelovigen zijn er ook: atomen, splitsingen, kwantum, deeltjesversnellers, snaartheorie, toevalkunde. Het zijn allemaal pogingen. Na de wereldbekende formule E=mc2 is de notitie NX wellicht aangewezen om een en ander te relativeren. We weten namelijk nog Niks.’

Professor d’Adesky projecteerde een gigantisch NX op het scherm.

Hier en daar klonk gelach in de aula.

Hoe groot was de kans dat ergens anders op de wereld eenzelfde gedachtegoed met andere woorden of in andere talen werd gedoceerd? In dit geval betrof het een slotmonoloog van een college van professor d’Adesky, die Filosofysica doceerde, de nieuwbakken gecombineerde wetenschap aan de universiteit van Crosslare-Thornportsmouth. Onder het personeel en de studenten had d’Adesky de bijnaam Daddy.

Zoals gebruikelijk reageerden hierop enkele studenten met een anonieme snipper in de ideeënurne, die permanent in de aula opgesteld stond en op gezette tijden door dra. Darmody, de assistente van d’Adesky, geledigd werd. De professor las altijd alle snippers. Hij stond erop dat dit op papier gebeurde, het ouderwetse bindmiddel tussen mensen en ideeën. Reacties in vulpeninkt kregen bij hem zelfs de voorrang. Het moest ook anoniem gebeuren. Dat was allemaal een beetje tegenstrijdig met het nieuwmodisch en spitsvondig ogend vak Filosofysica. Ook verkoos de professor hierbij het woord ‘urne’, omdat veel snippers het alleen maar waard waren … nou: versnipperd te worden. Een goede denkoefening. Hij gunde alle bedenkingen wel wat bespreektijd. Het beknopte snipperformaat was echter ook een letterlijke toepassing van het adagium: ‘In der Beschränking zeigt sich erst der Meister’.

‘Ik wacht op een sniper,’ verkondigde d’Adesky soms uitdagend. ‘Wie de urne met een sniper stukschiet, krijgt de grootste onderscheiding, zonder examentest. Ik heb het hier niet over papieren tijgers: oneliners die alleen maar goed klinken en wensen te scoren op de Schaal van Gevatheid. Nee: het moet een echte bull’s eye zijn.’

Een bloemlezing van de recente snippers als reactie op de NX-slotmonoloog.

‘Ruimte wijkt dus terug wanneer je danst?’

‘Zingen doet de tijd vlugger verstrijken.’

‘Geduld steekt de tijd stokken in de wielen. Stilte misschien ook.’

‘Een mensenleven heeft een duur. Wat duurt, verandert, wordt kleiner of groter, alleszins ouder.’

‘RIMPELROCK HEEFT NIKS MET TIJD TE ZIEN. DE LANGZAMEN STELLEN DE DOOD UIT.’

‘Tijd is. Tijd is niet.’

‘We gebruiken maar 23% van onze hersenen.’

Soms dropte de professor stiekem zelf een snipper in de urne. Om zijn eigen anonimiteit hierbij te beschermen, schreef hij dan met zijn linkerhand, in kapitale letters. Assistente doctoranda Darmody was hiervan op de hoogte, zonder zijn medeweten.    

De mooie maand mei liep ten einde. Laatste Snipperdag!

Na een eerste academisch jaar waarin Filosofysica werd gedoceerd, brak de laatste snippersessie aan, tot slot van het college van Daddy. Dra. Darmody ontsloot de ideeënurne en graaide naar de buit. Die bracht ze naar de katheder van professor d’Adesky. Het betrof maar één luttele snipper. De wenkbrauwen van de prof gingen verbaasd de hoogte in. Er stond een formule in hoofdletters op, die door dra. Darmody meteen op het grote aulascherm geprojecteerd werd.

Dat was de sniper! Mayday!

In koeien van letters verscheen DADDY=HE2 over de hele breedte van het scherm.

Hier en daar klonk aarzelend applaus, dat snel aanzwol. Phones flitsten her en der. Van op tien meter afstand stond Betsy Darmody nu Ikabot d’Adesky vernietigend aan te kijken, grimmig en spottend knikkend. Mochten haar ogen kogels zijn…

Professor d’Adesky kreeg twee maanden later uitvoerig de kans om Toegepaste Troost Filosofysica te bedrijven. De muren van zijn cel in De Brede Veertien sloten hem niet in, maar omarmden hem. Een hoek kon altijd verder verkleind worden tot kleiner en kleiner en dan nogmaals telkens gedeeld door twee zodat die een oneindige uitweg werd, net zoals het nu-moment een eeuwigheid was, want verleden en toekomst konden niet bestaan: ze waren het of ze werden het.

Dra. Darmody nam zijn FF-colleges over. NX stond dat nog in de weg.

JORIS DENOO

Geschreven door Joris Denoo om 10:04 Stuur door

Killmouski

DE MOORD OP KILLMOUSKI

Het was in het holst van een bloedhete zomer. Half Europa had vakantie genomen; de andere helft lag op apegapen door de aanhoudende hitte. Golfbalduiker Gianluigi Pentangeli, booreilandbediende Rita di Laurentiis en onderwaterlasser Archangelos Karvelas waren aan het snorkelen in de Libische Zee bij het eiland Gavdos, het zuidelijkste punt van Europa – een speldenprik op geografische kaarten. Aan de overkant lag Afrika. Op het strand bewaakte dobbelsteeninspectrice Ilina Tsjechova hun kleren, hoewel er geen levende ziel te bespeuren viel. In deze zinderende namiddaghitte bleven zelfs de schaarse hangmattoeristen en de zwervende hippies weg. Er viel ook helemaal niks te beleven op Gavdos, dat lange tijd geen water- of elektriciteitsvoorzieningen kende. Er was één taverne, bij Evangelina, waar je met wat geluk iets kon eten en drinken. Een Griekse omelet bijvoorbeeld, doorgespoeld met koude Helleense kouffos: een variant op Irish Coffee, waarbij ouzo een belangrijk ingrediënt was.


Ilina volgde met haar kijkertje het trio snorkelaars. Plotseling werd er op haar schouder getikt. Met een gilletje sprong ze overeind. Het verrekijkertje kukelde tussen de keien in het zand. Het was Killmouski Askehave in hoogsteigen persoon. De Vreselijke Deen.
‘Wat… wat voor de duivel… ‘ hakkelde ze. ‘Jij was toch… ‘
Dan kruiste ze ijlings haar armen voor haar borsten, want ze was in monokini.
Undercover crime scene-schoonmaker Killmouski grinnikte.
‘De tweeling is in blakende gezondheid, zo te zien.’
‘Wat moet je hier?’
Ilina deinsde nog een stap achteruit. Zeker weten dat die Scandinavische engerd gewapend was.
‘Ben je dan vergeten wat er in Heraklion gebeurd is, schat?’
Ilina gluurde even naar de snorkelaars. Die waren al een flink stuk naar links afgedwaald. Het zonlicht schetterde over het water en belette een duidelijk zicht op de situatie.
‘Reken maar niet op hen, schat. Ik heb je al driemaal gewurgd vooraleer ze hier weer staan. Je teerling is geworpen. Je hebt me verraden.’
‘Dat… in Heraklion… dat was een ongelukkige samenloop van omstandigheden, Killmouski. Alstublieft: begrijp dat toch!’
Er golfde één ononderbroken zwarte wenkbrauw boven zijn ogen, een tweede wenkbrauw was naar beneden gezakt en ontsierde zijn bovenlip; beide gingen misprijzend de hoogte in.
‘Toon nog eens je tieten voor ik mijn tanden in je zet,’ gebood hij, terwijl hij een kingsize gekarteld mes tevoorschijn toverde.
Ilina’s blikken scheerden weer even over het wateroppervlak. Hel glinsterend licht alom. Toen spreidde ze haar armen.
‘Hier zijn ze.’
‘Maar… het zijn er nu drie!’ riep Killmouski Askehave verbaasd uit.
‘Ik ben niet voor niets dobbelsteeninspectrice hé,’ merkte Ilina Tsjechova fijntjes op.
De undercover crime scene-opruimer, in het onwerkelijke leven bedrijfsspion, zeeg verbouwereerd in het zand neer. Toen rezen uit de Libische Zee de golfbalduiker Gianluigi, de booreilandbediende Rita en de onderwaterlasser Archangelos op.
‘En dat zijn er ook drie!’ wees Ilina.

Industrieel spion Killmouski Askehave werd in volle gelaat door een golfbal getroffen op het ogenblik dat hij opzij keek. Zijn mes zeilde een eind gek weg en plofte meters verder neer.
‘Bull’s eye!’ riep Gianluigi vrolijk. ‘Roos!’
‘Een Scandinaaf met zwart haar kun je niet missen hé!’ grinnikte Archangelos.
Een oogwenk later lag de Vreselijke Deen met opengespat gezicht in het zand te kronkelen. Zijn bloed kleurde het zand roze.
‘Die wenkbrauwen vormden een perfect doelwit. Boogje boven – boogje onder. Dat middelpunt zoog gewoon die voltreffer naar zich toe. Een uitnodigende smiley, ha ha ha!’
‘Eindelijk weer peis en vree wanneer we terug op ons booreiland zijn.’
‘Wat doen we met zijn lijk?’
‘Als bedrijfsspion: zand erover. Een diepe kuil op een stille plek, hier in dit zonnige vakantieoord.’
‘En zijn mes?’
‘Dat neemt hij mee in zijn zandgraf. Hij zal het nodig hebben in zijn walhalla.’

De booreilandbediende, onderwaterlasser, golfbalduiker en dobbelsteeninspectrice schoten wat kleren aan en togen aan het werk. In de schaduw van een grillig begroeide kalkrots op het eiland Gavdos – een speldenprik op geografische kaarten – kregen de Vreselijke Deen en zijn mes hun laatste rustplaats respectievelijk roestplaats.

JORIS DENOO

Geschreven door Joris Denoo om 08:23 Stuur door

Black Musk

BLACK MUSK

 

Er moest toch iemand de boekhouding van deze dwaze wereld bijhouden? Dat kon niemand anders zijn dan Edwin Boey. Immers: van jongs af werd zijn schedel door zuinige haargroei getooid. Bijna engelachtig. Tevens torste hij een haakneus, aan weerskanten waarvan een kraaloogje als een blinkend muntje de wereld in de gaten hield. Zo iemand moest wel accountant worden.

Ik had Edwin Boey lange jaren geleden, decennia geleden zelfs, gekend. We speelden ooit in dezelfde volleybalploeg. We waren klasgenoten en studeerden later aan dezelfde universiteit, zij het aan totaal andere faculteiten. We verlieten allebei ons geboortestadje, om definitief ergens anders te gaan wonen. Of bleef hij honkvast haperen? Eigenlijk wist ik dat niet. Ik was plotseling zijn spoor bijster. Mijn eigen boekhouding bestond vooral uit boeken die ik ontleend en gelezen had uit de drie bibliotheekjes in onze geboortestad. Ik was daardoor in mijn dromen en gedachten ook zo’n beetje een detective. Remember Pim Pandoer, Biggles, Poirot, e.v.a.  

Soms groeit de behoefte iemand van lang geleden weer te zien of er ten minste wat informatie over te verzamelen. Vaak echter heeft dat geen zin. Zelfs op collectieve gedenkdagen van een generatie veertig-, vijftig- of zestigjarigen voel je het ongemak. Te veel verschillende levens zijn ondertussen harde feiten geworden, waardoor herinneringen weggedrukt zijn. Het is zelfs zinloos om, gewapend met een goed geheugen, dingen uit het verre verleden op te vissen, want de meerderheid van de betrokkenen staart je aan alsof je staat te liegen dat je zwart ziet. Ze zijn een en ander compleet vergeten. Je kan maar hopen op een ontmoeting met iemand die over een even sterk geheugen beschikt. It takes one to know one, you know. Het woord ‘reünie’ gelijkt ook te erg op het woord ‘ruïne’.

Toen ik op een dag op het grote etalageraam van een fraai kantoorgebouw aan de kust Accountancy Decock, Maes & Boey zag staan, met daaronder Edwin Boey nog eens apart vermeld, toen wist ik dat ik beethad. Ik had me namelijk al die jaren diverse keren afgevraagd: waar is Edwin Boey? Wat doet hij? Is hij rijk geworden? Heeft dat engelenhaar op zijn hoofd de kans gekregen grijs te worden of is het door een paar beurscrashes pijlsnel uitgevallen? Zijn die kraaloogjes van hem gunstig geconverteerd naar de Europese munteenheid? Houdt hij ook nog andere boeken bij dan die met getallen, percenten en kolommen? Ik schreef haastig straat en huisnummer op en reed door, op zoek naar een boetiek waar ze ‘black musk’ verkochten: nog iets uit mijn jeugdjaren waar ik naar verlangde. Die oude gevaarlijke geur, weet je wel. Beetje opstand, beetje hippie. Ik wou dat straffe goedje weer eens met mijn vingertoppen achter mijn oorlelletjes aanbrengen, zodat ik het roerige verleden weer op kon snuiven. Ik rook namelijk graag lekker. De kust – het bubbelbad van de beau monde – telde wel een paar van die exotische boetiekjes waar je dergelijke dingen kon vinden.

Thuis googelde ik Edwin Boey. Een en ander werd bevestigd door amper één zuinig item. Hij was het.

Ik besloot een truc te gebruiken om niet alleen Edwin Boey, maar ook een deel van de vroegere reutemeteut uit mijn geboortestadje weer te kunnen zien, zonder zelf verdacht te zijn. Men verkrijgt de beste camouflage en de veiligste anonimiteit door zich in groepen te bewegen. Via de comités die de generaties na veertig, vijftig en zestig jaar leven op deze aardbol ter herdenking op reünies weer samengebracht hadden, verwierf ik diverse adressen. Dat van de hr. Boey zat er niet tussen. Hij was ook nooit op zo’n reüniefeest verschenen. Daarom ook had ik die namiddag aan de kust dat accountancyadres vlug neergekrabbeld.

De volgende stap betrof een oude gekke droom van mij. Ik had die al een paar keer in mijn hoofd geconcipieerd. Nu maakte ik er werk van. Ik zond pakweg vijftig ouwe bekenden ieder een aparte brief. Zo’n ouwe gezellige weliswaar geprinte brief, die ik in een envelop stak waar ik nog aan moest likken. De inhoud en reden van mijn schrijven varieerden naargelang van hun beroep, interesse, leven… en was ondertekend door telkens aan ander pseudoniem. Er ging een uitnodiging mee gepaard, om te verzamelen op een welbepaalde plek op een welbepaald tijdstip. Het betrof telkens een individuele uitnodiging met een specifieke reden, plek en tijd. Maar ieder individu kreeg dezelfde plaats en tijdstip van afspraak… zodat ik een samenscholing for old times’ sake kon veroorzaken. Ikzelf zou daar ook zijn, opgaand in de groep, tevens ‘uitgenodigd’. Ook Edwin Boey zou opgaan in de massa. Ik zou hem onverdacht kunnen observeren. Niemand zou in de gaten hebben dat het allemaal voorwendsels betrof. Ik zou mezelf niet verraden. Ik zou me na een halfuur evenzeer mee met de verontruste groep afvragen:

‘Maar wat doen wij hier eigenlijk? Wie is X, Y of Z? Wat gebeurt er hier nog? Is dit misschien voor televisie? Worden we gefilmd? Is dit voor het voyeursprogramma CAKEJE? Een immense grap? Toon eens uw brief? De mijne vertelt iets anders. Het is toch hier hé dat we moesten zijn? Of zijn we gemist van dag?’

Ik zou toch enkele kornuiten uit een ver verleden teruggezien hebben, waaronder de heer accountant Edwin Boey. Dat laatste vormde de hoofdreden voor mijn eigenaardige campagne: ik wou per se constateren hoe de tand des tijds Edwin Boey, voorheen schooljongen en student, thans accountant, toegetakeld had.

Twee dagen lang typte, vouwde en likte ik. De voorpret kon niet op.

Hem lokte ik met geldgedoe.

Hij daagde op.

Ik herkende hem onmiddellijk, ondanks de ruime modieuze pet op zijn hoofd. De tanden van de tijden waren mild voor hem geweest.

 

Zesenveertig van de vijftig door mij opgeroepenen, incluis Edwin Boey dus, verschenen die dag omstreeks of klokslag 19 u op het Lindenplein in de middelgrote stad K., ieder gelokt met een aparte brief. Een denderend succes. Ikzelf arriveerde ook netjes op tijd.

Waar ik echter niet op gerekend had: enkelen hielden onmiddellijk al mijn brief in de hand. Verbazing en onbegrip haalden immers al vlug de bovenhand. De samenscholing vond zichzelf blijkbaar verdacht van in den beginne. Als een epidemie verspreidde het zich: meer en meer genodigden haalden de brief boven. Om niet op te vallen, deed ik dat dus ook maar, want ook naar mezelf had ik (als vooruitziend detective) een uitnodiging gezonden. Ik merkte nu hoe sommigen aan hun brief en hun envelop roken. Hoe enkelen hun brieven uitwisselden om er op hun beurt ook aan te ruiken. Ook de chique meneer Edwin Boey stak zijn haakneus in zijn envelop.

Hoewel elke brief neutraal geprint was en zoals gezegd undercover voorzien van pseudogegevens, werd ik na twintig minuten al door enkele snuggere samenzweerders als de dader aangewezen en ontmaskerd. Mijn plezier was van korte duur. Ik werd ter plekke besnuffeld door de man van mevrouw Liliane Deurynck die parfumerie XxX uitbaatte, tevens door mij onder vals voorwendsel uitgenodigd. Toen die bevestigend knikte, begonnen nog anderen aan hun brief en aan mij te ruiken. Ik werd ondervraagd, afgezonderd, beschimpt, door ontgoochelde middenstanders en leraars en loodgieters en bediendes geduwd en gestompt en beduusd op mijn zitvlees op de designkasseitjes van het Lindenplein achtergelaten, op een bed van geurige witte rozen: de tot proppen gebalde brieven van de ontgoochelden. Ik meende in een laatste wraakfase nog Edwin Boey glim- of grimlachend de heksenkring te zien naderen, druk handenwringend om van zijn brief en envelop een papieren projectiel te vervaardigen dat mij als een harde sneeuwbal midscheeps het gezicht zou kunnen treffen, maar zeker was ik daar niet van. Toen ik weer opkeek, was iedereen foetsie. Dat betekende het einde van mijn gigantische practical joke, die ik alleen maar opgezet had om de heer Edwin Boey, voorheen klasgenoot en student, thans accountant, uit zijn tent te lokken. We hadden helaas geen woord gewisseld.

De black musk had me verraden.

JORIS DENOO

Geschreven door Joris Denoo om 09:42 Stuur door

Waakvrouw

WAAKVROUW & OUD EDELHERT

 

01

Als kind was Sline Maanmot ooit aangevallen door een kraai die naar haar ogen mikte en pikte. Vandaar misschien haar voorkeur voor donkere brillen, waarachter ze zich buitenshuis drie seizoenen lang verschool, hoewel ze zo scherp zag als een havik.

Een bejaarde handelaar in edelstenen wiens haren als een sneeuwstorm om zijn hoofd warrelden, bezorgde haar een benijdenswaardige plaats op de arbeidsmarkt. Meneer Erdus bewoonde een ruim huis in de enige laan van de stad die ook als ‘boulevard’ benoemd werd. Het was gelijk zijn atelier en zijn handelskantoor in de nadagen van zijn activiteiten op de arbeidsmarkt der edele stenen.

Nooit ofte nimmer had meneer Erdus kunnen vermoeden dat hij als indiaan zou komen te gaan.

Wanneer ’s avonds het personeel (twee mankracht, zijnde een vrouw en een man die in het verkeerde lichaam zat) deze versterkte en beveiligde vesting verliet, bleef hij alleen achter. Dat vond hij een onprettig idee. Hoe ouder hij werd, hoe onprettiger hij dat vond. Zijn edele stenen bewaarde hij immers nog altijd in ouwe getrouwe safes, verspreid over het etablissement. Banken noch koeriers vertrouwde hij. Hij wou zijn nobele lievelingen ook dicht bij hem. Daarom liet hij een advertentie in de streekkrant zetten die aan duidelijkheid alles te wensen overliet en waar alleen de snuggere geesten iets van konden snappen. Meneer Erdus wou uitdrukkelijk een jonge vrouw, zonder bijbedoelingen. Dat had hij goed gezien; er was duidelijk over nagedacht.

Zij werd het: de waakvrouw.

Niemand mocht het weten.
Meneer Erdus stond op geheimhouding.
Dat was heel erg belangrijk, benadrukte hij.
Sline begreep het.
Ze zou het aan niemand vertellen.
Ze zou onzichtbaar worden als een indiaan op de prairie wanneer ze het huis der edele stenen benaderde.

Sline Maanmot kwam elke avond (na het pinnen van codes) de nacht doorbrengen op de luxueuze eerste verdieping van het huis. Daar had ze een panorama dat vooral bestond uit prikkeldraad en groene glasscherven. Er heerste oorlog in de tuin en op de muren. De oude man betrok de tweede verdieping. Een eenpersoonslift hees hem tot op gewenste hoogte.

Bij het solliciteren hadden haar lengte, haar camera en haar donkere bril (die ze opzettelijk had opgehouden bij het binnenkomen) een bepalende rol gespeeld. Met alle drie bleek ze goed overweg te kunnen. De combinatie van deze drie elementen gaf haar de allure van een snuggere bodyguard. Haar gitzwarte halflange asymmetrisch geknipte haren vormden de kroon op het werk. Meneer Erdus had de perfecte bliksemafleider gevonden.

Elke avond dronken ze eerst samen een glas. Er was ook telkens een bescheiden koude schotel voorzien, waarvan aanzienlijke voorraden aan huis geleverd werden. Pizza kon ook. Soms een moussaka. De oude rijkaard begon de wereldspijzen te kennen en te waarderen. Een stevige avondwijn vormde evenmin een probleem. Daarna, omstreeks halftien, ging de bejaarde zaakvoerder slapen. ’s Ochtends was de man al voor dag en dauw op. Sline trof onveranderlijk een volgeladen ontbijtblad in de keuken aan, want hij was al van vroeg in de weer geweest. Wanneer ze na een vorstelijk ontbijt naar huis vertrok, arriveerden Dora en Stefaan, de beide werknemers. Zo ging dat elke ochtend, avond en nacht, week na week, weekends inbegrepen. Het betaalde goed, en het was een droomjob. Slapend sparen. Alle dagen vrij. Elke nacht in de grot van Ali Baba. Sline Maanmot had het voor mekaar. Haar gebrek aan een nachtleven in de ontspanningssfeer compenseerde ze overdag met intense aanvallen van shoppen en schuimende golven van tearoomrazernij. Ze werd een topdeskundige in prijs/kwaliteitverhoudingen en allerlei soorten melkachtige koffie. Ze kwam soms ook aan wat schrijfwerk toe.

Sommige mensen waren te slim voor deze wereld. Ze konden dit goed verbergen door hun projecten half of helemaal niet te doen slagen. Of er niet eens aan te beginnen. Dat waren prima vermommingen en rookgordijnen, die de rest van de soort niet eens correct kon interpreteren. Die begenadigden gingen ofwel ten onder aan verslavende middelen ofwel leidden ze een ontspannend bestaan op deze aarde terwijl aan de achterkant van hun hart bijwijlen toch een boos mannetje rond een knappend vreugdevuurtje danste. (‘Gemiste kansen,’ noemden de niet-zo-snuggere anderen dat dan.) Sline Maanmot was een van die geestrijke beterbedeelden. Niets hoefde. Alles mocht. Haar gedachten vereisten soms nieuwe woorden, die nog niet bestonden, en die nog uitgevonden moesten worden. Vaak verborg ze zich achter haar donkere bril of haar camera; bij gebrek aan verse woorden schoot ze beelden die veel meer vertelden of verklapten.

Sline had twee opleidingen achter de rug. Al heel jong had ze het dodelijk fnuikende mainstream onderwijs verlaten voor een dolle duik in de kunstrichting Fotografie. Daarna koos ze voor de journalistiek. Ze kluste na haar studiejaren aanvankelijk wat in de reclamewereld. Ook daar botste ze op de amechtige mechanismen van de mainstream, een enkele opzettelijk ongeschoren meninghebber niet te na gesproken. Ze verliet dat wereldje van bruistabletten en levensverlengende yoghurt en solliciteerde bij enkele productiehuizen die televisiefictie en realityprogramma’s maakten. Cakeje? nam haar in dienst. Ze doorliep bliksemsnel de hiërarchie, tot ze na drie jaar op een stikjaloerse concullega botste, bovendien ‘zoon van’. Sline Maanmot verliet prompt productiehuis Cakeje? en installeerde zich als onafhankelijk zelfondernemend copywriter in haar geboortestad. Ondertussen solliciteerde ze ook bij verschillende goededoelenorganisaties naar een job in de pr en/of copywriting. Toen dook na korte tijd de advertentie van de edelstenenman op. Een sabbatjaar van 24 karaat lonkte. Ze zette de copywriting even op een waakvlam en werd waakvrouw.

De jaarlijkse paasfoor deed de stad weer aan. Een ola van achtbaangegil, oliebollengeur en microfonisch versterkt tombolageleuter golfde door het centrum. Die ene donderdagavond – de openingsavond – zou Sline te laat op haar werk komen. Dat had twee redenen. Eén: er was een leuke brief toegekomen, met goed nieuws. Twee: doeltreffend en schietgraag met haar camera als ze was, schoot ze – met haar donkere bril op – uit pure feestvreugde aan de schietkraam op de paasfoor een compleet indianenplunje bijeen, uitbundige verentooi incluis. Aangespoord door een vriendin en enkele omstanders paste ze de metamorfose prompt toe en ging ze zich zo in haar tweede huid presenteren in haar oude stamkroeg. Het vuurwater vloeide rijkelijk, maar toen moest de squaw echt weg.

‘Maar allez, nog eentje!’
‘Ugh-ugh!’
‘Wie werkt er nu nog zo laat op de avond?’
‘En ’t is paasvakantie!’
‘Ugh-ugh!’
‘Of wacht Witte Veder ergens op u in de bosjes?’
‘Nee: Oud Edelhert,’ antwoordde Sline cryptisch.

Voldaan en voltooid haastte ze zich naar de boulevard. Ze was nog nooit te laat geweest, en vroeg zich af hoe meneer Erdus zou reageren. Hield hij van een dergelijke verrassing? Misschien had hij al zijn avondmaal genuttigd, washed down met enkele glazen donkerrode Bordeaux. Ze lustte nu ook nog wel wat. Ze zette er flink de indianenpas in. De boulevard bevond zich aan de kleine periferie van de stad, gezeid ‘de oude Ring’.

‘Hei! Gedroogd Vlees!’
‘Hoka hei! Zwemt Met De Zalm!’
‘Pas op voor de cowboys!’
‘Naar de kermis geweest, kip?’
‘Hé, pluimenkop!’
‘Konijn met pluimen!’

Verdomme, allemaal getuigen. De eis tot geheimhouding kreeg hierbij een flinke deuk.

De jaarlijkse paasfoor leek telkenmale in honderdvoud klootjesvolk te genereren. Ze kwamen van onder de grond gekropen, de blozende wafelwijven in uitdijende leggings als tweede dikhuiden, de bolle bierventen in te smalle jeans of camouflagebroeken gewurmd, een papegaai of een namaakembleem van een motorclub op de rug gestikt, geflankeerd door het weldoorvoede nageslacht tot de tanden gewapend met snickers.   

Vervelden die lui ooit wel eens?

Of gingen die slapen en paren in hun uniformen?

Nagestaard door enkele foorgangers verschafte Sline zich toegang tot het heiligdom. Een laatste flard kermislawaai woei haar nog aan. Daarna betrad ze de gedempte wereld van het grote geld. Een vlugge blik op haar smartphone vertelde ze dat ze ruim drie kwartier te laat was. Een primeur. Hoe zou de nauwgezette meneer Erdus omgaan met dit euvel? Haalde zijn Zwitserse precisie de bovenhand of zou hij zijn Bourgondische linkerhart laten spreken?

Sline haastte zich naar wat ten huize de eetkamer werd genoemd. Toen ze de deur opende, hoorde ze al het bekende kuchje van Oud Edelhert, gevolgd door het geluid van een glas dat neergezet werd.

‘Meneer… ‘
‘Whoehaa!!’

Een vreemde schorre brul weerklonk in de eetkamer. Meneer Erdus greep naar zijn borst, zijn keel. Hij rochelde, hijgde, piepte, zakte opzij, zijn stoel kantelde mee en hij kwam met een zachte bons op de grond terecht. Dit werd bezegeld met een plas bloedrode wijn die zich een weg over de tafel zocht, in de richting van het ongebruikte bord, glas en bestek van Sline.

‘Meneer Erdus!’

Sline snelde de eetkamer in en deed er alles aan om hem weer tot bewustzijn te brengen. Ze knoopte zijn hemd los, roffelde op zijn borstkas, klapte met haar vlakke hand tegen zijn hoofd, schudde hem dooreen, riep ononderbroken zijn naam. Helaas had de verschijning van de indiaan in één klap alle leven uit hem geblazen. Hij had zich letterlijk doodgeschrokken bij de verlate entree van de gepimpte Sline. Ze gaf het na enkele minuten op, terwijl ze ondertussen al besloten had geen hulpdiensten te bellen. Het zou toch niet meer baten. Meneer Erdus was dood. En zij was hier als indiaanse binnen komen sluipen. Zij was zijn doodsoorzaak. Hoeveel hadden er haar gezien en nageroepen? Haar hier zien binnengaan?
Ze zeeg onthutst op een stoel neer en bekeek met gesperde ogen het ontzielde lichaam van haar opperhoofd op de grond. 

Waakvrouw, wat nu?
Verrassing van formaat!

Langzaam ontdeed ze zich van haar kermisplunje. Wat moest ze er nu mee? En wat met… Haar blik viel op de eenpersoonslift die meneer Erdus in levenden lijve elke avond naar de tweede verdieping had gehesen. Ze stond op, vulde haar glas, dronk de wijn in één teug op en nam een besluit.


02

‘Meneer Erdus moet minstens een week het bed houden. Hij mag niet gestoord worden,’ deelde Sline die vrijdagochtend mee.
‘Wat heeft hij?’
‘Het is een oude man hé. Problemen ter hoogte van keel en borst. De dokter is geweest. Hij had het ook over mogelijk besmettingsgevaar.’
‘Maar wie zorgt er dan verder voor hem?’ wou Stefaan weten.
‘Alles is geregeld; daar zorg ik wel voor.’
‘Hoe moet het dan verder hier beneden?’ vroeg Dora. ‘Heeft hij instructies gegeven?’
‘Ja. Jullie mogen tot nader order even met betaald verlof.’
‘Kan dat zomaar?’
‘Meneer Erdus staat erop.’
‘Mag hij echt geen bezoek ontvangen?’
‘Jullie weten hoe strikt hij kan zijn. Nee. Hij wil uitdrukkelijk niet gestoord worden in zijn ziek-zijn. Dat was ook de wens van dokter Dumortier. Een bevel, eerder. Alleen ikzelf. Als ik naar de tweede verdieping ga, moet ik een smoeltje om.’
‘Is zijn familie verwittigd?’ vroeg Stefaan. ‘Hij is niet meer van de jongste.’
‘Zoals ik al zei: alles is geregeld,’ zei Sline.
‘Minstens een week dus?’
‘Dokter Dumortier was daar duidelijk in, ja.’
‘En we krijgen betaald? We hoeven geen verlofdagen op te nemen?’
‘Ja. Nee. Meneer Erdus neemt nog de nodige maatregelen.’
‘En jij komt hier… ‘
‘Zoals gewoonlijk. Dat is dan ook mijn opdracht hé, in goede en in kwade dagen.’
‘Dat klinkt als getrouwd-zijn, Sline.’
‘God beware me.’
‘En je zult wel opslag krijgen.’
‘Je bent nu ook wel een echte waakvrouw; zie maar dat hij hierboven niet doodligt als we terugkomen. À propos: hoe weten we… ‘
‘Ik hou jullie natuurlijk op de hoogte.’
‘Allez dan… ‘
‘Prettige vakantie, Stefaan, Dora.’
‘Verzorg hem goed, Sline.’
‘Aan niets zal het hem ontbreken.’
‘Zijn kluizen zijn toch… ‘
‘Ja ja. Alles is… safe.’
Toen werd het voor een lange tijd stil in het huis.

Meneer Erdus zaliger lag op bed als een opgeprikte vlinder, ringen en sierspeld incluis. Hij had de teint van een kleurloze kaars. Sline Maanmot stond hem in de deuropening aan te staren. Het had haar niet veel moeite gekost de overledene naar de tweede verdieping te slepen. Hij woog verrassend weinig. Alleen de kleine lift was een hindernis gebleken. Sline had meneer Erdus half rechtop moeten zeulen. Hij stond in wankel evenwicht overhoeks in de lift geleund toen ze op de knop duwde. Zelf nam ze de trap naar de tweede verdieping. Toen de liftdeurtjes weer openschoven, kantelde het lichaam als een dronken ledenpop naar voren. Sline had dat voorzien. Ze had het dode lijf ontweken en op de kussens laten vallen die ze preventief op de grond had gelegd. Daarna nam ze meneer Erdus op sleeptouw naar zijn bed, zijn voorlaatste rustplaats. Ze dirkte hem nog wat extra op met de dure juwelen uit zijn nachtkastje. De sneeuwstorm om zijn hoofd lag nu als een piekenkroon op zijn kussen, alsof hij permanent de schrik van zijn leven aan het ondergaan was. Sline Maanmot keek naar het bundeltje indianenkleren in de hoek van de kamer. Bovenop lag de verentooi.

‘Oud Edelhert,’ mompelde ze. ‘U verdient een pluim. En een warm onthaal op de eeuwige jachtvelden.’

 

03


Na het crematieproces blijven vaak metaalresten over. Niet alleen edelmetalen, zoals gebitsvullingen en sieraden, maar steeds vaker ook orthopedisch materiaal zoals kunstheupen. Wat doe je ermee? De Landelijke Vereniging van Crematoria riep in de jaren ’90 van de vorige eeuw een fonds in het leven, dat met de opbrengst van de metalen goede doelen steunt. In de wandelgangen noemt men dit het Edelmetaalfonds.

Sline M., kersvers Hoofd Externe Relaties van het Edelmetaalfonds, vertelt:

‘Het systeem werkt perfect. Het is wel zo, dat van het materiaal dat wij aantreffen feitelijk maar 10 procent edelmetaal is. Er zitten ook schroeven en aluminium tussen. Van de rest is nog 90 procent geen echt edelmetaal, maar dat is moeilijk te bepalen. Het maakt het verwerkingsproces enorm lastig. Een gespecialiseerd bedrijf verwerkt de metaalresten tot goud, zilver, platina en palladium. Daarna worden ze verhandeld op de edelmetaalmarkt in Londen. Na aftrek van kosten gaat de resterende opbrengst van de verkoop naar het fonds. Het systeem past in onze huidige tijdgeest om producten te recyclen. Ook vanuit milieutechnisch oogpunt. Bovendien levert het netto forse bedragen op. Zo doneerden we in totaal al 700 000 euro aan diverse goede doelen.’

De bejaarde indiaan Oud Edelhert bracht na zijn vuurdood nog een flinke som op.

JORIS DENOO

Geschreven door Joris Denoo om 09:34 Stuur door

Kwantum

KWANTUM

(De Negende)


Ik werd vermoord op de hoek van de Negende en de Vijftiende Straat op de eerste avond van de Week van de Huilende Maan. Met ambachtelijke snelheid en precisie ramde iemand met een hamer een stormnagel door het weekste deel van mijn schedel. Het was een aanval in de rug. Ik had mijn moordena(a)r(es) niet horen aankomen. Pas na lang zoeken ontdekte men de roestvlek in mijn haar. En dus mijn doodsoorzaak.

Op de eerste dag van de Week van de Huilende Maan, die ook de laatste week van mijn leven op dit ondermaanse zou worden, liet ik me tatoeëren bij Geraldine aan de kust. Terwijl ze met mij bezig was, las ik een boekje over kwantumtheorie. (Ik verkies de K-spelling – Q is een vreselijke letter). Geraldine deed daar niet verbaasd over (ze had beroemdheden van over de hele wereld getatoeëerd en behandelde iedereen op gelijke voet) en concentreerde zich op mijn rechterbovenarm, the place to paint. Ik verdiepte me ondertussen in de kwantumwetenschap dat we nog niet veel weten of het op een andere manier beweren te weten. Drie uur later verliet ik, kostbaarder dan ik gekomen was, het tatoepand, weliswaar nog gezalfd en ingewikkeld en gloeiend.

Het was een koperkleurige eindseptembervalavond. De stad lag aan mijn voeten. Omdat een mens maar op één plaats tegelijk pijn kan hebben, voelde ik me bijzonder goed. Eender welke voorbijganger wou ik de hand schudden en feliciteren met zijn of haar bestaan op deze aarde, maar gelukkig deed mijn arm pijn, en belette hij me deze expressionistische uitspattingen. Mijn zintuigen werkten ook op hun scherpst. Wanneer ik een vrouw voorbijstak, of wanneer zo iemand mij tegenliggend tegemoet stapte, inhaleerde ik diep en deugddoend. Ook mannen op mijn pad gedoogde ik welwillend. Ik wierp blikken op de avondlucht, gaf gehoor aan meeuwen en proefde van de avondbries. Moet men wat pijn hebben om zich goed te voelen? De gelijktijdigheid van pijn en niet-pijn: een kwantumgedachte?

Ik kocht in De Kombuis te veel en te grote hoeveelheden vette happen. Slechts één derde van al dat lekkers kon mijn maag aan. Intussen voerde ik een olijke conversatie met de twee door frietvet transparant geworden vrouwen achter de toog. Kwinkslagen vlogen over en weer, maar ik kreeg mijn kartonnen bordjes niet uit. Ze deden daar quasi minachtend over, mijn twee gastvrouwen, tot er verse eters opdaagden en ik hun aandacht verloor. Net op tijd, want ik speelde al met de gedachte mijn ovenwarme tatoeëring te ontbloten. Gelukkig deed deze arm echt wel pijn, nog geïntensifieerd door het gesis van het frietvet. Ik dronk in deze friettempel vervolgens twee bieren kort na elkaar, recht uit de fles in mijn slikgat. Terwijl de vrouwen met de nieuwe klanten bezig waren, kieperde ik een grote hoeveelheid vast voedsel terug in de muil van de vuilnisbak: een mens heeft altijd meer overschot dan de hoeveelheid waarmee hij begonnen is. Vreemd. Ik baande me een weg tussen de nieuwkomers om te betalen, stootte driemaal mijn tatoeage tegen vreemde lijven en dook daarna de avond en de stad in. De zon was verdwenen. Om exact 19 uur 30 schoof een perfecte vollemaan weg achter wolken. De alomtegenwoordige koperkleur werd opgeslokt door het donker.

Ik vond het jammer dat de schemering achter de rug was. Daarom dook ik de horeca in, op zoek naar vervangkleuren, naar verdere goud- en koperglans. Na drie rappe whisky’s in De Watergeus inspecteerde ik in de pissijnen aldaar even mijn in cellofaan verpakte tatoeage. Alles stond er nog, gloednieuw. Het schroeide als een … nou: als een schroeivlek. Omdat ik kwantummatig nooit lang op eenzelfde plek wenste te vertoeven, trof ik mezelf even later in de Shakespeare aan. Daar was het opvallend rustig (ondanks het ruige karakter van de kroeg), want een dichter was er aan het voorlezen uit Eigen Meesterwerk. Ik verschanste me vlug in een rijtje van vijf aan de toog, articuleerde ‘J&B’, gebaarde ‘zonder ijs’ en luisterde noodgedwongen.

Alzo sprak de dichter:
‘Geniaal gestoord schreed hij langzaam voort’ –
(Iemand kuchte of lachte kort, dat viel niet op te maken uit het geluid).
– ‘Al kon hij nog geen vismes van een kromzwaard onderscheiden.’
(Er viel een stilte. Betrof dit humor?)

Om te beletten dat mijn J&B zou verdampen, dronk ik die in twee slokken uit. Kortstondig voelde ik aldus twee schroeivlekken: in mijn keel en op mijn rechterbovenarm. Simultaan (ik kan ook twee dingen tegelijk doen, al ben ik dan een man, nou: niet-vrouw) keek ik naar de vrouw achter de toog en vroeg me af of en waar ze een tatoeage had. Een roos op de kont? Een draak op de linkse tiet? Getepelpiercet? Bij het neerpoten van mijn lege glas (te hard, te opstandig, iedereen keek verstoord om, vijandigheid alom) bezwoer ik mezelf bovendien daar niét naar te informeren, ook niet na twaalf whisky’s. Alles gebeurt eigenlijk overal en altijd, alle mogelijkheden doen zich permanent voor, hier en ergens anders en nu en later. Als niet-vrouw zou ik daar dus niet naar informeren en tevens zou ik wel en niet luisteren naar die lokaal verdoofde poëet op dat schavotje. (Het is ook altijd uitkijken met podia: op zo’n verhoog kan je het eeuwige leven verwerven of abrupt je leven beëindigd zien, dit even terzijde van het podium). Aldus voortdurend belaagd door kwantum-theoretische gedachten (wie ter wereld had die nu ook?) zag ik mezelf plotseling weerkaatst in de onvermijdelijke gigantische spiegel(s) die vaak in horecazaken onzichtbaar hangen te zijn, vaak tegenover elkaar om diepte te suggereren. Ik draaide me een kwartslag teneinde mijn Geheime Arm in zo’n spiegel stiekem en ten volle te bewonderen. Na tien dagen, had Geraldine me gezegd, en na vele zalfbeurten pas, mocht ik mijn stigma ontbloten en aan de openbaarheid prijsgeven. Het mooiste echter, had Geraldine me toevertrouwd, was daar nooit ostentatief mee ‘bloot’ te lopen, maar te opteren voor een kledingstuk dat alleen maar een uitloper van de tatoeage liet zien. Dan kon een nieuwsgierige desgewenst… etc… etc…

Ik gebaarde nog eens hetzelfde, want het was mijn feestavondje en ik zou in deze kuststad overnachten in hotel Celtic. Intussen murmelde de dichter verder over en uit zijn Eigen Meesterwerk. Ik telde dertien klanten die tot luisteraar veroordeeld waren. Enkelen ervan keken moeilijk. De anderen, zo te zien ruigrockers, keken wanhopig verlangend, en hun wanhoop en verlangen betrof het einde van die godgenagelde spreekbeurt.

Toen brak eindelijk bevrijdend geroezemoes los, de dichter struikelde levend en wel van zijn schavotje en de waardin sloeg strijdvaardig een keukenhanddoek over haar linkerschouder: het volle leven nam weer een aanvang.
‘Wat vond ge d’ervan, hé?’
Ik werd onbevangen aangesproken door een kolos met een hangsnor, waartussen ik een gerolde peuk ontwaarde.
‘Niet mis voor een zwaardvis.’
Ik kapte mijn inmiddels volgende whisky achterover.
‘Zijt ge nu aan ’t lachen?’ informeerde de kerel donker.
‘Wat?’
‘Lacht ge nu?’ (Een klemtoontje dreigender)
‘Bah neen. Ik … ‘ (Ik ontwaarde plotseling enige gelijkenis tussen deze grote man en de dichter: ze waren beiden ros van haren en beiden bereikten een zekere lengte, maar de dichter was mager gebleven).
‘Ge moet het maar zeggen, hé.’
Hij plukte de peuk van tussen zijn snorharen, blies de rook in mijn gezicht en bood me vervolgens een claustrofobisch panorama op zijn rug. Ik eyeballde even gespeeld-verbaasd de waardin, die me een kille, vernietigende blik gaf. Toch kreeg ik op mijn wenken een volgende zuiltje gouden geluk.

Even later schaarde die Snorremans zich met enkele kompanen rond een boomtronk, waar ze om de beurt met een hamer nagels in dreven. Het betrof een geheimzinnig spel, dat ik nooit goed begrepen had. Af en toe incasseerde ik dreigende blikken vanuit die hoek. Ik had de indruk dat die boomtronk mijn kop verbeelden moest. De dichter had inmiddels het pand al verlaten, na door niemand aangesproken te zijn.

Werd het geen tijd voor mij om weer eens te verkassen? Die tijd begon vloeibaar door elkaar te lopen. Ik hoorde de geluiden dikker worden. Ook mijn ruimte nam bij wijlen al eens andere meetkundige vormen aan – met name mijn velden begonnen te variëren en te fluctueren. Net toen ik besloot op te stappen, werd ik eensklaps ingepalmd door de expressionistische gedachte deel te nemen aan dat geheimzinnige hamer- en nagelspel. Ik kon immers beide realiseren: terwijl ik opstapte, even deelnemen, of, andersom, eerst deelnemen en daarna opstappen. Dat betrof een prima gedachte. Ik besloot het sjabloon waarop deze gedachte steunde voor toekomstig gebruik te bewaren.

De Snor viel zowat achterover van verbazing toen ik hem om zijn hamer verzocht – ‘Geef een keer hier dat ding’ – en tot mijn eigen verbazing bevond ik me inderdaad tussen drie ruige kustkerels rond de boomtronk.
‘Wàt?’
‘Geef een keer dat ding.’
Verbazing tackelde woede: ze waren zo overdonderd dat ze me de hamer overhandigden.
‘Kent ge de regels?’
‘Ik klop er niet naast. En ik leef tussen de regels.’
‘Jaja, daar gaat het niet over, zwaardvis.’
‘Er hangt plastiek uit uw mouw.’
Ik propte het cellofaan weer onder mijn T-shirt en besefte plotseling dat ik al geruime tijd geen schroeipijn meer voelde.
‘Hang je-gij met plastiek samen misschien?’
Zeemansgebulder rond de tronk. Van achter de toog de schelle lach van de vrouw. Ik hief de hamer en tegelijkertijd flitste het door mijn hoofd dat ik mijn boekje over kwantumtheorie bij Geraldine laten liggen had.
‘Godverdomme,’ mompelde ik.
Tot driemaal toe zwierde ik de hamer in een baan om mijn hoofd, wetende dat een zwaarder voorwerp zijn eigen tijd en ruimte veroorzaakt. In deze gloednieuwe kortstondige eeuwige ruimtetijd deed zich een visioen aan mij voor waarin een draak op een kont en een roos op een tiet figureerden, terwijl in een coulisse die helle lach versterkt opflakkerde. Dat heelal bezorgde me een opstoot van kracht en energie.

In één klap zag ik het hele interieur verdwijnen, boedel en gasten inbegrepen: mijn hamer had zoveel kracht ontwikkeld dat hij reeds de grote muurspiegel achter de toog versplinterde terwijl ik nog dacht dat ik hem in mijn hand had en de tegenliggende muurspiegel aan de achterwand simultaan deze vernietiging weerkaatste. Post-nucleaire stilte gevuld met gesuizel van daarnet neervallende spiegelsneeuw daalde één lange seconde neer in café Shakespeare.
Een flits van luciditeit vertrekkend vanuit het ene hersenspoortje dat nog niet met whisky gecontamineerd was, bood me deze accolade:

* onbekend in deze stad
* onzichtbare tatoeage
* verrassing

RUN

Ik sneeuwde pijlsnel het pand uit.
Pijlsnel sneeuwde ik het pand uit.

Werd ik achternagezeten? Waren ze te verrast? Was ik te snel?
Ik kwam terecht in een nieuw veld van stadsdreun, duisternis, lichtorgels, geruis van water en ondanks het klonterige gevoel in mijn benen evolueerde ik immer voorwaarts gestuwd als was ik de haas van Baron von Münchhausen die zich op zijn vlucht plotseling op zijn rug draaide en over vier extra poten bleek te beschikken. Maar toen ik uiteindelijk geen snelheid genoeg meer ontwikkelde, werd ik vermoord op de hoek van de Negende en de Vijftiende Straat op de eerste avond van de Week van de Huilende Maan.

Ik bleef ook perplex staan.
Perplex bleef ik ook staan.

Maar het volgende ogenblik lag ik te gronde. In deze totaal wanordelijke en pijnlijke constellatie dook die rosse borstelsnor als constante op. Ik werd een schroeivlek op deze aarde, het voorwerp van gewelddadige aandacht, en toch, en toch, het vege lijf kan maar op één plek tegelijk pijn hebben. Verdomde pijn: ik belandde in een duister veld, een dreigend stratenplan dat ik niet herkende, het regende gloeiende sintels, en ondanks dat bereikte ik een troostende straat-zonder-einde die de Negende heette, de slagen en verwonderingen ten spijt. Maar toen ik toch helemaal op het einde kwam, werd ik vermoord op de hoek van de Negende en de Vijftiende Straat op de eerste avond van de Week van de Huilende Maan.

KWANTUM!

JORIS DENOO

Geschreven door Joris Denoo om 15:22 Stuur door

Blaren

BLAREN

 

Halfweg oktober verschenen weer de openbare bladkorven in de stad. Zo ook de korf ter hoogte van de huisnummers 83 – 95 in de Donderdagstraat, op de jaarlijkse vaste stek tussen twee pokdalige bomen die zienderogen hun definitieve schorsing naderden. Hun bladeren zouden het niet lang meer volhouden. De korven op de begane grond sperden hongerig hun muil. Bladerdeeg was in de maak. De lange Donderdagstraat telde in totaal vijf korven, alle neergepoot in de gras- en boomstrook aan de ene kant, waar de eerder bescheiden woningen een voortuintje hadden. Die kant werd soms de drollenkant genoemd, om duidelijke redenen. Aan de overkant was er geen plek voor bladkorven; daar was alleen het kale trottoir. Dat was de kant van de grotere huizen met de oprijlaantjes en de afgeschermde tuinen. Sommige verdienden de benaming villa of bungalow.

Aan elke korf was een geplastificeerde mededeling met tweemaal twee stevige uitroeptekens bevestigd: ‘Alleen voor straatbladeren!! Geen takken of tuinafval!!’ Twee à drie keer per herfst werden de korven geledigd door de stedelijke groendienst. Wanneer de betrokken boomkruinen op röntgenfoto’s begonnen te lijken, werden ze weer opgehaald.

Mijnheer 76 – door de buurt zo genoemd; alleenbewoner van het bewuste huisnummer – verscheen op een onbewaakt duister ogenblik ’s ochtends heel vroeg van achter zijn driedubbele groene hagen- en struikenverschansing. Gemutst, gehandschoend en gelaarsd duwde hij een volgeladen kruiwagen voor zich uit, met bovenop de benodigde werktuigen. Hij scande de omgeving en stak dan de straat over naar de likkebaardende bladkorf. Het ding had nog een grote honger, want het stond er pas sinds gisteren. Mijnheer 76 greep naar zijn korte schop en zijn vuilblik en nam daarmee grote happen uit zijn voorraad afvallige tuinkweek, die hij kwiek overhevelde naar de gretige korfmuil. Aldus gebeurde dit driemaal in de tijdspanne van vijftig minuten. Alleen drie eenzame fietsers, een brommer en twee auto’s hadden het verkeer uitgemaakt. Het eerste spitsuur moest nog aanbreken. Bevrijd en tevreden kruide Mijnheer 76 ten derden male huiswaarts. Vanop zijn eigen trottoir keek hij nog eenmaal om, naar de goudbruine blarenberg die de korfmuil nu voor welhaast negentig procent vulde.

Dat was helemaal niet naar de zin van enkele bewoners aan de drollenkant. Andermaal was het gebeurd. Hun was de bladkorf!! Alleen straatbladeren!! Ze verdachten Mijnheer 76 al langer van bijbedoelingen op nachtelijke wandelingen met zijn hazewinderig greyhoundkoppel, maar nu ook nog dit! De eco-wandaad was niet alleen via twee smartphones gefilmd vanuit de huisnummers 89 en 91, maar het bladerdeeg zelf in de korf betekende puur heterdaadbewijs. Niemand anders in de Donderdagstraat had immers zulke bomen en struiken staan. Bovendien meende mevrouw Dendoncker (huisnummer 87) dat ze tijdens een van haar nachtelijke plassessies de herkenbare gedaante van Mijnheer 76 ontwaard had, die inderdaad een kruiwagen voor zich uit duwde. Beide silhouetten klopten. Ze deelde dit na ietwat aarzelen volmondig mee aan de buren. Het was extra bewijsmateriaal. Er diende ingegrepen te worden.

De wraak van de drollenkant stond volledig in het teken van honden en korven. Gedaan met boze mailberichten naar de stedelijke groendienst, waar toch nooit reactie op kwam, laat staan actie.

Actie!! Met twee uitroeptekens!! 

Op een maanloze nacht waadden drie mannen met bivakmutsen met enkele welgemikte zwemslagen door de driedubbele hagen- en struikenverschansing van het huisnummer 76. Hun wraakbenodigdheden: drie muilkorven, een hangslot met cijfercode, een kilogram vleselijke lokspijs dessertje inbegrepen en een plastic vuilniszak gevuld met dorre bladeren die uit de bladkorf werden geoogst. Na de overtocht van de groene zone kraste een van de drie in een deugddoende opwelling met zijn huissleutel nog een litteken van bijna anderhalve meter in het koetswerk van de hemelsblauwe sportbolide van Mijnheer 76, die bij dit milde herfstweer op de oprit mocht overnachten. Het gekras klonk als zielenzalvende muziek in de oren van het wraaklustige trio. De chique verwarmde hondenkennel in het appelboomgaardje even verderop was een kolfje naar de hand voor een andere wraaklustige. De lokspijs – een lekkere mix uit de gastronomische zevende hondenhemel – vond onmiddellijk zijn weg, waarna de andere twee handlangers doorheen het spijlenwerk de muilkorven aanbrachten, dankzij de extra inbreng van een heerlijk slaapverwekkend snoepdessertje. De honden – murw gevoed, gemuilkorfd, onder invloed – hadden zelfs niet eens een maan om naar te janken. Daarna slopen de wrekers richting eco-misdrijver. De achterkant van het grote huis bood een aantal invasiemogelijkheden. Twee van de drie gedaantes hadden voor hun pensionering een beroep uitgeoefend dat uiterst geschikt bleek in dit verband. Daardoor stond het drietal in een mum van tijd aan de verlichte sponde van Mijnheer 76. Diens lawaaierig geslaap veranderde in hevig schrikgesnurk bij het daadkrachtige toedienen van de muilkorf. Hij veerde bruusk rechtop en gaf daardoor de kans aan het trio om ook het hangslot als kroon op het werk (of korf op de smoel) te bevestigen. Twee inbrekers hielden hem in bedwang, terwijl de derde de riempjes met het cijferslot verbond. Mijnheer 76 protesteerde op alle mogelijke manieren, variërend van pppfffmmmpggg! tot mmmhhhrrrssss!, maar de drie drukten hem onverbiddelijk weer op de bedstee terneer, terwijl de leidinggevende dwingend een vinger op zijn lippen legde en hem sussend aanmaande te zwijgen. Toen de gemuilkorfde eindelijk deed wat hem getoond was te doen, schudde het drietal de inhoud van de vuilniszak over zijn vege lijf uit.

Tijdens deze korte maar heftige acties werd geen woord gewisseld. Er vielen alleen wat klanknabootsingen, en de bladeren die ten tweeden male in dichte drommen naar beneden sneeuwden, veroorzaakten een zacht geritsel.   

Driemaal twee priemende vingers dreigend waarschuwend vertrekkend van de oogholtes van de bivakmutsen richting Mijnheer 76 hielden die aan zijn slaapplaats gekluisterd, waarna het trio door het nachtelijke duister werd opgeslokt.

De korfmuil ter hoogte van de huisnummers 83 – 95 in de Donderdagstraat sperde zich ’s ochtends weer hoopvol.

JORIS DENOO

Geschreven door Joris Denoo om 00:00 Stuur door

Kruistocht

KRUISTOCHT

‘Er hebben mannen aan ons gezeten.
Sommigen lieten zich broeder noemen.
Anderen vader.
Met hoofdletter.
De V van Vader, Varken, Vlaanderen.
Ze waren de geroepenen, de uitverkoren zonen
van een zwijnenstreek, bezaaid met kerken en kapellen.
Beroep: priester.’

‘Wij vervloeken de kerken, die kerkers die als boetezegels het landschap ontsieren of die op centrale plekken als pretentieuze gedrochten in de weg staan, alsof ze het middelpunt van alles en iedereen zijn. Wij ‘vieren’ geen ‘missen’ opgedragen door ‘dienaren van het woord’ in bevlekte kazuifels en gekke carnavalkleren. Wij nagelen zelf de kerk en haar dienaars zonder hoofdletters met enkele welgemikte slagen aan het kruis. Wij kennen geen genade voor de rukkende biechtafnemers, kwijlende huichelaars, zwartgerokte verkrachters en met bloed en zaad bevlekte soutanedragers die de mensen verplichten op de mooiste ogenblikken van de week naar hun kille kerken te komen om boete te doen en die op de topmomenten van zoveel mensenlevens met hun geile poten de zaak menen te moeten bekruisen vanwege een vage uitsluitend mannelijke god. In naam van de mensheid en de menselijkheid walgen wij van het beroep van eredienaar van de heer, waarbij wij geen heilige hoofdletters gebruiken. Wij vergeten nooit de misdaden die de kerk met overspannen metaforiek, vals zalvende bezweringen en mantels van huichelarij en vergoelijking en vergetelheid en ontkenning en verjaring toedekt. In hem, met hem en door hem: mijn kloten.’


Jezebel Malbien wou er eerst een gedicht van maken. Zo’n beklijvend repetitieve aanklacht. Typografie als overtuigingsmiddel. Krachtige regels die op zichzelf staan. De tekst evolueerde echter naar stevig proza. Zoals op een pamflet. Woede wekte steeds meer grimmige beelden op, ten strijde tegen de holle retoriek van een zelfverklaard heilig instituut dat vooral voor geilheid stond. Zie: daar kwam een tweede gulp.


‘Er waren ook goed verborgen vrouwen.
Ze noemden zichzelf zuster.
Soms moeder.
Met hoofdletter.
De M van Moeder Aarde.
Ze knarsten hun gele tanden bij het liplezen,
monden snoeren en grondig boetedoen op kniehoogte.
Ze predikten droogte en schraalte onder hun beulskap.
Beroep: non.’


‘Wij vervloeken ook de kloosters, die burchten die getemde bruiden, gedroogde zuurpruimen en valse prevelvrouwen bewaren tot hoge leeftijden. Wij misprijzen deze mummies om godswil, deze zielloze egotrippers op weg naar een eeuwig leven voor zichzelf, baarlijke duivelinnen gehuld in de wapperende vanen van een kwalijk walmend bijgeloof. Deze aanbidsters van de werkeloze pauselijke teelballen wurgen liefdeskinderen in de wieg en smoren mensdom in de kiem. Moge een oudtestamentische plaag in de vorm van snorrende en splittende schaamharen over ze komen!’

Nee, bij Jezebel Malbien moesten ze evenmin afkomen met de Dalai Lama, verkoper van warme lucht met één ontblote arm, de zogenaamde ‘rockpriester’ Père Gilbert, promotor van zwarte leren jacks, of enig ander religieus addergebroed dat maar al te graag de voorpagina’s van le beau monde ontsierde. Ze droegen allemaal een of andere vermomming om het goedgelovige volk te misleiden. Kijk: een motorpriester! O, een kickboksende non! Betroffen overigens de ergste oorlogen en conflicten op aarde niet religie? Kruistochten… Heilige Oorlogen… Inquisitie… IRA… IS…


Ik zal ze eens zo hard in hun kruis tasten dat ze achterstevoren halleluja krijsen, die vermaledijde bisschoppelingen en moederachtersten.


Jezebel Malbien stond op, klapte haar dagboek dicht, deed haar schoenen uit, spoot er lysol in, stommelde de trap op en zette die bij de andere tachtig perfect gerangschikte paren in de open kast op de overloop. Daarna waste ze aan de lavabo op de badkamer haar handen driemaal en goot dan wat Dettol in de wastafel, waarna ze het spul met droge doekjes weer grondig wegwerkte. Nadat ze vijfmaal om haar eigen as gedraaid had, waste ze haar handen nogmaals. Met de kam die onveranderlijk achter de waterkraan lag, pijnlijk nauwkeurig met de tandjes in de juiste richting, kamde ze achtmaal haar wenkbrauwen: vijfmaal rechts (vanuit haar eigen oogpunt), vijfmaal links, daarna nog driemaal rechts en driemaal links. Daartoe hield ze haar gezicht vlak bij de lavabospiegel. Daarna deed ze twee stappen opzij, bukte zich en draaide de kraan van het bad open op de warmste stand. Ik doop u… Het geklater van water overheerste nu het gesmoord geroep. Ze reikte naar de pul Dettol, schroefde de dop er nogmaals af en goot nu de volledige inhoud in het bad. In de naam van de vader… Na exact viermaal uitdrukkelijk met haar beide ogen geknipperd te hebben, waarvan akte in de lange smalle spiegel naast de badkuip, draaide ze zich linksom en duwde met haar middelste rechterknokkel de lichtschakelaar uit. Het doffe geroep werd nu heviger. De deur van de badkamer bleef op een brede kier van 40 centimeter staan. Jezebel keek nog eenmaal achterom om te controleren of het licht echt wel uit was. Een geur van ontsmetting walmde haar in het gezicht. Op haar blote voeten daalde ze de trap af. Het gecombineerde geluid van klaterend badwater en gesmoord geroep nam per trede af. Beneden ruimde ze de tafel af. Ze spoelde de twee glazen zorgvuldig om, droogde die af en zette die terug in de kast. De lege fles Apple Whiskey Jack Daniel’s verhuisde naar de flessenmand aan de achterdeur.


Het enige verschil tussen de strak ingebonden, monddood gesnoerde, geboeide en stevig ondergedompelde priester Perikles Deboeck (wat een overschatting van diens ouders bij de keuze van zijn voornaam!) en de bekende Bijbelfiguur Lazarus was dat genoemde badgast niet uit de doden op zou staan. Zijn klerikale overjas (die onbestemde kleur tussen grijs en zwart) bolde op als een zeil. Daaronder hing zijn hulpeloze lijf te snakken naar een eeuwigheid die hij zelf in levenden lijve gepredikt had. Hij had de strijd tegen badwater, Dettol en Jezebel verloren. Hij hing in de touwen.


In het trainingshok achter het keukentje hupte Jezebel vijfhonderd keer in het springtouw. Vijfhonderd keer dook door het raampje de berg aarde in de tuin op. Ze drukte zich dan dertigmaal op, waarna ze nog driehonderd keer beurtelings op haar linker- en rechtervoet hupte met in elke hand een gewicht van drie kilogram. Onder het trainen kreeg ze een ingeving. Ze holde de trap weer op.

Het was een koud kunstje geweest om Perikles naar boven te lokken. De moeilijkste klus bestond er nu in… Het badkamerraam gaf uit op de tuin. Natuurlijk. Dat ze daar niet eerder aan gedacht had.

Malbien, Jezebel: eerste meisjesmisdienaar in de katholieke Sint-Mauritius parochie (waar de priester Perikles Deboeck de plak zwaaide, opgezweept door zijn fascinatie voor heilige maagden), op 15-jarige leeftijd provinciaal opstelkampioen, na afgebroken studies Psychologie vrijwilliger bij de Landcomponent (huidige graad korporaal-chef), momenteel ook actief in de 11de gewichtsklasse boksen (71 t.e.m. 75 kg) met acht gewonnen kampen, publicatie in eigen beheer: ‘Knock-knock-knocking in kaki’, werkt thans aan opvolger: ‘Mijn kruistocht in kaki’.

JORIS DENOO

Geschreven door Joris Denoo om 09:23 Stuur door

Schuilen

SCHUILEN VOOR DE REGEN

(NIET GRAAG OPSTAAN)

Ik zou eigenlijk heel graag over de mensen schrijven met wie ik in contact kom of kwam in de loop der tijden. Het probleem hierbij is dat ik bij voorkeur hun echte namen wil gebruiken, maar dat ze dat niet graag zullen hebben. Ik spreek en schrijf hierbij uit ervaring. In dit verhaal gebruik ik dus schuilnamen. Ikzelf hanteer ook een pseudoniem. Als mijn personen mogen verhullen wie ze zijn en dus personages worden, dan mag ik dat ook.

Waarom is men gewoonlijk ontgoocheld als men zichzelf in een verhaal ziet opduiken? Ik pareer deze vraag met een wedervraag: maar hoe komt het dat het boek altijd beter is dan de film? Vertaald in deze context: in de ogen van een persoon is het echte leven veel beter dan dat het kan weergegeven worden in woorden. Zoals het boek zich verhoudt tot de film, zo verhoudt het leven zich tot fictie. Men wil er altijd mooier uitkomen dan men in werkelijkheid is. Men had dus gehoopt op het tegendeel. En dat wordt een ontgoocheling. Omdat men dacht dat de auteur het de moeite waard vond u (ja: u) te ‘gebruiken’ in een verhaal. Omdat u zo speciaal was. Belangrijk. Niet dus. Taal is kaal. Literatuur is geen kapsalon of schminkcoulisse waar mensen tot personages opgetut en ingekleurd worden. Leven is mooier. Omdat het niet perfect is. En literatuur wil dat wel zijn. Dus wordt zij lelijk. Jammer voor haar personages. Ik ga dus schuilnamen gebruiken.

Het idee voor dit verhaal vlamde op tegen een achtergrond van driewerf gruwen:  op een maandagvoormiddag, in een begijnhof, tijdens rotweer. Meer wil ik er niet over kwijt. Schuilen was de boodschap. Hoewel ik eigenlijk toch van maandagen, begijnhoven en slecht weer hou. Maar niet dan. Nou: vlug naar huis om dat verhaal te schrijven. Hier komt het.   

In alle verhalen van mijn hand komt niemand die ik ken heelhuids voor. Ik gebruik alleen onderdelen: haren, ogen, handen, benen, prothesen, schoenen, tics, karaktertrekken, stopwoorden. Wensen die ze geuit hebben. Dingen die ze gezegd hebben. Straten waar ze wonen. Andere mensen die ze kennen. Huisdieren die ze hebben. Dat wordt nu even anders. Hier komt Jorike Spinjaert, tot de tanden gewapend met herkenbaarheid.

Een ‘doorleefde karakterkop’ wordt het vaakst op de romp van een man verondersteld. Zo’n gefotoshopte oudjonge halfgrijsaard waarboven wat peper-en-zout uit de midlife keuken is verneveld, wordt wel eens in reclame voor bijvoorbeeld een streekbier ten tonele gevoerd. Men mag hierbij een viriel leven vermoeden, een aanvaardbaar gehalte aan hanigheid. Naar een vrouwelijke variant daarvan is het lang zoeken. Als ze er al eentje uitpikken, is dat gewoonlijk in verband met rimpelvorming en licht urineverlies. Jorike Spinjaert komt zeker in aanmerking om de tv-avonden van het kijkvee om de haverklap te onderbreken met haar verschijning. De wallen onder haar ogen zijn geen jaarringen, maar lauwerkransen. Haar halflange garçonnehaar lijdt niet aan kleurenblindheid. Het kan rood zijn, of inktblauw, of plotseling gele wegmarkeringen vertonen. Haar ogen zijn kogels waaronder je graag sneuvelt. Midscheeps heeft ze twee prachtige vooruitzichten. Honderden pakjes sigaretten geleden heeft intens volleybal haar benen definitief vormgegeven. Een kamer is vol van haar wanneer ze binnenkomt. Haar nabijheid kan andere persoonlijkheden uit doen doven. De tand des tijds zou zich voorwaar nog stuk kunnen bijten op haar.   

Jorike heeft een dochter die hobbyistisch paardrijdt en met iemand samenhokt van hetzelfde geslacht. Kim woont samen met Kim. Een moderne relatie tussen twee vrouwen met eenzelfde voornaam. Het paard heet Replay en staat op stal in manege Elzenhove, eigendom van een welvarende oom van de ene buur van Jorike. Over haar onzichtbare man vertelt ze dat hij kapitein ter zeer lange omvaart is. Dit gaat telkens gepaard met de kringelende rooksignalen van haar zoveelste sigaret, die ze afwisselend tussen de linker- en de rechtervingers houdt. De goede verstaander weet dan meteen dat de kerel de Kaap van de Goede Hoop nog niet heeft gerond. We horen water klotsen, golven donderen. Wellicht duikt hij ooit fel gehavend weer in haar leven op. De vraag is of zij dan bereid is een reddingssloep uit te zetten. Wellicht niet. Er wordt gefluisterd dat de bedstee van die ene buurman haar reddingssloepje is. Dat is niet waar. Dat is heel zeker niet waar. En wel om een bepaalde reden. Misschien was het op een oudejaarsavond even wilde zee. Misschien. Maar eens een leugen de wereld in gezonden is, is er geen retourpost meer mogelijk. Zelfs niet in een middelgrote stad, eeuwen na heksenverbrandingen en waterproefrechtspraak.

Perfectie is saai. Jorike Spinjaert draagt een geheim met zich mee. Soms vertoont ze er gewenning aan. Zoals aan een huisdier. Soms bespringt het haar weer. Zoals bij een aanval in de rug of een stomp in de maag. Een spook uit het verre verleden is teruggekeerd. Ze heeft niet minder dan twee onzichtbare vriendinnen nodig om dit defect te bezweren. Met niemand anders kan ze er over spreken. Wakker worden vormt de moeilijkste hindernis. Is het weer van dat? Een allereerste veel te vroege sigaret bezweert die donkere gedachte bij het krieken van de ochtend. Jorike slaapt niet veel. Als ze dat al doet: onrustig. Ze is gewoonlijk ontstellend vroeg wakker en ze gaat adembenemend laat slapen. Van nachtrust is er vrijwel geen sprake. Het is eerder een interval tussen twee dagen. Het lijkt wel alsof Jorike met opzet de nachten inkort en de dagen veel langer doet duren. Jorike Spinjaert kan ook niet tegen regen. Absoluut niet. Zelfs bij motregen gaat ze ijlings schuilen.

Amber, wat heb je nu weer gedaan? Jorike – sigaret in de mond – stroopt het bed helemaal af. Als een mestkever rolt ze grote proppen, die ze daarna in de muil van de wasmachine duwt. Het reinigende gorgelen en zwieren kan beginnen. Ze mikt haar peuk in de wc-pot en opent alle mogelijke vensters. Het moet tochten. Koffie, koffie.

‘Amber, toch: foei! Wat heb je nu weer gedaan?!’
‘Maar ik kan dat toch niet helpen?’
‘Leer je beheersen.’
‘Makkelijk gezegd.’
‘Er bestaan ook onderleggers. Matrasbeschermers. Pampers. Absorberende broekjes.’
‘Ja ja, al goed. Ik maak er werk van.’
‘Eindelijk. Want de bui komt als een dief in de nacht. Twee weken niks, en dan… sproeitijd.’
‘Je zus Olivia wordt elke ochtend poederdroog wakker. Neem daar eens een voorbeeld aan.’
‘Je weet net zo goed als ik dat ook zij niet bestaat.’
‘Jij bent de natte! Dat kost je een sigaret!’
‘Neem er nog maar eentje. Denk je dat het helpt?’
‘Het is nog maar mijn derde. Ik zal verminderen.’
‘KimKim komen straks. Zorg maar dat het hier niet meer stinkt.’
‘Alle vensters boven staan open. De rook kan zo… ‘
‘Ik heb het over pis.’
‘Ik wil dat woord nooit meer horen, Amber!’
‘O, heb je liever urine dan?’
‘Vreselijk.’
‘Ja hé? Zo’n lelijk woord. En dat voor zo’n mooie vrouw.’
‘Dat vindt Olivia zeker ook?’
‘Ja. Zeg: zorg dat KimKim niet op de slaapverdieping komen. Er zijn ringen op je matras te zien.’
‘Gaan die er nog uit? Zoals de vorige keren?’
‘Dat wordt jammer genoeg weer een nieuwe matras, vrees ik. Verander eens van winkel; ze beginnen het raar te vinden.’
‘Luister naar het gezoem van de wasmachine.’

Jorike roert treurig in haar koffie. Er vormt zich een morskringetje om haar kopje. Ze neemt het schoteltje apart en giet het voorzichtig in het kopje uit. Dat pakje sigaretten binnen handbereik zal vandaag weer volledig verdwijnen. Er zal nog een tweede nodig zijn dit etmaal. Ze hoeft er niet voor de deur uit. Gelukkig, want het regent weer. Onverdroten verdriet.

‘Nog een slokje koffie, Amber?’
‘Nee, dank je, en je weet wel waarom.’
‘Maar het is pas ochtend. En jij, Olivia?’
‘Nee. Ik wil droog blijven.’

Rond negen uur komen KimKim afscheid nemen. Ze vertrekken op reis. Malta. Misschien plukt dochter Kim nog wat uit de kasten boven op haar oude kamer om mee te nemen. Een bikini om in ere te herstellen. Een vergeten paar waterschoenen. Jorike spoelt het kopje om en sjokt de trap weer op. De ene helft van het tweepersoonsbed is opgemaakt. Dat is het droge terrein van de kapitein ter zeer lange omvaart. De andere helft is ingenomen door haar. Ze neemt de handvatten van de ontblote matras vast en sleurt het ding net zo lang in het rond tot het de gewenste modus heeft bereikt: omgekeerd liggend op haar bedhelft. Nu is alleen nog een oude vochtring vaag zichtbaar. Even rust nu.

Plotseling gaat de bel. Te vroeg. Zware bewolking trekt over Jorikes gezicht. Over haar ruggengraat golft een ijskoude ola.

Het was een scheepsbel.

JORIS DENOO

Geschreven door Joris Denoo om 00:00 Stuur door

Meer van VRESELIJKE VERHALEN

↑ Terug naar de berichten